CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb008229] Technische vragen IHPS's PvdA

Commissie Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport (2022 - 2026) 27 november 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Technische sessie IHP2.579 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen Integrale Huisvestingsplannen PvdA In blauw cursief de antwoorden.

Sport

1. In bovenstaande tabel uit de IHP Sport is te zien dat de investeringen in 2026, 2027 en 2028 veel hoger zijn dan de investeringen in de overige jaren. Kunt u dit verklaren? Een gemiddeld bouwproject duurt- al snel zo’n 3-5 jaar tot aan het moment van oplevering. In deze jaren worden vele grote projecten uit het vorige IHP naar verwachting opgeleverd w.o. Zwembad Overschie, Schuttersveld, Atletiek op Zuid, Alexanderhal, 7 veldsportcomplexen, maar ook kleinere projecten die sneller kunnen worden gerealiseerd. Zoals nieuwe kunstgrasvelden, en tennisbanen die naar verwachting in die jaren worden opgeleverd. 2. Het originele IHP Sport 2020-2030 is opgesteld voordat de voorjaarsnota 2024 is vastgesteld, waarin is afgesproken dat er wordt gekort op de prestatievergoeding van het Sportbedrijf op de onderdelen onderhoud van sportaccommodaties en overhead. Randvoorwaarden hierbij zijn: de conditie van de sportaccommodaties mag niet tot onveilige situaties leiden, geen sluiting van sportaccommodaties en geen hogere tarieven voor de gebruikers. a. Hoe is deze bezuiniging in dit IHP Sport verwerkt? De bezuiniging staat los van de projecten in het IHP. IHP-projecten worden gefinancierd vanuit de RIM reserve, die voor alle IHP’s stelselmatig wordt opgehoogd ter dekking van de kapitaallasten van deze investeringen.

De dekking voor deze investeringen komt dus vanuit de gemeentelijke begroting en staat los van het Sportbedrijf. Bij oplevering van een IHPproject wordt het voor het object benodigde onderhoudsbudget (MJOP) berekend (danwel geactualiseerd bij renovatie). Dit wordt toegekend aan het Sportbedrijf, via de Prestatievergoeding. b. Welke sportaccommodaties staan op het randje van onveilige situaties? Echt onveilig zijn de sportaccommodaties gelukkig nooit. De gemeente zorgt ervoor dat we dat stadium voor zijn, door tijdig ons bezit aan te pakken en te onderhouden. Wel kan er sprake zijn van ongemak, zoals een lekkage. Wij hebben een issue op sportcomplex aan de RFC weg. Hieromtrent zijn we al geruime tijd in gesprek met het bestuur van de vereniging. 3. Met de (renovatie)projecten Persoonshal, Boomgaardshoek, Snelleman, Noorderhavenkade en Kralingen is tot en met 2023 nog geen start gemaakt. Waarom niet? Bij de totstandkoming is een grove indeling gemaakt van accommodaties die we snel wilden oppakken en accommodaties die minder urgent zijn. Wij hebben momenteel ruim 25 IHP projecten gelijktijdig onderhanden. Vanwege beperkte capaciteit als het om expertise gaat m.b.t. bouwprojecten én vanwege de sportcapaciteit die beschikbaar moet blijven in de stad is het niet mogelijk en wenselijk om alles gelijktijdig aan te pakken. De Persoonshal bevindt zich in

inmiddels in de initiatieffase. De Noorderhavenkade wordt als onderdeel van een gezamenlijke ontwikkeling met scholen (Onderwijs) later opgepakt. Snelleman, Boomgaardshoek en Kralingen zijn minder urgent van aard en komen later aan bod. 4. In hoeverre wordt er bij de vervanging/renovatie van sportvoorzieningen die midden in wijken liggen, zoals sporthallen Schuttersveld, de Enk en Alexander, ook budget vrijgemaakt voor het verbeteren van de buitenruimte? Wanneer het terrein rondom een binnensportaccommodatie bij het Sportterrein hoort, kunnen wat kleine ingrepen meegenomen worden. Voor de overige buitenruimte proberen wij afspraken te maken met Stadsontwikkeling (wanneer het om een gebiedsontwikkeling gaat) of Stadsbeheer. Voor de sportterreinen is er een bedrag per m2 op de veldsportcomplexen. Hiermee knappen we de ruimte op het sportterrein ook direct op. 5. Op pagina 14 valt te lezen dat gebiedsontwikkelingen aanleiding kunnen zijn om een uitbreidingsopgave op te nemen. a. Wordt hiermee bedoeld het toevoegen van sportvoorzieningen, of uitbreiden van de huidige? b. Voor welke sport en/of speeltuinverenigingen ligt dit in de lijn der verwachting? c. Zijn er ook sportcomplexen die in de pijplijn zitten om te moeten wijken voor gebiedsontwikkeling? Zo ja, kunt u aangeven welke dit zijn? Bij zwembad Overschie wordt de benodigde zwemwatercapaciteit uitgebreid.

Bij Schuttersveld wordt een extra gymzaal toegevoegd. In de Alexanderhal wordt door een interne verbouwing extra sportruimte toegevoegd. Het Topsportcentrum wordt na bestuurlijk akkoord uitgebreid met vechtsport. Het IHP is in beginsel een vervangingsprogramma, dus uitbreiding is eerder uitzondering dan regel. In de Oostflank en mogelijk op lange termijn rondom de Van Nelleknoop zijn er sportcomplexen die mogelijk moeten wijken voor gebiedsontwikkelingen. Voorwaarde is daarbij dat ze verplaatst worden en de huidige capaciteit beschikbaar blijft. 6. Op pagina 7 valt te lezen dat het IHP Sport erop gericht is om bestaande accommodaties (opstallen en velden) intensiever te gebruiken. Dit in relatie tot de groei van de stad. Een uitwerking daarvan is bijvoorbeeld functiemenging en multifunctioneel gebruik. a. In hoeverre is bij dit IHP Sport ook rekening gehouden met het creëren van nieuwe sportvoorzieningen in relatie tot de groei van de start? Met het IHP zetten we in op het behouden van het bestaande arsenaal aan sportaccommodaties, aan de hand van vervanging en grootschalige renovatie. Met het IHP breiden we dan ook niet uit door extra sportaccommodaties te bouwen. Vanuit de vervangingsopgave maken we het wel mogelijk om de capaciteit op bestaande voorzieningen uit te breiden, door bijvoorbeeld een natuurgrasveld te vervangen voor kunstgras.

Een dergelijke investering maakt het zodoende mogelijk om bestaande voorzieningen intensiever te bespelen. De keuze voor intensivering komt (mede) voort uit het Capaciteitsplan Sportvoorzieningen. Uitbreiding voor zwemwater wordt nader onderzocht. b. Te intensief gebruik kan ook tot irritatie leiden bij de gebruikers. Hoe wordt berekend of gemeten of sportvoorzieningen niet te overmatig gebruikt worden? Er zijn rekenmodellen voor de gemeentelijke sportvoorzieningen ontwikkeld die inzicht geven in capaciteitsgegevens per sportvoorziening. Het gaat om rekenmodellen voor de binnensport, buitensport en zwembaden. Aan de hand van deze rekenmodellen kan de bezetting van de sportvoorzieningen

worden bepaald, mede door aanvullende data over het gebruik (op basis van verhuringen) vanuit het Sportbedrijf. De rekenmodellen worden op dit moment geactualiseerd en worden samen met een stadsbrede capaciteitsanalyse vastgelegd in het Capaciteitsplan Sportvoorzieningen. c. In hoeverre wordt er met de gebruikers van sportvoorzieningen overlegd of zij openstaan voor gemengd of multifunctioneel gebruik van een sportvoorziening? Bij vraagstukken over de mogelijkheden van gemengd en/of multifunctioneel gebruik wordt afgestemd met zowel de gebruikers van een complex als onze sportpartners, zoals Stichting Rotterdam Sportsupport, Sportbedrijf Rotterdam, Sportfondsen en Optisport. Daarnaast wordt er op de momenten dat de hoofdgebruiker geen gebruik maakt van de sportvoorziening de mogelijkheid geboden aan derden om hier gebruik te maken. Dat gebeurt aan de hand van programma’s zoals ‘Claim je veld’ en ‘Huur toch een Zaal’. Op dit moment is er ook een pilot gaande waarbij buitensportcomplexen in afstemming met de hoofdgebruiker op specifieke tijden worden opengesteld voor openbaar gebruik. In deze gevallen ontvangt de hoofdgebruiker een gastheerschapvergoeding. 7. Op pagina 7 valt te lezen dat in een periode van tien jaar er veel verandert. Het IHP Sport moet dan ook periodiek worden geactualiseerd, bij voorkeur iedere vier jaar, parallel aan de bestuursperiode. a.

Is dit een beleidswijziging? Nee, het bestaande plan wordt iedere vier jaar geactualiseerd. Het is wel voor het eerst dat we dit voorstellen omdat een plan voor tien jaar vaststellen eigenlijk een te lange periode is om goed te kunnen plannen. Er verandert inderdaad veel. Projecten komen in vertraging vanwege bijvoorbeeld gestegen bouwkosten, of worden naar voren gehaald in de planning vanwege actualiteit of nieuwe inzichten. We moeten dit dus meer zien als een voortschrijdend inzicht. b. In hoeverre wordt bij deze werkwijze geborgd dat voorzieningen niet overgeleverd zijn aan de grillen van de politiek? Of zijn de complexen die nu in het IHP zitten bij het vaststellen ervan zeker van een vervanging of renovatie? Ja, wij maken af waar wij in het vorige IHP mee begonnen zijn. En alles wat er bij komt is mooi meegenomen. Dit neemt niet weg dat tussentijds bestuurlijke besluiten genomen kunnen worden als het project er om vraagt. Denk aan flink gestegen bouwkosten.

Welzijn 1. . Huizen van de Wijk: a. In hoeverre bestaat het risico dat huizen van de wijk die niet binnen gemeentelijk vastgoed vallen overgeleverd zijn aan de markt waardoor het risico bestaat dat zij op den duur bijvoorbeeld verkocht worden? Van de 48 Huizen van de Wijk (HvdW) zijn er 34 in gemeentebezit. De andere eigenaren zijn vooral zorginstellingen en woningbouwverenigingen. De panden hebben een maatschappelijke bestemming. De gemeente vraagt welzijnsaanbieders de HvdW te gebruiken en huren, en geeft hiervoor het budget mee. Daarmee is de welzijnsaanbieder een betrouwbare en constante huurder en gebruiker. Door een goede samenwerking en het wederzijds belang van Huizen van de Wijk, is het risico op verkoop beperkt. b. Er zijn wijken, zoals Blijdorp en het Liskwartier, waar alleen satellieten van huizen van de wijk aanwezig zijn. Is dit een bewuste keuze en in hoeverre vindt de gemeente dit wenselijk? De situatie in Noord is zo ontstaan vanuit de historie met verschillende bewonersorganisaties en de panden die zij in gebruik hadden. Met deze locaties, nu als satellieten, beslaan we voldoende het gebied en kan Welzijn programmeren wat nodig is. In Liskwartier zijn twee satellieten zodat er zowel een locatie is voor programmering voor zowel kwetsbare Rotterdammers als voor ouderen. c.

Zijn er wijken waar geen huizen van de wijk aanwezig zijn? Er zijn wijken waar geen huis van de wijk is. De toelichting hierop is te vinden in de beschrijvingen van het gebied in het IHP (bijlage 2). Dit kan o.a. liggen aan de afstand naar voorzieningen met een gelijke functie (bijvoorbeeld een huiskamer of satelliet) en de demografie/ ontwikkeling van het gebied. 2. Huizen van de wijk in zelfbeheer: a. Door wie worden deze Huizen van de Wijk beheerd? De huizen in zelfbeheer zijn: a. Het Klooster b. De Nieuwe Nachtegaal c. Middelland d. de Prinsenhof Ze worden beheerd door verschillende Stichtingen. b. Welke Huizen van de Wijk in zelfbeheer zijn er de afgelopen jaren verdwenen? Het aantal Huizen van de Wijk in zelfbeheer is al jaren stabiel, er zijn geen Huizen van de Wijk in zelfbeheer verdwenen. c. Is er inzichtelijk waarom deze Huizen van de Wijk in zelfbeheer zijn verdwenen? N.v.t. d. Hoe worden deze huizen van de Wijk ondersteund bij eventueel onderhoud en/of renovatie? Deze worden op dezelfde wijze ondersteund als de Huizen van de Wijk die niet in zelfbeheer zijn. Er is een huurdersverantwoordelijkheid als ook een verhuurdersverantwoordelijkheid. De kosten van onderhoud door huurder draagt uiteindelijk cluster MO via de subsidierelatie. 3. Satellieten van het Huis van de Wijk: a. Met welke samenwerkingspartners worden deze satellieten beheerd?

De satellieten staan vermeld op pagina 22/47 van het IHP. Recent is de locatie aan de Pupillenstraat toegevoegd. Satellieten worden door de welzijnspartijen gebruikt wanneer zij een deel van de programmering niet uit kunnen voeren in het Huizen van de Wijk of wanneer de satellietconstructie een gevolg is van historische ontwikkelingen (zoals in Noord). Dat betekent dat satellieten beperkt gebruikt en gehuurd worden, er is dan ook geen beheer van een satelliet. b. In hoeverre zorgen satellieten ervoor dat de aanloop naar het Huis van de Wijk verminderd? Satellieten komen voort uit de behoefte van de welzijnsaanbieder om extra ruimte te hebben om te kunnen programmeren. Ze vormen dus eerder een plus op aanloop naar welzijn, dan dat er ene negatieve invloed uitgaat op de Huizen van de Wijk. 4. Huiskamers van de Wijk: a. Door wie worden deze Huiskamers beheerd? Huiskamers zijn locaties voor bewonersinitiatieven en geen vastgoed binnen de welzijnsopdracht. Deze zijn te vinden in de gebiedsomschrijvingen (bijlage 2) van het IHP. Huiskamers worden beheerd door bewoners/partners uit de wijk. b. Welke Huiskamers van de Wijk zijn er de afgelopen jaren verdwenen? N.v.t. c. Is er inzichtelijk waarom deze Huiskamers van de Wijk zijn verdwenen? N.v.t. d. Hoe worden de huiskamers van de wijk ondersteund bij eventueel onderhoud en/of renovatie? Huiskamers zijn geen welzijnslocaties. 5.

Doelgroepen als jonge gezinnen en inwoners met midden en hoge inkomens maken minder gebruik van het Huis van de Wijk. a. Waaruit blijkt dit? Dit blijkt uit de praktijk. Bovendien komt het aanbod van activiteiten in Huizen van de Wijk voort uit de welzijnsopdracht die zich richt op de jeugd, kwetsbare Rotterdammers en langer thuiswonende ouderen. b. Wat wordt er gedaan om huizen van de wijk aantrekkelijk te maken voor alle inwoners van een wijk? De Huizen van de Wijk zijn toegankelijk voor alle bewoners maar de welzijnsopdracht richt zich in eerste instantie op de jeugd, kwetsbare Rotterdammers en langer thuiswonende ouderen. Uiteraard zijn alle inwoners van de wijken welkom in de Huizen van de Wijk om aanvullende activiteiten te organiseren.

Cultuur c. Kunt u de objectenlijst met ons delen? Bijgaand:

Onderwijs 1. Het IHP gaat over de komende vier jaren. Start tot oplevering van een goed lopend project is 5-6 jaar. Waarom wordt het plan om die reden niet voor een langere periode opgesteld Het IHP kijkt in principe langer vooruit, maar de projecten zijn voor de komende 4 jaren. De projecten mogen in dit tijdsbestek opgestart worden en lopen langer door. Een langere scope geeft veel risico op wijzigingen (voortschrijdend inzicht) en gaat dan over de collegeperiode heen. 2. Op pagina 8 valt te lezen dat hoger opgeleiden en maatschappelijke succesvolle mensen verleid worden om op Zuid te blijven of gaan wonen. Hoe ziet dit er concreet uit? Dit is een van de bouwstenen uit het in 2017 vastgestelde Masterplan Onderwijs. De afgelopen jaren is reeds ingezet op onderwijsvernieuwing op Rotterdam Zuid. Dit laat zich terugzien in bijvoorbeeld de ontwikkeling van Stadionpark, Onderwijslocatie Laan op Zuid en het Zuidergymnasium. Ook is getracht het aanbod van conceptscholen te vergroten. Dit is echter aan de schoolbesturen. 3. Op pagina 9 valt te lezen dat er ingezet wordt op efficiënt leerlingenvervoer rondom de onderwijs/zorgcombinaties. a. Hoe komt dit terug in de nieuw gepubliceerde aanbestedingsopdracht? Nee b. Is er een link tussen het IHP en de aanbesteding doelgroepenvervoer? Er is geen directe link tussen de aanbesteding doelgroepenvervoer en het IHP.

Een goede spreiding van het gespecialiseerd onderwijs en sportaccommodaties over de stad kan wel zorgen voor een verminderde behoefte aan doelgroepenvervoer. Een goede spreiding is wel de inzet van het IHP. 4. Op pagina 21 valt te lezen over de opheffingsnorm (<182 leerlingen). Hoe wordt deze norm bepaald? De opheffingsnormen worden door het Rijk bepaald. De normen voor het basisonderwijs zijn niet voor alle scholen hetzelfde. Dit is afhankelijk van de zogenaamde leerlingdichtheid in een gemeente. In dichtbevolkte gebieden zoals Rotterdam kan voor een basisschool die minder dan 182 leerlingen heeft, al sluiting dreigen. Terwijl voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente de minimale norm van 23 leerlingen geldt. In beginsel geldt dat scholen met een leerlingenaantal dat 3 jaar op rij onder de opheffingsnorm valt, hun bekostiging verliezen. 5. Op pagina 22 valt te lezen dat een belangrijk aandachtspunt in het NROB de vergroting van het bereik van doelgroepenpeuters voor deelname aan de voorschoolse educatie is. Kan dit concreet worden gemaakt? In relatie tot schoolgebouwen zijn door het college beleidsregels vastgesteld waardoor het meenemen kinderopvang met voorschoolse educatie (ve) mogelijk wordt gemaakt bij nieuwbouw van basisscholen. Er waren reeds beleidsregels vastgesteld voor het gebruiken van leegstand in scholen voor kinderopvang met ve. 6.

Op pagina 25 valt te lezen dat doelgroepenpopulatie het grootste is in 5 gebieden, op welke manier wordt hier extra aandacht aan besteed? a. Zijn er concrete targets/plannen/doelstellingen? Vanuit de huisvesting wordt er op dit moment niet specifiek gestuurd op deze gebieden. Vanuit het NROB wordt hier wel specifiek op

gestuurd. Ook is er eerder sprake van een aantoonbaar tekort in deze gebieden, waardoor men vaker gebruik kan maken van bovenstaande regelingen b. Met welke organisatie wordt er samen gewerkt voor het onderzoeken van die gebieden? Ten aanzien van doelgroep peuters wordt samengewerkt met het CJG.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=bbf2350a-6b2f-4ab9-a08c-ed79a5209edc