CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

13c. Bijlage: Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Eftal)

1.3 Commissievergadering 11 februari 2025, gemeente RozendaalBij agendapunt: Bespreking agendapunten raadsvergadering 11 februari 202512.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal Onderbouwing etfal - gemeente Rozendaal

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Datum:

6 januari 2025

Projectnummer Buro SRO:

89.48.03

Opdrachtgever:

Mevr. M. Gaertner en dhr. B. Kiekebosch

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:

Dhr. J. van der Hooft

Bezoekadres vestiging Arnhem:

Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem

Telefoon:

026 - 35 23 125

E-mail:

arnhem@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

2

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging van het projectgebied

5

1.3

Wettelijke context

5

1.4

Leeswijzer

6

Hoofdstuk 2

Voorgenomen ontwikkeling

8

2.1

Huidige situatie

8

2.2

Toekomstige situatie

9

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

11

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

11

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

12

3.3

Regionaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

16

Hoofdstuk 4

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

20

4.1

Weging van het waterbelang

20

4.2

Activiteiten en milieuzonering

23

4.3

Bodem

24

4.4

Luchtkwaliteit

25

4.5

Geur

26

4.6

Geluid

28

4.7

Omgevingsveiligheid

30

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

32

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

32

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

32

5.3

Ecologie

34

5.4

Verkeer en parkeren

36

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

36

Hoofdstuk 6

Conclusie

38

Hoofdstuk 7

Toestemming en voorwaarden

39

7.1

Toedeling functies

39

7.2

Toedeling bouwmogelijkheden

39

7.3

Procedure

40

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

41

8.1

Participatie

41

8.2

Kostenverhaal

41

8.3

Vooroverleg

42

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

3

Bijlagen

4

44 Digitale watertoets

45

Bodemonderzoek

46

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

47

Quickscan Flora en Fauna

48

Voortoets stikstofdepositie

49

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de tuin van de Kerklaan 27 aan de Jagermeesterlaan te Rozendaal een nieuwe woning te ontwikkelen. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Rozendaal maar wel wenselijk is, wordt middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In voorliggende onderbouwing wordt toegelicht waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied betreft de tuin van de woning aan de Kerklaan 27 en maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Rozendaal (kadastraal bekend als C-2409, gemeente Rozendaal). Navolgende afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

Globale ligging met het projectgebied rood omcirkeld (bron: openstreetmap.org)

1.3

Wettelijke context

Voor de overgangsfase voor het omgevingsplan bevat artikel 12.27a Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een beoordelingsregel voor opvolgende vergunningverleningen ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA). Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarbij moet worden voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl welke overeenkomen met de regels die gelden voor het opstellen van een

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

5

omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Dit maakt het mogelijk om eerst een 'planologisch basisbesluit’ te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hierbij kan bijvoorbeeld éérst toestemming verleend worden voor de gewenste functie / activiteit op de locatie en de plaatsing van het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume waaraan, indien nodig, voorwaarden kunnen worden gekoppeld.

Op een later moment wordt dan nogmaals een vergunning aangevraagd. Dat is de opvolgende vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het feitelijk verrichten van de bouwactiviteit. Deze is dan wel in strijd met het omgevingsplan maar in overeenstemming met de eerder verleende omgevingsvergunning. Op deze manier kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor deze (nader uitgewerkte) bouwactiviteit. Voor wat bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk is toegestaan (zoals de functie/ activiteit, het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) hoeft het bevoegd gezag bij de tweede vergunning niet opnieuw af te wegen of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorliggende onderbouwing etfal is een onderdeel van de motivering van het besluit tot vergunningverlening. Het ‘planologisch basisbesluit’ komt in de Omgevingswet noch in de memorie van toelichting voor maar wordt, onder meer door het Informatiepunt voor de Leefomgeving, gebruikt om uitleg te geven aan de Omgevingswet. Het planologisch basisbesluit heeft dezelfde werkingskracht als voorheen het bestemmingsplan zoals dat bestond onder de Wro, maar dan in de vorm van een omgevingsvergunning.

Uiterlijk 5 jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende afwijkactiviteit wordt het omgevingsplan in overeenstemming gebracht met de vergunning. Een en ander zoals verplicht in artikel 4.17 van de Omgevingswet.

Wettelijke context i.r.t. voorliggende onderbouwing etfal Deze onderbouwing wordt betrokken bij de omgevingsvergunningverlening van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit: het planologische basisbesluit. Hoofdstuk 7 van deze onderbouwing gaat daar verder op in.

1.4

Leeswijzer

Onderhavige onderbouwing gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar de voor het plan relevante beleid van gemeente, provincie en Rijk. In hoofdstuk 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten.

6

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Daarna wordt in hoofdstuk 7 aangegeven waar deze onderbouwing etfal betrekking op heeft en wat daarbij vergund wordt.

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de onderbouwing dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkel aspecten komen altijd voor daarom wordt daar in voorliggend stuk ook op in gegaan. Dat gebeurt in hoofdstuk 8 ‘Overige aspecten’.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

7

Hoofdstuk 2

Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het projectgebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het projectgebied is gelegen aan de noordkant van de bebouwde kom van Rozendaal. De locatie is gelegen in een groene woonbuurt met voornamelijk vrijstaande woningen. Het groene karakter van de buurt schuilt in de lage dichtheid aan bebouwing, groene tuinen en aanwezigheid van bossen. Ten noorden van het projectgebied bevindt zich de Veluwe.

Het projectgebied is in de huidige situatie in gebruik als tuin bij de bestaande woning aan de Kerklaan 27. De locatie bestaat voornamelijk uit een onbebouwd grasveld met verschillende tuinplanten, struiken en bomen. Tevens is een tuinhuis aanwezig in de noordoostelijke hoek van het projectgebied. Ten zuiden van het tuinhuisje ligt een jeu de boules-baan. Aan de zuidkant van het projectgebied wordt de locatie omkaderd door de Jagermeesterlaan. Navolgende afbeelding geeft de huidige situatie weer middels een luchtfoto.

Luchtfoto van het projectgebied (bron: Pdok)

8

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om aan de noordzijde van het projectgebied een vrijstaande levensloopbestendige woning met aanbouw te realiseren. De beoogde woning kent één bouwlaag zonder kap, waarbij de bouwhoogte circa 3,5 m bedraagt. Daarnaast wordt een gedeelte van de woning verdiept. Door de ligging ten noorden van bestaande beplanting en de lage bouwhoogte kent het initiatief een beperkte ruimtelijke impact op de omgeving. Behalve de woning is aan de westkant van het projectgebied een berging voorzien.

Het projectgebied wordt in de toekomstige situatie middels een toe te voegen inrit ontsloten door de Jagermeesterlaan. Parkeergelegenheid wordt aan de oostkant van de woning toegevoegd. Uitgangspunt van het plan is om bestaand groen zoveel mogelijk te behouden. Bij de planvorming is rekening gehouden met de aanwezige bomen, zodat de groene uitstraling van het perceel aan de Jagermeesterlaan behouden blijft. Hiermee blijven ruimtelijke kernkwaliteiten, zoals ook beschreven in paragraaf 3.2.2, intact. Aan de zuidoostkant is ruimte voor de opvang van hemelwater. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.

Impressie van de toekomstige situatie (bron: Strategie architecten)

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

9

Impressie van de toekomstige situatie (bron: Strategie architecten)

10

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

Projectspecifiek Het projectgebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

11

aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;

Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 

Veiligheid primaire waterkeringen;

Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;

Kwaliteit van de buitenlucht;

Waterkwaliteit;

Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3

Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het projectgebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit het Bkl. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke regels voor dit plan. Het voorgenomen initiatief betreft de ontwikkeling van slechts één vrijstaande woning. Hierdoor is de ontwikkeling niet ladderplichtig.

Het initiatief is passend binnen het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

12

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: 

Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;

Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;

Een voortvarend en innovatief circulair beleid;

Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;

Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;

Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;

Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

Projectspecifiek Met het initiatief wordt ingespeeld op een actuele behoefte naar woningen in de provincie. De nieuwbouw voldoet aan de actuele normen op het gebied van duurzaamheid. Daarmee draagt het initiatief bij aan het versterken van een duurzaam en divers woon- en leefklimaat. Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, is op basis van deze instructieregel een toelichting benodigd van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

13

5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

Projectspecifiek Landschap Het plangebied is gelegen binnen het landschap 'Gelderse streek Veluwe’. Op grond van de verordening (art. 5.40) dient bij een nieuwe ontwikkeling rekening te worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. De Veluwe betreft een reliëfrijk gebied met sterke afwisseling van bos- en natuurgebieden, heidevelden, zandverstuivingen, agrarische enclaves en landgoederen. Onderhavig projectgebied bevindt zich in de bebouwde kom van Rozendaal, waarbinnen deze kernkwaliteiten minder sterk zichtbaar zijn. Door een woning te realiseren op een inbreidingslocatie, waar met de inrichting rekening is gehouden met het aanwezige groen, blijven de kernkwaliteiten van dit landschap behouden. Deze worden niet aangetast.

Wonen Het initiatief voorziet in het toevoegen van nieuwe woningen en dient daarom te passen binnen de regionale woonagenda op grond van art. 5.64 uit de verordening. In paragraaf 3.3.1 is hieraan getoetst. Uit de motivering blijkt dat het initiatief binnen de regionale woonambities past.

Intrekgebied Het projectgebied ligt in een intrekgebied. Op grond van de artikelen 4.15 en 4.16 uit de Omgevingsverordening Gelderland zijn voor grondwaterbedreigende activiteiten binnen ‘intrekgebieden’ aanvullende maatregelen nodig. Het toevoegen van een woning is geen activiteit die hiertoe bestempeld kan worden. Tevens is er geen sprake van een mijnbouwactiviteit (art. 4.35). Nadelige effecten ten aanzien van het grondwater zijn hiermee niet aan de orde. 3.2.3

Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Er wordt voldaan aan het beleid en de regels uit de Provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland.

Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Het beleid van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is gericht op het fysieke domein. De organisatie onderscheidt vijf verschillende opgaven, waaronder ook de opgave 'Groene groeiregio'. De regio kent een grote (verstedelijkings-)opgave en een tekort aan woningen. Het doel van deze opgave is het terugbrengen van dit woningentekort. Ook staat het bieden van voldoende (betaalbare) woningen op de agenda. Balans tussen stedelijke ontwikkeling en leefbaarheid dient behouden te blijven. De GMR hanteert twee speerpunten voor deze opgave:

14

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

1. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw; 2. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven.

Op 8 maart 2023 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen geactualiseerd. Met de geactualiseerde Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave in de regio. De woondeal is een pakket met afspraken tussen gemeenten, provincie, rijk, corporaties en marktpartijen, waarmee samengewerkt wordt aan meer woningen en meer betaalbare woningen. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. De Woondeal 2.0 borduurt daarmee voort op de eerste Woondeal uit 2020.

In de woondeal zet conform de provinciaal bestuurlijke afspraken in op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo’n 55.000 woningen. Dit betekent een ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen. Daarnaast wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie ‘meer landschap meer stad’. 3.3.2

Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

Binnen de woondeal heeft de gemeente Rozendaal de ruimte gekregen om 10 nieuwe woningen te realiseren. Deze woningen zijn inmiddels gerealiseerd. Met het toevoegen van één extra woning aan de Jagermeesterlaan wordt ingespeeld op een lokale behoefte om doorstroming te realiseren. Dit komt overeen met actueel Woonbehoefteonderzoek (Companen, 17 mei 2024). Hierin is ook opgenomen dat tot 2030 nog een behoefte van 50 woningen in de gemeente Rozendaal bestaat. Hierbinnen is ruimte voor de extra woning uit dit plan.

Vanuit kwalitatief oogpunt speelt het plan, door het gebruik maken van zoveel mogelijk duurzame materialen, in op ontwikkeling van duurzame woningbouw. Doordat de woning levensloopbestendig is, sluit de woning aan op de woonbehoeften van verschillende doelgroepen (waaronder ook ouderen). Het plan past daarmee binnen de regionale Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio ArnhemNijmegen.

Het plan is passend binnen het regionale beleid.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

15

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Integrale Visie Ruimtelijke Ontwikkeling (2002)

De ‘Integrale Visie Ruimtelijke Ontwikkeling’ is een integrale visie voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Rozendaal, zowel de kern als het buitengebied. Het behoud van het landschap van de bebouwde kern met zijn kenmerkende open plekken, de lanenstructuur, het beeldbepalende groen en de geaccidenteerdheid dient bepalend te blijven voor de verdere ontwikkeling van Rozendaal. Het behoud en de mogelijke verbetering van de landschappelijke onderlegger geldt als voorwaarde en toetsingskader voor ontwikkeling en beheer. De kwaliteit van de woonbebouwing dient in stand te worden gehouden en waar mogelijk te worden verbeterd. Er is geen sprake van (grootschalige) uitbreiding van Rozendaal, maar alleen van twee mogelijke inbreidingslocaties.

Projectspecifiek Voorliggend initiatief zorgt voor zoveel mogelijk behoud van het bestaande groen, daarnaast betreft de ontwikkeling een inbreidingslocatie. Hiermee past voorliggend initiatief binnen de Integrale visie ruimtelijke ontwikkeling. 3.4.2

Nota Ruimtelijke kwaliteit gemeente Rozendaal

In 2017 is de nieuwe nota Ruimtelijke kwaliteit vastgesteld, die de welstandsnota uit 2004 vervangt. Laatste was toe aan actualisatie, in verband met een gewijzigde]. regelgeving (Wabo), de komst van nieuwe wetgeving (Omgevingswet), maar ook met een veranderende kijk op de toepassing van welstandstoezicht. Waar mogelijk krijgen burgers meer ruimte krijgen bij het realiseren van hun bouwplannen. Anderzijds wil de gemeente bestaande bijzondere ruimtelijke kwaliteiten en met name de cultuurhistorische waarden en identiteit, kunnen waarborgen. Dit vraagt om een welstandsbeleid op maat. Het vormt een toetsingskader voor de kleinere plannen, maar is tegelijkertijd een stimulerend kader voor de grotere ruimtelijke opgaven. Dit vraagt ook om integratie met landschapsen monumentenbeleid, waarmee de nota Ruimtelijke Kwaliteit als het ware is getransformeerd naar een integrale ‘nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Het welstandsbeleid – vastgelegd in de nota ruimtelijke kwaliteit is bedoeld om in alle openheid een bijdrage leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Rozendaal. Met welstandstoezicht beschikt de gemeente als regisseur over een belangrijk wettelijk sturingsinstrument. Bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met ‘redelijke eisen van welstand.

Hiertoe adviseert een onafhankelijke commissie – de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) van het Gelders Genootschap – aan het college van B&W.

De nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat richtlijnen en criteria waar aanvragen om omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen aan worden getoetst. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: •

Criteria voor kleine bouwwerken;

•

Richtlijnen voor grotere bouwopgaven.

16

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

In de nota wordt onderscheid gemaakt in een zevental deelgebieden. Naast een compacte beschrijving van de ruimtelijke situatie worden per deelgebied de kernkwaliteiten beschreven en de richtlijnen aangereikt. Afhankelijk van de kwetsbaarheid of juist draagkracht van een gebied, wordt meer vrijheid geboden of juist meer zorgvuldigheid gevraagd. Dit komt ook tot uitdrukking in de ambities, waarin een drietal niveaus gelden. De niveaus onderscheiden zich in de mate van vrijheid in de omgang met de bestaande stedenbouwkundige of landelijke structuur en architectuur. De volgende beleidsniveaus zijn van toepassing. 1. Keuze Verandering en handhaving van het (bebouwings)beeld zijn beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur, maar altijd met behoud van stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden. 2. Respect Essentiële kenmerken van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek op het gebied van stedenbouw, landschap en architectuur worden gerespecteerd, én nemen ook de beeldbepalende elementen over. 3. Behoud (van toepassing bij beschermde monumenten en gebieden) Behoud en herstel van het aanwezige of oorspronkelijke bebouwingsbeeld en het versterken van de bestaande of historische karakteristiek van stedenbouw, architectuur, landschap of cultuurhistorie zijn uitgangspunt.

De nota Ruimtelijke kwaliteit maakt vervolgens onderscheid in zeven deelgebieden in Rozendaal. Ieder met een eigen kernkwaliteit en verschijning. Binnen deze zeven deelgebieden is sprake van voorgaande beleidsniveaus.

Projectspecifiek Het projectgebied is op grond van de Nota gelegen in het deelgebied ‘Groene woonbuurten met diversiteit’. Dit geelgebied kenmerkt zich onder meer door het gevarieerde bebouwingsbeeld, de verschillende architectuurstijlen en het open en groene karakter van de wijken. De kwaliteit van de bebouwing is over het algemeen hoogwaardig. Gelet op de ligging van het projectgebied is overleg gevoerd met de gemeentelijke adviescommissie (maart 2024). Hierin is het plan positief beoordeeld. Dit wordt navolgend verder toegelicht.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

17

Met het plan wordt één woning toegevoegd aan dit deelgebied. Het betreft een woning van circa 3,5 m hoog, waarmee de woning qua massa aansluit op de woningen in de omgeving. Ook de beoogde materialen sluiten aan bij het gebied. Uitgangspunt van het plan is dat het groene karakter van het gebied zoveel mogelijk behouden blijft. Tevens heeft het toevoegen van één woning een zeer beperkt effect op de bebouwingsdichtheid van de wijk. Omliggende woningen bevinden zich nog altijd op ruime afstand, waarmee het vrije en groene karakter van het gebied behouden blijft. De bebouwing voegt zich binnen de bestaande verkavelingsstructuur en heeft daarmee nauwelijks effecten op het bebouwingsbeeld. 3.4.3

Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Ter plaatse van het projectgebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarin is het voormalige bestemmingsplan “Rozendaal 2019” vastgesteld op 26 mei 2020 door de raad van de gemeente Rozendaal, verwerkt als het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het voormalige bestemmingsplan heeft het projectgebied de enkelbestemming ‘Tuin’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op navolgende afbeelding is een uitsnede uit het tijdelijke omgevingsplan opgenomen met het projectgebied rood omkaderd.

18

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Uitsnede voormalige bestemmingsplan "Rozendaal 2019" (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Ter plaatse van het projectgebied zijn geen bouw- en gebruiksmogelijkheden voor wonen opgenomen. Daarmee is het voorgenomen initiatief in strijd met het omgevingsplan. Met onderhavig initiatief wordt het bouw- en gebruiksrecht voor deze woning toegevoegd. 3.4.4

Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

Het realiseren van een nieuwe vrijstaande woning is niet toegestaan binnen de bestemming ‘Tuin’. De activiteit is daarmee in strijd met de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De activiteit past echter wel binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. Om de woning mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

19

Hoofdstuk 4

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1

Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: 

Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);

Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);

Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap.

20

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken.

Als gevolg van het veranderende klimaat heeft het waterschap de uitgangspunten voor de weging van het waterbelang geactualiseerd. De uitgangspunten in de uitgangspuntennotitie 'Water in ruimtelijke plannen' vormen het vertrekpunt voor het overleg tussen waterschap en initiatiefnemer en/of gemeente over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en hun effect op het watersysteem, de waterketen en waterveiligheid. Hoofdpunten van verandering van de uitgangspunten zijn: 

de eisen ten aanzien van het tegengaan van wateroverlast;

in de 'Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen' worden de klimaatstatistieken van het KNMI als basis genomen voor de berekening van de bergingsopgave;

uitbreiding van het beleid om meer water vast te houden tegen droogte en hitte.

Waterplan Rheden en Rozendaal De hoofddoelstelling van het Waterplan Rheden en Rozendaal is: “Afgestemd beleid en samenwerking op het gebied van water en riolering tussen de gemeenten, de waterschappen en andere partijen, zodat maatregelen worden gerealiseerd met een optimaal milieurendement tegen de laagste maatschappelijke kosten en met een zo groot mogelijk draagvlak”. Om dit te concretiseren zijn ambities aangegeven voor het waterbeleid. Deze ambities zijn gerangschikt onder de volgende acht thema’s: beperken verdroging, tegengaan wateroverlast, verbeteren oppervlaktewaterkwaliteit, zuinig omgaan met grondwater (kwaliteit en kwantiteit), beleven van water, adequate inzameling en transport afvalwater, ecologisch gezond water en natte landnatuur en water bij ruimtelijke inrichting. De belangrijkste maatregel uit het waterplan Rheden en Rozendaal behoort tot het thema verbeteren oppervlaktewaterkwaliteit. Het is een onderzoeks/uitvoeringsmaatregel geïnitieerd vanuit het waterhuishoudingsplan.

Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken.

Als gevolg van het veranderende klimaat heeft het waterschap de uitgangspunten voor de weging van het waterbelang geactualiseerd. De uitgangspunten in de uitgangspuntennotitie 'Water in ruimtelijke plannen' vormen het vertrekpunt voor het overleg tussen waterschap en initiatiefnemer en/of gemeente over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en hun effect op het watersysteem, de waterketen en waterveiligheid. Hoofdpunten van verandering van de uitgangspunten zijn: de eisen ten aanzien van het tegengaan van wateroverlast;

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

21

in de 'Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen' worden de klimaatstatistieken van het KNMI als basis genomen voor de berekening van de bergingsopgave; uitbreiding van het beleid om meer water vast te houden tegen droogte en hitte.

Met betrekking tot waterneutraal bouwen hanteert het waterschap Rijn en IJssel de volgende beslisboom:

De basisopgave kan omgerekend worden naar het benodigde volume voor waterberging. Voor dit volume dienen in het plangebied waterbergingsvoorzieningen met vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. Het benodigd waterbergingsvolume neemt evenredig toe met de toename van het verhard oppervlak. Hierbij wordt voor stedelijk gebied een maatgevende bui van 80 mm gehanteerd en voor landelijk gebied een maatgevende bui van 55 mm per uur.

Projectspecifiek Watertoets Voor dit plan is een watertoets uitgevoerd, deze is als Bijlage 1 opgenomen bij deze motivering. In deze watertoets wordt ingegaan op alle waterhuishoudkundige aspecten in en om het projectgebied en wordt het planvoornemen getoetst. Binnen het projectgebied zijn geen (beschermingszones) van beschermde waterkeringen/watergangen gelegen. Het doorlopen van een korte procedure bij het waterschap is voldoende. Het plan is tevens ingediend bij het waterschap.

Hemelwater Uitgangspunt van het initiatief is dat hemelwater op eigen terrein wordt geborgen. Met het plan neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met circa 400 m2 (ca. 300 m2 bebouwing en terrassen + (ca. 200 m2 * 0,5) overige terreinverharding). De exacte hoeveelheid verharding is echter pas bekend op het moment van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Gelet op de beschikbare ruimte op eigen

22

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

terrein, alsmede de doorlatendheid van de grond, wordt op voorhand aangenomen dat er voldoende mogelijkheden bestaan om te voorzien in de hemelwaterbehoefte.

Overige Het terrein rondom de beoogde woning wordt zo groen mogelijk ingericht om wateroverlast tegen te gaan. Bij de bouw van de nieuwe levensloopbestendige woning worden geen uitloogbare materialen gebruikt.

Hiermee bestaat voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2

Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Projectspecifiek De ontwikkeling van één vrijstaande woning betreft het toevoegen van een nieuw milieugevoelig object in het kader van milieuzonering. In de omgeving van het projectgebied zijn geen bedrijven/instellingen gelegen die, gelet op de aard van de activiteiten en afstand tot het projectgebied, voor belemmeringen zorgen. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse is daarmee gewaarborgd. Tevens leidt het initiatief niet tot belemmeringen ten aanzien van bedrijven/instellingen.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

23

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3

Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; 

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Projectspecifiek Het initiatief voorziet in het toevoegen van een woning op gronden die in de huidige planologische situatie reeds als ‘Tuin’ zijn bestemd. Hiermee hebben de gronden in de huidige situatie al een gevoelige functie. Met het toevoegen van bouw- en gebruiksrecht voor een woning krijgen de gronden geen gevoeligere functie toebedeeld dan in de huidige situatie reeds het geval is. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee niet benodigd om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wel is, met het oog op het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, een voorafgand bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is te vinden in Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat een verontreiniging met lood ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen niet zonder aanvullende maatregelen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Bal verleend kan worden. Middels een voorwaarde aan de vergunning kan worden geborgd dat voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden de benodigde maatregelen getroffen worden en de bodem geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Omdat met het initiatief geen sprake is van het toevoegen van een gevoeligere functie, staat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem het nemen van een planologisch basisbesluit niet in de weg.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

24

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

4.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de ‘omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit’ opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

25

staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: 

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;

bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Projectspecifiek Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 51468751_15555001. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Gemeten totale concentratie

NO2

PM10

PM2,5 (fijnere

(stikstofdioxide)

(fijnstof)

fractie van fijnstof)

15,7 µg/m3

17,2 µg/m3

9,5 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Resultaatverplichting concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde

Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Het initiatief past binnen de regeling NIBM omdat het plan binnen de kwantitatieve grens van maximaal 1500 woningen valt. Daarnaast is op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het plan te concluderen dat dit plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 7.

4.5

Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau.

26

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: 

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw

Standaardwaarde

Grenswaarde

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en

2,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

3,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

14,0 ouE/m

35,0 ouE/m3

buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en nietconcentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

27

Projectspecifiek Het initiatief voorziet in het ontwikkelen van een nieuwe vrijstaande woning, die kan worden aangemerkt als geurgevoelig gebouw. In de omgeving van het projectgebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Hierdoor kunnen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling – vanuit het aspect geur – op voorhand worden uitgesloten. Ook vormt de realisatie van het beoogde initiatief geen belemmering voor de bedrijfsvoering van veehouderijen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort

Standaardwaarde, in dB.

Grenswaarde, in dB.

Rijks- en provinciale wegen. In Lden

50

60

Gemeente- en waterschapswegen. In Lden

53

70

Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden

55

65

Lden

50

55

Lnight

40

45

Industrieterrein

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip

28

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: 

op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: o

op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw

o

op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw

op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeersdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Projectspecifiek Om de effecten met betrekking tot wegverkeerslawaai te beoordelen, is een akoestisch onderzoek (zie bijlage 3) uitgevoerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de standaardwaarden van het geluid door rijkswegen en door lokale wegen niet worden overschreden. De geluidbelasting door de provinciale weg N785 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. De waarde van het gezamenlijk geluid

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

29

bedraagt 53 dB. Het treffen van aanvullende maatregelen is wat betreft wegverkeerslawaai niet nodig. Het optreden van geluidhinder in het kader van spoorweg- of industrielawaai kan op voorhand worden uitgesloten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen,

30

Jagermeesterlaan ong, Rozendaal

kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Projectspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het projectgebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op circa 800 meter ten westen van het projectgebied een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ligt. Het projectgebied is ruimschoots buiten de relevante aandachtscontouren van deze risicobron gelegen. Significante risico’s ten aanzien van het plan zijn daarom uit te sluiten. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=63b989cb-adf8-4a77-a57b-58519c3dfc88