Rapport Verkennend natuuronderzoek volkstuinencomplex SNV Rotterdam 2021
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 377392 Referentienummer: SWNL0276931 Datum: 19-05-2021
Verkennend natuuronderzoek volkstuinencomplex Streven naar Verbetering, Rotterdam Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur en bepaling biodiversiteit middels natuurpunten
Definitief
Opdrachtgever: Volkstuinvereniging Streven naar Verbetering T.a.v. de heer Ramon Boender Roel Langerakweg 33 3041 JK ROTTERDAM
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Mark Grutters Adviseur ecologie M +31 6 20 62 52 86
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek volkstuinencomplex Streven naar Verbetering, Rotterdam
Subtitel
Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur en bepaling biodiversiteit middels natuurpunten
Projectnummer
377392
Referentienummer
SWNL0276931
Revisie
D0
Datum
19-05-2021
Auteur
Mark Grutters
E-mailadres
mark.grutters@sweco.nl
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (30)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 5
1.2
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 6
1.3
Beschrijving plangebied en voorgenomen activiteiten ............................................ 7
1.3.1
Ligging ..................................................................................................................................7
1.3.2
Ecotopen ...............................................................................................................................7
1.3.3
Plannen .................................................................................................................................8
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 9
2.1
Toetsingskader ........................................................................................................ 9
2.2
Gebieden en optredende effecten ......................................................................... 10
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 11
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 12
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 12
3.2
Methode ................................................................................................................. 14
3.3
Resultaten soortenbescherming: Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten en effectenanalyse ................................................................................... 15
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 20
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 20
4.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 20
4.3
Gebieden buiten het NNN ..................................................................................... 21
4.4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 21
5
Bepaling biodiversiteit van het volkstuinencomplex....................................... 23
5.1
Inleiding ................................................................................................................. 23
5.1.1
Achtergrond Natuurpuntensystematiek ...............................................................................23
5.1.2
Rekenmethode Natuurpunten .............................................................................................23
5.1.3
Bepaling natuurpunten volkstuinencomplex Streven naar Verbetering ...............................24
5.2
Resultaten natuurpunten ....................................................................................... 24
6
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................ 27
6.1
Wet natuurbescherming ........................................................................................ 27
6.1.1
Natura 2000-gebieden ........................................................................................................ 27
6.1.2
Soortenbescherming ...........................................................................................................27
6.2
Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 28
6.2.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................................................................................ 28
6.2.2
Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN ...................................................................28
6.2.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................28
3 (30)
6.3
Natuurpunten ......................................................................................................... 28
6.4
Samenvatting ......................................................................................................... 28
Referenties ........................................................................................................................... 30 Bijlage 1
Doelsoorten van natuurtype park
4 (30)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding In de wijk Noord in Rotterdam, Zuid Holland, ligt het volkstuincomplex van Volkstuinvereniging Streven naar Verbetering (VTV-SNV). Gemeente Rotterdam heeft plannen om sportterreinen aan te leggen op deze locatie. Dit zal ten koste gaan van een deel van het volkstuinencomplex. VTV-SNV heeft aan Sweco gevraagd om in een verkennend natuuronderzoek in beeld te brengen welke in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde natuurwaarden hierdoor aangetast zouden kunnen worden. Daarnaast is gevraagd een bepaling te doen van de algehele natuurwaarden van het terrein. Dit zal middels natuurpunten worden bepaald. Voorliggend rapport omvat het verkennend natuuronderzoek, en in een afzonderlijk hoofdstuk wordt ingegaan op de natuurwaarde van het terrein.
Figuur 1.1
Begrenzing van het onderzoeksgebied van VTV-SNV. Rood gearceerd het gedeelte waar de plannen voor ontwikkelingen betrekking op hebben.
5 (30)
1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen waarbij mogelijk beschermde natuurwaarden worden aangetast, dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: · Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden; ° Soortenbescherming; ° Houtopstanden1; · Natuurnetwerk Nederland (NNN); · andere provinciaal beschermde gebieden buiten het NNN; · gemeentelijk beleid. Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Het onderzoek omvat een terreinbezoek en een analyse van bestaande gegevens. Toetsing heeft plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. Er zal worden aangegeven welke mogelijke vervolgstappen nodig zijn met betrekking tot soortgerichte inventarisaties, nader effectonderzoek en eventuele nadere procedures.
Figuur 1.2
Impressie van het Volkstuincomplex SNV (foto: VTV-SNV)..
1
Kap van bomen buiten de Bebouwde kom Houtopstanden (voorheen Boswet) valt in bepaalde situaties onder de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze mogen alleen worden gekapt onder bepaalde voorwaarden. In dat geval moet een kapmelding worden gedaan en geldt er een herbeplantingsplicht.
6 (30)
1.3
Beschrijving plangebied en voorgenomen activiteiten
1.3.1 Ligging Het onderzoeksgebied is een volkstuinencomplex met een totale oppervlakte van ruim 10 hectare. De tuinen liggen op deze locatie sinds 1938, al was het complex in die tijd aanzienlijk groter. De zuid- en oostzijde van het complex worden begrensd door een spoorlijn. Ten noorden van het complex ligt (een deel van) Diergaarde Blijdorp. Westelijk van de volkstuinen ligt het Roel Langerakpark, een open gebied met diverse openbare sportvelden. Tussen het park en het tuinencomplex ligt een bosstrook met beuk en vooral vleugelnoot. Het zuidwestelijk deel van het complex grenst aan het deels beboste terrein van de natuurspeeltuin De Speeldernis. Oostelijk van het complex aan de overzijde van de spoorlijnen ligt Diergaarde Blijdorp. Zuidelijk van het complex aan de zuidkant van de spoorlijnen ligt het Essenburgpark. 1.3.2 Ecotopen Het volkstuinencomplex als geheel kan worden getypeerd als een gevarieerd, parkachtig landschap. Het complex herbergt een grote diversiteit aan stuiken en bomen. Opvallend is de aanwezigheid van tal van hoge watercipressen (Metasequoias spec.), verspreid over het complex. Daarnaast komt een groot scala aan boomsoorten voor, zowel inheems als uitheems. Dit zijn onder andere sparren, coniferen, dennen, lijsterbes, esdoorn, berk, wilgen en verschillende fruitsoorten waaronder appel, pruim, wilde pruim, sierpruim en sierkers.
De tuinen zijn vaak omgeven door (groenblijvende) hagen. In veel tuinen staan lage, houten tuinhuisjes. Verschillende tuinen hebben deels een open gazon. Dit wordt veelal omgeven met aangeplante (sier)gewassen. Verschillende tuinen zijn vrij open en opgeruimd, andere tuinen hebben overhoekjes met takkenrillen of houtstapels. Hogere en lagere bomen staan verspreid over het complex. Er zijn enkele laanachtige structuren aanwezig, met als meest opvallende de laan met moerascipressen (Taxodium spec.) aan de noordzijde van het gebied (zie Figuur 1.3). De paden op het complex zijn omgeven door diverse soorten groenblijvende haagsoorten. De verschillende tuinen kennen alle een erg diverse begroeiing. Het gehele volkstuinencomplex is omgeven door een brede sloot. Daarnaast doorkruisen een vijftal smallere sloten het complex. Al deze sloten hebben beschoeide oevers. Ook liggen er op verschillende tuinen kleine vijvertjes. De foto’s in Figuur 1.3 geven een impressie van het plangebied.
7 (30)
Figuur 1.3 Impressie van het plangebied.
1.3.3 Plannen De plannen voor de aanleg van de sportvelden hebben betrekking op het noordelijk deel van het volkstuinencomplex met een oppervlakte van circa 3,7 hectare. Dit zal ten koste gaan van de tuinen met hun beplanting en bomen, evenals de kleinere sloten binnen het terrein. Ook zullen waarschijnlijk de bomen tussen het complex en het Roel Langerakpark gekapt worden. De aanleg van sportvelden zal ook inhouden dat het uiteindelijke terrein wordt voorzien van sportgazon of kunstgras, en hoogstwaarschijnlijk wordt ook verlichting voor de velden aangebracht.
8 (30)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het plangebied en de reikwijdte van effecten.
Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: ·
Voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijk uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling.
9 (30)
·
Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets.
·
ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien.
2.2 Gebieden en optredende effecten Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000kaart, zoals beschikbaar via het Nationaal Georegister2. Hieruit blijkt dat het Natura 2000gebied ‘Oude Maas’ het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is. Dit is gelegen op circa 8,7 km, zuidelijk van het projectgebied (Figuur 2.1). Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied met stikstofgevoelige habitattypen is Boezems Kinderdijk, gelegen op 13 km van het plangebied. Bij de Boezems Kinderdijk is stikstofgevoelig leefgebied van de moerasvogelsoort zwarte stern aanwezig.
Figuur 2.1
2
Ligging van het projectgebied (rode lijn) ten opzichte van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Oude Maas (roodbruin).
https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/8829e5dd-c861-4639-a6c8-fdbb6e3440d2
10 (30)
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Geluid, beweging en licht tijdens de aanleg- en gebruiksfase van aan te leggen sportvelden zullen naar alle waarschijnlijkheid tot enkele honderden meters ver kunnen reiken. Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied Oude Maas, zijn negatieve effecten van geluid, beweging of licht op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het projectgebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Wel kunnen de aanlegwerkzaamheden gepaard gaan met emissies van stikstof door werktuigen en voertuigen. Deze emissies kunnen zich over grote afstanden verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden in Natura 2000gebieden. Om de hoeveelheid stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vast te stellen en hiermee een uitspraak te kunnen doen over eventuele negatieve effecten, dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden.
11 (30)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd.
12 (30)
Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld3. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie ZuidHolland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw (categorieën 1 tot en met 4). Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn en ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen (categorie 5). Deze vogels gebruiken vaak wel het zelfde nest als het jaar ervoor, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om zich elders te vestigen bij verlies van de broedplaats. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer en/of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Met artikel 8.1 van de verordening uitvoering Wet natuurbescherming van provincie Zuid-Holland4 wordt een dergelijke vrijstelling gegeven voor verschillende diersoorten. De diersoorten waarop vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. Tabel 1
Vrijgestelde diersoorten in Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland 2016)
Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree
Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
3
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I. 4
Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 9 november 2016, tot vaststelling van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland, met nummer 6949 (Prov. Blad 2016, 6788)
13 (30)
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied, bestaande uit een bronnenonderzoek en een beoordeling op habitatgeschiktheid op basis van een veldbezoek. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode Lijst-soorten worden niet bij het onderzoek betrokken. Deze lijsten hebben geen juridische status. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen, openbare waarnemingsbronnen, data uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); jaren 2016-2021 en natuurgegevens, verzameld door volkstuinders van de vereniging.
14 (30)
Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 10 februari 2021 door een deskundig ecoloog5 van Sweco. Bij dit veldbezoek was het droog, zonnig weer en lag er een sneeuwdek van 10+ centimeter. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek nodig is en of eventueel ontheffingsplicht, in het kader van Wet natuurbescherming, van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode Lijst-soorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3
Resultaten soortenbescherming: Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten en effectenanalyse
Planten Vanwege het seizoen en het sneeuwdek kon niet gericht naar aanwezige planten worden gezocht tijdens het veldbezoek. De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde plantensoorten op het volkstuinencomplex. De meeste beschermde plantensoorten zijn soorten van vrij voedselarme, onverstoorde bodems. Gezien de voedselrijkdom en verstoring lijkt het grootste deel van het complex niet de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten te bieden. Uit de omgeving van het plangebied zijn schubvaren Asplenium ceterach en brede wolfsmelk Euphorbia platyphyllos bekend. De eerstgenoemde soort is een muurplant, brede wolfsmelk is een soort die gevonden kan worden op matig voedselrijke, omgewerkte kleiige bodems. Het is een cultuurvolger die ook op akkers wordt gevonden. In Diergaarde Blijdorp is een groeiplaats bekend. Het is niet uit te sluiten dat de soort op het tuinencomplex voorkomt. Enkele andere beschermde plantensoorten kunnen ook aangetroffen worden onder voedselrijkere omstandigheden. Dit zijn veelal oude akkeronkruiden, zoals dreps en wilde weit. Gezien hun landelijke verspreiding en zeldzaamheid is de kans klein dat deze op het volkstuincomplex aanwezig zijn. Het is niet uit te sluiten dat de uitvoering van de plannen een negatief effect heeft op beschermde plantensoorten. Om dit nader in beeld te brengen, is aanvullend onderzoek nodig.
Vleermuizen De NDFF toont geen waarnemingen van vleermuizen binnen het volkstuincomplex. Een gerichte inventarisatie binnen het complex in 2020 leverde waarnemingen op van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Ook de NDFF toont waarnemingen van deze soorten in de omgeving. Daarnaast zijn enkele waarnemingen van rosse vleermuis bekend in de wijdere omgeving van het plangebied. Verder is de watervleermuis een soort die in de omgeving van het plangebied te verwachten is. Veel waarnemingen van watervleermuis zijn bekend rond de Bergse Plassen en de Kralingse Plas. 5
Onder een deskundig ecoloog verstaan wij een persoon die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten en die schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis heeft.
15 (30)
Uit het Kralingse Bos is een kolonie bekend. Ook op Landgoed De Tempel zijn verblijven aanwezig, de dieren kunnen via de Schie en de Vliet de stad in vliegen. De bredere wateren op het complex en in het Roel Langerakpark kunnen worden gebruikt om te foerageren. In het stedelijk gebied zijn doorgaans met name de gebouwbewonende vleermuissoorten algemeen. Dit zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en – in mindere mate – de laatvlieger. De op het complex aanwezige schuurtjes voldoen niet als verblijfplaats, omdat deze alle erg laag zijn en vaak omgeven zijn door bomen of struweel. De ruige dwergvleermuis heeft echter ook vaak (paar)verblijven in bomen. Watervleermuis en rosse vleermuis zijn echte boombewoners, met verblijven in holten van vaak grotere, oudere bomen. De watervleermuis en rosse vleermuis worden vaak op oude landgoederen aangetroffen, en ook uit het Kralingse Bos bijvoorbeeld zijn verblijfplaatsen bekend. Geschikte holten die kunnen dienen als verblijfplaats voor de watervleermuis en rosse vleermuis zijn niet aangetroffen in het plangebied. Ruige dwergvleermuis kan (paar)verblijven hebben achter stukken loszittende schors. Bomen met dergelijke mogelijkheden zijn niet opgemerkt bij het veldbezoek. Wel hangen op het complex tientallen verschillende vleermuiskasten.
Hier kunnen soorten, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en in mindere mate laatvlieger, gebruik van maken. De kasten kunnen fungeren als paar- of zomerverblijf voor de genoemde soorten. Voor de aanleg van de sportvelden zullen bomen worden gekapt. Indien in deze bomen verblijfplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen, zullen de plannen negatieve effecten hebben op deze jaarrond beschermde vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Wanneer deze bomen gekapt zullen worden, dient vooraf de daadwerkelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen te worden onderzocht. Bij aanwezigheid is voor kap van de bomen een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming. De functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen zijn voornamelijk die van foerageergebied en vliegroute. Door bomenkap of verwijderen van ander groen kunnen deze functies worden aangetast. Deze zijn, naast de verblijfplaatsen zelf, ook beschermd indien ze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. In het stedelijk gebied zijn met name groengebieden als parken en volkstuincomplexen belangrijke foerageergebieden voor vleermuizen vanwege de vaak hoge dichtheden aan insecten die er kunnen leven. Daarbij zijn niet alle parken even geschikt.
Parken met weinig structuur en ruigte maar veel gazon en bijvoorbeeld platanen, bieden minder voedsel dan gevarieerde parken met insectenrijke soorten. Gewone dwergvleermuizen hebben vaak kraamkolonies nabij goede foerageergebieden, omdat in het voorjaar en de zomer de vrouwtjes en de jongen een hoge voedselbehoefte hebben. Gezien de oppervlakte van het tuinencomplex kan dit mogelijk een belangrijk foerageergebied vormen voor vleermuizen, met name wanneer er kolonies in de directe omgeving aanwezig zijn. Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die regelmatig en door meerdere individuen gebruikt worden, noemen we een vliegroute. Vleermuizen gebruiken de vliegroutes om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en vice versa. De bomenrijen ten westen van de volkstuinen en de groenzone langs de spoorlijn vormen beschutte, lijnvormige structuren. Deze verbinden mogelijk de andere groenstructuren, die geschikt zijn als foerageergebied, met elkaar en met urbane gebieden met kolonies. Groengebieden in de omgeving die waarschijnlijk foerageergebied vormen, zijn Diergaarde Blijdorp, het Vroesenpark, de noordelijker gelegen volkstuinencomplexen en groengebieden in Zestienhoven.
16 (30)
Vleermuizen uit bijvoorbeeld Nieuwe Westen kunnen langs de groenstructuren de foerageergebieden bereiken. Het is niet uit te sluiten dat de te kappen bomenrijen onderdeel zijn van een belangrijke vliegroute. Hoewel aan de spoorwegzijde geen hogere bomen worden gekapt, kan de verlichting van sportvelden ertoe leiden dat een eventuele vliegroute niet meer wordt gebruikt. Om het gebruik van het plangebied als foerageergebied en vliegroute vast te stellen, is een veldonderzoek noodzakelijk. Wanneer één of beide functies aanwezig zijn en er sprake is van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute, is een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming voor plannen die deze functies wezenlijk aantasten. Grondgebonden zoogdieren Diverse kleine grondgebonden zoogdieren zijn bekend uit het gebied of zijn er te verwachten. Dit zijn alle algemene beschermde soorten waarvoor in provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals huismuis, veldmuis, mol en egel. Ook zijn er waarnemingen van vos bekend. Van de (kleine) marterachtigen boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn geen waarnemingen bekend. Hiervan zijn de (niet-vrijgestelde) boommarter en steenmarter in de regio schaarse soorten.
Boommarter wordt niet direct verwacht in het plangebied, maar de soort is recentelijk wel bezig met een opmars in de regio, en is ook al in het stedelijk gebied van Rotterdam aangetroffen (Kompanje, E.J.O. & B. Langeveld 2019). Ze hebben voornamelijk verblijfplaatsen in holten in oude bomen. Geschikte holten zijn niet aangetroffen bij het veldbezoek. Ook wanneer eventueel holten aanwezig zijn, wordt de soort, gezien de huidige verspreiding en zeldzaamheid, niet op het complex verwacht. Ook de steenmarter neemt toe in regio Rotterdam. Hoewel een enkele waarneming bekend is uit Schiedam wordt hij in regio Rotterdam, uitsluitend ten zuiden van de Nieuwe Maas, aangetroffen. Het is een cultuurvolger die nabij het Zuiderpark ook op een volkstuinencomplex is vastgesteld (Moeliker et al. 2014). Omdat in het plangebied geschikt biotoop aanwezig is, is niet uit te sluiten dat de soort op het volkstuincomplex voorkomt of het in de toekomst zal gaan bewonen. De overige soorten zijn wat algemener, al zijn waarnemingen in het stedelijk gebied van Rotterdam schaars. Gezien de vele dekking die op en rond de tuinen te vinden is in de vorm van struiken en takkenrillen en overhoekjes en de groene omgeving, kan aanwezigheid van kleine marterachtigen niet worden uitgesloten. Niet-vrijgestelde beschermde soorten worden op basis van de habitat niet verwacht.
Nader onderzoek naar beschermde zoogdiersoorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot grondgebonden zoogdieren is niet nodig. De zorgplicht is wel van toepassing. Vogels met jaarrond beschermde nesten Er zijn diverse vogelsoorten bekend uit de volkstuinen en directe omgeving. Van de soorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 zijn dit boomklever, boomkruiper, bosuil, groene specht, ijsvogel, torenvalk en zwarte mees. Van de soorten uit categorie 1 tot en met 4 zijn gierzwaluw, ooievaar, boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer bekend uit het gebied. Niet al deze waarnemingen betreffen vogels die ook in het volkstuincomplex zullen broeden. Soorten van categorie 5 die mogelijk broeden in het gebied, zijn groene specht, boomklever, boomkruiper en ijsvogel. In verschillende bomen zijn nesten aangetroffen van kraaiachtigen (waarschijnlijk van zwarte kraai en ekster), welke door roofvogels en uilen (categorie 1 tot en met 4) gebruikt kunnen worden. Ook in de bosstrook, westelijk van de volkstuinen, werden bij het veldbezoek meerdere kraaiennesten waargenomen.
17 (30)
In het stedelijk gebied zijn het met name ransuil, sperwer en boomvalk die van dergelijke nesten gebruik maken. Van deze soorten zijn waarnemingen bekend uit het plangebied. Behalve van ransuil is van deze soorten niet bekend of de waarnemingen betrekking hebben op vogels met een territorium, wat wijst op mogelijk broeden in het gebied. Ransuil broedt in ieder geval wel op het volkstuincomplex. In 2020 was nog een nest met jongen aanwezig op het complex (bron: NDFF en VTV-SNV). De precieze locatie hiervan is niet bekend, maar er zijn diverse mogelijkheden voor ransuilen om te broeden in het volkstuinencomplex. Ook zal het volkstuinencomplex geschikt foerageergebied vormen voor ransuilen. Naar verwachting komen er veel (veld)muizen in het gebied voor, welke een belangrijke prooi zijn voor ransuilen. Voor ransuil is de aanwezigheid van dichte begroeiingen, vaak groenblijvende naaldbomen, belangrijk als roestplaats en als nestlocatie. Jagende ransuilen kunnen overal in het plangebied en de groene omgeving worden verwacht in spoor- en wegbermen, ruigten en graslanden waar muizen te vinden zijn. Gezien het schaarse voorkomen van ransuil in het stedelijk gebied en het groene karakter van de volkstuinen kan niet worden uitgesloten dat de volkstuinen en directe omgeving belangrijk foerageergebied vormen voor ransuil.
In het stedelijk gebied is de ransuil doorgaans schaars, het complex is geschikt door onder andere de omvang en relatieve rust. Ook op enkele andere volkstuinencomplexen in de regio (waaronder VTV Blijdorp) komst ransuil voor. Buizerd broedt ook wel in stedelijk gebied. Wanneer een bestaand nest wordt bezet, wordt dit doorgaans eerst tot een forse horst uitgebouwd. Dergelijke nesten zijn niet aanwezig in het plangebied. De dichtheid van sperwer in het stedelijk groen van Rotterdam blijkt hoog te kunnen zijn (De Baerdemaeker, 2004). Ze broeden vaak heimelijk in tuinen en parken op beschutte nestlocaties in dichte bosjes of struwelen. Deze bosjes kunnen beperkt van omvang zijn. Op het volkstuincomplex zijn verschillende delen geschikt als broedlocatie voor deze soort, het is mogelijk dat sperwer op het complex broedt. Het grote aanbod aan prooien voor sperwer en de dekking die hij er tijdens zijn jacht kan vinden, maakt het gebied tot een uitermate geschikt foerageergebied. Boomvalk is een wat schaarsere soort in de regio, maar hij broedt ook in het stedelijk gebied van Rotterdam. Ze nestelen vaak in hogere bomen. De aangetroffen (kraaien)nesten in de vleugelnoten ten westen van de volkstuinen zijn in principe geschikte broedlocaties voor boomvalk. Huismus en gierzwaluw zijn soorten die hun verblijven in gebouwen hebben. Voor gierzwaluw zijn geen geschikte gebouwen aanwezig.
Hoewel huismussen een voorkeur hebben voor pannendaken, kan niet worden uitgesloten dat sommige tuinhuisjes geschikte holten herbergen die als nestlocatie kunnen dienen. Huismussen prefereren dicht struikgewas als dekking op korte afstand van hun nesten. Dit is hier op veel plekken aanwezig. Naast de vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen tal van andere broedvogelsoorten in het volkstuinencomplex worden verwacht. Van algemene bos- en struweelvogels, zoals merel, heggenmus, winterkoning, zwartkop en houtduif, wordt verwacht dat deze op veel plekken in het complex zullen broeden.
18 (30)
Het uitvoeren van de plannen kan de aanwezige vaste rust- of verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten aantasten. Wanneer werkzaamheden uitgevoerd gaan worden die de potentiële nestlocaties of geschikte plekken hiervoor aantasten, dient onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid hiervan. Onderzoek naar vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nesten is niet noodzakelijk. Het uitvoeren van verstorende werkzaamheden gedurende het broedseizoen van deze soorten is echter niet toegestaan, tenzij kan worden voorkomen dat ze tot broeden komen door bijvoorbeeld struweel – voorafgaande aan het broedseizoen – weg te halen. Amfibieën en reptielen De soorten die van het tuinencomplex bekend zijn, zijn bruine kikker, groene kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Gezien het aanwezige water en dan met name de vijvertjes, kunnen deze soorten zich op het terrein voortplanten. De sloten zijn door hun veelal hoge, beschoeide oevers ongeschikt voor amfibieën. Daarnaast vinden ze landhabitat in het gebied. De overhoekjes, opgeslagen materialen en takkenhopen in de volkstuinen zijn hiervoor erg geschikt. De verwachting is dat al deze soorten hun hele levenscyclus volbrengen op het volkstuinencomplex. Zwaarder beschermde amfibieënsoorten, zoals rugstreeppad en heikikker, worden niet verwacht, voor deze soorten ontbreekt het biotoop.
Nader onderzoek naar beschermde amfibieën en reptielen is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot amfibieën en reptielen is niet nodig. De zorgplicht is wel van toepassing. Overige soortgroepen Van de andere groepen, waaronder libellen, dagvlinders, vissen, zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde soorten te verwachten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van dergelijke soorten in de nabije omgeving van het plangebied, en het plangebied biedt geen geschikte biotopen voor beschermde soorten uit deze groepen. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en overige soortgroepen is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot ongewervelden en overige soortgroepen is niet nodig. De zorgplicht is wel van toepassing.
19 (30)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in de wetgeving is vastgelegd, betreft het provinciaal beleid in Zuid-Holland, bestaande uit: · Natuurnetwerk Nederland (NNN); · gebieden buiten het NNN (Beleidsvisie Groen). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het bestaat uit kerngebieden die zoveel mogelijk met elkaar en met kleinere natuurgebieden verbonden zijn door ecologische verbindingen. Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Zuid-Holland is vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNNgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren.
De verkennende bureaustudie geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Provincie Zuid-Holland kent geen externe werking met betrekking tot het NNN. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied. Inventarisatie Het plangebied ligt niet in of nabij het NNN. Analyse en toetsing effecten Effecten van de plannen op NNN zijn uitgesloten, omdat externe werking niet van toepassing is bij toetsing van effecten op NNN in provincie Zuid-Holland.
20 (30)
Figuur 4.1
4.3
Ligging van meest nabijgelegen NNN-gebieden ten opzichte van het plangebied.
Gebieden buiten het NNN
Toetsingskader De bescherming van gebieden met bijzondere kwaliteit buiten het NNN en Natura 2000 (beschermingscategorie 2) is in provincie Zuid-Holland geregeld in de Verordening Ruimte van de Visie Ruimte en Mobiliteit actualisering 2018. De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden, omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden. Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet in of nabij deze gebieden gelegen, effecten hierop worden dan ook uitgesloten omdat externe werking niet van toepassing is bij toetsing van effecten op deze gebieden in provincie Zuid-Holland. 4.4 Gemeentelijk beleid Gemeente Rotterdam heeft verschillende ambities uitgesproken met betrekking tot groen en duurzaamheid. Er is de ambitie om in te zetten op een natuurinclusieve stad: “Rotterdam herstelt, behoudt en waar mogelijk versterkt de biodiversiteit in alle biotopen. Mensen, planten en dieren zijn onderling en met de economie in balans. Soorten staan met elkaar en het ommeland in verbinding.”
21 (30)
Deze ambitie staat verder uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Biodiversiteit. De inhoudelijke focus gaat onder andere in op het verder stimuleren van natuurinclusief bouwen, en in de verstedelijkingsopgave het stimuleren van de realisatie van nieuw groen op daken, gevels, tussenverdiepingen en balkons. In het Programma voor Multifunctionele Daken6 heeft gemeente Rotterdam de ambitie om multifunctionele daken te creëren op ruim 1.000.000 m2 daken in Rotterdam. Aangewezen functies zijn onder andere groene daken (zorgen voor vergroening en meer biodiversiteit in de stad) en gele daken (wekken duurzame energie op). Gemeente Rotterdam streeft de komende jaren naar meer hoogwaardig groen, met ruim aandacht voor biodiversiteit. De gemeente heeft als doel om 20 ha extra groen aan te leggen in de periode 2018-2022. Dit is uitgewerkt in het actieplan ‘Rotterdam gaat voor groen’7. Doordat een beperkt deel van de stadsgrond eigendom is van de gemeente, moet worden samengewerkt met andere partijen. Naast stimuleringsgeld voor projecten en initiatieven is budget beschikbaar voor de versterking van ecologische verbindingen. Daarnaast is in het verleden de Natuurkaart Rotterdam8 opgesteld. In de Natuurkaart Rotterdam worden kerngebieden en ecologische routes binnen de gemeente geïdentificeerd. Deze kaart is bedoeld om de ecologische structuur van de stad in beeld te brengen.
Hiermee werd gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Adviescommissie voor Dierenwelzijn en Stadsnatuur hierover. De Adviescommissie stelde dat ecologische routes in de stad erg belangrijk zijn vanwege de bescherming van soorten en hun leefgebieden, het uitwisselen van populaties en de variatie in soorten. De kaart is op hoofdlijnen mede-richtinggevend bij de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en zal betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Bij het opstellen van nieuwe en bij de herziening van bestaande bestemmingsplannen zal de Natuurkaart worden betrokken als beleidskader. Per situatie wordt een afweging gemaakt op welke wijze de ambities van de Natuurkaart voor de kerngebieden en de verbindingen op stedelijke schaal vertaald worden naar de bestemming. In de toelichting op de Natuurkaart Rotterdam is aangegeven dat volkstuinen vallen onder de Groene clusters. Samen met begraafplaatsen zijn dit vaak groene oases in de stad. Voor sportvelden zijn vooral de windsingels belangrijke verblijf- of foerageergebieden voor fauna, ondanks de geringe biodiversiteit. Bij volkstuinen is een veel grote biodiversiteit aanwezig door de gevarieerde heesterbeplanting, de aanwezigheid van diverse oude bomen en moes- en bloemenborders op rijke gronden.
De ransuil, die vaak bij volkstuinen wordt aangetroffen, is samen met zomereik een ambassadeurssoort voor de groene cluster. Daarnaast leven er veel insecten, kleine tuinvogels en vlinders. Begraafplaatsen worden gekenmerkt door een grote diversiteit aan (oude) bomen en bijbehorende bosvogel- en vleermuissoorten. Het volkstuinencomplex is in de Natuurkaart Rotterdam aangeduid als potentiële ecologische verbinding op basis van een GIS-analyse.
6
Programmaplan Multifunctionele Daken 2019-2022 (notubiz.nl) Rotterdam gaat voor groen, Gemeente Rotterdam/Stadsontwikkeling, april 2019 8 vastgesteld in het college van B&W op 14 maart 2014 7
22 (30)
5
Bepaling biodiversiteit van het volkstuinencomplex
5.1
Inleiding
5.1.1 Achtergrond Natuurpuntensystematiek De natuurpuntensystematiek is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ontwikkeld om effecten van ingrepen in Milieueffectenrapportages (MER) en maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) te kunnen kwantificeren en vergelijken (Van Gaalen et al. 2014). Sweco heeft het natuurpuntensysteem verder ontwikkeld, in opdracht van het Platform Biodiversiteit, Ecosystemen & Economie (BEE) (Jaspers et al., 2016). Het doel van deze doorontwikkeling was het verkrijgen van een uniforme maat voor natuurkwaliteit om de meerwaarde voor biodiversiteit zichtbaar te maken bij natuurinclusief bouwen en andere ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is de methodiek consistent gehouden met de PBL-methode. De door Sweco ontwikkelde calculator is gebaseerd op een script waarin de rekenmethode is vastgelegd, zodat er altijd een eenduidige, navolgbare berekening wordt uitgevoerd9. Voor een bepaling van natuurpunten is informatie nodig over de aanwezige soorten, natuurtypen, weegfactoren en overzichten van doelsoorten per natuurtype. De informatie van de aanwezigheid van soorten wordt verkregen uit de NDFF, de natuurdoeltypen worden bepaald uit de aanwezige natuurbeheertypen (GIS-kaart, verkrijgbaar via provincie/ Nationaal Georegister) en/of de bodemgebruikskaart 2015 (open data).
5.1.2 Rekenmethode Natuurpunten Natuurpunten zijn een maat voor de biodiversiteit (feitelijk soortenrijkdom) van een gebied, waarbij ook de bijzonderheid van de soorten wordt meegewogen. De formule hiervoor is Oppervlakte x Kwaliteit x Weegfactor. De aanwezigheid van bepaalde planten- en diersoorten bepaalt de Kwaliteit van een gebied, de Weegfactor van het natuurtype wordt bepaald door de doelsoorten. Kwaliteit wordt gedefinieerd als de fractie aanwezige referentiesoorten ten opzichte van de totale doelsoortenlijst van een natuurtype. Hierbij wordt steeds naar drie referentiesoortgroepen gekeken. De referentiesoorten zijn de doelsoorten van het betreffende natuurdoeltype, zoals onder andere genoemd in het Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al. 2001). De kwaliteit kan maximaal 1 zijn, wat het geval is als alle referentiesoorten van een type aanwezig zijn, zoals in de referentiesituatie van het natuurdoeltype het geval is. In de praktijk komt dit niet voor in Nederland, omdat de referentiesituaties in de regel robuuste, ongestoorde natuurgebieden zijn. Vaak is de aanwezigheid van 20-30% van deze doelsoorten al een goede mate van doelbereiking (Bal et al. 2001). Als bron voor de aanwezige soorten kan de NDFF worden gehanteerd, er kan ook informatie worden gebruikt uit meer gerichte inventarisaties van de relevante soortgroepen.
Naarmate het onderzoek vollediger is, zal de uitkomst een beter beeld geven van de eigenlijke situatie. De Weegfactor wordt bepaald op basis van uniciteit van de aanwezige doelsoorten: naarmate een soort in meer verschillende natuurtypen voorkomt, is deze minder uniek. Het is dus een maat voor de zeldzaamheidswaarde van de in het natuurtype voorkomende soorten. Natuurtypen die doelsoorten herbergen die niet of nauwelijks in andere typen voorkomen, krijgen een hogere weegfactor dan natuurtypen waarvan de doelsoorten niet alleen afhankelijk zijn van dat natuurtype maar een veel bredere habitatvoorkeur hebben. 9
www.sweco.nl/natuurpuntencalculator/
23 (30)
De oppervlakte-eenheid kan vrij gekozen worden, maar bij vergelijkingen van natuurpunten dient wel steeds dezelfde gekozen te worden. In deze rapportage wordt de oppervlakte in hectare gegeven. Natuurpunten kunnen variëren van bijna 0 tot maximaal ruim 3 punten per hectare. De kwaliteit is in de praktijk meestal aanzienlijk lager dan 1 en zijn waarden, hoger dan 0,5, ook in natuurgebieden schaars. Alleen gebieden met een uitzonderlijk hoge biodiversiteit laten natuurpunten zien die groter zijn dan 1 per hectare. 5.1.3 Bepaling natuurpunten volkstuinencomplex Streven naar Verbetering De voor de natuurpuntenbepaling gehanteerde soortenlijst voor parken en stedelijke groengebieden is deels afgeleid van de rapportage van Lahr et al (2016). Hier is een analyse gemaakt van Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijn- en Rode Lijst-soorten in het stedelijk gebied en hun voorkeur voor de hierbinnen te onderscheiden biotopen. Als doelsoorten zijn die soorten gekozen die gebonden zijn aan parken. Hiermee zijn de resultaten van de puntenbepaling vergelijkbaar met die van andere parken. Om te bepalen welke soorten in het plangebied aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van data uit de NDFF (periode 2016-2021), aangevuld met natuurgegevens, aangeleverd door VTV-SNV. 5.2 Resultaten natuurpunten Het volkstuinencomplex is aangemerkt als natuur(doel)type ‘park’.
Als referentiesoortgroepen bij dit natuurtype zijn gekozen vaatplanten, vogels en zoogdieren. Soorten die bepalend zijn voor de kwaliteit van dit type (de doelsoorten), zijn 23 soorten vaatplanten, 27 soorten vogels en 6 soorten zoogdieren. Deze doelsoorten worden weergegeven in Bijlage 1. De analyse leverde een waarde op van 3,9 natuurpunten voor het complex van ruim 10 hectare. Dit komt neer op 0,36 natuur-punten per hectare. De berekende kwaliteit op het volkstuincomplex is 0,45, wat betekent dat 45% van de doelsoorten van natuurtype ‘park’ aanwezig is op het volkstuinencomplex. Bij de bepaling wordt gekeken naar de aanwezigheid van soorten, niet naar abundanties of functies die het gebied heeft voor een soort. In de praktijk zullen niet alle waarnemingen van doelsoorten individuen betreffen die zich hier daadwerkelijk hebben gevestigd. Wel is, voorafgaande aan de analyse, een selectie gemaakt van de waarnemingen van (vogel)soorten die gebiedsgebonden waren. Waarnemingen van overvliegende vogels zijn dus niet gebruikt in de kwaliteitsbepaling. De kwaliteit is dus bepaald op basis van de aanwezigheid van soorten ter plaatse in een natuurtype dat relevant wordt geacht voor die soorten. Het aangrenzende Roel Langerakpark heeft ter vergelijking een kwaliteit van 0,25 (zie ook Figuur 5.1).
Deels is dit gebied natuurtype ‘park’, het westelijk deel dat verschillende sportvelden omvat, is aangemerkt als type ‘openbaar stedelijk groen’. Het gebied is gericht op sportrecreanten en heeft weinig waardevolle beplantingen/begroeiing, met weinig vestigingsmogelijkheden voor doelsoorten. Met in totaal circa 18 ha komt de score voor natuurpunten op 2,6. In dit gebied, met vergelijkbare doelsoorten als het volkstuinencomplex, zijn dus minder doelsoorten bekend waardoor de kwaliteit lager uit komt. Ook met een grotere oppervlakte komen de algehele natuurpunten van dit park aanzienlijk lager uit dan bij het volkstuinencomplex. Voor het even verderop gelegen Vroesenpark wordt een kwaliteit van 0,34 berekend, voor het Essenburgpark 0,32. Dit ligt dus tussen het volkstuinencomplex en het soortenarme Roel Langerakpark in, voor wat betreft de hoeveelheid aangetroffen doelsoorten. Het aan de oostzijde van het spoor gelegen Diergaarde Blijdorp heeft een vergelijkbare hoge kwaliteit (0,46) als het volkstuinencomplex.
24 (30)
Het aantal natuurpunten per oppervlakte-eenheid van het volkstuinencomplex ligt hiermee in de hoogste categorie van de gebieden in dit deel van Rotterdam in de analyse (zie ook Figuur 5.2). Het is qua (doel)soortenrijkdom vergelijkbaar met Diergaarde Blijdorp, en scoort iets hoger dan bijvoorbeeld het Vroesenpark en Essenburgpark.
Figuur 5.1
Natuurpunten per hectare voor volkstuinencomplex en direct omgeving.
In Figuur 5.2 worden natuurpunten weergegeven van de wijdere omgeving van het plangebied. Hiermee wordt een indruk verkregen van de ligging van de meer waardevolle, soortenrijke groenstructuren in dit deel van Rotterdam. Een lagere score betekent dat het aantal aanwezige doelsoorten van het bijbehorende natuurtype laag is, en/of dat dat natuurtype niet erg bijzondere soorten herbergt die ook in veel andere typen te vinden zijn. Hierdoor krijgt het een lage weegfactor. Kanttekening hierbij is dat voor deze gebieden enkel de via NDFF beschikbare waarnemingen zijn gebruikt, wat een vertekend beeld kan geven omdat deze database niet compleet is en geen volledige dekking heeft. Daarentegen zijn de openbaar toegankelijke gebieden doorgaans beter vertegenwoordigd in de NDFF dan niet of moeilijk toegankelijke terreinen. De natuurpuntenscore van het gebied wordt bepaald door de aanwezigheid van bijzondere soorten met een voorkeur voor stedelijke groengebieden. De resultaten wijzen erop dat een relatief groot deel van deze soorten ook in het volkstuinencomplex voorkomt (dit is te zien in de score voor kwaliteit). Deze soorten komen deels ook voor in enkele andere gebieden met een hoge score. De lager scorende gebieden hebben niet allemaal het natuurtype ‘park’.
25 (30)
Veel lager scorende gebieden vallen onder type ‘openbaar stedelijk groen’. Doelsoorten hiervan komen grotendeels overeen met die van ‘park’, maar de soortenrijkdom hier is doorgaans laag. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Deze gebieden zijn doorgaans klein en liggen versnipperd, waardoor ze een onvoldoende minimale grootte hebben als leefgebied voor sommige soorten, of achterland ontbreekt waardoor er geen bron is voor de soorten om het gebied te koloniseren. In de praktijk is ‘openbaar stedelijk groen’ vaak ook deels verhard, en omvat het gazon en plantsoenen die door het onderhoud weinig kansen bieden voor biodiversiteit.
Figuur 5.2
Natuurpunten volkstuinencomplex en omgeving.
Als we naar de natuurpuntenanalyse kijken, kan worden geconcludeerd dat het volkstuinencomplex één van de grotere, centraal in het stedelijk gebied van Rotterdam gelegen, groengebieden is. Het kan worden gezien als onderdeel van een zone van gebieden met een relatief hoge kwaliteit, die vanuit het noorden (onder andere Park Zestienhoven) tot in de stad loopt. Hiermee kan het onder andere een functie hebben bij het in stand houden en bij de verdere verspreiding van de (doel)soorten in het stedelijk gebied.
26 (30)
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Wet natuurbescherming
6.1.1 Natura 2000-gebieden De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in negatieve effecten op Natura 2000gebieden. Een negatief effect door stikstofdepositie is op voorhand niet uit te sluiten. Emissies van stikstof treden op bij werkzaamheden in de aanlegfase. Deze emissies kunnen zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. Om zekerheid te krijgen over een eventuele toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden, dient een berekening van de depositie met behulp van AERIUS-Calculator te worden uitgevoerd. 6.1.2 Soortenbescherming Het plangebied is in potentie geschikt als leefgebied voor diverse beschermde soorten amfibieën, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels. Voor verschillende soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling. Van de striktere beschermde (nietvrijgestelde) soorten komen enkele soorten vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten voor in het plangebied, en mogelijk een grondgebonden zoogdiersoort. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot het vernietigen van jaarrond beschermde nestplaatsen van ransuil, die op het terrein broedt, en mogelijk ook van sperwer, boomvalk en huismus. In ieder geval broedt de ransuil op het terrein.