2 Samenw. afspr. Bijl 1 Samenw. protocol JZRegio CG - RvdK (def 31 maart).docx
Tekst van het document
4.2
Relevante wetsartikelen
Burgerlijk Wetboek (per 1 januari 2015) Art 265 j, lid 3: Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, gaat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de [gecertificeerde instelling] vergezeld van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de verlenging van die ondertoezichtstelling. De [gecertificeerde instelling] doet van het voornemen tot een voornoemd verzoek tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming.
4.3 Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 1.
2.
Bij een voornemen tot een verlenging van een ondertoezichtstelling met een machtiging uithuisplaatsing die twee jaar duurt, stuurt de gecertificeerde instelling 10 weken voor het verstrijken van de machtiging uithuisplaatsing alle relevante documenten naar de Raad voor de Kinderbescherming: de evaluatie van het plan van aanpak, het nieuwe indicatiebesluit, het verzoekschrift en het plan van
Pagina 19 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
aanpak voor de komende periode. In deze documenten staat de afweging waarom deze verlenging de meest geëigende maatregel is en de andere maatregelen niet. 4. Op grond van deze documenten brengt de Raad voor de Kinderbescherming advies uit aan de kinderrechter. 5. Is de informatie van de gecertificeerde instelling niet compleet en kan de Raad voor de Kinderbescherming daardoor niet adviseren, dan vraagt de Raad voor de Kinderbescherming aan de gecertificeerde instelling om aanvullende informatie. Als die informatie er binnen een week niet is, volgt overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling. 6. De Raad voor de Kinderbescherming rondt het advies binnen een week af. 7. Adviseert de Raad voor de Kinderbescherming om in te stemmen met het verlengingsverzoek, dan stuurt de Raad voor de Kinderbescherming de gecertificeerde instelling een aan de kinderrechter gerichte, gemotiveerde adviesbrief. 8. De gecertificeerde instelling stuurt deze adviesbrief van de Raad voor de Kinderbescherming mee met het verlengingsverzoek. 9. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt een kopie van de adviesbrief aan de belanghebbenden. Eventuele reacties van deze belanghebbenden stuurt de Raad voor de Kinderbescherming zo snel mogelijk door aan de gecertificeerde instelling. 10.
Adviseert de Raad voor de Kinderbescherming om niet in te stemmen met het verlengingsverzoek, wordt belangrijke informatie gemist of bestaan er aarzelingen, dan volgt overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling. 11. Als de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen het in dat overleg eens worden, dan zijn er drie mogelijkheden: - De Raad voor de Kinderbescherming adviseert alsnog positief over het verlengingsverzoek. - De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het erover eens dat het kind terug kan naar de eigen ouders. Er zijn dan twee mogelijkheden. Ofwel de gecertificeerde instelling past het verzoekschrift aan. De instelling vraagt in dat geval ofwel alleen een verlenging van de ondertoezichtstelling (met eventueel een verlenging van de uithuisplaatsing voor korte duur, om de terugkeer naar het eigen gezin voor te bereiden). Ofwel de gecertificeerde instelling ziet af van een verzoekschrift. De ondertoezichtstelling verloopt dan om de door de rechter uitgesproken einddatum. - De gecertificeerde instelling vraagt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel en de gecertificeerde instelling informeert hierover de ouders.
De gecertificeerde instelling vraagt verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing om de Raad voor de Kinderbescherming tijd te geven om een onderzoek te doen. 12. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt de gecertificeerde instelling in alle gevallen een aan de kinderrechter gerichte gemotiveerde adviesbrief met een kopie aan de belanghebbenden. Desgewenst stuurt de gecertificeerde instelling een reactie op het raadsadvies mee naar de kinderrechter, de Raad voor de Kinderbescherming en belanghebbenden. 13. Als de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling het in dat overleg niet eens worden, dan doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel die past bij het perspectief van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling spreken af wie hierover de ouders informeert. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt de gecertificeerde instelling een adviesbrief met daarin de motivatie voor het opstarten van een onderzoek en stuurt daarvan een kopie aan de belanghebbenden. De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek en stuurt het adviesrapport en eventueel rekest naar kinderrechter, de gecertificeerde instellingen en belanghebbenden, uiterlijk één week voor de zittingsdatum. 14.
De gecertificeerde instelling dient het verzoekschrift in, uiterlijk acht weken voor de datum waarop de lopende kinderbeschermingsmaatregel van rechtswege eindigt. 15. De gecertificeerde instelling voegt bij het verzoekschrift de adviesbrief van de Raad voor de Kinderbescherming. Leidt het verschil van inzicht tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling tot een raadsonderzoek, dan meldt de gecertificeerde instelling dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (inclusief onderbouwing in de vorm van een raadsrapport) uiterlijk een week voor de zitting bij de kinderrechter binnen is. 3.
5
De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming bij (tijdelijke) voogdij
De uitvoering van deze bepaling is voorlopig opgeschort. Of dan wel wanneer de bepaling zal worden Pagina 20 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
uitgevoerd wordt door de verantwoordelijke ministers en de Kamer op een later tijdstip besloten, mede afhankelijk van de uitkomsten van nader onderzoek. gaat het om
5.1
Waar gaat het om?
Bij voogdijen staat het behartigen van de belangen het kind buiten de oorspronkelijke opvoedingssituaties centraal. Eén van die belangen is het bereiken van een stabiele alternatieve opvoedingssituatie. Bij voorkeur bij pleegouders die, waar dat verantwoord is, zelf met het gezag over het kind worden bekleed. Uit onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg uit 2003 bleek echter dat het belang van kinderen die onder voogdij staan onvoldoende is gewaarborgd. Het ontbrak aan een transparante en planmatige uitvoering van de voogdij. In een reactie op het inspectieonderzoek stelde de minister van Justitie en Veiligheid dat de activiteiten van de voogdijinstelling erop gericht moeten zijn om pedagogisch en juridisch gezag met elkaar verbinden bij een natuurlijk persoon en dat gestreefd moet worden naar een pleeggezinplaatsing. Waar plaatsing niet mogelijk is, is het taak om een sociaal netwerk te creëren. Om die transparantie en planmatige uitvoering beter te kunnen waarborgen, krijgt de Raad voor de Kinderbescherming bij de invoering van de herziene kinderbeschermingswetgeving (per 1 januari 2015) een toetsende taak bij (tijdelijke) voogdijen. Die taak is vergelijkbaar met de toetsende taak bij het niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Het gaat niet om algemeen kwaliteitstoezicht of toezicht op naleving van de wet; dat doet Inspectie Jeugdzorg.
Het gaat om te beoordelen of de belangen van de minderjarigen voldoende behartigd worden. Het gaat zowel om tijdelijke voogdij als om reguliere voogdij waar de gecertificeerde instelling of het NIDOS uitvoerder van is. De Raad voor de Kinderbescherming maakt over de samenwerking bij de uitvoering van deze taak afspraken met de gecertificeerde instellingen en de gemeente ziet erop toe dat de gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken nakomen.
5.2
Relevante wetsartikelen
Burgerlijk Wetboek (per 1 januari 2015) Art 305, lid 1-2: 1. De [gecertificeerde instelling], zendt jaarlijks aan de Raad voor de Kinderbescherming een afschrift van het plan, bedoeld in [de Jeugdwet], dat tevens de gegevens bevat over het verloop van de voogdij. 2. Geschillen tussen de [gecertificeerde instelling] en de Raad voor de Kinderbescherming die de uitoefening van de voogdij door de [gecertificeerde instelling] betreffen, kunnen op verzoek van een van beide aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
5.3 Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 1.
2. 3.
4. -
De gecertificeerde instelling of het NIDOS stuurt (conform art 40 Uitvoeringswet op de JZ, per 1 januari 2015: JW) jaarlijks een afschrift van het evaluatieplan aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming doet de toetsing in beginsel af op de schriftelijke stukken die de gecertificeerde instelling of het NIDOS aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt. De Raad voor de Kinderbescherming toetst het evaluatieplan. De Raad voor de Kinderbescherming moet (conform de herziene kinderbeschermingswetgeving, MvT pg 37 en verder) beoordelen of de belangen van de minderjarigen voldoende worden behartigd, of de minderjarige de nodige zorg ontvangt en of de punten uit wet- en regelgeving worden uitgevoerd. Het gaat concreet om: de mate waarin de gecertificeerde instelling of het NIDOS zich op de hoogte houdt van de ontwikkeling van de minderjarige, de aan hem bestede zorg en zijn vermogen. de mate waarin de gecertificeerde instelling of het NIDOS contact tussen de minderjarige en diens oorspronkelijk milieu bevordert. de mate waarin de gecertificeerde instelling of het NIDOS bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de instelling. de mate waarin de gecertificeerde instelling of het NIDOS rekening houdt met overgang van gezag naar
Pagina 21 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
de ouders of pleegouders. Als de informatie niet compleet is, vraagt Raad voor de Kinderbescherming aan de gecertificeerde instelling of het NIDOS om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 2 weken met aanvullende informatie te komen. 6. Als de Raad voor de Kinderbescherming na toetsing van mening is dat de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, stuurt de Raad voor de Kinderbescherming binnen twee weken na ontvangst van het evaluatieplan of na completering van de informatie een gemotiveerde brief aan de gecertificeerde instelling of het NIDOS met een afschrift aan de belanghebbenden. 7. Als de Raad voor de Kinderbescherming vragen heeft of twijfelt of de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, vraagt de Raad voor de Kinderbescherming de gecertificeerde instelling of het NIDOS om nadere uitleg. 8. Als na uitleg van de gecertificeerde instelling of het NIDOS de Raad voor de Kinderbescherming vindt dat de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, dan laat de Raad voor de Kinderbescherming dit schriftelijk aan de instelling weten. 9.
Is de Raad voor de Kinderbescherming ook na overleg met de gecertificeerde instelling of het NIDOS van mening dat de belangen minderjarige onvoldoende gewaarborgd zijn, of als daarover nog steeds twijfels bestaan, dan start de Raad voor de Kinderbescherming een raadsonderzoek en benadert hiervoor de belanghebbenden. Het raadsonderzoek wordt indien mogelijk binnen 3 weken maar uiterlijk binnen 2 maanden afgerond. 10. Is de Raad voor de Kinderbescherming na dit raadsonderzoek van mening dat de belangen van de minderjarige voldoende behartigd worden, dan laat de Raad voor de Kinderbescherming dit schriftelijk weten aan de gecertificeerde instelling of het NIDOS. De belanghebbenden ontvangen een kopie van deze brief. 11. Als de Raad voor de Kinderbescherming na dit raadonderzoek van mening blijft dat de belangen van de minderjarige onvoldoende behartigd worden, dan legt de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling of het NIDOS de zaak gemotiveerd voor aan kinderrechter. 5.
Pagina 22 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
BIJLAGE 2 1
Landelijk kader voor afspraken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering
De wetgeving rond de inzet van jeugdreclassering stelt eisen aan de samenwerking tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen. Daarnaast kan de gemeente nadere voorwaarden stellen over de samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming, bij het contracteren van gecertificeerde instellingen. De afspraken die in dit Landelijk kader zijn opgenomen, zijn tot stand gekomen in overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg Nederland, NIDOS8.
1.1
Waar gaat het om?
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering werken op verschillende momenten nauw samen. Voor een deel komt die samenwerking voort uit wettelijke verplichtingen (vastgelegd in de Jeugdwet en andere wetten). De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen maken onder regie van de gemeente afspraken over hun manier van samenwerking.9 Die afspraken moeten voldoen aan de wettelijke eisen en de aanvullende eisen van de gemeente. De gemeente ziet er, als opdrachtgever van de gecertificeerde instellingen, op toe dat die instellingen zich aan de afspraken houden. In uitzonderlijke gevallen kan de Raad voor de Kinderbescherming – na overleg met de gemeente – gebruik maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering.
1.2
Relevante wet- en regelgeving
Besluit van 16 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), paragraaf 7. Het uitvoeren van de jeugdreclassering (art 46-49).
1.3 Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering 1.4 1.
2.
3.
4. 5.
8 9
Wettelijke verplichtingen
De gecertificeerde instelling levert op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming informatie aan de raad ter voorbereiding van het afstemmingsoverleg ZSM. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben soms gelijktijdige bemoeienis met jongeren. De Raad voor de Kinderbescherming informeert de gecertificeerde instelling direct en stemt af wanneer er sprake is van een nieuw Proces Verbaal Minderjarigen (PVM) ten aanzien van een jongere die begeleid wordt door een gecertificeerde instelling (zowel jeugdreclassering als jeugdbescherming). De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop en de termijnen waarbinnen uitwisseling van informatie plaatsvindt tijdens het strafonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en voor de zitting (wijze van preadvisering, uitvoering en rapportage toezicht en begeleiding, uitvoering en rapportage van haalbaarheidsonderzoeken). De Raad voor de Kinderbescherming stuurt afschrift van het strafadvies naar de gecertificeerde instelling, indien deze is betrokken bij de totstandkoming hiervan en/of het strafadvies inhoudt dat zij de uitvoering van de maatregel hulp en steun of de gedragsmaatregel moeten oppakken.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken samenwerkingsafspraken in het kader van de wettelijke toezichthoudende taak van de Raad voor de Kinderbescherming op de
NIDOS: landelijke organisatie voor jeugdbescherming voor vluchtelingen. Dit is afhankelijk van het normenkader voor de certificering: de gemeente en de raad hoeven geen afspraken te maken die al in dat
normenkader vastliggen.
Pagina 23 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering. Bijvoorbeeld over de termijnen waarbinnen (en de manier waarop) de plannen van aanpak, de reguliere verantwoordingsrapportages en de wijzigings- en verlengingsverzoeken in het kader van de gedragsmaatregel aan de Raad voor de Kinderbescherming worden toegezonden.
1.5 Mogelijke aanvullende eisen aan de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering10 1.
2. 3. 4. 5.
6. 7.
10 11
De gecertificeerde instelling is, net als de Raad voor de Kinderbescherming, aanwezig bij het overleg over jongeren in het Veiligheidshuis. De gecertificeerde instelling is aanwezig bij het JCO+ (Justitieel Casusoverleg) als er TUL-zaken11 worden besproken over jongeren die zij als cliënt hebben. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop zij gebruikmaken van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop de organisaties ter zitting vertegenwoordigd zijn. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop vanuit de uitvoering van een opgelegde jeugdreclasseringsmaatregel een verzoek tot raadsonderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel aan de Raad voor de Kinderbescherming gericht kan worden, conform de afspraken in beschermingszaken (zie het vorige hoofdstuk van deze handreiking). De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop de raad betrokken en geïnformeerd wordt indien een zaak wordt overgedragen aan, of wordt overgenomen van een andere gecertificeerde instelling.
De gemeente stelt aan de gecertificeerde instelling als eis, dat bij de uitvoering van de jeugdreclasseringsmaatregel wordt aangesloten bij de jeugdhulp zoals die in het gemeentelijke domein georganiseerd is.
De genoemde eisen zijn conform de huidige samenwerkingsafspraken in de jeugdstrafrechtketen. De afkorting TUL staat voor ‘ten uitvoer legging’. Het gaat om het ten uitvoer leggen van een voorwaardelijke straf, omdat de jongere
zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden.
Pagina 24 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
BIJLAGE 3 Hulpschema bij bepaling keuze van gecertificeerde instelling De Raad voor de Kinderbescherming zal per casus, op grond van de aangetroffen problematiek en doelgroep, een keus maken uit onderstaande, door de Gelderse gemeenten gecontracteerde, gecertificeerde instellingen of het Nidos en de gekozen instelling opnemen in rekest kinderbeschermingsmaatregel, advies inzake strafzaken of opdracht tot vrijwillige jeugdreclassering. WIE Jeugdbescherming Gelderland
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
Pagina 25 van 29
DOELGROEP Kinderen met een licht, matig of ernstig verstandelijke beperking (IQ < 70) Jeugdigen en hun gezinnen (IQ > 70) Kinderen met extra risicofactoren, zoals vroegtijdig schoolverlaten, overmatig middelengebruik, psychische problematiek Tienermoeders Multiprobleemgezinnen (overlast, maatschappelijke onrust) Drugs- of alcoholverslaafde ouders Gezinnen met geringe sociale redzaamheid Echtscheidingsproblematiek Karakteristieken van het kind: Kinderen met een licht, matig of ernstig verstandelijke beperking (IQ < 70) Kinderen die op zwakbegaafd niveau functioneren (IQ tussen 70 en 85), mits er sprake is van een niveau van sociaal-emotioneel functioneren dat beduidend lager ligt dan het cognitief functioneren Kinderen met een lichamelijke beperking die als gevolg van hun beperking blijvende beperkingen ondervinden in hun ontwikkeling tot zelfstandigheid Kinderen met een zintuiglijke beperking: slechthorend/doof, slechtziend/blind. Meervoudig Complex Gehandicapte kinderen (M.C.G.) Kinderen in de leeftijd van 0 tot 6 jaar, met een verhoogd medisch risico op een blijvende beperking die in de eerder genoemde categorieën vallen Kinderen met een ernstig lichamelijke chronische of progressieve ziekte.
Te denken valt aan een stofwisselingsziekte, aids, cystic fybrose, leukemie Kinderen die niet tot de doelgroep van de William Schrikker behoren maar van wie de ouders een beperking hebben, zoals die in de eerste vier categorieën is omschreven, waardoor specialistische hulp noodzakelijk is
WAT Jeugdbescherming Jeugdreclassering Voogdij
Gezinsvoogdij Voogdij Jeugdreclassering
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
WIE Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (SGJ is onderaannemer LDH)
Jeugd Veilig Verder
Stichting Nidos
DOELGROEP Achtergrond van het gezin: Alle gezinnen (als vangnetorganisatie als huidige hulpverlenging vastloopt) Gezinnen aan de onderkant van de samenleving Verspreid wonende, samengestelde gezinnen Zwervende ouders en kinderen Roma en Sinti-gezinnen Gezinnen die vanwege hun geloofsovertuiging door het Leger des Heils begeleid willen worden Kinderen met een licht, matig of ernstig verstandelijke beperking (IQ < 70) Jeugdigen en hun gezinnen (IQ > 70) Kinderen met extra risicofactoren, zoals vroegtijdig schoolverlaten, overmatig middelengebruik, psychische problematiek Tienermoeders Multiprobleemgezinnen (overlast, maatschappelijke onrust) Drugs- of alcoholverslaafde ouders Gezinnen met geringe sociale redzaamheid Echtscheidingsproblematiek Stichting Nidos is met ingang van 1 december 2001 aanvaard door het Ministerie van Justitie en Veiligheid als voogdij- en gezinsvoogdijinstelling voor vluchtelingen en asielzoekers. Nidos is een landelijk werkende instelling die op algemene grondslag werkt. De hulpverlening van Nidos is specifiek gericht op alleenstaande minderjarige vluchtelingen, asielzoekers en jongeren die in Nederland verblijven zonder asielaanvraag en voor wie terugkeer naar het land van herkomst een reële optie is. Voor deze jongeren moet, voor zover het gezag in Nederland niet wordt uitgeoefend, een voogdijvoorziening worden getroffen.
De instelling verzorgt, in het verlengde van de voogdij, ook de opvang voor een deel van haar pupillen. Indien een ondertoezichtstelling wordt verzocht voor kinderen die in een COAvoorziening verblijven, dan is Nidos landelijk de aangewezen gecertificeerde instelling voor de uitvoering van de OTS. Deze uitvoering wordt gefinancierd door het Rijk. In deze gevallen zal de Raad voor de Kinderbescherming in het rekest aan de rechtbank in beginsel Nidos adviseren.
Pagina 26 van 29
WAT Gezinsvoogdij Voogdij Jeugdreclassering
Jeugdbescherming Jeugdreclassering Voogdij
Gezinsvoogdij Voogdij
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
Pagina 27 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
BIJLAGE 4 Checklist VTO nog niet geboren kind (indien een kind van hetzelfde gezin onder toezicht of onder voogdij staat) De informatie heeft betrekking op de omstandigheden voor de geboorte en waaronder het kind ter wereld komt en opgroeit. Onderstaande cheklist kan samen met de moeder worden doorgenomen:
Zijn er zorgen, zo ja, wat zijn de zorgen over de baby voor en na de geboorte? Wanneer er geen zorgen zijn, moet ook dit beschreven worden.
Hoe verloopt de zwangerschap, is er sprake van een begeleide zwangerschap? Zo ja, graag informatie toevoegen van de verloskundige of gynaecoloog.
Waar gaat de bevalling plaatsvinden (welk ziekenhuis of thuis) en wanneer is de moeder uitgerekend?
Zijn er voorbereidingen getroffen voor de komst van de baby. Is er kraamzorg geregeld?
Is de vader van het kind in beeld en wat is zijn rol? Wat zijn de plannen van de ouders? Netwerk?
Wat kan gemeld worden over de pedagogische vaardigheden van ouders/moeder? Wat is de inschatting/ervaring met deze ouders/moeder?
Zijn er zorgen over de ouders vanwege middelengebruik, huisvesting, financiën, beperkingen, psychiatrische problematiek?
Is er hulp in het gezin aanwezig, welke hulp is dit, waar is deze op gericht en hoe loopt dit? Welke hulp is er nodig (voor de geboorte en na de geboorte) en kan dit al in het plan van aanpak opgenomen (verleningsbesluit) worden zodat dit na de geboorte snel start?
Is er vertrouwen dat ouders hulp inschakelen indien nodig? Waar is dit op gebaseerd?
Kan de baby na de geboorte naar huis? Zo niet: is dit met ouders besproken, wat is hun reactie hierop en waar zou de baby (al dan niet met moeder) geplaatst moeten worden? Wat zijn de mogelijkheden van het netwerk? Als moeder-kind opvang geen optie is, dit uitgebreid toelichten.
Pagina 28 van 29
Samenwerkingsprotocol gemeenten in Centraal Gelderland en de Raad voor de Kinderbescherming
BIJLAGE 5 Handtekeningenblad De ondergetekenden: Handtekening:
Gemeente: Naam: Functie: Datum:
Pagina 29 van 29