CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[25bb002737] Beantwoording technische vragen t.b.v. 16 april 2025 WIOSSAN

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 16 april 2025, gemeente RotterdamBij agendapunt: Voortgang Nieuw Rotterdams Onderwijsbeleid (NROB)4.641 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie Cluster: Maatschappelijke Ontwikkeling Afdeling: Onderwijs

Aan:

Commissie WIOSSAN

Datum:

3 april 2025

Betreft:

Beantwoording technische vragen

Bezoekadres: De Rotterdam Wilhelminakade 179, Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl Van: Gideon Sinke Telefoon: E-mail: gab.sinke@rotterdam.nl

Geachte leden van de raadscommissie WIOSSAN, Op 16 april bespreekt uw commissie de volgende onderwerpen: - Voortgang Nieuw Rotterdams Onderwijsbeleid - Lerarentekort - Plan van aanpak Taskforce Dekkend Netwerk Uw commissie is in staat gesteld technische vragen te stellen voor deze behandeling. De beantwoording van deze vragen kunt u hieronder tot u nemen. Beantwoording technische vragen DENK Onderwijseffecten NPRZ Vraag 1: Welke kwantitatieve meetmethoden en KPI’s worden gebruikt om de onderwijsprestaties in de focuswijken te meten na 11 jaar extra NPRZ-middelen? Binnen de pijler School van het NPRZ wordt door middel van de Basismonitor Onderwijs NPRZ onderzoek gedaan naar de onderwijsdeelname en -prestaties van de jeugd uit Rotterdam Zuid.1 Tevens brengt de monitor de positie van NPRZ ten opzichte van het gemiddelde in de vier grote steden in beeld en is er aandacht voor de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt. De Schoolloopbaanmonitor en de Monitor Scholen op Zuid maken deel uit van de Basismonitor Onderwijs NPRZ. Vraag 2: Wat laten de data zien over de ontwikkeling van onderwijsachterstanden en uitstroomcijfers sinds de start van de extra financiering? De Monitor Scholen op Zuid laat zien hoe het gesteld is met de onderwijsprestaties van leerlingen en studenten die hun opleiding volgen op een Rotterdamse school of instelling op Zuid.

2 We zien een aantal positieve uitkomsten: - Op de scholen met de hoogste schoolweging op Rotterdam-Zuid (>37,5) behaalt 92% van de leerlingen het fundamentele referentieniveau (1F). Dit is hoger dan in overig Rotterdam (89%) en de vier grote steden (90%) met een vergelijkbare schoolweging. Het referentieniveau 1F is het niveau dat leerlingen aan het einde van groep 8 moeten beheersen om de overstap naar het voortgezet onderwijs goed te kunnen maken. - Op de scholen met de hoogste schoolweging op Rotterdam-Zuid (>37,5) behaalt 48% van de leerlingen het streefniveau. Dat is hoger dan in overig Rotterdam (42%) en de vier grote steden (44%) met een vergelijkbare schoolweging. Het niveau 2F 1 2

Basismonitor Onderwijs NPRZ 2023.pdf Monitor Scholen op Zuid 2023.pdf

Blad: Datum:

2/10 3 april 2025

(streefniveau) is het algemeen maatschappelijk functioneel niveau, het niveau waaraan elke Nederlander zou moeten voldoen. Daarnaast blijkt uit de Basismonitor Onderwijs NPRZ dat het aandeel havo/vwo schooladviezen in Rotterdam Zuid sinds schooljaar 2011/2012 is gestegen is van 39% naar 46% in schooljaar 2021/2022. De meest recente Basismonitor is nog niet gereed. Vraag 3: Welke effecten laten de ‘Children’s Zone’-maatregelen zien? Er zijn diverse maatregelen die in de Children's Zone worden ingezet. Alle maatregelen worden ingezet binnen een bredere (school)context. Hierdoor is het niet mogelijk om de maatregelen te isoleren om zo de effecten per maatregel inzichtelijk te maken. Wel kan in algemene zin iets gezegd worden over de schoolloopbaan van de kinderen en jongeren in Rotterdam Zuid. Zie hiervoor de beantwoording van vraag 1 en 2. Daarnaast worden sommige interventies afzondering gemonitord/onderzocht. Denk hierbij aan de schouwen Dagprogrammering, waarover u eerder bent geïnformeerd [24bb007777], hieruit blijkt dat alle betrokkenen overtuigd zijn van de meerwaarde van de Dagprogrammering voor de verrijkingsdoelen, de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen en hun voortgang op de cognitieve doelen.

Zo nemen kinderen op Dagprogrammeringsscholen onder andere deel aan sport- en cultuuractiviteiten waarmee ze normaliter niet mee in aanraking komen, stijgt het zelfvertrouwen van de kinderen en komen kinderen beter tot leren. Vraag 4: Welke van deze effecten blijken succesvol? Zie beantwoording vraag 1, 2 & 3. Subsidiebezuinigingen en talentklassen: Vraag 5: Hoeveel subsidie is er precies gekort voor scholen, en wat is de verdeling van de resterende middelen? De subsidieregeling ‘talentklassen’ is beëindigd. Dit betrof een subsidie van ongeveer 1.21.6 ton per jaar. Het is voor scholen mogelijk om via het kwaliteitsbudget aanvragen te doen voor interventies die gaan over talentontwikkeling. Het kwaliteitsbudget voor komend schooljaar (2025-2026) bedraagt 16,7 mln euro en wordt volgens een vaste systematiek verdeeld naar scholen in het po, vo, so en vso. Vraag 6: Welke financiële constructies of alternatieve financieringsbronnen worden ingezet om talentklassen en informele leerondersteuning toch mogelijk te maken? Scholen en schoolbesturen kunnen aanvragen doen binnen het kwaliteitsbudget. De gemeente Rotterdam toetst of deze aanvragen voldoen aan de subsidie-eisen en het gestelde doel van het kwaliteitsbudget. Het kwaliteitsbudget heeft als doel het verbeteren van basisvaardigheden (taal, lezen of rekenen).

Verder moeten interventies bewezen effectief zijn (evidence-based of evidence-informed). Er is ook een mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor innovatieve interventies. Binnen het NROB zijn er momenteel geen andere financieringsbronnen gerelateerd aan onderwijskwaliteit. Vraag 7: Zijn er concrete cijfers over hoeveel talentklassen en initiatieven geen doorgang kunnen vinden vanwege ontoereikende subsidie? Zoals bij het antwoord op vraag 5 wordt gesteld, wordt het kwaliteitsbudget volgens een vaste systematiek verdeeld. Scholen weten dus van tevoren hoeveel geld er beschikbaar is. Voor het schooljaar 2024-2025 zijn er voor het kwaliteitsbudget 750 interventies goedgekeurd en 15 afgewezen. De afwijzingen waren inhoudelijk van aard, deze interventies voldeden niet aan de eisen van het subsidiekader van het kwaliteitsbudget.

Blad: Datum:

3/10 3 april 2025

Incidenten en verharding op scholen: Vraag 8: Is er een registratie van incidenten en sociale verharding binnen Rotterdamse scholen? Vanuit de gemeente registeren we geen incidenten binnen scholen. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het veiligheidsbeleid binnen hun eigen instelling. Zij bepalen zelf wanneer en hoe incidenten worden gemeld en geregistreerd, volgens hun eigen beleid. We merken dat scholen in gesprekken openhartig zijn over de incidenten die zich voordoen. Tijdens de schoolveiligheidsoverleggen met gemeente, politie, JOZ en HALT komt veel aan bod en weten de scholen de (veiligheid)partners en de gemeente goed te vinden wanneer dat nodig is. Aan de hand van de resultaten in de werkagenda, die we jaarlijks samen met de convenantpartners vaststellen, monitoren we de voortgang van het Convenant Veiligheid in en om het Onderwijs. Van de burgemeester ontvangt u over enkele weken een voortgangsbrief, waarin de resultaten van het convenant uitgebreid aan bod komen. Vraag 9: Welke trends laten de cijfers zien? Zoals toegelicht in vraag 8, zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de registratie van incidenten binnen hun school en bepalen zij zelf op welke wijze zij hier uitvoering aan geven. Wij hebben als gemeente geen inzage in registratie van incidenten binnen de Rotterdamse scholen.

Vraag 10: Is er een correlatie met deze cijfers en sociaaleconomische factoren? Zie antwoord vraag 8 en 9. Wij hebben geen cijfers over incidenten binnen de scholen. Cijfers met betrekking tot jeugdcriminaliteit en de correlatie met sociaaleconomische factoren, vallen onder de portefeuille van de burgemeester Vraag 11: Hoe wordt deze data meegenomen in het NROB? Zo ja, welke interventies worden gekoppeld aan deze data? Zoals toegelicht in vraag 8, zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de registratie van incidenten binnen hun school. Deze data zijn voor ons als gemeente niet beschikbaar. We werken wel vanuit het “Convenant Veiligheid in en om het onderwijs” preventief en curatief aan schoolveiligheid. Dit doen we aan de hand van de trends en ontwikkelingen, die we onderling zien en bespreken. Hiermee bepalen we de behoefte van scholen en de gewenste inzet, zoals bijvoorbeeld het jongerenwerk en de weerbaarheidstrainingen voor professionals. VO-aanmeldingen en ouderbetrokkenheid: Vraag 12: Wat is de ontwikkeling van het aantal VO-aanmeldingen per wijk en welke factoren beïnvloeden die? Doorgaans hebben vo-scholen een leerlingenpopulatie die niet alleen uit de wijk komt, maar ook uit andere wijken of van buiten Rotterdam. De gemeente houdt rekening met de ontwikkeling van leerlingenpopulaties bij het plannen van nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen.

Deze ontwikkelingen zijn vooral demografisch van aard (i.e. populatiegroei in de wijk, samenstelling van de bevolking). Vraag 13: Zijn er specifieke drempels geïdentificeerd die ouders ervan weerhouden om hun kinderen aan te melden bij een VO-school? Leerlingen zijn tot hun 16e levensjaar leerplichtig. Dat betekent dat ouders hun kinderen moeten aanmelden voor het vo. Als ouders hun kinderen niet aanmelden, komt leerplicht in actie.

Blad: Datum:

4/10 3 april 2025

Vraag 14: Welke beleidsmaatregelen dragen aantoonbaar bij aan een stijging van het aantal aanmeldingen? In het primair onderwijs wordt gemonitord welke kinderen aangemeld zijn voor een vo school. De school voert dan ook het gesprek met de ouders indien nodig. Onderwijsachterstanden bij start basisschool: Vraag 15: Op basis van welke meetgegevens wordt vastgesteld dat jonge kinderen met een onderwijsachterstand starten? Dat blijkt uit leerlingvolgsystemen van scholen in Rotterdam. Uit die data zien we dat in Rotterdam er leerlingen zijn die op de basisschool starten met een leerachterstand. Dit wordt ook bevestigd door scholen. Het gaat hierbij ook niet alleen om leerachterstanden, maar ook om schoolrijpheid. Denk hierbij aan kunnen samenspelen met andere kinderen, op een stoeltje kunnen zitten, zindelijk zijn. Leerkrachten van groep 1 geven aan dat dit bij veel kinderen nog ontbreekt. Vraag 16: Welke factoren spelen hierin een rol, en in hoeverre verschilt dit per wijk of populatiegroep? Er zijn veel factoren die hierin een rol spelen: bijvoorbeeld familiesituatie, sociaaleconomische omstandigheden, opleidingsniveau van de ouders, hoeveel Nederlands er thuis wordt gesproken, hoeveel boeken er worden (voor)gelezen. Al deze factoren verschillen per wijk, populatiegroep, en per gezin. Ook speelt mee of kinderen wel of niet naar een voorschoolse voorziening zijn geweest.

Vraag 17: Welke wetenschappelijk onderbouwde methoden worden ingezet om deze achterstanden te verkleinen? Het programma van voorschoolse educatie is een wetenschappelijk onderbouwde effectieve methode om ontwikkelachterstanden te voorkomen en met een betere basis te starten in groep 1. Dat is de reden waarom de gemeente inzet op het vergroten van het doelgroepbereik van de voorschoolse educatie. Bidden op school en stilteruimtes: Vraag 18: Hoeveel scholen hebben reeds een stilteruimte, en welke regels gelden hiervoor? Het is aan scholen om te bepalen of ze een stilteruimte willen inrichten. Ze hebben zich daarbij te houden aan landelijke wetgeving daaromtrent. De gemeente monitort dit niet actief. Uitbreiding focuswijken: Vraag 19: Op basis van welke objectieve criteria worden focuswijken geselecteerd en geëvalueerd? De focuswijken in NPRZ zijn op basis van de data van het Rotterdamse wijkprofiel geselecteerd. Vraag 20: Is er data beschikbaar die aangeeft of scholen buiten de huidige focuswijken vergelijkbare achterstanden hebben? Uit referentieniveaus en schoolwegingen blijkt dat er ook scholen zijn buiten NPRZ-gebied met vergelijkbare leerlingenpopulaties. Ouderbetrokkenheid: Vraag 21: Hoe wordt ouderbetrokkenheid kwantitatief gemeten binnen de vier speerpunten van het NROB?

Blad: Datum:

5/10 3 april 2025

Binnen het speerpunt Onderwijskwaliteit is één van de maatregelen het programma educatief partnerschap. Binnen dit programma monitort de gemeente Rotterdam zowel kwalitatief als kwantitatieve beleidseffecten. Op kwantitatief niveau wordt ouderbetrokkenheid binnen de subsidie educatief partnerschap gemeten aan de hand van de subsidieaanvragen die scholen indienen. Het betreft ongeveer 193 subsidieaanvragen voor po als vo. Denk hierbij aan deelname van ouders aan themabijeenkomsten, voortgangsgesprekken en koffieochtenden. Vraag 22: Zijn er pilots of experimenten gedaan met meer ouderparticipatie, en wat waren de uitkomsten? Sinds 2023 is er een beleidskader educatief partnerschap. Het kader en de uitwerking ervan zijn in co-creatie met het onderwijsveld tot stand gekomen. De pijlers zijn gebaseerd op effectieve interventies ontwikkeld door Mariëtte Lusse en Martine van der Pluim van de Hogeschool Rotterdam. Deze interventies zijn gericht op het verbeteren van onderwijsprestatie door de samenwerking tussen ouders en scholen te stimuleren. Het doel is om de kansen van de leerlingen te bevorderen. Scholen werken aan verschillende stappen om dit doel te bereiken.

▪ het kennen van de thuisomgeving van leerlingen; ▪ het op orde hebben van de organisatie van het contact tussen school en ouders; ▪ het realiseren van een wederkerige relatie tussen school en ouders; ▪ het realiseren van pedagogische samenwerking rond de ontwikkeling van leerlingen; ▪ het op maat faciliteren van ouders in een situatie die risicovol is voor de ontwikkeling van de leerling. Deze aanpak stimuleert structurele ouderparticipatie en zorgt ervoor dat scholen gericht werken aan een duurzame samenwerking met ouders. Voorschoolse educatie en onderwijsachterstand: Vraag 23: Wat is het percentage kinderen dat ondanks voorschoolse educatie alsnog met een achterstand start? Uit de Rotterdamse vve-monitor 2023 (peiljaar 2021) blijkt dat kinderen die wel voorschoolse educatie hebben gehad, een deel van hun achterstanden inlopen. Meer dan een jaar (extra) ‘spelen en leren’ (vve) heeft een positieve invloed op de ontwikkeling van wel en niet vve-geïndiceerde peuters. Geïndiceerde peuters profiteren het meest. Ook uit het landelijk pre COOL onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat vve een positieve bijdrage levert aan het verminderen van de achterstanden bij kinderen.

Hoeveel kinderen ondanks de voorschool toch nog met een achterstand start op de basisschool is niet bekend omdat niet alle ouders toestemming geven voor een overdracht zodat de school niet altijd weet of een kind vve heeft gehad of niet. Daarnaast zijn er ook kinderen die geen vorm van opvang of vve hebben genoten en zonder voorbereiding op de basisschool starten. Deze kinderen starten ook vaak met een achterstand op de basisschool. Thuiszitters en schoolzorgteams Vraag 24: Hoeveel thuiszitters worden momenteel door schoolzorgteams begeleid, en wat zijn de uitkomsten van deze interventies? Schoolzorgteams werken op scholen en begeleiden daarom geen thuiszitters.

Blad: Datum:

6/10 3 april 2025

Vraag 25: In hoeverre worden thuiszitters meegenomen binnen het NROB, en welke specifieke aanpak wordt hiervoor ontwikkeld? Er is een speciale taskforce Thuiszitters die maatwerk levert en als doel heeft om thuiszittende kinderen zo snel mogelijk weer terug te begeleiden naar school. Daarnaast zet de gemeente zich in om thuiszitters te voorkomen door o.a. inzet van de Taskforce Dekkend Netwerk. Uw raad is hierover geïnformeerd met het plan van aanpak Taskforce Dekkend Netwerk (25bb000227). Sanctiebeleid VO-scholen en invloed van ouderlijk gedrag op PO-leerlingen Vraag 26: Hoe verschilt het sanctiebeleid per VO-school in Rotterdam, en is er een overkoepelend beleid vanuit de gemeente of onderwijsinstanties? Scholen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor het veiligheidsbeleid binnen hun eigen instelling. Bij schorsingen en verwijderingen van leerlingen gelden landelijke regels. Zo mag een schorsing niet langer duren dan één week. Schoolbesturen zijn verplicht om een schorsing langer dan één dag én verwijderingen van school bij de Onderwijsinspectie te melden. Bij verwijderingen van school, moeten ouders eerst in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. Ook is de school dan verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe school voor de desbetreffende leerling. Formeel is een school niet verplicht om de gemeente te informeren over schorsingen.

Bij verwijderingen van leerlingen van school, wordt de gemeente wel geïnformeerd. Op basis van deze melding, controleert de gemeente of ouders volledig geïnformeerd zijn, en de mogelijkheid hebben (gehad) om in bezwaar te gaan. Daarnaast wordt de school geattendeerd op hun verantwoordelijkheid en zorgplicht om een andere school voor deze leerling te vinden. In de tussentijd moet er een vorm van onderwijs worden aangeboden aan deze leerling. Het is ook mogelijk voor leerplicht om met ouders in gesprek te gaan hierover. Omdat de casuïstiek erg gevarieerd is, analyseert de gemeente de registraties van verwijderingen niet. Het kan wel zijn dat de gemeente zorgelijke signalen (bijv. meerdere verwijderingen op één school in een korte tijd) verder onderzoekt. Het is de bevoegdheid van de Onderwijsinspectie om schorsingen en verwijderingen verder te controleren en te monitoren. Binnen het convenant veiligheid in en om de school kan het gesprek over sanctiebeleid worden gevoerd als de scholen hier behoefte aan hebben. Binnen het overkoepelend beleid, oftewel het convenant Veiligheid in en om het onderwijs ligt de prioriteit met name bij het versterken van de samenwerking tussen de verschillende betrokken partners.

Vraag 27: In hoeverre wordt gemonitord of sancties (zoals schorsingen en verwijderingen) bijdragen aan gedragsverandering en schoolprestaties van leerlingen? Hoeveel leerlingen keren na een sanctie succesvol terug in het reguliere onderwijs, en is er data over recidive? Zie antwoord vraag 26. Vraag 28: Wordt er gekeken naar alternatieve sanctiemethoden zoals herstelgericht werken en mediation op VO-scholen? Zie antwoord vraag 26. Vraag 29: Hoe wordt bij het opleggen van sancties eerlijk en objectief getoetst? Zie antwoord vraag 26.

Blad: Datum:

7/10 3 april 2025

Vraag 30: Heeft het gedrag van ouders invloed op hoe sancties worden opgelegd aan hun kinderen, en zijn hier trends in zichtbaar? Zijn er cijfers die aantonen dat ouderlijk gedrag een rol speelt bij sancties voor leerlingen? Zie antwoord op vragen 26. Vraag 31: Hoe signaleren basisscholen dat het gedrag van ouders invloed heeft op de prestaties en sociale ontwikkeling van leerlingen? Er is bijzonder veel onderzoek gedaan naar de relaties tussen de achtergrond en gedrag van ouders en de leerprestaties en sociale ontwikkeling van hun kinderen. Scholen bemerken dit in de omgang die ze hebben met kind en ouder. De subsidie educatief partnerschap is bedoeld om scholen te helpen in het versterken van de band met ouders als het gaat om de onderwijsprestaties van hun kinderen. Vraag 32: Hoe wordt er door PO-scholen actief ingezet op ouderbetrokkenheid om problematisch gedrag bij leerlingen te voorkomen? PO-scholen zetten actief in op ouderbetrokkenheid om problematisch gedrag te voorkomen door vroegtijdig contact te leggen met ouders in risicosituaties. Klassenleraren en zorgprofessionals bouwen vertrouwen op, bieden ondersteuning op maat en betrekken ouders via huisbezoeken, ouder-kind activiteiten en informele bijeenkomsten. Zo wordt problematisch gedrag eerder gesignaleerd en samen aangepakt.

Vraag 33: Zijn er Rotterdamse scholen die ouders ondersteunen bij opvoedvaardigheden om zo gedragsproblemen van leerlingen te verminderen? Ja, in Rotterdam zijn er scholen en programma's die ouders ondersteunen bij het ontwikkelen van opvoedvaardigheden om gedragsproblemen bij leerlingen te verminderen. Op de scholen zelf worden voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd. Stigmatisering en discriminatie op PO- en VO-scholen Vraag 34: Hoe wordt binnen Rotterdamse scholen gemonitord of er sprake is van stigmatisering of discriminatie van leerlingen op basis van afkomst, religie of sociaaleconomische status? Meldingen van discriminatie kunnen worden gedaan via discriminatie.nl. Dit levert een overzicht van meldingen op die beschikbaar worden gemaakt via de discriminatiemonitor. Op dit moment kunnen we daar nog niet uithalen hoeveel meldingen daarvan van leerlingen zijn. Daar wordt nu wel hard aan gewerkt en we verwachten bij de cijfers over 2025 wel aan te kunnen geven hoeveel van de meldingen van leerlingen kwamen. Het is ook mogelijk om een melding te doen bij de onderwijsinspectie, zie het antwoord op vraag 37. Vraag 35: Worden er specifieke trainingen gegeven aan docenten en schoolbesturen om stigmatisering en discriminatie te herkennen en tegen te gaan? Binnen het NROB is er geen financieringsmogelijkheid voor dergelijke trainingen.

Burgerschap is één van de kerndoelen van het onderwijs, en scholen ontvangen daar ook middelen voor vanuit het Rijk. Het staat scholen vrij om dergelijke trainingen in te kopen en/of aan te bieden mochten ze zelf besluiten dat daar reden toe is. Vanuit het actieprogramma Samenleven van wethouder Achbar is een lesprogramma over artikel 1 van de grondwet beschikbaar (“Educatie over samenleven in super divers Rotterdam”). Dit wordt op dit moment op 75 Rotterdamse scholen gegeven door medewerker van Radar en Schiedams Lef. Ook docenten worden hierbij betrokken.

Blad: Datum:

8/10 3 april 2025

Vraag 36: Hoe vaak worden er meldingen gedaan over discriminatie of ongelijke behandeling op PO en VO-scholen in Rotterdam? Zie antwoord op vraag 34. Vraag 37: Wat is de rol van de onderwijsinspectie in het signaleren en aanpakken van discriminatie binnen Rotterdamse scholen? Ouders, leerlingen en (medewerkers van) scholen/schoolbesturen kunnen de vertrouwensinspecteurs van de Inspectie van het Onderwijs (anoniem) raadplegen, onder andere in het geval van discriminatie. De vertrouwensinspecteur luistert, informeert en adviseert. Vraag 38: In hoeverre wordt de impact van negatieve beeldvorming en stigmatisering op de schoolprestaties en mentale gezondheid van leerlingen gemonitord? De gemeente Rotterdam doet hier geen onderzoek naar. Vraag 39: Hoe wordt binnen het NROB Rotterdam specifiek aandacht besteed aan de veiligheid op scholen, zowel fysiek als sociaal-emotioneel? De gemeente Rotterdam ondersteunt scholen op verschillende manieren bij het borgen van sociale veiligheid, zowel binnen als rondom de school. Dit doen we door middel van de overleg- en samenwerkingsstructuur in het convenant “Veiligheid in en om het onderwijs”. Tijdens deze bijeenkomsten worden alle aspecten van schoolveiligheid besproken, zowel de fysieke als de sociale. Om de veiligheid op scholen te bevorderen, stellen we jaarlijks een werkagenda vast met concrete acties en maatregelen.

Vraag 40: Zijn er cijfers beschikbaar over incidenten zoals agressie, geweld, pesten en discriminatie op Rotterdamse PO- en VO-scholen? Zie antwoord vraag 8. Binnen het NROB registreert de gemeente geen incidenten. Dergelijke cijfers zijn soms wel beschikbaar bij andere instanties, zoals het binnen het onderwijs, de politie, vertrouwenspersonen en de Inspectie van het Onderwijs. Vraag 41: Hoe wordt de toename van verharding en incidenten onder leerlingen en tussen leerlingen en docenten gemeten, en welke trends zijn zichtbaar? Zie antwoord op vraag 8 en 9. De gemeente houdt geen cijfers bij van een eventuele toename van verharding en incidenten onder leerlingen en tussen leerlingen en docenten. Wij baseren ons op de informatie uit onderzoek en de informatie die convenantpartners met ons delen. Tijdens de schoolveiligheidsoverleggen komt veel aan bod en bespreken convenantpartners onderling de trends die zichtbaar zijn. Zo deelt JOZ bijvoorbeeld de Staat van de Straat, waar nieuwe fenomenen onder jongeren in staan. Vraag 42: Zijn er extra middelen of interventies beschikbaar voor scholen waar sprake is van structurele onveiligheid? We krijgen geen signalen van scholen waar sprake is van structurele onveiligheid, wel signalen van veiligheidsvraagstukken of incidenten.

Scholen kunnen in deze gevallen een beroep doen op bijvoorbeeld het aanbod van Halt, Psychosociale hulp bij ingrijpende gebeurtenissen (PSHi), jongerenwerk (JOZ) of op het aanbod aan weerbaarheidstrainingen. Ook kan een school samen met de schoolveiligheidsregisseurs en partners in de wijk kijken naar maatwerkoplossingen.

Blad: Datum:

9/10 3 april 2025

Vraag 43: Hoe wordt de rol van schoolveiligheid meegenomen in de samenwerking tussen onderwijs, jeugdzorg en veiligheidsinstanties binnen het NROB? Het belangrijkste doel van het “Convenant Veiligheid in en om het Onderwijs”, is om de samenwerking en afstemming tussen de partners te verbeteren. Hoewel deze praktijk de komende jaren verder moet worden geoptimaliseerd, zijn de deelnemende partners tevreden over de kortere communicatielijnen. Vraag 44: Welke preventieve maatregelen nemen scholen om veiligheidsrisico’s te verminderen? Scholen zetten zich actief in voor de versterking van sociale veiligheid door middel van verschillende projecten, interventies en initiatieven. Zo wordt bijvoorbeeld de Veilig op School (VOS) audit ingezet, die scholen ondersteunt bij het op orde houden van hun schoolveiligheidsbeleid. Daarnaast hebben vo- en vso- scholen een werkwijzer agressie en wapenbezit ontwikkeld om dit probleem in de klas op te pakken. Ook worden kluisjescontroles uitgevoerd om de aanwezigheid van verboden voorwerpen, zoals wapens en drugs, te voorkomen en een veilige leeromgeving te waarborgen. Daarnaast zijn alle Rotterdamse v(s)o scholen en mbo-instellingen partner in het “Convenant Veiligheid in en om het Onderwijs”. Naar verwachting sluit het po eind juni ook aan op het convenant.

Vraag 45: Zijn er Rotterdamse scholen die extra beveiliging of toezicht nodig hebben vanwege structurele veiligheidsproblemen? Scholen nemen naar eigen inzicht maatregelen om de veiligheid op en rondom de school te waarborgen. Er zijn geen aanwijzingen dat er structurele veiligheidsproblemen zijn op Rotterdamse scholen. Scholen die te maken hebben met veiligheidsproblemen kunnen een maatwerkoverleg aanvragen met de (veiligheids)partners in de wijk en de schoolveiligheidsregisseurs. Indien er behoefte is aan extra beveiliging of toezicht, kunnen scholen dit zelf regelen. Vraag 46: Hoe worden leerlingen en ouders actief betrokken bij het verbeteren van de veiligheid op scholen? Veel Rotterdamse scholen werken met de Veilig op School (VOS) aanpak, wat inhoudt dat een school periodiek een audit laat afnemen die 'meet’ hoe het met het schoolveiligheidsbeleid gesteld is. Bij zo'n audit worden naast leerkrachten en andere medewerkers ook leerlingen en ouders betrokken. Daarnaast organiseren scholen ook ouderavonden, waarbij schoolveiligheid een onderwerp van gesprek kan zijn. In specifieke situaties kunnen ouders worden uitgenodigd om casussen te bespreken. Leerlingen hebben op verschillende manieren inspraak, bijvoorbeeld via de leerlingenraad. Sommige scholen beschikken daarnaast over een jongerenrechtbank.

Niet normaliseren van politie op scholen binnen het NROB Rotterdam Vraag 47: Hoe wordt de effectiviteit van politie-inzet op scholen gemeten, en welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of deze inzet noodzakelijk is? Politie-inzet kan structureel zijn (regulier contact door wijk- en/of jeugdagent) of incidenteel (wanneer er acuut iets aan de hand is waar de politie bij betrokken wordt). Op dit moment wordt de effectiviteit van deze inzet niet specifiek gemeten. Dit is lastig inzichtelijk en dus meetbaar te maken. Criteria voor de inzet zijn niet in beton gegoten, er wordt hierin maatwerk toegepast. Voor scholen is de samenwerking met de politie en de inzet van de politie cruciaal wanneer de casuïstiek op school impact heeft op de veiligheid in en om de school. Door in gezamenlijkheid een plan van aanpak op te stellen is het een gedeelde verantwoordelijkheid en wordt gebruik gemaakt van elkaars expertise.

Blad: Datum:

10/10 3 april 2025

Vraag 48: Welke alternatieven voor politie-inzet die scholen kunnen gebruiken om veiligheid en orde te handhaven, zoals interne gedragsdeskundigen of mediators, worden ingezet? Veel onderwijsinstellingen hebben ontzettend veel kennis en kunde in huis in de vorm van zorgcoördinatoren, schoolmaatschappelijk werkers, vertrouwenspersonen en veiligheidscoördinatoren. Daarnaast heeft JOZ een grote rol in het signaleren en actief preventief tegengaan van crimineel gedrag. Door laagdrempelig in contact te staan met de leerlingen en zonder oordeel een gesprek aan te gaan wordt er een cultuur gecreëerd waarin een leerling zich gezien en gehoord voelt en eerder bepaalde knelpunten of hulpvragen zal bespreken. Daarnaast is bureau Halt een partij die zowel voor de docenten als de leerlingen inzet kan plegen door bijvoorbeeld het inzetten van weerbaarheidstrainingen en voorlichtingsbijeenkomsten. Vraag 49: Wat zijn de procedures voor het inschakelen van politie op scholen, en hoe wordt ervoor gezorgd dat deze interventies altijd in het belang van de leerling en het onderwijs zijn? Wanneer een school overweegt om de politie in te schakelen, volgt dit doorgaans een vaste procedure. Na een interne afweging, vaak met de veiligheidscoördinator van de school, vindt overleg plaats met de politie of eventueel handhaving.

Bij structurele problematiek in de omgeving van de school, wordt ook afgestemd met de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld via de accountmanagers, schoolveiligheidsregisseurs en/of het Veilig Op School (VOS) overleg in de wijk. Het uitgangspunt is dat de inzet van de politie in verhouding moet staan tot het probleem en pas wordt ingezet als andere mogelijkheden niet (meer) werken of wanneer andere interventies onvoldoende effect hebben gehad. In het geval van minderjarige leerlingen wordt er altijd afgestemd met ouders of verzorgers. Vraag 50: Worden ouders en leerlingen vooraf geïnformeerd over de rol van de politie op school en de mogelijke gevolgen van politie-interventies? Bij de start van het schooljaar wordt, door middel van een informatie in de schoolgids bijvoorbeeld, aangegeven dat er op structurele basis overleg plaatsvindt met onder andere de politie. Dat kan zijn in het kader van zorg maar ook in het kader van veiligheid. Als dat mogelijk is worden de ouders hiervan vooraf op de hoogte gebracht. Vraag 51: Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het normaliseren van politie op scholen leidt tot meer stigmatisering of veiligheidsgevoelens onder leerlingen? Hiertoe worden verschillende maatregelen genomen.

Zo wordt bewust gekozen voor terughoudendheid in zichtbaarheid: politieagenten zijn niet standaard in uniform aanwezig op school, tenzij dit een duidelijk pedagogisch doel dient. Ook is de politie net als de jongerenwerkers regelmatig op school aanwezig en niet alleen als er daadwerkelijk inzet nodig is. Dit maakt dat de jongeren bekend raken met de politie en sneller geneigd zullen zijn een praatje te maken. Daarnaast kan de politie, door bijvoorbeeld het meespelen met tafelvoetbal, op een laagdrempelige manier contact leggen. Niet als handhaver maar als samenwerkingspartner in preventie en veiligheid. Dit helpt om het beeld te corrigeren dat de politie er alleen is om te straffen. De inzet van politie op school is gericht op opbouw van vertrouwen, preventie en partnerschap. Zolang dat zorgvuldig gebeurt, is het mogelijk om bij te dragen aan veiligheid zónder stigmatisering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=2336ad31-e247-446c-8f10-afc60cb10026