APV Rotterdam 2022
Tekst van het document
APV Afdeling: Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: hakhout, een houtwal, struweel van bosheesters, of een of meer bomen; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; boom: een houtachtig overblijvend gewas, dat één of meerstammig is; monumentale boom: een houtopstand die voldoet aan één van de volgende criteria: a. Monumentaal conform de lijst van de landelijke Bomenstichting b. Herdenkingsboom c. Uniciteit d. Plantjaar vóór 1940 e. Stamdiameter groter dan 115 cm (op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld) f. Dendrologisch van betekenis: zeldzaam zijn door geslacht, soort, variëteit of ras, waarbij de stamdiameter groter is dan 29 cm (op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld). Bij twijfel of de criteria van toepassing zijn, zijn deze ter beoordeling van het bevoegd gezag. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan omzagen, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a.
een houtopstand te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 cm is op 130 cm hoogte boven het maaiveld; b. een houtopstand te vellen of te doen vellen kleiner dan 50 cm op 130 cm boven het maaiveld, die in het kader van een eerder opgelegde herplant is aangeplant; 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen waarvan een natuurlijk persoon de zakelijk gerechtigde is, met uitzondering van monumentale bomen; 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden. Artikel 4:11a Aanvraag en verlening omgevingsvergunning 1. De aanvraag wordt overeenkomstig het bepaalde in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht ingediend. 2. Het college kan eisen dat bij de aanvraag voor een kapvergunning een onderzoeksrapport naar de toestand van de te kappen boom wordt overlegd van een daartoe erkende boomverzorger. 3. De aanvraag kan alleen worden ingediend door of met schriftelijke machtiging van de zakelijk gerechtigde van de desbetreffende boom. 4.
Het college beslist binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ingekomen. Het kan de beslissing met ten hoogste acht weken verdagen. 5. De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd indien niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen een beslissing is genomen. 6. De vergunning kan inhoudelijk worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 7. Indien de aanvraag voor een kapvergunning betrekking heeft op een monumentale boom, dan wordt de vergunning alleen in uitzonderlijke gevallen verleend. Alle alternatieven voor behoud van de monumentale boom worden expliciet onderzocht. 8. Het bevoegd gezag legt een compensatie op in de vorm van herplant onder nader te stellen voorschriften. 9. Wordt een verplichting als bedoeld in het achtste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 10. Indien uitvoering van een herplantplicht niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand kan het college aan vergunning het voorschrift verbinden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort. 11. De houder van de vergunning is verplicht is om binnen één jaar na datum van de vergunning deze te gebruiken. Na afloop van deze termijn en er is geen gebruik gemaakt van de vergunning, dan vervalt deze van rechtswege.
Artikel 4.11b Afstand tot erfgrens De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor een boom vastgelegd op 0,5 meter gerekend vanaf het midden van de voet van de stam. Artikel 4:11c Bestrijding iepziekte 1. Indien iepen naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, kan het college de eigenaar/zakelijk gerechtigde van de desbetreffende boom of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplichten binnen een door hen te stellen termijn die iepen te kappen, ontbasten en de schors te vernietigen danwel de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de ziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gekapte iepen of delen daarvan zonder ontheffing van het college voorhanden te hebben of te vervoeren, tenzij dit hout geheel ontbast is of de doorsnee kleiner is dan 4 cm. Artikel 4:11d Voorwerpen aan/in houtopstand Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in houtopstand voorwerpen aan te brengen. Artikel 4:11e Boomstructuurvisie De gemeenteraad stelt een boomstructuurvisie vast, waarin is vastgelegd wat het beleid is voor de omgang met bomen in de Gemeente.
© de Bomenridders November 2021