CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Initiatiefvoorstel Leefbaar Rotterdam- Jeugdhulp, zorg om de jeugd. Een 10 puntenplan om de jeugdhulp in Rotterdam te verbeteren

Gemeenteraad 18 februari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 4.1 Mededelingen.4.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Initiatiefvoorstel Jeugdhulp, zorg om de jeugd Een 10-puntenplan om de Jeugdzorg in Rotterdam te verbeteren Raadslid Tanya Hoogwerf

Inhoudsopgave Inleiding Voorstel 1: Financiële consequenties voor de overheid voor het niet leveren van de zorg | 4 Voorstel 2: Inzicht in daadwerkelijke wachttijden | 5 Voorstel 3: Inwijkhuizen | 6 Voorstel 4: Gebruik kennis en expertise uit het hele veld | 6 Voorstel 5: Combineer onderwijs en jeugdhulp | 7 Voorstel 6: Coördinatie Jeugd & Gezin | 8 Voorstel 7: Vereenvoudiging van de keten | 9 Voorstel 8: Regie bij de casusregisseur | 9 Voorstel 9: Garanderen beschikbaarheid budget hooggespecialiseerde jeugdzorg | 10 Voorstel 10: Toetsingscommissie PGB-zorg | 11 Conclusie | 12 Bronnen | 12

1

Inleiding Het regelen van goede jeugdzorg in Rotterdam is nogal een complexe aangelegenheid gebleken. Na de decentralisatie in 2015 is de verantwoordelijkheid voor deze zorg bij de gemeenten neergelegd en het dossier verder gecompliceerd dan het al was. Met name binnen de hooggespecialiseerde en forensische jeugdzorg (Perceel E) kennen we helaas een flink aantal problemen omtrent bijvoorbeeld aanbestedingen en wachtlijsten. De juiste hulp kan niet altijd en vooral niet altijd op tijd geleverd worden. Ook bij de crisisdiensten in de spoedzorg gaat het helaas te vaak mis en dreigen er, of zijn er zelfs cliëntenstops. Deze situatie is, mede door de coronacrisis, alleen nog maar erger geworden. Zo zien we tot onze grote spijt een aanzienlijke toename in het aantal zelfdodingen. Dat niet alleen, dreigen grote instellingen vanwege financiële problemen zelfs om te vallen. Daarbij zien zij de jongeren met grote problemen niet terug in hun instellingen. Een voorbeeld daarvan zijn de messenbezitters waarover continu gesproken wordt in de media. Zij belanden eerder in de strafketen dan in de GGZ-instellingen en worden vaak niet, of niet via het juiste traject behandeld, zo stellen de instellingen. We schieten als gemeente dan ook desastreus te kort in het bieden van hulp en het verlenen van de juiste zorg op de juiste plek.

Dit terwijl kwalitatieve en tijdige zorg altijd prioriteit moet hebben. We laten steken vallen omdat we er niet in slagen om op een adequate manier zorg te verlenen, waardoor we de jongeren uit het zicht verliezen of zelfs volledig kwijtraken. Inspectierapport na inspectierapport volgt elkaar vervolgens op; denk aan het incident aan de Wolphaertsbocht en de vreselijke dood van Diya in het Maasstadziekhuis. Helaas kennen we te veel voorbeelden van waar het mis ging. Al zeker 15 jaar houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zich hiermee bezig, met snoeiharde conclusies tot gevolg. In de laatste voortgangsrapportage van oktober 2020 werd nogmaals pijnlijk duidelijk dat de meest kwetsbare kinderen nog steeds onvoldoende beschermd zijn. De zorg die door de rechter is opgelegd wordt ‘gewoon’ niet verleend. Wat Leefbaar Rotterdam betreft kan en mag het niet zo zijn dat de kinderen die een jeugdbeschermingsmaatregel krijgen opgelegd na een aanzienlijke tijd nog steeds geen vaste jeugdbeschermer hebben en dus niet geholpen worden. Het gevolg: gevaarlijke jongeren lopen rond zonder behandelplan. Het wordt pijnlijk duidelijk dat ook de strafketen niet altijd de beste plek is voor deze jongeren die kampen met problemen die eigenlijk binnen de GGZ opgelost moeten worden. Helaas is er op andere instellingen binnen de keten vaak geen plek voor deze jongeren of is het al te laat.

De beschikbaarheid van deze specialistische jeugdhulp voor de meest complexe problematiek is er vaak niet omdat deze niet wordt ingekocht. Dit terwijl er wel effectieve methoden voor de hand liggen maar niet geboden kunnen worden vanwege deze bureaucratische aanbestedingsregels. Kortom; de specialistische zorg schiet nog steeds te kort. 2

In feite is er, tot onze grote spijt, bijna niks gedaan met de aanbevelingen uit het onderzoek van een Kind is geen Kavel. De oproep om deze aanbevelingen serieus te nemen heeft het college letterlijk naast zich neergelegd. Dit terwijl we tijdens dit onderzoek zo fijn hebben samengewerkt met de mensen uit het veld en hebben we met elkaar alle betrokkenen echt aan het denken gezet. Helaas dreigt er opnieuw een herhaling van zetten. Er verandert niks, in ieder geval niet goed en snel genoeg, aldus ook de conclusies van de inspectie. Niemand is echt bereid om het systeem om te gooien, omdat iedereen bang is voor zijn eigen plek binnen de keten. Dit is begrijpelijk, maar de tijd van angst moet nu echt voorbij zijn. Het is de hoogste tijd om de jeugdzorg drastisch om te gooien en met een onorthodoxe actiegerichte aanpak samen de doorbraak te kunnen forceren. Alleen dan kunnen we toewerken naar een betere en veilige samenleving voor onze Rotterdamse jeugd. Laten we de kinderen nu echt gaan helpen, door uit de papieren werkelijkheid te stappen en ons in de wereld van de kinderen te begeven. Het gevoel van urgentie ontbreekt nu misschien nog, maar wordt met de coronacrisis des te duidelijker. Als dadelijk echt 50% van de jongeren geholpen moet worden omdat ze kampen met een psychische klachten, dan is de nood aan de man en het gevoel van urgentie groot genoeg.

Dit actieplan is tot stand gekomen na vele gesprekken met betrokkenen uit het veld. Niet alleen met de experts en de hulpverleners maar bijvoorbeeld ook met de kinderen zelf en met vertegenwoordigers van ouderbelangen. Zij weten vaak goed wat de jeugdigen nodig hebben en dus ook waar het systeem tekortschiet. We willen dit echt samen met hen doen en kunnen het ook alleen met hen. Ondanks de geweldige zorg die de hulpverleners bieden, zijn er fouten en problemen in het hele veld en wordt er niet altijd onderling goed samengewerkt. Ook zij willen daarom nu eens eindelijk een structurele oplossing, in plaats van alleen een doekje voor het bloeden door met wat financiële middelen te strooien. De aanbieders, ook de niet-gegunde partijen, voelen zich verantwoordelijk en willen de jongeren helpen. Laten we dan ook serieus werk maken van de oproepen en aanbevelingen die we krijgen uit het veld en hun expertise serieus nemen. Het zijn de experts zelf die dagelijks met alle problemen in aanraking komen en dus ook zelf het beste weten wat werkt.

Tanya Hoogwerf

Raadslid Leefbaar Rotterdam

3

Voorstel 1: Financiële consequenties voor de overheid voor het niet leveren van de zorg Het is bij uitstek belangrijk dat er tijdige zorg wordt geleverd bij zware problematiek. Vroeg signalering van de problemen is belangrijk om de juiste zorg te kunnen bieden. Dit gebeurt nu niet altijd tijdig en de overheid gaat hier nu over het algemeen te laks mee om. Dit terwijl de gemeente de enige is die dit kan regelen en de verantwoordelijkheid heeft. Toch laat ze dit te vaak na doordat het ontbreekt aan een goede en consequente manier van het leveren van zorg. Alleen de jeugdigen zelf ondervinden hier de gevolgen en problemen van, de overheid zelf ondervindt geen enkele nadelige consequentie. Het ontbreekt de publieke sector namelijk aan een (financiële) prikkel om accuraat zorg te leveren. Daarom moet de gemeente die financiële prikkel wel krijgen, zodat de zorg verbeterd kan worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een boeteclausule als de overheid de zorg niet of niet tijdig geleverd krijgt. Er wordt vooraf een wettelijke termijn gesteld waarbinnen de zorg voor een dergelijke hulpvraag geleverd moet worden. Indien deze zorg niet binnen deze termijn wordt geleverd, betaalt de gemeente een dwangsom. Dit bedrag wordt vervolgens gestort op de rekening van de cliënt, welke vervolgens zelf de noodzakelijke zorg kan regelen.

De gemeente biedt nu namelijk niet de service en zorg die verwacht mag worden en daar moet dan ook iets tegenover staan aan de zijde van de cliënt. Dit is dan tevens een prikkel voor de overheid om wel tijdig te leveren. Stel dat het vanwege capaciteitsproblemen namelijk bijvoorbeeld niet mogelijk is om de zorg op tijd te leveren en daardoor de overheid de dwangsom moet betalen, dan is dit de financiële prikkel die ontstaat om meer budget vrij te maken en de capaciteit op te schalen. Op deze manier wordt gepoogd problemen aan de voorkant te voorkomen. Tegelijkertijd tackelen we ook gelijk de definities van de wachtlijsten, de continuïteit van de zorg en de eeuwigdurende strijd omtrent cijfers. We krijgen dan nu namelijk een objectieve maatstaf: als de overheid de boete moet betalen omdat de hulp niet tijdig geboden is, kunnen we aan de hand van die boetes zien of de zorg wel of niet geleverd is en dus of de overheid tekortschiet en iets kan worden aangerekend. Aan de hand van deze gegevens kunnen we tevens beter zien hoe het staat met de Jeugdzorg en krijgen we meer grip op de complexe problematiek.

4

Voorstel 2: Inzicht in daadwerkelijke wachttijden Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan voor jeugdhulp en deze wordt vervolgens toegewezen, is er volgens de gemeente geen sprake meer van een wachtlijst. Echter, bestaat er wel degelijk een verschil tussen de toewijzing en de daadwerkelijke levering van de zorg. Het budget mag eigenlijk pas gaan lopen op het moment dat de zorg of hulp geleverd is. Neem bijvoorbeeld een aanvraag voor een gezinsvoogd. Volgens de regels moet deze persoon binnen vijf dagen worden toegewezen aan het gezin en als dit gebeurd is, staat het gezin niet meer op een wachtlijst. Dit is echter anders dan dat deze persoon daadwerkelijk aanwezig is in het gezin. In feite is hier dus sprake van verborgen of verkapte wachtlijsten. Daarom moeten we inzichtelijk maken wat de werkelijke wachttijden zijn, dat wil zeggen de tijd tussen de toewijzing van de zorg en de daadwerkelijke levering van de hulp. Deze gegevens zijn binnen de systemen wel beschikbaar, alleen worden nu nog niet meegenomen in de definitie van de wachtlijsten. Op het moment dat we deze ‘nieuwe’ definitie hanteren, krijgen we beter inzicht in de daadwerkelijke wachttijden en waar we vervolgens sneller moeten ingrijpen als dit te lang duurt. Dit gaat nu nog te vaak mis omdat niet overal dezelfde definities worden gebruikt. Deze definities moeten dan ook beter worden geüniformeerd.

In aanvulling daarop zouden de organisaties bijvoorbeeld ook een app kunnen ontwikkelen waarin zij kenbaar maken hoe lang hun wachtlijsten zijn en binnen hoeveel dagen zij beschikbaar zijn voor het leveren van hulp. Hierin moet inzichtelijk gemaakt worden hoelang de wachtlijsten precies zijn voor de intake, maar ook hoelang het duurt voordat de behandeling daadwerkelijk start. Op deze manier krijgen we tevens meer inzicht in de wachttijden en voorzien we cliënten van betere informatie hierover.

5

Voorstel 3: Inwijkhuizen Een belangrijk aandachtspunt binnen de hervorming van de Rotterdamse jeugdzorg is de focus op de cliënt. Te vaak zien we nu namelijk nog dat het perspectief van de cliënt niet centraal staat, maar dat er vanaf een ivoren toren allerlei bureaucratische besluiten worden genomen vanuit een ander perspectief. Voor jongeren is het ontzettend belangrijk dat zij zo dicht mogelijk bij hun eigen omgeving blijven en kunnen opgroeien. Op het moment dat kinderen bijvoorbeeld tijdelijk niet thuis kunnen wonen, worden zij al snel uit hun sociale omgeving verwijderd en raken zij verder af hun eigen vertrouwde. Dit weghalen uit de omgeving is een echte structuur fout. Met inwijkhuizen zouden we dit kunnen voorkomen. Door de hulp dichterbij beschikbaar te stellen, kunnen de kinderen bijvoorbeeld wel op hun eigen school blijven en in de buurt van andere vrienden of familie blijven. Dit kan tevens de nazorg bevorderen, omdat het echte herstel van de cliënt vaak pas begint als deze terug is in de eigen omgeving. Door kinderen voorafgaand niet uit hun omgeving te halen, voorkomen we het verlies van sociale contacten wat het herstel kan bespoedigen en de kans op terugval verkleinen. Kinderen worden met het inrichten van de inwijkhuizen alleen uit huis gehaald, maar niet uit de wijk, waardoor er voor het kind meer intact blijft.

Per gemeente worden er in meerdere wijken panden beschikbaar gesteld die kunnen dienen als (tijdelijke) opvanglocatie voor de kinderen. De gemeente kan middels een convenant met woningcorporaties regelen dat zij per wijk of gebied een pand beschikbaar stellen voor de jeugdzorg. Zo blijven de kinderen dichterbij huis en krijgen ze de zorg die nodig is op een fijne plek.

Voorstel 4: Gebruik kennis en expertise uit het hele veld

Een belemmering die binnen het veld vaak wordt genoemd is dat niet alle kennis en expertise die bij de instellingen bekend is, ook daadwerkelijk wordt ingezet in de praktijk. De gemeente werkt met aanbestedingsprocedures waarbij alleen gecontracteerde instellingen zorg leveren aan de Rotterdamse jeugd. Daarnaast zijn er uiteraard ook niet-gecontracteerde aanbieders die kwalitatief hoogwaardige zorg kunnen bieden, alleen nu deze kans niet krijgen. Door alleen te kijken naar wat de gegunde partijen kunnen leveren, missen we de kennis en expertise die ergens anders wel beschikbaar is. We raken het zicht hierop alleen verder kwijt, doordat alle losse aanbieders zelf fungeren in het veld en het overkoepelende inzicht daarop mist. Kennis en kunde in het bovenregionale dreigt nu dan ook verloren te gaan. Het manifest van Fier wees hier in 2018 al op. 6

Doordat de focus van de transitie geheel ligt op de lokale en regionale jeugdhulp, missen we de kijk op het geheel van alle aanbieders die ook veel expertise hebben. Het zou de gemeente dan ook sieren om breder te kijken naar het totale zorgaanbod in plaats van alleen naar wat bij hen bekend is via de GRJR. Dit wordt nu bemoeilijkt door alleen te werken met gecontracteerde instellingen. Zo geeft de Viersprong bijvoorbeeld aan een zeer effectieve methode te hebben voor de messenbezitters, de zogeheten Multi Systeem Therapie (MST). Echter doordat de gemeente de Viersprong niet (meer) als gegunde partij ziet, gaat deze zorg verloren. Waar met volle lof gesproken wordt over het triage systeem en matched care, gebeurt dit in de praktijk niet en zetten we niet in op wat we hebben. Daarom de oproep aan de gemeente om naar het grotere geheel te kijken van beschikbare kennis en expertise, en het vertrouwen in de professionals terug te geven als zij de helpende hand bieden, of dit nou komt van gegunde partijen of niet.

Voorstel 5: Combineer onderwijs en jeugdhulp

Tijdens deze coronacrisis worden we met onze neus op de feiten gedrukt over hoe belangrijk de scholen zijn voor de ontwikkeling van de kinderen. De uitspraak “It takes a village to raise a child” spreekt boekdelen en anno 2021 kan deze uitspraak misschien wel worden aangevuld met “It takes a village,with a school, to raise a child”. De toegevoegde waarde van de scholen zou eigenlijk meer aandacht moeten krijgen binnen het jeugdzorgbeleid. Niet alleen dragen leraren en pedagogisch medewerkers bij aan de ontwikkeling van de kinderen, zij zijn er ook voor opgeleid om te zien als het mis gaat. Scholen zijn daarnaast verplicht om passend onderwijs te bieden aan hun leerlingen en hebben dan ook een belangrijke signaleringsfunctie binnen de jeugdhulp. Dit wordt echter niet altijd zo gezien. Daarom zou de wetgeving passend onderwijs meer gestroomlijnd moeten worden met de Jeugdwet. Kinderen vanaf 5 jaar die jeugdhulp nodig hebben, wordt in eerste instantie ingericht vanuit de scholen. Hier bieden jeugdhulpverleners in samenspraak met de school en de ouders integrale oplossingen voor de kinderen. Ook dit voorkomt weer dat kinderen uit hun vertrouwde omgeving raken en sneller geholpen kunnen worden. Daarbij wordt er vanuit elke school ingezet op een groep ouders die tijdelijk als netwerkpleegouders kunnen dienen als een kind tijdelijk niet thuis kan wonen.

Deze pleegouders, die tevens uit de buurt komen, dragen ook weer bij aan het stabiel houden van de omgeving voor de jeugdige. Dit maakt over het algemeen de rol van de scholen groter binnen de jeugdzorg, wat ook logisch is gezien hun nauwe betrokkenheid bij de kinderen.

7

Voorstel 6: Coördinatie Jeugd & Gezin Op dit moment is de rol van het Centrum voor Jeugd & Gezin binnen de jeugdzorgketen vooral gericht op preventie. Het CJG heeft voornamelijk een preventieve basistaak in het monitoren van de gezondheid van het kind en het vroeg signaleren van problemen. Kinderen komen regelmatig bij het CJG op controle voor consultatiegesprekken, waardoor dit ook een geschikte organisatie is om deze preventieve zorgtaak op zich te nemen. Echter, in aanvulling daarop kan het CJG wel een grotere rol innemen door de jeugdhulp aan gezinnen en jonge kinderen meer gecoördineerd te integreren en zelf te fungeren als zorgverlener die dichtbij beschikbaar is. Dit idee komt voort uit de praktijk van bijvoorbeeld Capelle aan den IJssel waar het CJG al een soortgelijke functie bekleedt binnen de keten en een integraal onderdeel van de wijkteams is. Vaak zijn er nu namelijk meerdere instanties betrokken bij de jeugdhulp in Rotterdam, die de cliënten van het kastje naar de muur sturen met hoge administratieve lasten tot gevolg. Hierdoor gaat er tevens veel tijd aan de voorkant verloren, omdat het lang kan duren voordat er een indicatie of beschikking is. Ondertussen krijgen de cliënten geen behandeling tot er een arrangement gevonden is. Laat organisaties daarom vast starten en regel het papierwerk achteraf.

Zo staat de jeugdige weer centraal in plaats van de bureaucratische procedures. Het Centrum voor Jeugd & Gezin kan dit algehele proces bespoedigen door deze coördinatie op zich te nemen. Zij neemt als het ware de leiding in het doorverwijzen naar de passende zorgverlener voor de jongste jeugd, waardoor deze sneller passende hulp krijgt. Maar ook het CJG kan uiteraard zelf direct de zorg blijven verlenen aan de jongste jeugd. Tevens zouden de organisaties die erin slagen om de juiste en passende hulp te bieden aan hun cliënten, meer moeten worden beloond. De waarde die organisaties vervullen binnen de keten zouden dan ook veel meer op de voorgrond moeten liggen. Als zij kwalitatief hoogwaardige zorg leveren en de kinderen op de juiste manier weten te behandelen, is dat uiteindelijk veel belangrijker dan dat zij het juiste papiertje hebben of erin slagen om zoveel mogelijk kinderen helpen. Beloon de instellingen daarom op basis van hun waarde, in plaats van op basis van hun geleverde productie.

8

Voorstel 7: Vereenvoudiging van de keten Waar het Centrum voor Jeugd & Gezin voor de jongste jeugd deze coördinatie op zich kan nemen, is dit voor de oudere jeugd lastiger. De meeste contactmomenten van het CJG zijn namelijk in de jongere levensjaren van het kind. Vaak is het voor mensen ook onduidelijk waar zij terechtkunnen met hun zorgen en wie de regie heeft. Waar de wijkteams in eerste instantie vaak het eerste aanspreekpunt zijn, zijn zij meestal niet degene met de kennis en expertise die de hulp bieden en dus fungeren als daadwerkelijke zorgverlener. Dit kan daarom vertragend werken binnen de keten. Zij zouden daarom meer gezien moeten worden als doorverwijzer of indicatieaanwijzer, naar bijvoorbeeld Veilig Thuis. Daarbij is veel laagdrempelige jeugdhulp enkel beschikbaar via het wijkteam, wat ook weer onnodig vertragend werkt. Meestal zijn er meerdere instanties betrokken bij het bieden van jeugdhulp. Dit maakt de keten ook zo complex en onduidelijk. Daarom zou de gemeente kritisch moeten kijken naar hoe de keten vereenvoudigd kan worden door bepaalde instellingen samen te voegen. Te veel van de werkzaamheden van deze instellingen overlappen nu namelijk nog, zoals Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR). Als deze partijen worden samengevoegd kan de jeugdzorgketen worden vereenvoudigd.

Daarbij moet er kritisch worden gekeken naar de andere instellingen, zoals de gecertificeerde instellingen. Op het moment dat zij een belemmering vormen door bijvoorbeeld langere wachttijden en te hoge kosten, moet er gekeken worden waar zij echt een waardevolle toevoeging zijn binnen de keten en waar zij alleen maar vertragend werken als bijvoorbeeld doorverwijzer. Het uitgangspunt daarvoor moet zijn de zaken niet onnodig complexer te maken.

Voorstel 8: Regie bij de casusregisseur Veel problemen waar kinderen en gezinnen mee te maken hebben zijn vaak aan elkaar gekoppeld en kunnen niet simpelweg door een instantie of expert worden opgelost. Denk bijvoorbeeld aan de multi-probleem gezinnen waar meerdere personen meerdere problemen hebben, maar waar elke expert met zijn eigen expertise naar het probleem kijkt en weinig oog heeft voor de samenhang tussen de problemen. Iedereen opereert op zijn of haar eigen terrein, waardoor het lijkt alsof iedereen aanwezig is in het gezin maar de koppeling eigenlijk nog ontbreekt. Dit wordt vaak bemoeilijkt vanwege onzinnige privacy argumenten die het experts onmogelijk maken om met elkaar te schakelen. Dit terwijl dit vaak wel hetgeen is wat juist nodig is, waardoor ze beter weten wat er allemaal aan de hand is en sneller kunnen ingrijpen als er iets dreigt fout te gaan. Daarom moet er meer regie komen door 1 persoon of aanspreekpunt te regelen per gezin. Deze casusregisseur is vanaf begin tot eind betrokken bij het gezin en coördineert de hulp met alle andere betrokken instanties. 9

Het voordeel van deze casusregisseur is dat deze persoon ook alvast de kinderen in de gaten kunnen houden als zij op de wachtlijsten staan en nog niet direct de hulp geleverd krijgen. Hierbij moet wel onderscheid gemaakt worden tussen de lichte jeugdhulp en de gespecialiseerde jeugdhulp. Voor de lichte jeugdhulp is er een casusregisseur nodig die direct beschikbaar is, zodat er niet onnodig gewacht hoeft te worden op hulp. Voor de specialistische jeugdhulp is daarbij echter meer specialisme nodig en is passende casusregie cruciaal om het gezin goed te begeleiden. Daarbij is het wel belangrijk dat deze casusregisseurs opereren vanuit één bepaalde zorginstelling. Als de desbetreffende zorgorganisatie die de regie voert, wordt opgenomen in een arrangement, kunnen we het overzicht beter bewaken en tevens goedkoper en sneller werken, dan wanneer er bijvoorbeeld meerdere instellingen regisseurs leveren. Door daarnaast te werken met een begeleidingsplan (zoals bij de wmo), kan de samenwerking tussen de partijen worden verbeterd.

Voorstel 9: Garanderen beschikbaarheid budget hooggespecialiseerde jeugdzorg De meest complexe casuïstiek van de brede jeugdzorg positioneert zich voornamelijk in de hooggespecialiseerde en forensische jeugdzorg. De hulp die wordt geboden aan deze jongeren die vaak kampen met meervoudige problemen, is verreweg het duurst maar ook het meest van belang om de samenleving en de jongeren zelf te beschermen. In theorie kan er officieel geen sprake zijn van budgetplafonds en wordt de hulp die door bijvoorbeeld de reclassering wordt opgelegd aan de jongeren, altijd geleverd. Echter, in de praktijk is er wel degelijk sprake van een cliëntenstop bij de gespecialiseerde aanbieders omdat zij te maken hebben met budgetverdelingen. In principe gaan de aanbieders zelf over de verdeling van de budgetten, maar het is aan de overheid om altijd het daadwerkelijke budget te garanderen voor deze specifieke zorgvraag. Er moet daarom altijd budget beschikbaar zijn binnen de gemeente voor de hooggespecialiseerde en forensische jeugdzorg. Hier moet de gemeente dan ook meer budget voor vrijmaken en meer reserves voor onderhouden.

10

Voorstel 10: Toetsingscommissie PGB-zorg Momenteel hanteert de gemeente strikte regelgeving omtrent de PGB-aanvragen (Persoonsgebonden budget). De rigide naleving van de regels zorgt er echter voor dat niet altijd de beste of juiste zorg geleverd wordt aan de jongeren. Bekwame ouders weten vaak zelf het beste wat hun kind nodig heeft en op het moment dat deze ouders deze zorg zelf kunnen leveren, moet de gemeente niet als een soort bureaucratische Leviathan deze aanvragen en zorg belemmeren. Op het moment dat het werkt, dan werkt het, ondanks dat het aanbod misschien niet precies tussen de geschetste kaders van de gemeente past. Het is vervolgens aan de gemeente om dit te faciliteren op het moment dat dit wel de beste zorg is voor de jongeren, maar niet 100% binnen de schotten past. We kennen allemaal de bekende casus van Acato, waar de gemeente het budget heeft ingetrokken, terwijl de zeer betrokken ouders prima zorg leverden voor hun hulpbehoevende kinderen. Veel ouders maken dan ook gebruik van deze PGB’s omdat de gecontracteerde aanbieders van de gemeente bijvoorbeeld niet toereikend zijn voor de zorgvraag van het kind. Via een omweg wordt de financiering met het PGB da alsnog geregeld om de andere aanbieders in te schakelen om de juiste jeugdhulp te bieden aan de kinderen.

Om de PGB-aanvragen van ouders te toetsen op hun geschiktheid, moet er een onafhankelijke toetsingscommissie komen die de zorg aanvragen toetst en na afloop evalueert. Zo blijven we weg bij de rigide schotten van de gemeente en kunnen experts in deze commissie de aanvragen beoordelen op de juiste zorg voor de kinderen. Dit past mooi in de lijn van bijvoorbeeld de motie ‘Praktijkervaring aan het Roer’, waarin een externe en onafhankelijke begeleidingscommissie met mensen vanuit verschillende professionele achtergronden en ervaringsdeskundigen helpt bij het jeugdzorgbeleid. Zij kunnen hierin het cliëntenperspectief waarborgen, hun kennis en ervaringen met elkaar delen en tevens reflecteren en eventueel bijsturen op het beleid.

11

Conclusie Dat het na de decentralisatie al piepte en kraakte in de jeugdzorg, mag voor zich spreken. En dat was nog voordat de actualiteit rondom de toenemende agressie onder jongeren, en uiteraard ook de enorme invloed van de Corona maatregelen op jongeren ons voor een nog grotere uitdaging plaatsten. We worden met onze neus boven op de feiten gedrukt en moeten de signalen uit het veld daarover dan ook serieus nemen. Minder middelen mogen nooit een excuus zijn om de meest kwetsbaren in de kou te laten staan. Het stelt ons voor de gigantische uitdaging om met elkaar creatief te zijn en te blijven, en zonder aanziens des organisatie of persoon voor de oplossing te gaan die op dat moment een antwoord geeft op een acuut probleem. Regels, ambtenarij en belangen mogen daarbij nooit een belemmering vormen, maar er alleen zijn om de juiste, tijdige zorg en ruimte voor professional te faciliteren.

Bronnen 1. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. (2020). Voortgangsrapportage kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/ rapporten/2020/10/15/tk-bijlage-voortgangsrapportage-igj-en-ijenv-kwetsbare-kinderenonvoldoende-beschermd 2. Gemeenteraad Rotterdam. (2019). Een kind is geen kavel – De praktijk van specialistische en forensische jeugdhulp in Rotterdam. https://rotterdam.raadsinformatie. nl/document/8191418/2/s19bb023906_1_50200_tds 3. Fier. (2018). Effecten van de transformatie Jeugdhulp. Positionering van (zeer) schaarse specialistische functies in het ‘zorglandschap’. https://www.fier.nl/ mediadepot/164254b1d462/Manifest-EffectenvandeTransformatieJeugdhulp-Positionerin gvanschaarsespecialistischefunctiesinhetzorglandschap.pdf

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ffdefb91-f30e-40ef-ad3e-65561b404e07