CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

10l. Pinkenberg_Toelichting_Bijlage 5 Aanvullend ecologisch onderzoek

1.3 Commissievergadering 7 mei 2024, gemeente RozendaalBij agendapunt: Bespreking agendapunten raadsvergadering 7 mei 20248.868 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek PB pinkenberg in Rozendaal In het kader van de Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

Oktober 2023 Rapportnummer: 211485

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal Beknopt overzicht van de inventarisatiegegevens in het kader van de Wet Natuurbescherming ‘soortenbescherming’

In opdracht van: Vitens N.V. Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE Contactpersoon: Dhr. W. de Boer Uitgevoerd door: Ecologisch Adviesbureau Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen:

Nader onderzoek naar teunisbloempijlstaart en vogels.

Auteur: Collegiale toetsing: Veldwerk:

F.P.Kouters Bas Voerman F.P.Kouters

Datum:

Oktober 2023

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde: Gebouwen op PB Pinkenberg. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie.

2

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

INHOUD INHOUD ................................................................................................................................... 3 1. AANLEIDING EN DOEL............................................................................................................. 4 2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING ....................................................................... 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................................................. 5 2.1.1 Aanvullende ecologische onderzoeken .................................................................................................. 5 2.2 Volledigheid inventarisatie............................................................................................................................. 6 2.3 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.4 Geplande werkzaamheden ........................................................................................................................... 7 3. ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................................................................

8 3.2 Aanvullend vogelonderzoek .......................................................................................................................... 9 3.3 Aanvullend teunisbloempijlstaartonderzoek ................................................................................................ 11 3.4 Invasieve soorten ........................................................................................................................................ 11 4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .................................................11 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 12 4.2 Ingreep ........................................................................................................................................................ 12 4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming ............................................................................................. 12 4.3.1 (Broed)vogels....................................................................................................................................... 13 4.3.2 Teunisbloempijlstaart .........................................................................................................................

16 4.3.3 Exoten ................................................................................................................................................. 16 5. CONCLUSIE .........................................................................................................................17 LITERATUUR............................................................................................................................18

BIJLAGEN ...............................................................................................................................19 BIJLAGE 1: INRICHTINGSPLAN WESPENDIEF ..................................................................................20 BIJLAGE 2: GEBIEDSIMPRESSIE ...................................................................................................21 BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................................23

3

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

1. AANLEIDING EN DOEL Vitens is voornemens diverse renovatiewerkzaamheden uit te voeren op productiebedrijf (PB) Pinkenberg. Zo zullen kabels, leidingen en pompen worden vervangen. Eveneens zal een geheel nieuw productiebedrijf worden gebouwd op een naast het huidige productiebedrijf gelegen perceel en wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuw reservoir. Het slopen van gebouwen en herinrichten van het plangebied, kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt.

Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is in september 2021 een quickscan natuuronderzoek met toetsing aan de Wet Natuurbescherming uitgevoerd1. Aan de hand van dit onderzoek is een indruk verkregen van de mogelijke waarden van het gebied voor flora en fauna. Uit de onderzoeksgegevens bleek dat er met betrekking tot teunisbloempijlstaart en enkele prioritaire vogelsoorten te weinig gedetailleerde gegevens voorhanden waren om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen welke gevolgen de geplande ingreep op soorten uit deze soortgroep heeft. Hierdoor is nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Om de functie van het gebied voor betreffende in kaart te kunnen brengen, is nader onderzoek uitgevoerd in de periode februari-juli 2022. Hierbij zijn verspreid over de periode verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de te inventariseren soorten. Onderliggend rapport is opgesteld als addendum bij de opgestelde quickscanrapport. Voor algemene beschrijvingen en afwegingen van overige soortgroepen wordt naar de betreffende quickscanrapportage verwezen.

Tijdens het aanvullend ecologische onderzoek in 2022, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke (beschermde) soorten maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij de uitvoer van de ingrepen de Wet Natuurbescherming overtreden. Deze rapportage beschrijft de bevindingen van het aanvullend ecologische onderzoek.

1 Voerman, B. 2021. Toetsing Wet Natuurbescherming - nieuwbouw PB Pinkenberg. Projectnummer: 211436.

Ecochore Natuurtechniek Ecochore Natuurtechniek

4

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING In 2022 is aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd in het plangebied PB Pinkenberg en de ruime omgeving zoals weergegeven in figuur 1. Dit onderzoek bestond uit onderzoek voor het in kaart brengen van horsten van categorie 1-4 soorten binnen de verstoringsafstanden van wespendief, zwarte specht en draaihals, territoria van huismus binnen de plangrenzen en het voorkomen van teunisbloempijlstaart in de grazige delen van het plangebied. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in onderstaande paragraaf nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van deze soorten (zie Tabel 1). Gezien de grootte van het plangebied en de onderzoeksinspanning en methodiek, wordt verwacht dat er geen essentiële functies zijn gemist. In onderstaande tabel zijn specificaties van de onderzoeksmomenten weergegeven. Tijdens alle onderzoekmomenten is gezocht naar aanwijzingen van alle te onderzoeken beschermde soorten. In de onderstaande tabel is in de laatste kolom weergegeven welke soortgroep als basis van de betreffende onderzoeksronde diende. Bezoekdata

Starttijd

Weersgesteldheid

Hoofdonderzoek

10-02-2022

09:00

bewolking 2/8, droog, windkracht 2 ZW, 10 ºC

Winterronde horsten

19-04-2022

06:00

bewolking 0/8, droog, windkracht 1 ZW, 15 ºC

Broedvogelcontrole

05-05-2022

06:00

bewolking 4/8, droog, windkracht 1 ZW, 24 ºC

Broedvogelcontrole

28-06-2022

11:00

bewolking 3/8, droog, windkracht 2 ZW, 18 ºC

Teunisbloempijlstaart

15-07-2022

09:00

bewolking 1/8, droog, windkracht 1 Z, 22 ºC

Teunisbloempijlstaart

Tabel 1. Bezoekdata en weersgesteldheid Onderzoekers: B. Voerman & F.P.Kouters

2.1 Onderzoeksmethodiek 2.1.1 Aanvullende ecologische onderzoeken Teunisbloempijlstaart Voor teunisbloempijlstaart is actief gezocht naar zowel imago’s als rupsen. Er is 1 bezoek uitgevoerd tijdens de vliegtijd van de soort. Daarnaast is er een bezoek uitgevoerd tijdens de rupsenfase. Voorafgaand aan het onderzoek is in kaart gebracht waar de waardplanten van de teunisbloempijlstaart zich bevinden. Tijdens de vliegtijd is er actief gezocht naar foeragerende en of eiafzettende dieren op deze waardplanten. Tijdens de 2e ronde is er gezocht naar rupsen en sporen hiervan (poepjes en vraatsporen) in de bladoksels en op de bladeren van waardplanten. Vogels – Winterronde Voor categorie 1-4 soorten (zie bijlage 3), met in het bijzonder wespendief, is in de winterperiode gericht onderzoek uitgevoerd naar nestlocaties. Tijdens deze onderzoeksronde is tevens in kaart gebracht waar zich potentiële nestlocaties van zwarte specht en draaihals bevinden. Deze drie genoemde soorten zijn als prioritaire soorten voor de Veluwe aangewezen. Doordat het omringede gebied partieel geschikt leefgebied van deze soorten is, is het in kaart brengen van de functie van het plangebied en aanwezigheid binnen verstoringscirkels noodzakelijk. De verstoringscirkel verschilt per soort zoals nader beschreven in het quickscanrapport.

Als verstoringsafstand is de maximale afstand van zwarte specht van 300 meter rondom het plangebied voor de drie soorten als uitgangspunt gebruikt. Het onderzoek binnen de 300 meter cirkel is uitgevoerd middels een visuele en auditieve inventarisatie waarbij gebruik is gemaakt van een verrekijker. Deze onderzoeksronde is voornamelijk bedoeld om een beeld te krijgen van potentiële nestlocaties en de geschiktheid van het gebied. Vogels - Broedvogelcontrole Voor de 3 prioritaire soorten is gericht onderzoek uitgevoerd naar nestlocaties en bezette territoria binnen de 300 meter verstoringscirkel. Voor huismussen is gericht gezocht naar territoriale en nestindicerende dieren.

Ecochore Natuurtechniek

5

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Het onderzoek is uitgevoerd middels een visuele en auditieve inventarisatie waarbij gebruik is gemaakt van verrekijker, spiegeltje en endoscoop. Voor huismussen is gezocht naar territoriale mannetjes of nestindicerend gedrag zoals het slepen met nestmateriaal, voervluchten of jonge vogels in directe relatie tot de gebouwen. Binnen de 300 meter verstoringscirkel zijn de horsten, gevonden tijdens de winterronde, gecontroleerd op aanwezigheid van zowel ouderdieren als jongen. Voor zwarte specht en draaihals is de BMP-E(nkele soorten) methode toegepast waarbij conform de het BMP-protocol alleen gezocht is naar deze specifieke soorten In het vogelonderzoek is beoordeeld of vaste verblijfplaatsen (horsten en boomholten met nesten) aanwezig zijn en welke consequenties de werkzaamheden hebben op de feitelijke locaties, de mogelijke invloed van de geplande ontwikkeleng op de soorten en het duurzaam voortbestaan van de lokale populatie en individuen. Voor de onderzochte vogelsoorten geldt een uitgebreide toetsing indien broedlocaties en hierdoor essentiële leefgebieden worden aangetast. Deze toetsing wordt gehanteerd bij aanvragen voor ontheffingen of omgevingsvergunningen. Door het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende vragen beantwoord worden.

Beoordelingskader: In welke mate wordt de functionaliteit van de vaste voortplantingsplaats en rust- en / of verblijfplaats aangetast door de voorgenomen activiteiten? Is er een wettelijk belang? Eén van de volgende belangen moet gelden: o bescherming van flora en fauna (b) o veiligheid van het luchtverkeer (c) o volksgezondheid of openbare veiligheid (d) Is er een andere bevredigende oplossing voor de volgende zaken: o de locatie o de inrichting op de locatie o de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Komt de gunstige staat van instandhouding van de landelijke populatie niet in gevaar? Deze onderzoeksvragen zijn opgesteld door het voormalige ministerie van EL&I en beschreven in de soortenstandaards van betreffende soorten. Sinds juli 2017 zijn de soortenstandaard vervangen door kennisdocumenten per diersoort. In deze soortenstandaards/kennisdocumenten is eveneens de onderzoeksinspanning geformuleerd om gefundeerde uitspraken te kunnen doen omtrent aan- of afwezigheid en functionaliteit van het gebied voor betreffende soorten. Het uitgevoerde onderzoek is op deze soortenstandaards, in combinatie met de broedvogelmonitoringshandleiding van SOVON, gebaseerd. De huidige kennisdocumenten zijn vrij via internet verkrijgbaar via https://www.bij12.nl/.

2.2 Volledigheid inventarisatie Aanvullende onderzoeken De aanvullende onderzoeken zijn volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 3) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in het quickscanrapport. Voor strikt/Europees beschermde soorten als vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen.

Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.

Ecochore Natuurtechniek

6

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

2.3 Gebiedsbeschrijving Het onderzoeksgebied ligt aan de rand van de bebouwde komen Rozendaal en Velp in de gemeente Rheden. Het onderzochte gebied is grotendeels gelegen aan de rand van het bos op de flank van een stuwwal. De leiddingtracés liggen grotendeels langs de Kluizenaarsweg en deels op het terrein van PB Pinkenberg. De nieuwbouwlocatie bevindt zich op de hoek van de Kluizenaarsweg met de inrit aan de zijde van de Pinkenbergseweg. Nagenoeg het gehele plangebied waar de ontwikkelingen gepland zijn, ligt op de grens van het Natura2000 gebied de Veluwe. Het noordelijke deel van het onderzoeksgebied nabij enkele winputten, ligt feitelijk binnen de begrenzing. De locatie voor de nieuwbouw van het productiebedrijf betreft een vrij schraal grasland met in de noordelijke punt een tweetal gebouwen met pannen daken. Het gehele terrein is omgeven door een oude beukenhaag. De noordelijk gelegen pompputten liggen geheel binnen een beukenopstand met relatief weinig ondergroei. Het tracé van de te vervangen leidingen tot aan het huidige pompgebouw, bevindt zich grotendeels in de bermen van de Kluizenaarsweg. Ter hoogte van het eigendom van Vitens liggen de leidingen meer op eigen terrein. Het huidige productiebedrijf bestaat uit enkele monumentale gebouwen die verdiept in het landschap zijn gebouwd. Het terrein rondom deze gebouwen is, gezien de aanwezige vegetatie vrij schraal.

Verspreid op het terrein staan enkele bomen. Met name in de zuidelijke punt van het terrein staan meer bomen en opslag van struweel in de grazige vegetatie. Het zijn onder andere enkele solitaire bomen en struiken als Amerikaanse eik, paardenkastanje, hazelaar, grove den en enkele zomereiken. De onderzochte 300-meterzone ligt voor een deel geheel binnen de begrenzing van de Veluwe en het overige deel binnen de bebouwde kom van Rozendaal. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 2.

2.4 Geplande werkzaamheden Vitens is voornemens op PB Pinkenberg een nieuw productiebedrijf te realiseren. Daarnaast zullen diverse werkzaamheden worden uitgevoerd waaronder het vervangen van kabels, leidingen en winpompen. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuwe reinwaterkelder. Hieronder zijn de voornaamste werkzaamheden opgenomen. bouw nieuw productiebedrijf vervangen winpompen; plaatsing zuivering (open marmerfilters met geïntegreerde beluchting); bouw reinwaterkelder; distributie pompinrichting; spoelwaterverwerking met nieuwe kabels (spoelwaterbehandeling met geïntegreerde slibopvang); realisatie noodstroomvoorziening; vervanging en aanleg van alle kabels (glasvezel voor besturing/beveiliging, voedingskabels en aardleiding, VIPAS update) richting winveld; graven van sleuven langs wegen/bos i.v.m. het verleggen van de kabels en leidingen; Voor het overgrote deel van de werkzaamheden zullen geen bomen worden gerooid. Voor het vervangen van de leidingen in het noordelijke deel binnen het beukenbos en in de wegbermen, is het wel mogelijk dat een enkele boom wordt gerooid. Voor de mogelijke bouw van een reinwaterkelder in de zuidelijke punt van het plangebied, zullen eveneens mogelijk enkele bomen en struiken worden gerooid.

Voor de onderzochte soorten (vogels en teunisbloempijlstaart) zijn met name de onderdelen die betrekking hebben op De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ontwikkeling en Ingrepen.

Ecochore Natuurtechniek

7

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Het blauwe kader geeft de 300 meterzone rondom het plangebied weer. Bron: Provincie Gelderland en Google Earth.

1

2

3 4

Inzet: globale begrenzing deelgebieden. Ecochore Natuurtechniek

8

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor het kilometerhok waarbinnen het plangebied is gelegen: 209-531. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. In bijlage 1 is een verspreidingskaart opgenomen met enkele aangetroffen, beschermde soorten. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 3.

3.2 Aanvullend vogelonderzoek Binnen het plangebied en de zone van circa 300 meter hieromheen, zijn potentiële broedgelegenheden van de onderzochte soorten vastgesteld: huismus, wespendief, draaihals en zwarte specht. Huismussen Voor de huismus vormen met name de gebouwen potentiële broedlocaties binnen het plangebied. Ook kunnen de terreindelen geschikt zijn als foerageergebied en zandbaden en dekking bieden. Broedparen buiten de plangrenzen zullen redelijkerwijs geen negatieve effecten ondervinden van de ontwikkelingen en zijn daardoor niet in kaart gebracht. Tijdens het huismusonderzoek is binnen het plangebied gezocht naar territoriale of nestindicerende huismussen. Dergelijke waarnemingen zijn niet binnen het plangebied en de directe omgeving verricht. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen waargenomen waardoor territoria en nesten in de gebouwen kunnen worden uitgesloten. Wespendief en andere horstbouwende vogelsoorten Deze groep betreft met name vogels als wespendief, buizerd, boomvalk, havik en sperwer. Hoewel de nadruk van het onderzoek lag op het in kaart brengen van wespendief is ten aanzien van horsten gezocht naar horsten van alle genoemde soorten binnen de 300 meter zone zoals weergegeven in figuur 1. Tijdens het horstenonderzoek is 1 horst aangetroffen, zie voor de locatie figuur 2 en bijlage 2.

Dit betreft een horst van redelijk omvang, die potentiële broedgelegenheid biedt voor zowel wespendief als buizerd. Het horst is gelegen net achter 1 van de winputten in een grove den. Tijdens de verschillende broedvogelcontroles is hier echter geen activiteit waargenomen. In het broedseizoen van 2022 is het nest niet in gebruik geweest. Andere horsten ontbreken binnen het zoekgebied. In deelgebied 3 zijn meerdere aangevreten wespennesten aangetroffen – zie foto 3 en bijlage 2. Door verwering zijn geen duidelijke sporen vastgesteld die zekerheid konden geven door welke diersoort de nesten zijn gepredeerd. Hierdoor konden de wespennesten zowel door wespendief als das zijn gepredeerd. Doordat het betreffende terrein echter geheel omheind is, is das uit te sluiten en is het zeer aannemelijk dat deze sporen toebehoren aan wespendief. Draaihals en zwarte specht Tijdens het horstenonderzoek is gezocht naar potentiële broedgelegenheid van zowel zwarte specht als draaihals. Voor beide soorten is naar voren gekomen dat er meer dan voldoende potentiële broedgelegenheid aanwezig is binnen de directe omgeving van het plangebied. Voornamelijk verschillende dode bomen, op ongeveer 150 meter van het plan gebied zijn potentieel geschikt Tijdens de BMP-E is echter geen van beide soorten aangetroffen. Een broedterritorium binnen de 300 meterzone is daardoor niet vastgesteld.

Ecochore Natuurtechniek

9

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Figuur 2. Locatie horst achter winput.

Figuur 3. Gepredeerd wespennest in deelgebied 3. Ecochore Natuurtechniek

10

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

3.3 Aanvullend teunisbloempijlstaartonderzoek Ten zuiden van het plangebied zijn verschillende groeiplaatsen gevonden van teunisbloem – zie figuur 5 en bijlage 2. Daarom is het plangebied meerdere keren onderzocht op de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart. Als eerste is het plangebied onderzocht op aanwezigheid van de waardplanten van de teunisbloempijlstaart. Dit zijn met name teunisbloem, grote kattenstaart, wilgenroosjes en basterdwederik - zie de verspreidingskaart hieronder. Note: Ten tijden van het onderzoek waren groten delen van het plangebied recent gemaaid. Vermoedelijk heeft dit geen invloed op de abundantie van de waardplanten. Enkel in deelgebied 3 zijn waardplanten aangetroffen. Omdat deelgebied 4 ook een groot grasveld beslaat met verschillende kruidachtige planten lag de focus tijdens het onderzoek op deze 2 deelgebieden. Tijdens het onderzoek is er intensief gezocht naar zowel foeragerende imago’s als rupsen op de waardplanten. Van beiden zijn er geen waarnemingen gedaan. De soort is daarom met zekerheid niet aanwezig binnen het plangebied. Omdat de Teunisbloempijlstaart een mobiele vlinder is die bezig is aan een snelle opmars in Nederland zijn de gegevens beperkt houdbaar.

3.4 Invasieve soorten Aan de achterzijde van het huidige pompgebouw is een groeiplaats vastgesteld van Japanse duizendknoop. De planten zijn bij een laatste maaironde gemaaid – zie figuur 4. Overige groeiplaatsen van invasieve soorten zijn niet aangetroffen.

Figuur 4. Groeiplaats Japanse duizendknoop.

Ecochore Natuurtechniek

Figuur 5. Verspreidingskaart waardplant: teunisbloempijlstaart. De stippen geven de locaties weer waar zandteunisbloem is aangetroffen. Overige waardplanten of andere soorten teunisbloem zijn niet waargenomen.

11

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.

De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 3.

4.2 Ingreep Vitens is voornemens op PB Pinkenberg een nieuw productiebedrijf te realiseren. Daarnaast zullen diverse werkzaamheden worden uitgevoerd waaronder het vervangen van kabels, leidingen en winpompen. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuwe reinwaterkelder. Met name de bouw van een nieuw productiebedrijf is van invloed op potentieel leefgebied van beschermde soorten. De overige werkzaamheden hebben met name tijdens de uitvoering mogelijk een negatief effect door geluid en trillingen en daardoor een tijdelijke verstoring van het leefgebied.

4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming In het kader van de Wet Natuurbescherming is getoetst aan verschillende artikelen. Met name de onderstaande artikelen zijn hierbij van toepassing. Artikel 3.1 lid 2 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten van de Europese Vogelrichtlijn. Artikel 3.5 lid 4 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten van de Europese Habitatrichtlijn.

Ecochore Natuurtechniek

12

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Artikel 3.10 lid 1 en 2 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten van Nationaal belang. Gezien het bovenstaande en de voorgenomen maatregelen, was het uitgevoerde onderzoek vooral gericht op het in kaart brengen van mogelijk aanwezige vaste verblijfplaatsen en leefgebieden van vogels (wespendief, zwarte specht en draaihals) en teunisbloempijlstaart.

4.3.1 (Broed)vogels Alle te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming en de Vogelrichtlijn. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten niet is toegestaan. Deze overtredingen zijn mogelijk door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen. Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen.

Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. Door het ministerie van LNV is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ van het ministerie van LNV 2009 – zie ook bijlage 3. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt. De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën, zie bijlage 3. Categorie 1-4 soorten Binnen de plangrenzen zijn geen broedlocaties van de onderzochte soorten als huismus, zwarte specht en draaihals aanwezig. Ook vanuit de literatuur zijn vrij weinig losse waarnemingen binnen deze 300 meter cirkel van de zwarte specht en draaihals bekend geworden. Hierdoor is voor deze soorten geen specifieke afweging noodzakelijk. De huismus is als broedvogel niet binnen de plangrenzen aanwezig. Hierdoor is ook voor deze soort geen nadere afweging noodzakelijk. Wespendief Binnen het onderzoeksgebied is een horst aangetroffen dat vermoedelijk van wespendief is. In 2022 was dit horst echter niet in gebruik. De grove den met het horst staat binnen de 300 meterzone maar net buiten de plangrenzen. Het horst blijft daardoor fysiek behouden.

Door de omvang van het horst en de vrij goede staat is het echter goed mogelijk dat deze in komende jaren wel in gebruik kan worden genomen. Binnen de hekken van het PB zijn vraatsporen aangetroffen aan wespennesten die toe te schrijven zijn aan wespendief. Hierdoor kan worden gesteld dat het plangebied binnen een territorium van deze soort ligt. Een bezette nestlocatie binnen dit territorium is in 2022 niet vastgesteld binnen de 300 meterzone. De gepredeerde wespennesten zijn aangetroffen in deelgebied 3 in de taluds langs de toegangsweg. Dit deel van het plangebied blijft ongemoeid en zal daardoor blijven functioneren binnen het leefgebied van wespendief. Ook deelgebied 4 ligt redelijkerwijs binnen het territorium van de soort. Door de bouw van een nieuw pompstation zal een groot deel van dit deelgebied als foerageergebied verdwijnen. Doordat het plangebied binnen het leefgebied van wespendief ligt, is een voortoetsing noodzakelijk. Ecochore Natuurtechniek

13

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Met een Voortoets wordt nagegaan of er, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk negatieve effecten zijn van de geplande ingreep. Blijkt uit de Voortoets dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn, dan is verdere toetsing niet noodzakelijk. Zijn er negatieve gevolgen te verwachten maar zijn deze gevolgen zeker niet significant, dan dient vervolgens een verstorings- en verslechteringstoets te worden uitgevoerd en dient een vergunning aangevraagd te worden voor de werkzaamheden. Is er kans op significante negatieve effecten dan wordt een passende beoordeling uitgevoerd en dient eveneens een vergunning te worden aangevraagd. Om te borgen dat het leefgebied van wespendief niet verslechterd en de lokale populatie behouden blijft, kunnen compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het optimaliseren van het plangebied en het beperken van verlies aan oppervlak. Hieronder is een nadere uitwerking van de wespendief opgenomen. Leefgebied wespendief De wespendief is overwegend een bosbewoner, met een voorkeur voor minstens 250 ha grote en minstens 40 jaar oude bossen op zandgrond. De soort lijkt een lichte voorkeur te hebben voor leefgebied met afwisseling met andere biotopen. Dat kunnen vennen zijn, stukken heide, beekdalen, natte bosdelen of extensief onderhouden graslanden.

De soort ontbreekt in uitgestrekte agrarische gebieden en vermijdt over het algemeen harde kleibodems. De wespendief broedt zowel in naaldbossen als in opgaande loofbossen met een rijke ondergroei, maar vermijdt jonge bossen en te sterk versnipperde bossen. Zijn nest bouwt de vogel bij voorkeur in een spar. De minimale grootte van zijn gebied van activiteiten rond het nest bedraagt ongeveer 1.400 ha. De factoren die van invloed zijn op het voorkomen van wespendieven zijn niet goed bekend. De soort lijkt in Drenthe last te ondervinden van haviken die zowel volwassen als jonge wespendieven verschalken. Het broedseizoen duurt van half mei tot eind augustus en bosbouwactiviteiten zoals dunnen en houtoogst kunnen dan verstorend werken. Het nest is zeer lastig te vinden. Ontbossing van Afrikaanse overwinteringsgebieden vormt wellicht mede, en in toenemende mate, een probleem. Voedsel Wespen vormen het hoofdvoedsel van deze soort. Omdat de wespennesten worden uitgegraven, is de soort afhankelijk van redelijk zachte bodems. Het menu omvat behalve wespen ook o.a. amfibieën, reptielen, sprinkhanen en (jonge) kleine vogels. De wespendief zoekt zijn voedsel in de regel op afstanden van 1-3 km en maximaal op 7 km van het nest. In jaren met een zeer beperkt voedselaanbod kan een aanzienlijk deel van de populatie (de helft is normaal) niet aan broeden toekomen.

Rust In vergelijking met andere roofvogels is de wespendief minder gevoelig voor verstoring: de soort vertoont een matige verstoringsgevoeligheid (verstoring bij minder dan 100 m afstand). In zijn leefgebied is de soort ook in matige mate gevoelig voor verstoring (de vogel leeft in min of meer besloten gebieden). Het is onbekend of verstoringen effecten hebben op populaties van de wespendief. Andere in het bos broedende roofvogels zoals sperwer en havik lijken echter weinig effect te ondervinden van verstoring. Vooral de ‘landrecreatie’ zoals wandelen en fietsen kan de rust van de wespendief verstoren. Trend op de Veluwe Eind vorige eeuw, na 1990, is een lichte maar gestage afname van de wespendief geconstateerd in delen van Drenthe. Over de trends van de vogel elders in het land, met uitzondering van de Zuidwest-Veluwe, is zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. De soort is echter tussen 1970 en 1990 (mogelijk al vanaf 1960) eerst sterk toegenomen, althans in Drenthe, Noord-Brabant en wellicht ook elders. Op de Veluwe is dit vermoedelijk niet gebeurd, of in veel mindere mate het geval. Geschiktheidsbeoordeling Het vrij schrale grasland in deelgebied 4 is potentieel geschikt foerageergebied voor wespendief. Het licht glooiende terrein met hagen langs de randen en verspreid groeiende struwelen, vormt geschikte mogelijkheden voor wespen, het basisvoedsel van de wespendief.

In dit deel zijn tijdens de veldbezoeken geen vraatsporen vastgesteld die kunnen duiden op gebruik van bet terrein door wespendief. Daarnaast biedt het gehele gebied een relatieve rust wat een gunstige uitwerking heeft op foeragerende wespendief.

Ecochore Natuurtechniek

14

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Areaalvermindering Het nieuwe pompgebouw en de aan te brengen verhardingen in deelgebied 4, zullen het overgrote deel van het terrein beslaan en daardoor resulteren in een vergroting van het verharde oppervlak binnen het territorium van wespendief. In beginsel kan dit een negatief effect hebben op een aanwezig territorium. Het gehele door een haag omgeven terrein beslaat ruim 5000 m2 waarvan in de huidige situatie globaal genomen 500 m2 bebouwd en verhard is. Staat van instandhouding. De staat van instandhouding van de wespendief als broedvogels wordt voor Nederland als gunstig aangeduid {SOVON}. Dit geldt zowel voor de populatie, verspreiding, leefgebied en toekomst van de soort. Afweging Het te bebouwen terrein maakt onderdeel uit van het leefgebied van wespendief. Er zijn geen horsten aanwezig waardoor schade aan horsten kan worden uitgesloten. In beginsel mag het leefgebied niet verminderen of verslechteren in kwaliteit. Doordat hier sprake is van mogelijke vermindering in leefgebied, is een nadere afweging in de vorm van een Voortoets voor deze soort noodzakelijk. De Veluwe is aangewezen als Natura2000 gebied en geniet bescherming conform Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming.

Hierdoor gelden strikte regels voor alle plannen, projecten en andere handelingen die mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben op de natuurwaarden waarvoor De Veluwe is aangewezen, en specifiek op de prioritaire soorten en habitattypen. Voor het Natura2000 gebied De Veluwe, is de wespendief aangewezen als een van de prioritaire broedvogelsoorten. Hierdoor is specifieke aandacht voor deze soort noodzakelijk. Strikt genomen ligt het plangebied buiten de begrenzing van de Veluwe. Door de externe werking is echter ook voor buiten de gebiedsgrenzen een nadere afweging noodzakelijk. Bij grote leefgebieden zoals de Veluwe, zijn de mogelijkheden voor mitigatie groter dan bij kleine leefgebieden en habitattypen. Wanneer voor een soort het instandhoudingsdoel is bereikt kan, in geval van enige aantasting van het leefgebied, het nemen van kwaliteitsverbeterende maatregelen of uitbreiding van leefgebied voldoende zijn voor het verkrijgen van een vergunning {www.natura2000.nl]. Het criterium hierbij is het behoud van draagkracht voor de in het aanwijzingsbesluit genoemde populatieomvang. Wanneer de populatieomvang zich echter nog onder het gewenste niveau bevindt (instandhoudingsdoel) zal eerst moeten worden geïnvesteerd in versterking van de populatie. Een aantasting van het leefgebied zal in dat geval zwaarder worden aangerekend.

De soort laat als broedvogel geen negatieve trend zien. Doordat alleen sprake is van een aanpassing in het areaal, dient dit nader te worden beoordeeld. Doordat wespendieven om te foerageren bij voorkeur een locatie bij heggen, greppels en paden verkiezen {Archer 1980}, vormen met name de randen langs de hagen en struwelen de beste foerageerkwaliteit binnen het te bebouwen perceel. Deze randen blijven grotendeels behouden. Wel zijn er mogelijkheden om deze zones te optimaliseren voor de soort. In deelgebied 3 zijn er mogelijkheden om het foerageergebied van de soort te versterken. In bijlage 1 is dit verder uitgewerkt. Door het toepassen van deze maatregelen kan redelijkerwijs worden gesteld dat er geen sprake is van verslechtering maar mogelijkerwijs een versterking van het huidige foerageergebied. Hierdoor is geen nadere toetsing noodzakelijk. Hoewel er sprake is van verandering in het leefgebied door de bouw van het nieuwe pompstation, kan redelijkerwijs worden gesteld dat er door het toepassen van kwaliteitsverbetering geen sprake is van vermindering in kwaliteit.

Ecochore Natuurtechniek

15

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

4.3.2 Teunisbloempijlstaart Uit het aanvullend onderzoek is naar voren gekomen dat de teunisbloempijlstaart in geen van de levensfases voorkomt binnen het gebied. Hoewel enkele waardplanten binnen het gebied aanwezig zijn, vormt het plangebied een semi geschikt habitat voor de soort. Het voorkomen van een populatie teunisbloempijlstaart binnen het plangebied is daarom uitgesloten. Deze soort is niet binnen het plangebied vastgesteld. De geplande ontwikkelingen zullen daardoor geen negatief effecten hebben waardoor geen nadere afweging noodzakelijk is.

4.3.3 Exoten Tijdens het onderzoek zijn groeiplaatsen vastgesteld van Japanse duizendknoop. Deze soort staat niet op de unielijst van invasie exoten maar kent deze soort wel een nationaal handels verbod. Japanse duizendknoop heeft een zeer invasief karakter en kan zich door het vroege uitlopen, snelle lengtegroei en de vorming van een nagenoeg gesloten bladerdek snel tot de dominantste plant binnen de groeiplaatsen ontwikkelen. Wanneer deze soort dominant wordt zal ook de biodiversiteit afnemen. Zoals hierboven beschreven geldt er een handelsverbod voor de Japanse duizendknoop. Dit houdt in dat er geen levende delen van de plant vervoerd mogen worden. Uitzondering hierop zijn bestrijdingsacties. Omdat bestrijding arbeids- en kostenintensief is, is het raadzaam het deel waar de Japanse duizendknoop momenteel aanwezig is niet te vergraven en de ontwikkeling van deze plant te monitoren. Dit geld tevens voor maaiwerkzaamheden.

Ecochore Natuurtechniek

16

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

5. CONCLUSIE Dit addendum is geschreven als aanvulling op een natuuronderzoek zoals in de inleiding is aangegeven. Tijdens het aanvullende onderzoek is onderzoek verricht naar de functie van het plangebied voor vogels met jaarrond beschermde nestlocatie - in het bijzonder wespendief - en teunisbloempijlstaart. Vogels met jaarrond beschermde nestlocaties Binnen een zone van 300 meter zijn geen in gebruik zijnde vaste nestlocaties van soorten uit categorie1-4 vastgesteld. Hierbij is ook de aanwezigheid van zwarte specht mede beoordeeld. Van gebouwbewonende soorten zijn alleen de aanwezige gebouwen gecontroleerd op nestlocaties. Hierdoor is geen nadere afweging voor deze soorten noodzakelijk. Ten aanzien van wespendief gelden aanvullende maatregelen. Wespendief Door de bouw van het nieuwe pompstation is er sprake van verandering in het leefgebied. Door het toepassen van voor deze soort gerichte kwaliteitsverbetering kan redelijkerwijs worden gesteld dat er geen sprake is van vermindering in kwaliteit. Hierdoor is geen nadere afweging noodzakelijk. Teunisbloempijlstaart Deze soort is niet binnen het plangebied vastgesteld. De geplande ontwikkelingen zullen daardoor geen negatief effecten hebben waardoor geen nadere afweging noodzakelijk is. Volledigheid onderzoek Binnen het plangebied, zijn enkele natuuronderzoeken uitgevoerd.

Samen geven deze onderzoeken een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten. Aan de hand van de bevindingen van de onderzoeken, de samenstelling van de aangetroffen soorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen zwaar beschermde soorten met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek als volledig worden beschouwd. Doordat het plangebied een onderdeel vormt in het leefgebied van wespendief zijn voor deze soort gerichte maatregelen noodzakelijk. Voor de overige soortgroepen gelden geen nadere handelingen.

Ecochore Natuurtechniek

17

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

LITERATUUR www.minlnv.nl www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.verspreidingsatlas.nl www.verspreidingskaarten.nl www.ravon.nl www.floron.nl www.sovon.nl www.bij12.nl www.NDFF.nl https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Profielen_Vogels_Actueel/P rofiel_vogel_A072.pdf Bijlsma, R.G. 1993. Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. Bijlsma, R.G. 2002. Life-history traits of Honey Buzzards (Pernis apivorus) in Africa. Die Vogelwarte 41: 240-248. Limpens, H. et al. 1997; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Manen, W. van, 2001. Gebruik van Zuid-Flevolandse bossen door Wespendieven Pernis apivorus van de Veluwe. De Takkeling 9: 193-196 Provincie Gelderland 2017. Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. Smit, J.T. 2007. Actuele en potentiële verspreiding van het vliegend hert in Nederland. Eis. Archer, M.E. 1980, 'Population Dynamics', in Social Wm.ps: their biology and control, (ed) R.Edwards, Rentokil Ltd., East Grinstead. Edwards, R (ed) 1980, Socia! Wasps: their biology and control, Rentokil Ltd., East Grinstead Moller, H., Tilley, 1., Plunkett, GM. & Clappeflon, B.K.

1991 a, 'Nest sites of common and German wasps (Hymenoptera: Vespidae)', Nell' Zealand Jouma! (Zoo!ogy, vol.l8, pp.121-125. Spradbery,J.P 1973, Wasps: an account ofthe hiology and natural history ofsoliary and social wasps, Sidgwick & !ackson, London. Weeda, Drs. E.J. et al. 2003; Nederlandse Ecologische Flora – Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij.

Ecochore Natuurtechniek

18

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

BIJLAGEN Bijlage 1: Inrichtingsplan wespendief Bijlage 2: Gebiedsimpressie Bijlage 3: Toelichting Wet Natuurbescherming

Ecochore Natuurtechniek

19

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

BIJLAGE 1: INRICHTINGSPLAN WESPENDIEF Inrichtingsmaatregelen Wespendief. De wespendief is voor zijn voedsel behoefte grotendeels afhankelijk van actieve wespennesten en dan in het bijzonder de raten. Uit onderzoek, specifiek uitgevoerd op de Veluwe, is gebleken dat 77% van de prooien bestaat uit wespen (voornamelijk Vespa vulgaris en V. germanica) en 18% uit amfibieën (voornamelijk groene en bruine kikkers en incidenteel hazelworm). De twee belangrijkste soortgroepen zijn dus wespen en amfibieën. Om het verlies aan foerageergebied op te vangen is het een optie om de andere delen van het plangebied zo in te richten dat deze toenemen in waarde voor de prooidieren van de wespendief. Wespen hebben enkele specifieke habitatseisen die versterkt kunnen worden om de kwaliteit van het gebied te laten stijgen. Omdat de wespendief alleen toegang heeft tot wespen met ondergrondse nesten, zijn de inrichtingsmaatregelen hierop gebaseerd. Wespen algemeen Voor wespen die in de grond leven is het belangrijk dat de grond goed waterdoorlatend is en er geen direct zonlicht in het nest schijnt. Daarnaast is de afstand tot water van groot belang {Moller et al 1991} & {Edwards 1980}. Wespen hebben de voorkeur om hun nest aan de rand van een veld te maken, wanneer voorradig verkiezen ze graag een locatie bij heggen, greppels en paden {Archer 1980}.

Voor het voedsel zijn wespen niet kieskeurig waardoor bijna alle zachte insecten en kleine dieren behoren tot potentiële prooien. Naar gelang het jaar vordert schakelen ze over van proteïne rijke prooien (insecten) naar meer koolhydraat rijke voedselbronnen (vruchten). Inrichting gebied Om het leefgebied te versterken wordt binnen het plangebied (in de noordkant van deelgebied 3) voorgesteld om enkele ruggen danwel keverbanken aan te leggen. Deze zones van maximaal 50 cm hoog moeten worden aangelegd van goed drainerende, schrale grond. Deze zones zullen daardoor gelegenheid bieden voor meerdere wespennesten. Wespennesten zijn vaak geclusterd {spradbery, 1973} en daardoor volstaan de voorgestelde relatie kleine stroken. Om de voedselvoorziening van wespen te versterken kunnen enkele basissoorten worden ingezaaid. Hierbij moet worden gedacht aan soorten als korenbloem, beemdkroon, kleine ratelaar en zandteunisbloem. Hier zullen vele insecten op leven die als voedselbron kunnen dienen. Om in de voedsel behoefte in het najaar te voorzien worden op het perceel fruitbomen geplant, die in de herfst voldoende afvallend fruit produceren. Deze vruchten bieden daarnaast ook voedsel voor andere insecten.

Door het gebied op de voorgestelde manier in te richten is er gedurende de periode dat de wespendief in Nederland aanwezig is voldoende voedsel beschikbaar Op de volgende pagina is een schets uitgewerkt met maatregelen ter bevordering van wespen daardoor een versterking van het leefgebied van wespendief.

Ecochore Natuurtechniek

20

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Ruggen en keverbanken van goed gedraineerde grond. Fruitbomen. Zaadbooster d.m.v. inzaaien.

Inrichtingsvoorstel optimalisatie foerageergebied wespendief.

Ecochore Natuurtechniek

21

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

BIJLAGE 2: GEBIEDSIMPRESSIE

V.l.n.r: Figuur 1: functioneel foerageergebied van wespendief. Figuur 2: vraatsporen wespendief. Figuur 3: Aanwezig horst. Figuur 4: Vraatsporen wespendief.

Ecochore Natuurtechniek

22

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10 § 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3.

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ecochore Natuurtechniek

23

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.

Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

24

Aanvullend ecologisch onderzoek PB Pinkenberg in Rozendaal

Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2. 3.

4.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=d8af6b0a-d96d-4174-b3b5-bec5c8a189b2