CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Lokaal FNV Rotterdam aanbesteding WMO 2021

zzz Commissie Zorg, Onderwijs, Cultuur en Sport (2018-2022) 13 januari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: Aangemelde insprekers: mw. van Rijn en dhr. Hogendoorn (welzijnscoalitie Delfshaven); mw. Palm en/of Costa (gebiedscommissie en wijkcomités Delfshaven) en dhr. Verhaegen (Wijkraad Feijenoord) en mw. van de Berg (Directeur Talentfabriek010)1.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Betreft: Inkoopstrategie WMO maatwerkondersteuning Rotterdam, 12 januari 2021 Geachte commissieleden,

Hierbij willen we als Lokaal FNV Rotterdam graag reageren op de inkoopstrategie WMO maatwerkondersteuning. Het gaat in deze brief specifiek over de uitgangspunten voor de aanbesteding van de Huishoudelijke Verzorging. In de Inkoopstrategie WMO 2015 maatwerkondersteuning van de gemeente Rotterdam, zoals vastgelegd in het stuk van 12 november 2020 wordt nog steeds uitgegaan van resultaatgericht werken in de huishoudelijke verzorging. Letterlijk staat onder punt 2.1: We werken resultaatgericht. De onderdelen in een arrangement zijn resultaatgebieden: We spreken niet af hoeveel uren iemand ondersteuning krijgt, maar welke resultaten er moeten worden bereikt door middel van de ondersteuning. Deze manier van werken biedt ruimte voor zorgprofessionals om maatwerk te leveren wat ten goede komt aan de cliënten. We zien dat de arrangementenstructuur zeer geschikt is bij mensen met een complexe ondersteuningsvraag omdat de ondersteuning daardoor flexibel kan worden ingezet. Op deze manier kunnen de zorgaanbieders een hogere kwaliteit van ondersteuning leveren aan de cliënten. Ook biedt het resultaatgericht werken veel ruimte voor innovatie: het budget is flexibel en een zorgaanbieder kan altijd vernieuwen in hoe de resultaten worden bereikt. Over deze methode zijn inmiddels verschillende gerechtelijke uitspraken gedaan.

Hierin is bepaald dat de methode van resultaatgericht indiceren tegen de wet in gaat. Dit is onder andere bepaald door de Centrale Raad van Beroep en in een zaak in Steenbergen in 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3241). Hier is bepaald dat er moet worden geïndiceerd in taken, uren en frequentie. De cliënt heeft volgens de uitspraken het recht om in de indicatie de toegewezen uren te zien.* Verder moet in de aanbesteding zijn vastgelegd dat de aanbestedingsprijzen moeten zijn afgestemd op de door de bonden afgesloten CAO’s. Dit vinden we wel in de kadernotitie inkoopstrategieen (2,4 onder tarifering) maar niet terug in de inkoopstrategie WMO maatwerkondersteuning. Dit raakt de huishoudelijke hulpen en de WMO-gerechtigden die ervan verzekerd moeten zijn dat zij hulpen krijgen die volgens de CAO VVT betaald en behandeld worden. De plicht tot afstemming van de aanbestedingsprijzen aan de CAO is in een gerechtelijke uitspraak vastgelegd, te weten ECLI:NL:GHARL:2020:437. Wij pleiten er voor dat in de aanbesteding wordt vastgelegd dat de CAO moet worden nageleefd en dat de gemeente daarop controleert. Dit is zeer belangrijk, omdat de CAO-rechten van de huishoudelijke hulpen op dit moment door de thuiszorgorganisaties met voeten worden getreden. Zo worden voor huishoudelijke hulpen geen pauzes ingepland en in de meeste organisaties wordt de regel reistijd=werktijd niet toegepast.

Dit betekent dat de huishoudelijke hulpen met een uurloon dat nauwelijks boven de 10 euro bruto uitkomt dagelijks worden bestolen door thuiszorgorganisaties. In de inkoopstrategie Wmo lezen we in een kader: Deze strategie is tot stand gekomen in dialoog met cliënten, zorgaanbieders,zorgverzekeraars en andere betrokken partijen. In augustus 2020 vond een schriftelijkeconsultatie plaats met Wmozorgaanbieders. In oktober en november 2020 vonden digitaledialogen plaats met cliënten, Wmozorgaanbieders en welzijnsaanbieders. Ook zijn er gesprekken gevoerd met Zilveren Kruis en VGZ om de inkoop waar mogelijk af te stemmen opde inkoopvoorwaarden vanuit de zorgverzekeraars en het

zorgkantoor. Helaas dus niet met werknemers of de FNV, wij zouden het zeer op prijs stellen ook als werknemers geconsulteerd te worden. Dat zou kunnen met plaatselijke parijen als FNV lokaal, FNV Offensief en WijzijndethuiszorgRotterdam. Wij gaan ervan uit dat de leden van de commissie ZOCS erop toezien dat de gemeente Rotterdam de wet toepast, ook op het gebied van de aanbesteding van de huishoudelijke verzorging. We sturen u deze brief om u te ondersteunen in deze taak. We horen graag uw reactie en die van de wethouder.

Met vriendelijke groeten, Wim R. Leewis, namens Lokaal FNV Petra van Ham, namens FNV Offensief? Ineke Palm, namens WijzijndethuiszorgRotterdam * Uit de uitspraak van de CrvB op 08-10-2018: “Uit de gedingstukken en de Beleidsregels blijkt dat het college het vaststellen van de concrete

omvang van de huishoudelijke ondersteuning heeft uitbesteed aan de zorgaanbieder. Noch uit het bestreden besluit, noch uit het leveringsplan blijkt op hoeveel uren per week huishoudelijke ondersteuning verzoeker recht heeft. Evenmin heeft de zorgaanbieder verzoeker hierover concreet geïnformeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgaanbieder in de praktijk 2 x 2 uur per week huishoudelijke ondersteuning heeft geleverd aan verzoeker. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491) heeft geoordeeld weten de hulpvrager en de aanbieder bij deze wijze van toekennen van een voorziening niet hoeveel huishoudelijke ondersteuning is verstrekt. Hoewel deze uitspraak is gewezen onder de Wmo moet deze werkwijze ook onder de Wmo 2015 strijdig worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2017:3633). In feite weet verzoeker door deze wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening tot op heden niet op hoeveel uur ondersteuning hij kan rekenen. Dat het college in het bestreden besluit voor de concretisering van de aanspraak heeft verwezen naar het bijgevoegde leveringsplan, waarin per woonruimte is vermeld welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, door wie en met welke frequentie, doet hieraan niet af. 4.12.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402 en ECLI:NL:CRVB:2016:1403) is een college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb bevoegd om ter invulling van het begrip schoon en leefbaar huis beleidsregels vast te stellen. Deze regels mogen echter niet willekeurig zijn en dienen, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, op objectieve criteria, steunend op deugdelijk onderzoek, te berusten. In die uitspraken is ook geoordeeld dat overleg met gecontracteerde zorgaanbieders en cliëntenraden niet toereikend is. Nu niet is gebleken dat de in de Beleidsregels genoemde maatstaven voor een schoon en leefbaar huis op zodanig onderzoek berusten, bestaat geen inzicht in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden en met name hoeveel tijd nodig is om de activiteiten te verrichten om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning. Hetzelfde geldt voor prestaties die gericht zijn op het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding.

Dit betekent dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat met de in het leveringsplan genoemde activiteiten en frequentie een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd alsmede schone, draagbare en doelmatige kleding. 4.13. Hieruit volgt dat in het bestreden besluit de aanspraken van verzoeker onvoldoende zijn geconcretiseerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 1 september 2017 dienen te worden vernietigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=42135c64-2093-4050-97f6-20e656c566d0