Schriftelijke bijdrage mevr. mr. R. Patandin en de heer S. Baidjoe, reclamant 15
Tekst van het document
Deze reactie is een aanvulling van hetgeen eerder al door overige reclamanten is aangevoerd. Naar onze mening dient het voorgenomen besluit op alle drie de onderdelen (1: zienswijzen ongegrond verklaren, 2: bestemmingsplan vaststellen conform voorstel van B&W en 3: geen exploitatieplan vast te stellen) te stranden. Uit de stukken blijkt dat de gemeente, althans in ieder geval het College van B&W, meent dat de door het bedrijf Reijm gewenste capaciteitsuitbreiding een particulier initiatief is en dat het enkel de taak van de gemeente is om die uitbreiding te faciliteren. Ik verwijs naar pagina 15 van het voorstel voor het raadsbesluit dat W.H.M. van der Zwan uit naam van het college heeft opgesteld. Dit is onjuist; de gewenste uitbreiding van Reijm is geen particulier maar een bedrijfsinitiatief en daarnaast is het woord “faciliteren” een miskenning van de taak die de gemeente in deze heeft. Het is aan de gemeente om het verzoek van Reijm kritisch te bezien, en om daarbij alle betrokken regelgeving (waaronder het huidige bestemmingsplan) en de betrokken belangen (niet enkel de wens van een bedrijf tot uitbreiding, maar ook de gerechtvaardigde belangen van gemeente-inwoners op het gebied van milieu, leefomgeving, verkeer, veiligheid, rust en dergelijke) in ogenschouw te nemen.
Vervolgens is geen andere conclusie mogelijk dan dat het voorgenomen besluit geen doorgang zal kunnen vinden. Ik zal dit toelichten. Zienswijzen Het College van B&W stelt ten onrechte dat de gemeenteraad de 19 ingediende zienswijzen zonder uitzondering ongegrond dient te verklaren. In de eerste plaats betreft dit de zienswijze van reclamant 1, die bezwaren heeft tegen het schrappen van de bestemmingen woonhuis en caravanbedrijf uit het bestemmingsplan. In de reactie op deze zienswijze geeft het College van B&W aan dat “Er is ons nog geen definitieve aanvraag van appellant bekend.” Voorts geeft het college aan dat de woonbestemming en de bestemming van caravanbedrijf worden geschrapt omdat “dergelijke functies niet wenselijk zijn op een bedrijventerrein.” De reclamant heeft echter concrete plannen voor de realisatie van 4 woningen, een caravanbedrijf en een bedrijfswoning, waarvoor ook al een bespreekplan is ingediend. Bovendien is bij de beoordeling daarvan, zoals ook door het College van B&W wordt onderkend, positief gereageerd. Ook het overleg met Stadsontwikkeling heeft bijgedragen aan die positieve reactie. In de reactie op de zienswijze geeft het College van B&W nu aan dat bij die positieve reactie ook is gewezen op mogelijke beperkingen op het gebied van economisch beleid en milieu.
Dit neemt echter niet weg, dat de plannen van reclamant 1 vallen binnen het huidige bestemmingsplan, en dat het niet goed te verdedigen is dat het bestemmingsplan wordt gewijzigd om de plannen van Reijm -die niet passen binnen het huidige bestemmingsplan- mogelijk te maken. Indien het argument van “economisch beleid” hier de doorslag geeft dan dient in ieder geval te worden onderbouwd waarom de voorgenomen wijziging economisch gezien de plannen die reclamant 1 binnen het huidige bestemmingsplan heeft zouden mogen dwarsbomen. Het argument van “milieu” kan ik niet plaatsen zonder dat er een objectieve rapportage ligt waaruit blijkt dat de impact op het milieu van de plannen van reclamant 1 onaanvaardbaar is en dat de impact van de plannen van Reijm daarentegen kleiner is. Die rapportage is er niet en zal er ook niet kunnen komen aangezien de impact op het milieu van de plannen van Reijm onmiskenbaar groter is dan de plannen van reclamant 1 die bovendien vallen binnen het huidige bestemmingsplan. Dat de functies van bedrijfswoning en caravanbedrijf niet zouden passen op een bedrijventerrein is aantoonbaar onjuist, en dan ook geen reden om de zienswijze van reclamant 1 ongegrond te verklaren. Deze functies passen immers aantoonbaar wèl binnen een bedrijventerrein. Het valt niet te ontkennen dat een caravanbedrijf een bedrijf is, en dus op een bedrijventerrein thuishoort.
Een vergelijkbare redenering gaat op voor de bedrijfswoning: deze is uiteraard gekoppeld aan het bedrijf, en hoort daarom wel degelijk thuis op een bedrijventerrein. De redenering, in het voorstel van het College van B&W, dat binnen het gemeentebeleid veel gewicht toekomt aan de ontwikkeling van bedrijventerreinen maakt dit niet anders. Ook zonder de bestemmingsplanwijziging is er immers een bedrijventerrein, waar (wat mij betreft: meer dan) voldoende bedrijvigheid is. Bovendien is een ander speerpunt binnen het
gemeentebeleid gericht op het faciliteren van de woonfunctie, en dit zou juist pleiten tegen de bestemmingsplanwijziging, aangezien daarin nu juist een streep wordt gezet door de woonfunctie bij de bedrijven en aangezien de voorgenomen wijziging een beperking van het woongenot van de omwonenden van het bedrijventerrein meebrengt. Het kan dan ook niet zo zijn dat de gemeente de zienswijze van reclamant 1 ongegrond verklaart. Er is geen goede reden om de huidige bestemmingen van bedrijfswoning en caravanbedrijf te schrappen, temeer omdat die plannen er al wel degelijk zijn en er verwachtingen daaromtrent zijn geschept. Het zou van willekeur en onbetrouwbaarheid getuigen indien deze gewekte gerechtvaardigde verwachtingen, die passen binnen het huidige bestemmingsplan, worden tenietgedaan ten gunste van een wijziging van het bestemmingsplan waarvoor onvoldoende reden is. Ook de overige zienswijzen worden in het advies van het College van B&W ten onrechte als ongegrond aangemerkt. Ik verzoek via deze weg de gemeenteraad dringend om zorgvuldig kennis te nemen van de argumenten en de onderbouwing van de reclamanten en van de in mijn ogen gebrekkige weerlegging ervan door het college. Er is geen sprake van een geïsoleerd industrie- of bedrijvengebied, waarop het bestemmingsplan ziet. Het bedrijventerrein grenst aan een woonwijk waar veel woon/werk en recreatief verkeer is.
De capaciteitsvergroting, die de voorgenomen bestemmingsplanwijziging mogelijk zou moeten maken, zal onmiskenbaar invloed hebben op de veiligheid en het woongenot van de bewoners van deze wijk en de recreatieve passanten. Er zal immers meer bedrijvigheid bij Reijm komen, alleen al doordat er meer aanvoer en afvoer van materiaal zal zijn. Daardoor zal er meer verkeer komen, veelal zwaar vrachtverkeer, dat meer hinder zal geven en meer risico’s voor de overige weggebruikers. Voorts zal er vaker hout worden geshredderd, hetgeen een toename van geluidsoverlast zal veroorzaken. Het argument van het College van B&W dat uit de opgestelde rapportages blijkt dat er geen significante toename van stank, geluid en overige overlast zal zijn is niet overtuigend. Meer capaciteit leidt immers hoe dan ook tot meer bedrijvigheid, meer verkeer, meer risico, meer stank, meer geluid. De vraag is ook wat de waarde is van de rapportages, aangezien deze dateren uit 2020, midden in de coronapandemie waarin de bedrijvigheid hoe dan ook geen reëel beeld van de werkelijkheid en van toekomstverwachtingen zal hebben gegeven. Ik verzoek via deze weg de gemeenteraad dan ook uitdrukkelijk om de rapportages, die worden gebruikt als rechtvaardiging voor “ het faciliteren van de particuliere wens tot uitbreiding” van Reijm, kritisch te bezien en de daarop gebaseerde conclusies te heroverwegen.
Bestemmingsplan Zijdens het College van B&W wordt gesteld dat die uitbreiding binnenplans had kunnen geschieden aangezien de impact van de toegenomen bedrijfsactiviteiten niet groter zal worden dan de toegestane bedrijfscategorie 2 of 3. Dit is echter onjuist, of althans slechts een gedeelte van de relevante feiten. In de eerste plaats is het slechts mogelijk om de uitbreiding binnenplans te realiseren indien er geen toegenomen impact is op de omgeving en de activiteiten nog binnen categorie 2 of 3 blijven, en aan die voorwaarde is niet voldaan. Er is immers binnen de huidige bestemming ook een mogelijkheid voor bedrijfspanden, en er zijn ook al plannen (namelijk van reclamant 1) om die te gaan realiseren. Gezien die functie van bedrijfswoningen zal de impact van de voorgenomen uitbreiding van Reijm te groot zijn om binnen het huidige bestemmingsplan te passen. Temeer gezien de mogelijke realisatie van bedrijfswoningen in de directe nabijheid van Reijm kan de door Reijms gewenste capaciteitsvergroting niet worden gerealiseerd onder het huidige bestemmingsplan. Dit zou een reden moeten zijn voor de gemeente, gezien ook de bij reclamant 1 gewekte gerechtvaardigde verwachtingen omtrent zijn plannen voor woningbouw, om Reijm niet tegemoet te komen en om het huidige bestemmingsplan niet open te breken.
De gemeente echter heeft, als het voorgenomen besluit realiteit wordt, echter gekozen voor de omgekeerde weg, en schrapt de mogelijkheid voor bedrijfswoningen uit het huidige bestemmingsplan,
zodat Reijm haar capaciteit kan vergroten. Dat is niet waarvoor de mogelijkheid tot wijziging van het bestemmingsplan bedoeld is (détournement de pouvoir) en het schept ook rechtsongelijkheid, aangezien de huidige mogelijkheden, waarvan reclamant 1 in de veronderstelling verkeert dat hij deze kan gaan benutten gezien het lopende overleg, worden geschrapt ten gunste van een verzoek van Reijm dat momenteel binnen het bestemmingsplan niet mogelijk is. De gemeente is daarbij voorts voornemens om formeel Reijm tegemoet te komen en het mogelijk te maken dat Reijm van afvalverzameldepot transformeert in een vuiloverslagstation. Daarbij is de gemeente voornemens om vast te leggen dat de aard en omvang van de milieuhinder niet groter worden dan dat van een bedrijf uit categorie 2 of 3. Dat dit niet zal gaan gebeuren zou blijken uit de rapportages die in 2020 (in de coronapandemie, waarin al geen reëel beeld van de situatie, laat staan van de toekomst te vormen was) zijn opgesteld. Naar mijn mening vormen die rapportages geen overtuigend bewijs dat Reijm na aanpassing van het bestemmingsbesluit geen milieu-impact zal hebben dat groter is dan een categorie-3-bedrijf. Zoals eerder aangegeven: de capaciteit neemt immers toe, de aanlever- en afvoerstromen nemen toe, het verkeer neemt toe, de werkzaamheden nemen toe, de geluidsoverlast neemt toe.
In het conceptbesluit kiest de gemeente ervoor om het bestemmingsplan te wijzigen waardoor Reijm kan veranderen van afvalverzameldepot in een vuiloverslagstation, met in het bestemmingsplan een maatwerkbestemming, inhoudende dat de milieu-impact van Reijm binnen de normen van een categorie 2-3 bedrijf dient te blijven. Doordat de milieu-impact binnen die normen zal blijven (ervan uitgaande dat Reijm zich strikt zal houden aan die normen), is het volgens de redenering van de gemeente geen wijziging waarvoor bijvoorbeeld een milieueffectrapportage vereist is. Deze redenering gaat echter niet op omdat capaciteitsuitbreiding per definitie gepaard gaat met een grotere impact op het milieu en omdat het in de praktijk ondoenlijk zal zijn om te controleren en te handhaven dat Reijm inderdaad niet de normen, die gelden voor een categorie 2-3 bedrijf, strikt in acht zal nemen. Er is echter een relatief eenvoudige manier om te voorkomen dat Reijm, in de hectiek van haar bedrijfsvoering en toenemende productie, die normen overschrijdt, en dat is het huidige bestemmingsplan ongewijzigd laten.
Het -in de woorden van het college van B&W- faciliteren van de wens van Reijm tot capaciteitsvergroting met de aangegeven maatwerkbestemming is een manier om de weg vrij te maken voor een vuiloverslagstation (dat Reijm dan ook formeel wordt) en een impact van een categorie-4-bedrijf, maar dan vooralsnog zonder de waarborgen en toetsen die horen bij een categorie-4-bedrijf, door op papier vast te leggen dat de milieu-impact niet groter mag zijn dan die van een categorie-3-bedrijf. Dat is niet wat een betrouwbare overheid betaamt. Indien wordt gekozen voor de maatwerkbestemming is het noodzakelijk dat daarbij waarborgen worden geboden om te zorgen dat de maatwerkafspraken ook daadwerkelijk worden nageleefd. Ik denk hierbij aan een meldpunt en aan strikte bestuurlijke handhaving door middel van controles en bij overtreding oplegging van boetes. Kortom: doordat de bestemming van bedrijfswoningen en caravanbedrijf in het voorgenomen besluit worden geschrapt, kan gezegd worden dat de milieu-impact van de voorgenomen capaciteitsvergroting van Reijm de categorie 3 niet zal overstijgen (immers, er kunnen dan niet meer binnen de nabijheid woningen gerealiseerd worden, die nog meer dan de huidige woningen rondom Reijm hinder zullen ondervinden), hetgeen een gekunstelde constructie is om die capaciteitsvergroting te faciliteren.
Het is echter niet de taak van de gemeente om Reijm in haar wensen te faciliteren, maar ook om in haar afweging de ontwikkelingen op grond van het huidige bestemmingsplan (plannen reclamant 1) en de belangen van het milieu, de omwonenden en de overige gemeentetaken (leefbare woonomgeving, veiligheid etc.) mee te wegen. Bij de afweging van die belangen dient mijns inziens het belang van Reijm niet te prevaleren.
Om die reden kan het voorgenomen besluit mijns inziens niet worden genomen. Exploitatieplan Op grond van het conceptbesluit concludeer ik dat het college van B&W een exploitatieplan niet nodig vindt. Echter, ook als er geen sprake is van bouwwerkzaamheden kan een exploitatieplan wel degelijk nuttig of zelfs noodzakelijk zijn. Het draait hier immers bij uitstek om de wijze waarop Reijm haar bedrijf exploiteert. Nu Reijm in het voorgenomen besluit wordt geacht binnen de maatwerkbestemming te opereren, terwijl zij transformeert van een afvalinzameldepot naar een vuiloverslagstation en zij haar capaciteit flink opvoert, is het immers van groot belang om na te gaan hoe Reijm de exploitatie van haar bedrijf in de (voorgenomen) nieuwe situatie gaat vormgeven. Ook op dit punt bestrijd ik het voorgenomen besluit; er dient mijns inziens wel degelijk een deugdelijk exploitatieplan te komen. Ik verzoek u dan ook het voorgenomen besluit te heroverwegen, en subsidiair bij een onverhoopte bekrachtiging van het voorgenomen besluit concrete voorwaarden mbt naleving en handhaving van afspraken door Reijm te verbinden aan het besluit.