CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

25.2 Bijlage Eindrapport Rheden onderzoek toegang Wmo en Jeugdhulp.pdf

1.2 Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente RozendaalBij agendapunt: Ingekomen stukken, terugkoppeling uit gemeenschappelijke regelingen en overige mededelingen29.738 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

Toegang tot de Wmo en Jeugdzorg

REKENKAMERCOMMISSIE

februari 2022

Eindrapport Onderzoek toegang Wmo en jeugdhulp Rekenkamercommissie Rheden

Colofon Auteurs: Gerard Nieuwe Weme Demet Akpinar Esra van Koolwijk Yorick van den Berg

B&A B.V. Bezuidenhoutseweg 161 Postbus 829 2501 CV Den Haag t 070 - 3029500 f 070 - 3029501 e-mail: info@bagroep.nl http: www.bagroep.nl

© Copyright B&A B.V. 2022. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Op alle opdrachten en werkzaamheden zijn de Algemene voorwaarden van B&A B.V. van toepassing, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Haaglanden onder dossiernummer: KvK Haaglanden 27177844. De Algemene voorwaarden treft u als bijlage aan en kunt u tevens inzien op onze website, www.bagroep.nl. B&A is gevestigd in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam.

Inhoudsopgave Samenvatting

4

1. Inleiding en onderzoeksverantwoording

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Onderzoeksvragen

7

1.3

Normenkader

8

1.4

Onderzoeksverantwoording

8

1.5

Leeswijzer

12

2. Bevindingen perspectief inwoners

15

2.1

Inleiding

15

2.2

Ervaringen met de toegang tot de Wmo en jeugdhulp

17

2.3

Toetsing aan het normenkader: Wmo

20

2.4

Toetsing aan het normenkader: Jeugdhulp

21

3. Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

25

3.1

Inleiding

25

3.2

Inrichting toegang Wmo en jeugdhulp

27

3.3

Ervaren kwaliteit van de toegang (Wmo en Jeugd)

36

3.4

Toetsing aan het normenkader

38

4. Bevindingen gemeentelijke doelen en ambities

43

4.1

Inleiding

43

4.2

Bijdrage van toegang aan realisatie van gemeentelijke doelen Wmo en Jeugdhulp

43

4.3

Informatiepositie en betrokkenheid raad bij de toegang Wmo en Jeugdhulp

52

4.4

Toetsing aan het normenkader

53

5. Bevindingen bedrijfsvoering en taakinvulling toegang

57

5.1

Inleiding

57

5.2

Effectieve en efficiënte inrichting toegang Wmo en de jeugdhulp

57

5.3

Samenhang toegang Wmo en jeugdhulp met inkoop en bekostiging

59

5.4

Percepties partners over de toegang Wmo en jeugdhulp

61

5.5

Mogelijke verbeterpunten toegang Wmo en jeugdhulp

62

5.6

Toetsing aan het normenkader

63

6. Conclusies en aanbevelingen

67

6.1

Inleiding

67

6.2

Conclusies

67

6.3

Aanbevelingen

68

7. Bestuurlijke reactie

70

8. Nawoord

75

Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen

77

Inhoudsopgave

3

Samenvatting Het doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in de effectiviteit en efficiëntie van de toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdhulp, hoe deze door hulpvragers wordt ervaren en in de kaderstellende en controlerende rol van de raad waar het gaat om de toegang. De centrale onderzoeksvraag is: “Heeft Rheden de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp effectief en efficiënt georganiseerd vanuit het perspectief van gemeente en hulpvrager?” Het onderzoek is gestart met een documentenstudie gevolgd door interviews, casusonderzoek, een ontwikkelkamer voor professionals en een reflectiesessie met de gemeenteraad. Bevindingen Algemeen Bij de gemeente zijn weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar op basis waarvan de efficiëntie en de effectiviteit van de toegang kan worden bepaald. Dit komt mede door het ontbreken van streefwaarden en een nulmeting. Tot eind 2020 was beperkt sprake van een efficiënte inrichting van de toegang tot de Wmo en de jeugdhulp gezien de grote overschrijdingen van afhandeltermijnen bij de toegang. Sinds 2021 is de inrichting van de toegang fors aangepast, door naast de gemeente ook via Incluzio een groot deel van de eerste contacten en hulpvragen te laten oppakken. Daarmee is formatie toegevoegd bij een nagenoeg gelijkblijvend aantal maatwerktrajecten. Conclusie 1.

Informatie is zeer beperkt voorhanden waardoor de gemeente onvoldoende zicht heeft op de efficiëntie en effectiviteit van de toegang tot Wmo en Jeugdhulp Het gebrek aan concrete doelen en streefwaarden en monitoringsgegevens maakt het lastig om te toetsen hoe effectief en efficiënt het beleid wordt uitgevoerd. Raadsleden krijgen vooral financiële informatie en geven aan onvoldoende kwalitatieve en kwantitatieve informatie te ontvangen over de effectiviteit en efficiëntie van de toegang. Zij hebben onvoldoende zicht op het effect van de inrichting en uitvoering van de toegang. Raadsleden ervaren hierdoor weinig grip op de toegang en vinden dat zij hierdoor onvoldoende hun controlerende taak kunnen uitvoeren. Conclusie 2. Het ontbreekt aan een duidelijk doel waaraan de toegang van Wmo en jeugdhulp een bijdrage moet leveren. Dit vertaalt zich in de uitvoering: betrokkenen handelen op basis van eigen inzicht. Het ontbreken van duidelijke doelen die de toegang (mede) moet bereiken, maakt het formuleren van een opdracht naar de toegang en bijvoorbeeld een partner ingewikkeld. Mede daardoor handelen de verschillende actoren in de toegang tot de Wmo en jeugdhulp naar eigen inzicht. Eenieder draagt op zijn of haar manier naar beste wil en kunnen een steentje bij. Echter niemand overziet het geheel en verwachtingen komen daardoor niet bij elkaar.

De vele personele wisselingen bij de actoren in de toegang versterken dit gebrek aan overzicht en eenduidige uitvoering. Conclusie 3. Iedereen wordt geholpen, maar tijdigheid en kwaliteit van het toegangsproces is sterk voor kwaliteitsverbetering vatbaar Uit het onderzoek komt een beeld naar voren dat bewoners van tevoren niet altijd de weg kenden naar de hulp. Het merendeel van de gesproken bewoners vond dat de hulp niet of slechts gedeeltelijk op tijd kwam. Alle gesproken bewoners hechten veel waarde aan een vast aanspreekpunt en goede klik met de consulent en aanbieder van hulp en ondersteuning. Nagenoeg alle gesproken bewoners geven aan last te hebben van de grote hoeveelheid wisselingen in consulenten en hulpverleners, een vast gezicht wordt

Samenvatting

4

gemist. De paar bewoners die wel een vaste consulent hebben, geven aan dat deze vaste contactpersoon heel belangrijk is. Bewoners vinden het van belang dat na afgeving van de beschikking contact wordt opgenomen door de consulent om te vragen naar de ervaring met de hulp. Zeker wanneer een ziektebeeld progressief is, wensen bewoners een proactieve rol van de consulent. Raad en college: Aanbeveling 1: Benoem de doelen waar de toegang aan moet bijdragen, stel bijpassende indicatoren en streefwaarden op en verantwoord hierop. Benoem op welke wijze de toegang bijdraagt aan de doelrealisatie en stel bijpassende indicatoren en streefwaarden op en voer een nulmeting hiervoor uit. Maak hiermee de verantwoording waarmee de raad kan toetsen of en in welke mate de toegang bijdraagt aan de doelen (effectiviteit) en of de toegang efficiënt is. Het voorstel voor het te volgen proces is: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

De raad geeft per direct het college opdracht om doelen, bijpassende indicatoren en streefwaarden op te stellen voor de toegang. Het college maakt een voorstel in scenario’s voor verschillende doelen, bijpassende indicatoren en streefwaarden met een onderbouwing per scenario’. De keuzes voor scenario’s worden voorgelegd aan raad vóór september 2022 en stelt deze vast. Het college voert een nulmeting op basis van de ambities en indicatoren die zijn vastgesteld. De raad beoordeelt de nulmeting uiterlijk maart 2023 en past waar nodig de inhoudelijke en/of financiële kaders aan. Het college verantwoordt zich daarna via de reguliere planning- en controlcyclus op de bepaalde indicatoren en streefwaarden over de bijdragen van de toegang aan de doelrealisatie.

College en raad: Aanbeveling 2: Het vastgestelde kader vertalen in opdrachten aan toegang Wmo en Jeugdhulp en toezien op de uitvoering van die opdrachten Het vastgestelde kader volgens de bovengenoemde doelrealisatie is de basis voor de uitvoering van de toegang Wmo en Jeugdhulp. Het voorstel voor het te volgen proces is: ▪

▪ ▪ ▪

Het college vertaalt de doelen voor eind 2022 naar de opdrachten voor de verschillende actoren in de toegang van de Wmo en jeugdhulp en maakt inzichtelijk hoe iedere opdracht bijdraagt aan de doelrealisatie. Het college verzamelt gegevens over de uitvoering van de opdrachten op basis van de indicatoren en streefwaarden. Het college verantwoordt structureel aan de raad de totale doelrealisatie op basis van het totaal van de bijdragen van de verschillende opdrachten. De raad controleert de totale doelrealisatie van de toegang van de Wmo en jeugdhulp op basis van de indicatoren en streefwaarden.

College: Aanbeveling 3: zorg voor een intern en extern leer- en verbeterproces ter doorontwikkeling en verbetering van de kwaliteit van de toegang. Het college organiseert een leer- en verbeterproces dat er als volgt uitziet: ▪ ▪

Het college bereidt elke leer- en verbetersessie voor met een analyse van de verzamelde gegevens zoals beoogd bij aanbeveling 2. Het college organiseert vier keer per jaar een leer- en verbetersessies met alle relevante actoren in de toegang van de Wmo en Jeugdhulp. Relevante actoren zijn: de gemeentelijke toegang , de nietgemeentelijke toegang, Incluzio, aanbieders van ondersteuning en zorg in voorveld en geïndiceerde hulp. Voeg aan elk van de sessies ervaringsdeskundigen toe. De gemeente neemt de regie op dit leer- en verbeterproces en vertaalt de uitkomsten in werk- en ontwikkelafspraken.

Samenvatting 5

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

1

INLEIDING EN ONDERZOEKSVERANTWOORDING

Inleiding en onderzoeksverantwoording

6

1. Inleiding en onderzoeksverantwoording 1.1

Aanleiding

De rekenkamercommissie van de gemeente Rheden onderzoekt of de toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna Wmo) en Jeugdhulp effectief en efficiënt is georganiseerd vanuit het perspectief van gemeente en hulpvrager. De keuze voor dit onderzoek komt voort uit een inventarisatie van mogelijke onderzoeken onder de fracties van de gemeenteraad, waarbij dit onderwerp door meerdere fracties werd aangedragen. Een goede inrichting van de toegang tot voorzieningen in het sociaal domein kan bijdragen aan de financiële houdbaarheid van het sociaal domein, meer maatwerk en meer samenhang door het leveren van integrale arrangementen. Vanuit zijn controlerende taak is het voor de gemeenteraad zeer relevant om te weten hoe de toegang in de eigen gemeente verloopt en wat de gevolgen daarvan zijn voor de burgers van Rheden. De rekenkamercommissie heeft ervoor gekozen om zich hierbij te beperken tot het onderzoeken van de toegang tot de Wmo en de Jeugdhulp.

1.2

Onderzoeksvragen

Het doel van dit onderzoek is inzicht te krijgen in de effectiviteit en efficiëntie van de toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdhulp, hoe deze door hulpvragers wordt ervaren en in de kaderstellende en controlerende rol van de raad. De centrale onderzoeksvraag is: Heeft Rheden de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp effectief en efficiënt georganiseerd vanuit het perspectief van gemeente en hulpvrager? De centrale onderzoeksvraag is uitgewerkt in de volgende deelvragen: 1. Hoe wordt de toegang door bewoners ervaren op de volgende aspecten: toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. 2. Hoe is het toegangsproces feitelijk ingericht en is de toegang tot de Wmo en jeugdhulp daarmee rechtmatig ingericht? 3. Op welke wijze draagt de toegang bij aan de gemeentelijke doelen en ambities in de Wmo en jeugdhulp? 4. Hoe is de informatiepositie en betrokkenheid van de raad georganiseerd en op welke wijze vindt verantwoording plaats, opdat de raad zijn kaderstellende en controlerende rol kan vervullen? 5. Is de wijze waarop Rheden de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp heeft geregeld effectief en efficiënt georganiseerd? 6.

Hoe is de toegang (gemeentelijk en niet-gemeentelijk) in samenhang met inkoop en bekostiging ingericht op de aspecten: bereikbaarheid via welke dienstverleningskanalen, inzet (formatie en kosten), sturing op- en afschaling van hulp, sturing op kostenbeheersing van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen, samenwerking met netwerkpartners en niet-gemeentelijke verwijzers, leren en verbeteren? 7. Hoe beoordelen partners de gemeentelijke toegang?

Inleiding en onderzoeksverantwoording

7

Welke mogelijkheden zijn er om de effectiviteit en efficiëntie van de toegang te vergroten alsmede de waardering hiervan door hulpvragers?

8.

1.3

Normenkader

De onderzoeksvragen zijn langs vier perspectieven uitgewerkt tot het volgende normenkader: Perspectieven 1. Inwoners

2. Wettelijke en juridische kaders

Norm ▪ De toegang is goed bereikbaar via verschillende kanalen ▪ Inwoners oordelen positief over: o de toegankelijkheid, o vindbaarheid, o tijdigheid van de dienstverlening, o kwaliteit van de vraagverheldering, o kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en o kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. ▪ De inrichting en de uitvoering van de toegang voldoet aan de wettelijke en juridische vereisten en termijnen.

3. Gemeentelijke doelen▪ en ambities ▪

4. Bedrijfsvoering en

▪

taakinvulling (gemeentelijk en niet-▪ gemeentelijk)

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

1.4

De toegang draagt aantoonbaar bij aan de gemeentelijke doelen en ambities. De raad kan naar eigen opvatting op basis van de beschikbaar gestelde verantwoordingsinformatie voldoende inzicht krijgen in de effecten van de toegang op de gemeentelijke doelen en ambities. Er is voldoende inhoudelijke (specialistische) expertise bij de toegang beschikbaar. De toegang reflecteert op de individuele en collectieve vraagstukken van de wijk. De werkwijze van de toegang dwingt keuzes af en maakt ze consistent uitlegbaar naar alle betrokkenen. De toegang werkt efficiënt (verhouding output-inzet). De toegang stuurt op- en afschaling van hulp en draagt daarmee bij aan kostenbeheersing. De toegang voert de regie op netwerksamenwerking met alle relevante partners en partners herkennen dit. Sprake is van permanente cyclus van leren en verbeteren.

Onderzoeksverantwoording

Doelstelling Het doel van dit onderzoek is inzicht te krijgen in de effectiviteit en efficiëntie van de toegang tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdhulp, hoe deze door hulpvragers wordt ervaren en in de kaderstellende en controlerende rol van de raad waar het gaat om de toegang. Het onderzoek heeft zowel een beschrijvend als een beoordelend karakter. De opbrengsten en uitkomsten dienen de gemeenteraad van Rheden inzicht te geven in de wijze waarop de toegang voor de Wmo en de Jeugdhulp is georganiseerd en hoe deze wordt ervaren door hulpvragers, bijvoorbeeld in de communicatie. Op basis van deze inzichten wil de rekenkamercommissie aanbevelingen doen gericht op het verder verbeteren van de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp en de versterking van de informatiepositie en betrokkenheid van de gemeenteraad.

Inleiding en onderzoeksverantwoording

8

Afbakening De rekenkamercommissie heeft ervoor gekozen om zich te beperken tot het onderzoeken van de toegang tot de Wmo en de Jeugdhulp om het onderzoek behapbaar te houden. Voor deze twee decentralisaties is gekozen omdat deze de grootste impact hebben gehad en nog steeds hebben op de gemeente en inwoners. Maar ook omdat de voorzieningen beter met elkaar vergelijkbaar zijn. De toegang tot participatie (de derde decentralisatie) blijft daarmee buiten de scope van dit onderzoek. Onderzoeksvragen en -onderzoeksmodel De centrale onderzoeksvraag is: Heeft Rheden de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp effectief en efficiënt georganiseerd vanuit het perspectief van gemeente en hulpvrager? De centrale onderzoeksvraag is vanuit vier perspectieven beantwoord. Het perspectief van de inwoners, de wettelijke kaders, de eigen gemeentelijke doelen en ambities en tenslotte van bedrijfsvoering en taakinvulling. Deze zijn onderstaand toegelicht. 1.

Perspectief van de inwoners. Hoe zij de werking van de toegang ervaren, is daarom een belangrijk onderdeel van het onderzoek. De deelvraag die hierbij beantwoord moet worden is: hoe wordt de toegang ervaren op de volgende aspecten: toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

2.

Perspectief van de wettelijke kaders. In de Wmo, maar ook de Jeugdwet zijn ‘eisen’ opgenomen over de inrichting en werkwijze van de toegang. Die zijn als het goed is vertaald in de Wmo- en Jeugdverordening en eventuele achterliggende beleidsregels. De deelvraag die hierbij beantwoord moet worden is: Hoe is het toegangsproces feitelijk ingericht en is de toegang tot de Wmo en jeugdhulp daarmee rechtmatig ingericht?

3.

Perspectief van de eigen gemeentelijke doelen en ambities. Voor de raad, die idealiter stuurt op het WAT (de toegang heeft vooral betrekking op het HOE), is het de vraag of de wijze waarop de toegang ingericht is en functioneert, ook bijdraagt aan de gewenste maatschappelijke resultaten. De raad, zo zien wij in vele gemeenten, kan vanuit vier invalshoeken sturen op de Wmo en jeugdhulp: (1) kosten en gebruik (financiële kaders), (2) transformatie (wordt daadwerkelijk gekomen tot een andere werk- en denkwijze in het sociaal domein), (3) ervaringen van inwoners (wat vinden de inwoners ervan) en (4) maatschappelijke effecten (kunnen inwoners langer zelfstandig wonen, groeien kinderen veilig, kansrijk en gezond op etc.). Wij stellen voor om de gemeentelijke doelen langs deze invalshoeken te ordenen en te toetsen op welke wijze de toegang aan deze doelen bijdraagt. De deelvraag luidt dan ook: op welke wijze draagt de toegang bij aan de gemeentelijke doelen en ambities in de Wmo en jeugdhulp?

4.

Perspectief van bedrijfsvoering en taakinvulling. De wijze waarop de toegang is georganiseerd, welke taakinvulling (alleen verwijzen of ook zelf lichte ondersteuning bieden) aan de toegang is gegeven, op welke wijze de toegang op- of afschaalt in toegekende voorzieningen, hoe gestuurd wordt op de kostenbeheersing vanuit de toegang, hoe de samenwerking met aanbieders van algemene voorzieningen (bv Incluzio Rheden) en van maatwerkvoorzieningen (aanbieders van huishoudelijke hulp, begeleiding) is, zijn allemaal te onderzoeken aspecten die verklarend zijn voor een effectieve en efficiënte toegang. Voor de jeugdhulp geldt daarbij dat er ook een nietgemeentelijke toegang is via huisartsen of praktijkondersteuners bij huisartsen, gecertificeerde instellingen en bijvoorbeeld jeugdartsen van de GGD. De vraag hierbij is welke regie de gemeente

Inleiding en onderzoeksverantwoording

9

hierop voert. De deelvragen die hierbij horen, zijn: Hoe is de toegang (gemeentelijk en nietgemeentelijk) in samenhang met inkoop en bekostiging ingericht op de aspecten: bereikbaarheid via welke dienstverleningskanalen, inzet (formatie en kosten), sturing op- en afschaling van hulp, sturing op kostenbeheersing van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen, samenwerking met netwerkpartners en nietgemeentelijke verwijzers, leren en verbeteren? Hoe beoordelen de partners de gemeentelijke toegang? Deze perspectieven leiden tot volgend onderzoeksmodel.

Gemeentelijke toegang (Wmo en jeugd) Niet-gemeentelijke toegang (jeugd)

Toegang Wmo en jeugdhulp effectief en efficiënt? Verbetermogelijkheden?

Kaderstelling en controle raad via invalshoeken van sturing

De centrale onderzoeksvraag is vervolgens uitgewerkt in acht deelvragen verdeeld over vier perspectieven: 1.

Hoe wordt de toegang door bewoners ervaren op de volgende aspecten: toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. (perspectief 1).

2.

Hoe is het toegangsproces feitelijk ingericht en is de toegang tot de Wmo en jeugdhulp daarmee rechtmatig ingericht? (perspectief 2).

3.

Op welke wijze draagt de toegang bij aan de gemeentelijke doelen en ambities in de Wmo en jeugdhulp? (perspectief 3).

4.

Hoe is de informatiepositie en betrokkenheid van de raad georganiseerd en op welke wijze vindt verantwoording plaats, opdat de raad zijn kaderstellende en controlerende rol kan vervullen? (perspectief 3).

5.

Is de wijze waarop Rheden de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp heeft geregeld effectief en efficiënt georganiseerd? (perspectief 4).

6.

Hoe is de toegang (gemeentelijk en niet-gemeentelijk) in samenhang met inkoop en bekostiging ingericht op de aspecten: bereikbaarheid via welke dienstverleningskanalen, inzet (formatie en kosten), sturing op- en afschaling van hulp, sturing op kostenbeheersing van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen,

Inleiding en onderzoeksverantwoording

10

samenwerking met netwerkpartners en niet-gemeentelijke verwijzers, leren en verbeteren? (perspectief 4). 7.

Hoe beoordelen partners de gemeentelijke toegang? (perspectief 4).

8.

Welke mogelijkheden zijn er om de effectiviteit en efficiëntie van de toegang te vergroten alsmede de waardering hiervan door hulpvragers?

Gebruikte onderzoeksaanpak en -methoden Documentenstudie Samen met de rekenkamercommissie en de gemeente hebben de onderzoekers de documenten vastgesteld die bestudeerd worden. De relevante stukken (beleid, verordening, beleidsregels, cliëntervaringsonderzoeken, cijfermatige gegevens) zijn door het onderzoeksteam geïnventariseerd en geanalyseerd. Tijdens het veldwerk zijn documenten toegevoegd. Zie bijlage voor de geraadpleegde documenten. De kwantitatieve data over de toegang was niet direct beschikbaar bij de gemeente en niet alle gevraagde data was beschikbaar. Veldwerk Het veldwerk heeft bestaan uit kwalitatief onderzoek. Deze vorm van onderzoek geeft naast feiten ook zicht op de verklaringen voor diezelfde feiten. Waarderend onderzoek zoals toegepast in het casusonderzoek levert andere resultaten op dan een klantervaringsonderzoek. In het casusonderzoek is aan bewoners/ouders/jeugdigen gevraagd wat zij anderen zouden toewensen als die met een soortgelijke vraag zouden zitten. Het doel is het vinden van wensbeelden die gestoeld zijn op de ervaringen van deze bewoners als praktijkdeskundigen. Dat levert veel meer zicht op de verwachtingen en wensbeelden op dan alleen de vraag stellen hoe ze het ervaren hebben. Van alle interviews, de ontwikkelkamer en de raadssessie zijn verslagen gemaakt en teruggelegd voor akkoord.

De geaccordeerde versie zijn gebruikt voor het opstellen van de bevindingen. Onderstaand is toegelicht waar het veldwerk uit heeft bestaan. Interviews met betrokken professionals (zie bijlage voor de functies) De interviews hadden twee doelen: 1) het toetsen van de bevindingen uit de beleidsinventarisatie (beschrijvend), 2) het ophalen van ervaringen met en verklaringen voor de feiten door de geïnterviewden. De volgende respondentgroepen zijn bevraagd: ▪ ▪ ▪

de betrokken wethouder drie groepsinterviews met betrokken beleidsambtenaren, betrokken toegangsmedewerkers en met de niet-gemeentelijke toegang. twee groepsinterviews met direct betrokken partners (aanbieders Wmo, jeugdhulp en voorliggende voorzieningen zoals Incluzio Rheden en de GGD) van de toegang in de uitvoering van de Wmo en jeugd

Casusonderzoek onder een anonieme en representatieve groep (15 WMO en 15 Jeugdwet) van bewoners met ervaring met de toegang met differentiatie naar type hulp. Het casusonderzoek heeft als doel om extra verdieping te geven aan de documentenstudie en de interviews met eerder genoemde respondentgroepen bestaande uit professionals. Het geeft zicht op de ervaringen met en wensbeelden over de praktijk. Per casus is gesproken met de bewoner/ouders en/of jeugdige. Ze zijn bevraagd op wat zij anderen toewensen vanuit wat zij zelf ervaren hebben op aspecten als toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. Daarmee krijgen we zicht op de succesvolle en te ontwikkelen elementen. Voor 5 casussen Wmo en 5 casussen jeugd is tevens gesproken met de betrokken medewerker toegang en met

Inleiding en onderzoeksverantwoording

11

de betrokken hulpverlener van de Wmo/jeugdhulp. Dit leverde praktisch bruikbare inzichten op die verder zijn uitgediept in hun betekenis en verbetermogelijkheden in de ontwikkelkamer. De ontwikkelkamer is ingezet om tot een meer op de behoefte van bewoners afgestemde werkwijze te komen. De ontwikkelkamer is een evaluatief en lerend instrument gestoeld op concrete bevindingen uit de documentenstudie, de uitkomsten van de interviews met professionals en de uitkomsten uit casusonderzoek. Tijdens de ontwikkelkamer is daarnaast gecheckt in welke mate de gevolgde werkwijze en gang van zaken van de casussen representatief is voor het algemene beeld van de praktijk. De deelnemers aan de ontwikkelkamer hebben gereflecteerd op de uitvoeringspraktijk en de bereikte resultaten. De praktische bruikbaarheid is dat de sessie concrete aangrijpingspunten oplevert waarmee de professionals direct zelf aan de slag kunnen gaan of punten die op een ander niveau moeten worden besproken en besloten. Aan de ontwikkelkamer hebben betrokken toegangsmedewerkers, de nietgemeentelijke toegang en betrokken partners deelgenomen. Tot slot heeft een werksessie met de raad plaatsgevonden.

Deze was erop gericht om de raad te bevragen op de wijze waarop zij de sturing op de toegang ervaren (terugkijkend) en bewust te laten worden van de rol die zij kunnen innemen als het gaat om de sturing op de toegang (vooruitkijkend). In deze sessie zijn de eerste uitkomsten teruggelegd bij de raad. Rapportage De opbrengsten vanuit de verschillende onderzoeksmethoden zijn geanalyseerd en vervat in een nota van bevindingen. Deze analyse was gericht op het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Hierbij is de methode van triangulatie toegepast. Dat betekend dat daar waar sprake is van overeenkomsten tussen de verschillende bronnen, sprake is van een bevinding. Als die bevinding logisch kan worden verklaard, is sprake van een conclusie. In het geval dat bronnen elkaar tegenspreken, is verdiepende analyse van de bevindingen nodig) toegepast. Ambtelijk en bestuurlijk wederhoor en eindproduct. De nota van bevindingen is vervolgens via ambtelijk hoor- en wederhoor op feitelijke onjuistheden gecontroleerd. In dit geval werd geconstateerd door de rekenkamercommissie en onderzoekers dat naast de ambtenaren ook bestuurders betrokken zijn geweest bij de beoordeling van het feitenrelaas. Elke ambtelijke reactie is met een voorstel voor handhaving of wijziging van de tekst voorzien. Op basis hiervan is de nota van bevindingen aangepast.

Aan de nota van bevindingen is door de onderzoekers een voorstel voor conclusies en aanbevelingen toegevoegd. Deze is door de rekenkamercommissie vastgesteld en voor bestuurlijk hoor- en wederhoor voorgelegd.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zijn de onderzoeksvragen vanuit het perspectief van de inwoners beantwoord. Hoofdstuk 3 bevat de bevindingen over de wettelijke en juridische kaders. In het derde hoofdstuk zijn de bevindingen rondom de gemeentelijke doelen en ambities weergegeven. Hoofdstuk 4 geeft antwoord op de onderzoeksvragen over de bedrijfsvoering en taakinvulling van de toegang in Rheden. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de bedrijfsvoering en taakinvulling van de toegang. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

Inleiding en onderzoeksverantwoording

12

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

2

BEVINDINGEN PERSPECTIEF INWONERS

Inleiding en onderzoeksverantwoording

14

2. Bevindingen perspectief inwoners 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de volgende onderzoeksvraag beantwoord: 1.

Hoe wordt de toegang door bewoners ervaren op de volgende aspecten: toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

Daar waar van toepassing gebeurt dat vanuit twee perspectieven: (1) inwoners die gebruik maken van Wmo-voorzieningen en (2) inwoners die gebruik maken van jeugdhulp. In de eerste plaats wordt een beeld geschetst van de cijfermatige ontwikkelingen van de Wmo en Jeugdhulp door de jaren heen. In paragraaf 2.2 wordt vervolgens de onderzoeksvraag op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing aan het normenkader. Cijfers Wmo en Jeugdhulp Hieronder zijn twee tabellen opgenomen met de cijfers van unieke cliënten en trajecten/producten per jaar voor de Wmo en de Jeugdhulp. Dit geeft meer inzicht in de ontwikkelingen door de jaren heen. De gegevens zijn afkomstig uit het systeem van de gemeente Rheden dat alle toegewezen beschikkingen registreert (Civision Samenlevingszaken). Tabel 1 | Aantal unieke cliënten en trajecten Wmo Jaar 2015 2016 2017 Aantal Begeleiding 783 895 992 unieke HBH** 1448 1482 1608 cliënten Rollen 534 525 499 Vervoer 2233 2040 1020 Wonen 420 413 389 Totaal 5418 5355 4508

Aantal trajecten /producten

Jaar Begeleiding HBH Rollen Vervoer Wonen Totaal

2015 1460 1804 1425 3654 720 9063

2016 1843 2068 1495 3731 744 9881

2017 2044 2087 1433 2043 721 8328

2018 1057 1639 475 1022 387 4580

2019 1137 1881 455 959 332 4764

2020 1026 1867 393 817 252 4355

2021* 804 1879 90 281 126 3180

2018 2192 2178 1355 1954 754 8433

2019 2352 3675 1327 1874 663 9891

2020 2952 3877 1219 1639 530 10217

2021* 1682 3065 105 338 205 5395

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021) **De term HBH staat voor hulp bij huishouden

In tabel 1 is zichtbaar dat het totaal aantal unieke cliënten van de Wmo over het geheel van 2015 t/m 2020 iets is gedaald in Rheden. Het aantal unieke cliënten is in 2020 licht afgenomen ten aanzien van 2019, dit is mogelijk het gevolg van de corona pandemie. In het jaar 2020 is er tijdelijk extra ingezet op het toetsen van de beschikkingen voor Wmo op rechtmatigheid. Dat heeft mogelijk ook invloed gehad op de daling in aantal Wmo-trajecten. Daarnaast is te zien dat het totaal aantal trajecten/producten in diezelfde periode is toegenomen, wat laat zien dat unieke cliënten van meer verschillende trajecten/producten gebruik zijn gaan maken. Unieke cliënten zijn in deze periode een intensiever

Bevindingen perspectief inwoners

15

beroep gaan doen op de Wmo. Bovendien valt op dat het aantal cliënten dat gebruik maakt van vervoer en wonen in de periode 2015 t/m 2020 sterk is afgenomen. Tabel 2 | Aantal unieke cliënten en trajecten Jeugdhulp Jaar 2015 2016 2017 2018 Aantal 990 1134 1263 1409 unieke cliënten Aantal 1630 2280 2864 3469 trajecten /producten

2019 1519

2020 1459

2021* 1250

3826

4995

2982

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

Tabel 2 laat een stijging zien van het aantal unieke jeugdhulp cliënten van 2015 t/m 2020. Naast dat het aantal unieke cliënten is gestegen, is ook sprake van een stijging van het aantal trajecten/producten van 2015 t/m 2020. Dit betekent dat het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van de jeugdhulp is gestegen én deze jeugdigen daarnaast meer gebruik zijn gaan maken van jeugdhulptrajecten. Het aantal unieke cliënten neemt in 2020 licht af. Ook dit is mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Een aandachtspunt bij deze cijfers is dat de Jeugdhulp in 2015, 2016 en 2017 is uitbesteed bij Zorglokaal. De aantallen van deze jaren komen uit een ander bestand en kunnen volgens de gemeente niet exact worden geverifieerd. De cijfers uit tabel 1 en tabel 2 zijn grafisch weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Figuur 1: Aantal Wmo- en jeugdhulp cliënten in de gemeente Rheden van 2015 tot en met 2021*

Aantal clienten

6000

5418

5355

5000

4508

4580

4764 4355

4000 3180

3000

Wmo

2000 990

1134

1263

jeugdhulp

1409

1519

1459

2018

2019

2020

1250

1000 0 2015

2016

2017

2021

Jaren Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

Bevindingen perspectief inwoners

16

Figuur 2: Aantal Wmo- en jeugdhulp trajecten in de gemeente Rheden van 2015 tot en met 2021* 12000

10000

9891

9881 9063

Aantal trajecten

8328

10217

8433

8000 6000

4995

4000 2280

2000

2864

3469

5395

Wmo

3826 2982

Jeugdhulp

1630

0 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Jaren Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

2.2

Ervaringen met de toegang tot de Wmo en jeugdhulp

Voor het casusonderzoek is gesproken met 15 Wmo-cliënten en 15 jeugdhulp-cliënten. In de gevoerde gesprekken staat centraal hoe bewoners de toegang tot de Wmo en de jeugdhulp hebben ervaren. In onderstaand rood tekstvlak wordt een samenvatting gegeven van de bevindingen uit het casusonderzoek, waarmee de onderzoeksvraag op hoofdlijnen wordt beantwoord. Steeds wordt gestart met een aantal algemene bevindingen, die gelden voor zowel de Wmo als voor de jeugdhulp. Vervolgens worden de gevonden verschillen toegelicht. De samenvatting uit het rode tekstvlak wordt gevolgd door een onderbouwing. Omdat de onderbouwing voor de Wmo op verschillende punten afwijkt van de onderbouwing voor de Jeugdhulp is gekozen voor afzonderlijke onderbouwingen. In bijlage 1 zijn de uitkomsten uit het casusonderzoek uitgebreider weergegeven. Beantwoording onderzoeksvraag op hoofdlijnen: ▪ Uit het casusonderzoek komt een beeld naar voren dat bewoners van tevoren niet altijd de weg kenden naar de hulp. Enkele bewoners hebben zelf via internet de website van de gemeente gevonden, anderen zijn doorverwezen via de huisarts, kennis of andere (hulp)instantie(s). Voor de Wmo geldt dat 8 van de 15 onderzochte casussen doorverwezen zijn naar de gemeente via de hulpinstantie waar zij al in beeld waren.

9 van de 15 onderzochte jeugdhulp casussen kwam bij de gemeente terecht via school, jeugdzorg, reclassering of jeugdbescherming. ▪ 22 van de 30 bewoners uit het casusonderzoek geven aan goed terecht te kunnen met hun hulpvraag. Bewoners geven aan behoefte te hebben aan een brede uitvraag van de consulent, waarbij uitgebreid wordt gevraagd wat iemand nodig heeft en de verschillende mogelijkheden besproken worden. ▪ De meeste gesproken respondenten zijn (gedeeltelijk) tevreden over het contact met de consulent. 18 van de 30 Wmo- en jeugdhulpgebruikers uit het casusonderzoek geven aan tevreden te zijn met het contact met de consulent. 6 van de 30 gebruikers zijn gedeeltelijk tevreden en 4 van de 30 gebruikers geven aan ontevreden te zijn over het contact met de consulent. Voor 2 van de 30 gebruikers was de vraag niet van toepassing. Het contact met

Bevindingen perspectief inwoners

17

▪

▪

▪

▪

de gemeente verliep via een contactpersoon (coach, reclassering of iemand van hulporganisatie). Deze bewoners geven aan dat het fijn was dat de tussenpersoon de regeldruk uit handen kon nemen. De bewoners die ontevreden zijn over het contact met de consulent geven aan dat de consulent onvoldoende met hen meedacht. Alle gesproken bewoners hechten veel waarde aan een goede klik met de consulent en aanbieder van hulp en ondersteuning. Zowel aanbieders van hulp als de bewoners hebben behoefte aan een vast aanspreekpunt bij de gemeente. Nagenoeg alle gesproken bewoners geven aan last te hebben van de grote hoeveelheid wisselingen in consulenten en hulpverleners, een vast gezicht wordt gemist. De paar bewoners die wel een vaste consulent hebben geven aan dat deze vaste contactpersoon heel belangrijk is. De meeste bewoners uit het casusonderzoek zijn tevreden met de beslissing van de gemeente. 8 van de 15 Wmo-gebruikers vonden dat in hun ogen de juiste beslissing werd gemaakt over de te ontvangen hulp tegenover 9 van de 15 jeugdhulp gebruikers. De Wmogebruikers die ontevreden zijn over de afgegeven beschikking hebben te maken gehad met een afgewezen aanvraag of een nieuwe beschikking waarbij de hoeveelheid hulp werd afgeschaald. Voor de ontevreden jeugdhulp gebruikers geldt dat zij niet tevreden waren over de afgegeven beschikkingstermijn of over een wisseling van zorgaanbieder.

De hulp kwam lang niet altijd op tijd volgens de gesproken bewoners. 11 van de 15 Wmogebruikers vond dat de hulp niet of slechts gedeeltelijk op tijd kwam tegenover 8 van de 15 jeugdhulp gebruikers. Wmo-gebruikers zijn dus vaker ontevreden over de tijdigheid van de hulp dan jeugdhulpgebruikers. De levering van speciale hulpmiddelen binnen de Wmo kan lang in beslag nemen, dit blijkt een grote impact te hebben op de zelfstandigheid van bewoners met hulpvragen. Lange levertijden van hulpmiddelen binnen de Wmo was hier een oorzaak van. Binnen de Jeugdhulp is de complexiteit van de hulpvraag doorgaans de oorzaak. De gesproken bewoners vinden het belangrijk dat na afgeving van de beschikking contact wordt opgenomen door de consulent om te vragen naar de ervaring met de hulp. Zeker wanneer een ziektebeeld progressief is, wensen bewoners een proactieve rol van de consulent. Bij de Wmo nam de consulent slechts in enkele onderzochte casussen na de beschikking nog contact op, bij de jeugdhulp was dit in bijna de helft van de onderzochte casussen.

Onderbouwing Wmo Onderstaande bevindingen zijn gebaseerd op het casusonderzoek onder bewoners die gebruik hebben gemaakt van de toegang tot de Wmo. De vindbaarheid en toegankelijkheid De meeste gesproken bewoners waren voorafgaand aan hun hulpvraag meestal niet op de hoogte van de mogelijkheid om bij de gemeente aan te kloppen bij vragen om hulp en ondersteuning. Veruit de meeste casussen zijn doorverwezen vanuit een hulpinstantie waar de bewoners al bij in beeld waren. Ook kwam een aantal bewoners bij de Wmo terecht via de website van de gemeente, via een tip van iemand uit het netwerk of via de huisarts. Veel bewoners twijfelen of andere bewoners goed de weg weten te vinden richting de Wmo. Met name bewoners die eenzaam of minder mondig zijn, worden mogelijk minder goed bereikt. Al geven de gesproken bewoners ook aan dat het voor de gemeente lastig is om achter de voordeuren te kijken en te weten welke bewoners hulp nodig hebben. Kwaliteit van de vraagverheldering Bij de meeste casussen lukte het de consulent goed om de hulpvraag helder te krijgen. In sommige gevallen had de bewoner hierbij hulp nodig van een begeleider of coach.

Zeker voor mensen die zichzelf wat lastiger kunnen verwoorden of het spannend vinden om nieuwe personen over de vloer te krijgen, kan het helpen als er iemand bij het gesprek aanwezig is die hen goed kent en kan helpen met het verduidelijken van de hulpvraag.

Bevindingen perspectief inwoners

18

Een brede uitvraag is heel belangrijk voor de gesproken bewoners. In ongeveer de helft van de casussen werd een brede uitvraag gedaan door de consulent en gevraagd wat er allemaal nodig was. Meerdere bewoners gaven aan dat dit heel prettig was en zij goed gewezen werden op de hulp die zij konden krijgen. Uit de interviews is gebleken dat een aantal bewoners deze brede intake niet hebben gehad en niet gewezen zijn op de verschillende mogelijkheden en regelingen binnen de Wmo. Een aantal bewoners kwam er achteraf achter dat ze ook hulp hadden kunnen krijgen op andere onderdelen, waardoor zij breder ondersteund hadden kunnen worden. Goed contact met de consulent vinden de gesproken bewoners van belang. Daarbij gaat het om een goede klik en een consulent die met je meedenkt. Het regelmatig wisselen van consulenten ervaren alle gesproken Wmo-gebruikers als vervelend. Hierdoor lukt het niet altijd even goed (en snel) om bij een volgende beschikking de hulpvraag helder te krijgen. Als er sprake is van een wisseling zien Wmogebruikers graag een warme overdracht. Het is voor hen belangrijk dat het dossier door de volgende consulent goed wordt gelezen. Een aantal Wmo-gebruikers heeft het als vervelend ervaren dat zij steeds bij een nieuwe consulent weer moesten aantonen dat zij hulp nodig hadden.

Zo noemde iemand het gevoel te hebben steeds opnieuw te moeten bewijzen hulp nodig te hebben om niet gekort te worden op ondersteuning. Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp Iets meer dan de helft van de gesproken bewoners is tevreden over de ontvangen hulp van de gemeente. Voor een aantal geldt een gedeeltelijke tevredenheid (omdat bijvoorbeeld een gedeelte van het verzoek wel werd toegekend en een gedeelte niet) en een paar gebruikers zijn ontevreden. De bewoners die ontevreden zijn begrijpen niet goed waarom hun verzoek is afgewezen en vinden dit zelf onterecht. Uit interviews blijkt dat een klein deel daarvan een bezwaar heeft ingediend. Dit geeft niet aan of de kwaliteit van de beslissing op; toewijzing of afwijzing van de hulp goed was. Het geeft weer of inwoners de beslissing begrepen hebben en waarom deze is afgewezen en of ze zich hebben neer kunnen leggen bij het besluit van de toegang op de door hen ingediende aanvraag. Tijdigheid van de dienstverlening Over het algemeen vond het eerste gesprek snel plaats en werd het proces snel in gang gezet. Slechts een paar gebruikers is volledig tevreden over de tijdigheid van de hulp. Voor een gedeelte van de gesproken bewoners geldt dat zij gedeeltelijk tevreden zijn omdat slechts een gedeelte van de hulp op tijd in gang werd gezet.

Een paar Wmo-gebruikers is zeer ontevreden over de tijdigheid van de hulp, voor één bewoner duurde de levering van een aangepast onderdeel voor een hulpmiddel meer dan een half jaar. Het ontbreken van dit onderdeel zorgde ervoor dat deze bewoner niet zelfstandig de deur uit kon. Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. Meerdere bewoners uit het casusonderzoek benoemen dat het belangrijk is dat een consulent zich proactief opstelt en contact onderhoudt tussen de beschikkingen door. Bewoners worden graag op de hoogte gehouden van mogelijke veranderingen en zaken waar zij rekening mee moeten houden. Indien sprake is van een progressief verloop van een ziekte is het extra belangrijk dat een consulent peilt of de geboden hulp nog voldoende is. In slechts een paar gevallen nam de consulent na de beschikking uit zichzelf contact op met de bewoner. Onderbouwing jeugdhulp Onderstaande bevindingen zijn gebaseerd op het casusonderzoek onder bewoners die gebruik hebben gemaakt van de toegang tot de jeugdhulp. De vindbaarheid en toegankelijkheid Voor de meeste gesproken bewoners geldt dat zij met de jeugdhulp in aanraking kwamen omdat hun hulpvraag in beeld was bij school, jeugdzorg of jeugdreclassering. Een enkeling is doorverwezen door

Bevindingen perspectief inwoners

19

de huisarts, een andere hulpinstantie of is zelf op zoek gegaan naar hulp via de website van de gemeente. De meeste bewoners wisten waar ze terecht konden met hun hulpvraag, voor twee casussen gold dit niet. Deze twee bewoners waren lange tijd op zoek naar de juiste hulp en wisten niet waar zij hun hulpvraag neer konden leggen. Bijna alle bewoners vonden dat ze goed terecht konden met hun hulpvraag. Drie bewoners konden niet goed terecht, voor hen geldt dat zij een vrij complexe hulpvraag hadden. Daarnaast denkt slechts een paar bewoners dat bewoners in Rheden weten waar ze terecht kunnen met hun hulpvraag. Kwaliteit van de vraagverheldering De meeste bewoners uit het casusonderzoek zijn van mening dat het de consulent lukte om de hulpvraag helder te krijgen, bovendien zijn de meeste bewoners tevreden over het contact met de consulent. Wel wordt een paar keer benoemd dat de kwaliteit van de vraagverheldering en de kwaliteit van het contact kan verschillen per consulent. Ervaring, inlevingsvermogen en meedenkend vermogen zijn volgens bewoners belangrijke voorwaarden voor goed contact met een consulent. Bovendien vinden bewoners het belangrijk dat er een goede klik is met de consulent. Niet alle gesproken bewoners hebben direct contact gehad met hun consulent, voor sommigen verliep het contact met de gemeente via een hulporganisatie of persoonlijk begeleider/coach.

Slechts een aantal bewoners heeft langere tijd contact gehad met dezelfde consulent, voor de rest was er sprake van wisselingen. Meerdere bewoners benoemen dat deze wisselingen lastig zijn omdat je steeds opnieuw je verhaal moet doen. Om dit ongemak iets weg te nemen is het daarom belangrijk dat er sprake is van een goede informatieoverdracht van de ene naar de andere consulent. Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp Iets minder dan de helft van de gesproken bewoners is tevreden over de beslissing die werd gemaakt door de gemeente over de te ontvangen hulp. Een aantal van de gesproken bewoners is gedeeltelijk tevreden over de afgegeven beschikking. Eén van de bewoners had te maken met een wisseling van aanbieder, de oude aanbieder was niet langer gecontracteerd, over deze wisseling was de bewoner erg ontevreden. Ook heeft één bewoner te maken gehad met meerdere verkeerde beschikkingen waardoor de hulp rond het wachten op de nieuwe beschikking steeds opnieuw stil werd gezet. Ook was één bewoner ontevreden over de toewijzing vanwege een lange reistijd naar de toegewezen aanbieder. Tijdigheid van de dienstverlening Voor iets minder dan de helft van de gesproken bewoners kwam de hulp op tijd. Een aantal bewoners is van mening dat de hulp sneller geboden had kunnen worden.

De bewoners die niet geheel tevreden zijn over de tijdigheid van de hulp hadden vaak een wat complexere hulpvraag, waar maatwerk nodig was om tot een goede oplossing te komen. Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. In ongeveer de helft van de casussen nam de consulent na afgeving van de beschikking nog contact op met de bewoner om te vragen hoe de hulp bevallen was. Bij een aantal casussen verliep al het contact via hun begeleider/coach of hulporganisatie waardoor de cliënt zelf niet op de hoogte was van het contact met de gemeente.

2.3

Toetsing aan het normenkader: Wmo

Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm

Bevindingen perspectief inwoners

20

▪ ▪ ▪

Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm.

Norm ▪ Inwoners oordelen positief over: o De toegankelijkheid, o Vindbaarheid, o Tijdigheid van de dienstverlening, o Kwaliteit van de vraagverheldering, o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

2.4

Toetsing o Toegankelijkheid en vindbaarheid: voldoet grotendeels ▪ 11 van de 15 bewoners wisten waar zij terecht konden met hun hulpvraag; ▪ 12 van de 15 bewoners konden goed terecht met hun hulpvraag; o Tijdigheid van de dienstverlening: voldoet beperkt ▪ 4 van de 15 bewoners kregen op tijd de gevraagde hulp, voor 6 van de 15 bewoners was een gedeelte van de hulp op tijd en voor 4 van de 15 bewoners kwam de hulp te laat of is de hulp helemaal niet geboden. Dit is de tijdigheid van de daadwerkelijke hulpverlening en niet het binnen de termijnen van de Wmo op te leveren onderzoeksverslag.; o Kwaliteit van de vraagverheldering: voldoet grotendeels ▪ Bij 12 van de 15 bewoners lukte het de consulent om de hulpvraag duidelijk te krijgen (soms met wat hulp van een coach of begeleider); o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing: voldoet merendeels ▪ Bij 8 van de 15 onderzochte casussen waren de bewoners tevreden over de te ontvangen hulp, 4 bewoners zijn gedeeltelijk tevreden over de beslissing van de gemeente en 3 bewoners zijn geheel ontevreden; o Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp: voldoet beperkt ▪ In slechts 3 van de 15 onderzochte casussen nam de consulent na de beschikking nog contact op met de bewoner om te vragen hoe de hulp beviel en of er nog andere dingen nodig waren.

Toetsing aan het normenkader: Jeugdhulp

Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm.

Bevindingen perspectief inwoners

21

Norm ▪ Inwoners oordelen positief over: o De toegankelijkheid, o Vindbaarheid, o Tijdigheid van de dienstverlening, o Kwaliteit van de vraagverheldering, o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

Toetsing o Toegankelijkheid en vindbaarheid: voldoet merendeels ▪ 11 van de 14 bewoners wisten waar zij terecht konden met hun hulpvraag, voor 1 bewoner was de vraag niet van toepassing omdat de hulpvraag niet vanuit de bewoner zelf kwam maar de hulp min of meer werd opgelegd vanuit school; ▪ 10 van de 15 bewoners konden goed terecht met hun hulpvraag; o Tijdigheid van de dienstverlening: voldoet beperkt ▪ 7 van de 15 bewoners kregen op tijd de benodigde hulp, voor 4 van de 15 bewoners was een gedeelte van de hulp op tijd en voor 4 van de 15 bewoners kwam de hulp te laat of is hulp helemaal niet geboden; o Kwaliteit van de vraagverheldering: voldoet grotendeels ▪ Bij 8 van de 13 bewoners lukte het de consulent om de hulpvraag duidelijk te krijgen.

Bij twee bewoners was de vraag niet van toepassing, gezien de zorgaanbieder in deze gevallen de vraagverheldering op zich heeft genomen; o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing: voldoet merendeels ▪ 9 van de 15 bewoners vond dat de juiste beslissing werd gemaakt over de te ontvangen hulp, 4 bewoners zijn gedeeltelijk tevreden over de beslissing van de gemeente en 2 bewoners zijn geheel ontevreden; o Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp: voldoet meerendeels ▪ Bij 7 van de 12 onderzochte casussen nam de consulent na de beschikking nog contact op met bewoner om te vragen hoe de hulp beviel en of er andere dingen nodig waren. Voor 3 onderzochte casussen was de vraag niet van toepassing gezien het contact via een zorgaanbieder verliep.

Bevindingen perspectief inwoners

22

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

3

BEVINDINGEN PERSPECTIEF WETTELIJKE EN JURIDISCHE KADERS

Bevindingen perspectief inwoners 24

3. Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de volgende onderzoeksvraag beantwoord: 2.

Hoe is het toegangsproces feitelijk ingericht en is de toegang tot de Wmo en jeugdhulp daarmee rechtmatig ingericht?

Daar waar van toepassing gebeurt dat vanuit twee perspectieven: (1) Wmo en (2) Jeugdwet. In de eerste plaats wordt meer inzicht gegeven in het aantal toegekende aanvragen van de Wmo en Jeugdhulp door de jaren heen. In paragraaf 3.2 wordt vervolgens de onderzoeksvraag op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing aan het normenkader. Aantal toegekende aanvragen Tabel 3 geeft overzichtelijk weer hoeveel Wmo- en jeugdhulpaanvragen door de jaren heen zijn toegekend uitgesplitst naar het soort ondersteuning of het soort verwijzing. Tabel 3 | Aantal toegekende Wmo- en jeugdhulpaanvragen per jaar Jaar 2015 2016 2017 2018 Aantal Begeleiding 357 412 412 804 toegekende HBH** 76 175 94 206 aanvragen per Rollen 84 105 89 84 jaar per Vervoer 202 274 280 364 ondersteuning Wonen 171 180 175 203 (Wmo) Totaal 890 1146 1050 1661

Aantal toegekende aanvragen per jaar per soort verwijzing (Jeugdhulp)

Jaar Jeugdvoorziening (gemeentelijke verwijzing) Jeugdvoorziening (externe verwijzing) Totaal

2019 1062 983 103 450 260

2020 892 896 92 310 226

2021* 722 1239 72 348 213

2858

2416

2594

2015 0

2016 0

2017 6

2018 877

2019 720

2020 712

2021* 679

0

1

3

1395

1726

1597

791

0

1

9

2272

2446

2309

1470

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021) **De term HBH staat voor hulp bij huishouden

Tabel 3 maakt het aantal aanvragen inzichtelijk zoals die door het gemeentelijke systeem geregistreerd zijn. De aantallen kunnen verschillen met tabel 1 en tabel 2. Deze tabellen geven het aantal unieke cliënten en het aantal unieke trajecten in een jaar weer. Trajecten en cliënten kunnen in meerdere jaren meetellen (bijvoorbeeld: in tabel 1 en 2 telt een cliënt die in november 2020 een traject heeft wat doorloopt tot maart 2021 in 2020 én in 2021 mee). Tabel 3 laat zien dat het aantal toegekende Wmo aanvragen is gestegen tot en met 2019 en daarna iets afneemt. De daling in 2020 ten opzichte van 2019 is volgens respondenten mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Voor jeugdhulp geldt dat voor 2018 geen

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

25

sprake was van complete cijfers over het aantal toegekende aanvragen. In 2015, 2016 en 2017 zijn de aanvragen van jeugd uitbesteed geweest bij Zorglokaal. De aanvragen werden wel door de gemeente uitgevoerd. Vanaf 2020 is sprake van een afname van het aantal toegekende jeugdhulp aanvragen, dit is mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Een andere genoemde mogelijke verklaring is dat vanaf 2020 Incluzio een deel van de aanvragen oppakt en bewoners daaropvolgend rechtstreeks verwijst naar ondersteuning vanuit de sociale basis. De sociale basis vangt de lichte ondersteuning (Wmo en jeugd) op. Daarmee is er extra ingezet op de toegang via Incluzio terwijl vooralsnog geen sprake is van vermindering van de inzet van de toegang bij de gemeente. De eerste cijfers over de inzet van Incluzio zijn in onderstaande figuren weergegeven. In figuur 3 is inzichtelijk gemaakt via welke route bewoners bij Incluzio terecht zijn gekomen. De meeste bewoners zijn via team toegang Wmo bij Incluzio terecht gekomen. Deze inwoners hebben zich in eerste instantie met hun hulpvraag bij de gemeente gemeld en zijn toen doorverwezen naar Incluzio. Ook valt op dat een relatief groot aandeel van de instroom bij Incluzio wordt gevormd door bewoners die zonder verwijzing de weg naar Incluzio weten te vinden.

Figuur 3: Aantal inwoners die bij de instroom zijn doorverwezen naar Incluzio door de verschillende partijen in 2021*

*Cijfers t/m oktober 2021

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

26

Verschillende partijen

Figuur 4: Aantal inwoners die bij afsluiting zijn doorverwezen door Incluzio naar de verschillende partijen in 2021* Team Toegang Jeugdhulp

28

Overig Gemeente Rheden

29

Overig

30

Eerstelijns gezondheidszorg

38

Vrijwilligersorganisatie

47

WMO (maatwerk)

62

Team Toegang WMO

80

Interne doorverwijzing / Sociale basis

90

Geen doorverwijzing

569

0

100

200

300

400

500

600

Aantal inwoners *Cijfers t/m oktober 2021

Figuur 4 laat zien naar welke partijen bewoners vanuit Incluzio worden doorverwezen met hun hulpvragen. Het grootste gedeelte van de inwoners wordt niet doorverwezen (bijvoorbeeld als sprake is van een heel eenvoudige hulpvraag) of wordt intern doorverwezen naar de sociale basis. 199 bewoners werden uiteindelijk wel doorverwezen naar de Wmo, Jeugdhulp of een ander onderdeel van de gemeente. Naast naar de gemeente worden inwoners ook naar de eerstelijns gezondheidszorg en vrijwilligersorganisatie toegeleid.

3.2

Inrichting toegang Wmo en jeugdhulp

Beantwoording onderzoeksvraag op hoofdlijnen: In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 zijn verschillende wettelijke vereisten opgenomen omtrent de toegang tot de Wmo. Voor de toegang tot de jeugdhulp geldt dat deze wettelijke vereisten zijn opgenomen in de Jeugdwet 2015. Hieronder zijn twee van deze wettelijke vereisten weergegeven: ▪ Wmo 2015: Hulp wordt geboden indien een bewoner in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. ▪ Jeugdhulp 2015: Jeugdhulp wordt geboden indien een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen, die niet door henzelf kunnen worden opgelost, waarbij ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een andere voorziening of het eigen netwerk. De ‘verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rheden 2019’ en ‘verordening Jeugdhulp 2019’ sluiten aan bij de wettelijke vereisten. Bovendien zijn de verschillende stappen om te komen tot een beslissing of afwijzing van de aanvraag uitvoerig uitgewerkt binnen de Wmo- en jeugdhulpverordening.

Zo beoogt Incluzio sinds 1-1-2021 een gedeelte van de hulpvragen op te vangen binnen de sociale basis (het voorliggend veld) in plaats van direct over te gaan tot een maatwerkvoorziening of specialistische jeugdhulp. Voor de Wmo geldt dat de wettelijke termijn van 8 weken (van melding tot aan besluit) in de eerste helft van 2021 steeds vaker werd behaald. In de zomer van 2021 werd bij zo’n 22% van de casussen de termijn niet gehaald. Dit blijft wel een punt van

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

27

aandacht. Het aantal bewoners dat langer dan 6 weken wachtte op een besluit van de gemeente liep van augustus tot en met november 2021 weer sterk op. Voor meer dan 50% van de werkvoorraad gold dat de 6 wekentermijn niet werd gehaald. Voor de jeugdhulp geldt geen wettelijke termijn maar een ‘redelijke termijn’. Wel is in één van de beleidsdocumenten van Rheden een beoogde termijn opgesteld van 8 weken (van het neerleggen van de hulpvraag tot aan het besluit). Voor jeugdhulp geldt dat de beoogde termijn van 8 weken vanaf 6 september tot en met halverwege november steeds werd gehaald. Onderbouwing Wmo Wettelijke kaders In de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt clientondersteuning gedefinieerd als: “Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen." Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a.

Door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, b. Beschermd wonen, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, voor zover hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving, dan wel c. Opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

Wettelijke termijn In artikel 2.3.2 komt naar voren dat het college zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 weken na de melding een onderzoek dient uit te voeren. Bovendien dient het college te bevestigen dat zij de melding hebben ontvangen. Voordat dit onderzoek van start gaat krijgt de client de mogelijkheid een persoonlijk plan te overhandigen met hierin de omstandigheden en de ondersteuning die naar zijn mening het meest is aangewezen. Zodra het onderzoek is uitgevoerd (of als de wettelijke termijn van 6 weken is overschreden) kan de cliënt een aanvraag doen. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. Oftewel, de wettelijke beslistermijn (van melding tot aan beschikking) betreft 8 weken. Lokale kaders (verordening en beleidsregels) Wmo-verordening In de Memorie van Toelichting op de Wmo is aangegeven dat de gemeente een Wmo-verordening dient op te stellen: “De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast voor de uitvoering van het beleid door het college. De gemeentelijke verordening is daarmee een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van een gemeente met betrekking tot ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang”. De verordening is daarmee een uitvloeisel van zowel het wettelijk kader als het eigen beleid van de gemeente. De gemeente Rheden heeft een Wmo-verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=73aa1a95-1403-49a7-a6d5-299747e7ac07