CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb005843] Bijlage 11 behorende bij 24bb005840 - Aanvulling MER M4H dd 23-8

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 15 oktober 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting32.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Rotterdam in kilometerhok: X: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

88

/

Y:

436

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied bevat verschillende loodsen en overige bebouwing, wegen, spoorwegen, groenstroken met verschillende groenstructuren, tuinen, deels braakliggend terrein, pieren, kademuren en water. De meeste loodsen en overige bebouwing zijn opgebouwd uit bakstenen. Enkele loodsen zijn opgebouwd uit kunststof beplating en enkele gebouwen bevatten deels glazen wanden. De meeste daken zijn plat en enkele daken zijn schuin. Zowel de platte als de schuine daken zijn bedekt met bitumen dakbedekking. De wegen in het projectgebied betreffen de Schiedamseweg en de Marconistraat. Op de Schiedamseweg bevindt zich een tramspoor. Ten noorden en ten zuiden van de Schiedamseweg zijn groenstroken aanwezig. Ten noorden van de Schiedamse weg betreft de groenstrook een brede strook met grotendeels gazon, bomenrijen en delen met bosschages en struweel. De groenstrook ten zuiden van de Schiedamseweg betreft een smallere strook met voornamelijk dicht struweel en jonge, dunne bomen. Tussen de Schiedamseweg en de Marconistraat bevinden zich verschillende loodsen met tuinen en deels braakliggende grond. Ten zuiden van de Marconistraat zijn loodsen, pieren en kademuren aanwezig. De meeste kademuren zijn gemetseld. Enkele kademuren binnen het projectgebied bevatten geen gemetselde delen, maar bevatten wel houten afmeerpalen. Langs de kade liggen verschillende boten op het water.

Het water in de haven is groenig door de algenbloei. Verder zijn geen waterplanten gevonden. Rondom het projectgebied is meer bestrating, bebouwing en water aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De Merwehaven wordt getransformeerd van een haven naar een leefgebied. Heel het gebied wordt opgehoogd van tussen NAP +2,80 en NAP +3,40 naar NAP +3,60. Alle bomen en / of overig groen worden gerooid of verwijderd. Er worden mogelijk gebouwen geamoveerd en er wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. Bepaalde panden worden mogelijk deels geamoveerd. Welke panden dit betreffen is nog niet bekend. Een aantal loodsen is 8

op basis van cultuurhistorisch onderzoek beeldbepalend voor het gebied (afbeelding 2). Deze worden waar mogelijk behouden. In de nieuwe situatie worden diverse parken en significant meer groen toegevoegd aan het gebied. De verlichting in het projectgebied wordt volledig aangepast. In het water worden mogelijk groene drijvende eilanden, fiets- of voetgangersbruggen en groene kades gerealiseerd.

Afbeelding 2: Huidige situatie met beeldbepalende loodsen

9

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 5 september 2022 en is uitgevoerd door ing. D. Withagen. De weersomstandigheden tijdens de habitatscan waren droog en bewolkt, met een temperatuur van circa 26 °C en een windkracht van 2 Bft. De waarnemingen die tijdens de habitatscan zijn gedaan, staan in bijlage 3 op kaart weergegeven. 3.2.1

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis bekend. De meeste bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn gebouwen met openingen in de gevels, zoals open stootvoegen (afbeelding 3), ventilatievoegen, barsten en gaten, die toegang bieden naar achterliggende ruimtes in de spouwmuren. Daarnaast zijn er openingen bij de dakranden die toegang bieden, zoals afstaande stalen daklijsten (afbeelding 4) en ruimtes bij de hemelwaterafvoer. Tot slot is er op enkele plaatsen gevelbekleding aanwezig met achterliggende ruimtes, zoals golfplaten aan de gevel (afbeelding 5). De achterliggende ruimtes kunnen mogelijk fungeren als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. In de bebouwing kunnen mogelijk verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis aanwezig zijn. Van de meervleermuis en de watervleermuis worden geen paar- en winterverblijfplaatsen verwacht voor te komen. Deze bevinden zich doorgaans in plaatsen als bunkers, forten en kelders. Van de tweekleurige vleermuis wordt de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen uitgesloten. Deze bevinden zich doorgaans in hoge gebouwen.

In het projectgebied zijn drie boomholtes vastgesteld in de vorm van lengtescheuren (afbeelding 6), rottingsholten (afbeelding 7) en een spechtengat. Deze ruimtes kunnen fungeren als verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. In de bomen met holtes in het projectgebied kunnen mogelijk verblijfplaatsen van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis aanwezig zijn. Daarnaast kunnen in en tegen de meerpalen (afbeelding 8) in het projectgebied mogelijk verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis aanwezig zijn. 10

Afbeelding 3: Open stootvoegen in gevel

Afbeelding 4: Dakrand met afstaande stalen daklijst

Afbeelding 5: Golfplaat gevelbekleding

Afbeelding 6: Lengtescheur in boom

Afbeelding 7: Rottingsholte in boom

Afbeelding 8: Meerpalen

De bebouwing, groenstructuren en kademuren in het projectgebied bieden lijnvormige structuren die gebruikt kunnen worden als vliegroute van vleermuizen. De groenstructuren en het water in het projectgebied bieden luwte en insecten en kunnen onderdeel zijn van foerageergebied van vleermuizen. In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende, soortgelijke groenstructuren aanwezig die eveneens foerageermogelijkheden voor vleermuizen bieden. In de omgeving van het projectgebied zijn tevens waarnemingen van grondgebonden zoogdieren bekend, namelijk van de bever, boommarter en de steenmarter. De bever komt voor in waterrijke gebieden, zoals moerassen, beken en rivieren. Beschermde functies van de bever betreffen verblijfplaatsen in de vorm van burchten en legers die zich in de oeverzone van wateren bevinden. Daarnaast kan het foerageergebied beschermd zijn, wanneer het essentieel is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen. In het projectgebied bevinden zich kademuren, derhalve zijn er geen geschikte oeverzones voor burchten en legers of geschikt foerageergebied van de bever. Beschermde functies van de bever worden uitgesloten in het projectgebied voor te komen. De aanwezigheid van de bever wordt niet verwacht in het projectgebied. 11

De boommarter leeft bij voorkeur in een bosrijke omgeving. De steenmarter heeft een voorkeur voor parkachtige gebieden. Beide soorten worden tegenwoordig waargenomen in grote steden, zoals Rotterdam. In het projectgebied zijn mogelijke verblijfplaatsen aanwezig in de vorm van boomholtes, ruimtes onder de fundering van bebouwing (afbeelding 9), kruipruimtes in de bebouwing, puinhopen, takkenrillen, houtstapels (afbeelding 10) en dicht struweel. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van de boommarter en de steenmarter niet worden uitgesloten in het projectgebied voor te komen.

Afbeelding 9: Ruimte onder fundering bebouwing

Afbeelding 10: Houtstapels

In het projectgebied kunnen algemene (provinciaal vrijgestelde) zoogdieren voorkomen, zoals de bosmuis en de egel.

3.2.2

VOGELS

De gierzwaluw, huismus, kerkuil, slechtvalk en de steenuil broeden in, aan of op bebouwing. De gierzwaluw en de huismus hebben hun nestlocaties doorgaans onder dakpannen of in andere kleine ruimtes in de bebouwing. De bebouwing in het projectgebied biedt geen geschikte ruimtes voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. De kerkuil en de steenuil broeden vaak in rustige gebouwen en schuren die toegankelijk zijn. De aanwezige loodsen worden veel betreden en zijn niet toegankelijk gedurende de nacht. Nestlocaties van de kerkuil en steenuil zijn derhalve niet te verwachten. De slechtvalk broedt op richels, in nissen en in nestkasten. Nestlocaties bevinden zich vaak op hoge gebouwen en torens. Het projectgebied bevat geen hoge bebouwing en biedt geen geschikte ruimtes voor nestlocaties van de slechtvalk. In de omgeving van het projectgebied kunnen nestlocaties van de huismus verwacht worden in de omliggende woonwijken. In het projectgebied is mogelijk functioneel leefgebied van de huismus aanwezig in de vorm van dichte vegetatie voor schuil- en foerageermogelijkheden en zandige plekken voor het nemen van een zandbad. In de directe omgeving zijn soortgelijke structuren eveneens aanwezig in parkachtige gebieden en tuinen. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer bekend.

Deze roofvogels en uilen broeden in nesten in bomen. In het noordwesten van het projectgebied zijn twee potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen vastgesteld tijdens de habitatscan (afbeelding 11 en 12). De nesten zijn te klein voor nesten van de buizerd of de havik. Nestlocaties van de boomvalk, ransuil en de sperwer kunnen niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.

Afbeelding 11: Potentieel jaarrond beschermd nest

Afbeelding 12: Potentieel jaarrond beschermd nest

12

Er zijn waarnemingen bekend van de grote gele kwikstaart in de omgeving van het projectgebied. De grote gele kwikstaart broedt graag vlakbij stromend water in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in de oever. In Nederland broedt de soort voornamelijk in het oosten van het land, met Utrecht als westelijke buitenpost. In 2020 is éénmaal een broedgeval van de soort in Rotterdam vastgesteld. Het water in het projectgebied betreft echter geen stromend water. Daarnaast zijn er tijdens de habitatscan geen nissen, scheuren of overige ruimtes aangetroffen die de grote gele kwikstaart kan gebruiken als nestlocatie. Jaarrond beschermde nesten van de grote gele kwikstaart worden niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels, zoals de merel, ekster en de winterkoning.

3.2.3

AMFIBIEËN

Er zijn waarnemingen van de kamsalamander, rugstreeppad en de vroedmeesterpad bekend in de omgeving van het projectgebied. De waarnemingen van de kamsalamander en de vroedmeesterpad zijn ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied gedaan in woonwijken en betreffen hoogstwaarschijnlijk waarnemingen van uitgezette individuen. Daarnaast zijn er geen geschikte groenverbindingen aanwezig tussen het projectgebied en de locaties van de bekende waarnemingen. De kamsalamander en de vroedmeesterpad worden niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De rugstreeppad is een soort die voorkomt bij laag begroeide, onbeschaduwde terreinen, bij voorkeur met een goed vergraafbare grond. Als voortplantingswater gebruikt de soort ondiepe, kale wateren die snel opwarmen. Het projectgebied en de omgeving bieden geen geschikt voortplantingswater voor de soort. Daarnaast ontbreken geschikte groenverbindingen tussen het projectgebied en de bekende populaties van de rugstreeppad. De rugstreeppad wordt niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In het projectgebied kunnen algemene (provinciaal vrijgestelde) amfibieën verwacht worden, zoals de bruine kikker en de gewone pad.

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de muurhagedis en de ringslang bekend. De natuurlijke verspreiding van de muurhagedis beperkt zich in Nederland tot Zuid-Limburg. Waarnemingen van de soort betreffen uitgezette individuen. De waarneming van de ringslang in de omgeving van het projectgebied betreft een individu in Diergaarde Blijdorp uit een levering houtsnippers. Het projectgebied ligt voor beide soorten buiten het natuurlijke verspreidingsgebied. Geschikte groenverbindingen ontbreken tussen het projectgebied en de bekende populaties. Er worden geen beschermde reptielen verwacht voor te komen in het projectgebied.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de grote modderkruiper bekend. De grote modderkruiper komt voor in vegetatierijke wateren met een sliblaag. De wateren in het projectgebied bieden geen geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper. De grote modderkruiper wordt uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene vissen voorkomen, zoals de baars en de winde.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep bestaat onder andere uit vlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de gevlekte witsnuitlibel, grote vos, iepenpage en de rivierrombout bekend. De gevlekte witsnuitlibel komt voor bij laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. De soort plant zich voort in vegetatierijke wateren waar verlanding optreedt. De rivierrombout komt voor bij rivieren en grote beken, voornamelijk op plaatsen waar zand of slib is afgezet. Het projectgebied biedt geen geschikt habitat en voortplantingswater voor de gevlekte witsnuitlibel en de rivierrombout. Beschermde functies van de gevlekte witsnuitlibel en de rivierrombout worden niet verwacht in het projectgebied. De grote vos en de iepenpage komen voornamelijk voor in bosrijke omgeving. Geschikte bomen kunnen aanwezig zijn in bossen, bosranden, parken en grote tuinen. Waardplanten van de grote vos betreffen iepen, zoete kers en wilgen. Waardplanten van de iepenpage betreffen iepen. In het projectgebied zijn enkele exemplaren van iepen, zoete kers en wilgen aanwezig. De omgeving van het projectgebied is echter niet bosrijk en de aanwezige iepen en zoete kers betreffen geen volgroeide bomen. Derhalve worden geen beschermde functies van de grote vos en de iepenpage verwacht in het projectgebied. 13

3.2.7

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn exemplaren van de blaasvaren, brede wolfsmelk, glad biggenkruid, kartuizer anjer, kruipend moerasscherm, schubvaren, smalle raai en de wolfskers bekend voor te komen. De exemplaren van de brede wolfsmelk, kartuizer anjer en de wolfskers bevinden zich buiten het natuurlijke verspreidingsgebied en zijn adventief. Deze soorten worden niet in het projectgebied verwacht voor te komen. De blaasvaren en de schubvaren komen in de omgeving voor op oude, verweerde (kade)muren welke zijn gevoegd met kalkrijke specie. Tijdens de habitatscan zijn op de kademuren exemplaren van de eikvaren (soort onbepaald; afbeelding 13), muurvaren en de tongvaren (afbeelding 14) waargenomen. Dit betekent dat de kademuren geschikte standplaatsen bieden voor varens. De aanwezigheid van de blaasvaren en de schubvaren kan niet worden uitgesloten in het projectgebied.

Afbeelding 13: Eikvaren (soort onbepaald) op kademuur

Afbeelding 14: Tongvaren op kademuur

Glad biggenkruid komt voor op zonnige, warme, open plaatsen op droge, voedselarme grond. Het gebied tussen de Schiedamseweg en de Marconistraat biedt zonnige, warme, open plaatsen op droge en voedselarme grond (afbeelding 15). De gazons langs de Schiedamseweg en de Marconistraat lijken daarnaast eveneens geschikt habitat te bieden (afbeelding 16). Exemplaren van het glad biggenkruid kunnen niet worden uitgesloten in het projectgebied voor te komen.

Afbeelding 15: Geschikt habitat glad biggenkruid

Afbeelding 16: Geschikt habitat glad biggenkruid

Het kruipend moerasscherm wordt aangetroffen op open plekken op natte bodems, welke in de winter ondiep worden overstroomd. Het projectgebied biedt geen geschikt biotoop voor de soort. Smalle raai groeit op snel opwarmende, ruderale plaatsen, zoals langs spoorwegen. Het gebied tussen de Schiedamseweg en de Marconistraat betreft een oud spooremplacement. Hier is op het moment nog een spoor aanwezig (afbeelding 17). Daarnaast is soortgelijk habitat aanwezig bij de trambaan op de Schiedamseweg (afbeelding 18). Exemplaren van de smalle raai kunnen niet worden uitgesteld voor te komen in het projectgebied.

14

Afbeelding 17: Spoorweg in projectgebied

Afbeelding 18: Trambaan in projectgebied

3.3

INVASIEVE EXOTEN Tijdens de habitatscan is in het projectgebied een individu van de nijlgans waargenomen (afbeelding 19). In het projectgebied zijn verspreid over het gebied tussen de Schiedamseweg en de Marconistraat twee exemplaren van de hemelboom waargenomen (afbeelding 20) en verschillende exemplaren van de Japanse duizendknoop.

Afbeelding 19: Nijlgans

3.3.1

Afbeelding 20: Hemelboom

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Struweel en bomen

Algemene amfibieën en

Leefgebied

Artikel 3.10, Bijlage A

Groenstructuren, takkenrillen en

Algemene vissen

Leefgebied

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Water

Blaasvaren en

Exemplaren

Artikel 3.10, Bijlage B

Kademuren

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10, Bijlage A

Boomholtes, bebouwing, takkenrillen

Glad biggenkruid

Exemplaren

Artikel 3.10, Bijlage A

Zandig terrein en gazons

Huismus

Functioneel leefgebied

Artikel 3.1 (VR)

Groenstructuren, zandige plekken

Roofvogels en uilen

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Potentieel jaarrond beschermde

Smalle raai

Exemplaren

Artikel 3.10, Bijlage B

Spoorwegen (trein en tram)

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing en boomholtes

zoogdieren*

houtstapels

schubvaren Boommarter en steenmarter

en houtstapels

nesten

Foerageergebied Vliegroutes *= Vrijstelling, echter geldt altijd de Zorgplicht (Artikel 1.11)

Groenstructuren Lijnvormige elementen

15

3.4

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.4.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten De groenstructuren en het water in het projectgebied maken mogelijk deel uit van foerageergebied van vleermuizen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn voldoende soortgelijke foerageermogelijkheden aanwezig in parken, tuinen en boven water. Er worden geen negatieve effecten verwacht door de werkzaamheden op de aanwezigheid van voldoende foerageergebied voor vleermuizen. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m augustus) plaatsvinden, worden geen effecten verwacht op algemene broedvogels. In het projectgebied bevinden zich mogelijk elementen die onderdeel zijn van het functioneel leefgebied van de huismus. In de directe omgeving van het projectgebied zijn voldoende soortgelijke elementen aanwezig in parken en tuinen. Er worden geen negatieve effecten verwacht door de werkzaamheden op de aanwezigheid van voldoende functioneel leefgebied voor de huismus.

Tijdelijke effecten Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen (globaal april t/m oktober) en gebruik wordt gemaakt van aanvullende nachtelijke verlichting, kunnen foeragerende en passerende vleermuizen worden verstoord. Als de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen (globaal maart t/m augustus) kan de functionaliteit van nesten worden aangetast en kunnen broedgevallen in het projectgebied worden verstoord. Permanente effecten Er bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing, boomholtes en in meerpalen. Gedurende de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernield en individuen kunnen worden gedood. De groenstroken langs de Schiedamseweg betreffen lijnvormige structuren die mogelijk kunnen dienen als vliegroute van vleermuizen. In de directe omgeving zijn geen alternatieve lijnvormige structuren die als vliegroute kunnen dienen. Tijdens de werkzaamheden kunnen essentiële vliegroutes van vleermuizen worden verwijderd en individuen worden verstoord en gedood. In de boomholtes en dichte vegetatie en onder de bebouwing, takkenrillen en houtstapels bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen van de boommarter en de steenmarter. Tijdens de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van deze soorten worden vernield en individuen kunnen worden gedood.

De potentieel jaarrond beschermde nesten bieden mogelijk nestlocaties voor roofvogels en uilen met jaarrond beschermde nesten in bomen. Gedurende de werkzaamheden kunnen nestlocaties worden vernield en kunnen individuen worden gedood. Het projectgebied herbergt mogelijk exemplaren van de blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en de smalle raai. Tijdens de werkzaamheden kunnen exemplaren van deze soorten worden beschadigd en vernield. Tijdens de werkzaamheden kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren worden gedood. Tevens kunnen gedurende het broedseizoen nesten van algemene broedvogels worden vernield.

16

Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Opzettelijk ontwortelen / vernielen

Artikel 3.10 (Bijlage B) Lid 1c

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1a

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1b

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Algemene amfibieën, vissen en zoogdieren Blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en smalle raai Boommarter en steenmarter Roofvogels en uilen

Vleermuizen

3.5

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.5.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk exemplaren van beschermde flora en beschermde functies van de boommarter en de steenmarter, vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van beschermde flora, vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, steenmarter en vleermuizen, vliegroutes van vleermuizen en de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar beschermde flora dient te zijn afgestemd op de blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en de smalle raai. Onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen), rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis (m.u.v. paarverblijfplaatsen) en de watervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen). Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer.

3.5.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. -

Er zijn mogelijk verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Binnen het projectgebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van de boommarter en de steenmarter aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Het projectgebied bevat mogelijk exemplaren van beschermde flora. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van exemplaren van beschermde flora zullen (indien beschermde flora aanwezig is) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden.

17

-

Het is aan te bevelen om aanvullende nachtelijke verlichting tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast, is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen.

-

Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

-

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Bij werkzaamheden in en langs het water kunnen mogelijk individuen van algemene vissen worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren te voorkomen.

-

De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten.

3.5.3

ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

18

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 7 kilometer van het projectgebied en betreft de Oude Maas. Op ruim 4 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft kerngebied Buitenplaats De Tempel.

Afbeelding 21: Projectgebied cijfers/interactieve/)

ten

opzichte

van

beschermde

natuur

(zuid-holland.nl/politiek-bestuur/feiten-

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename van stikstofemissie tot gevolg hebben. De bouwvrijstelling voor stikstof is niet meer van toepassing. In de realisatiefase kan de inzet van machines en een toename van verkeersbewegingen, voor het vervoer van materiaal en personeel, leiden tot een tijdelijke toename van stikstofemissie. De geplande ontwikkeling zal in de gebruiksfase mogelijk eveneens een toename van stikstofemissie tot gevolg hebben, vanwege een toename in het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van woon-werk verkeer. Aangezien er een toename van stikstofemissie kan plaatsvinden tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie, is er kans op een toename van stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Een toename van stikstofdepositie kan mogelijk negatieve effecten veroorzaken op stikstofgevoelige habitattypen. Een stikstofberekening met behulp van de laatste versie van de ‘Aerius Calculator’ is benodigd om overtreding op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

19

5

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden buiten de bebouwde kom van minimaal 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom Wet natuurbescherming (afbeelding 22). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het eventueel kappen van bomen.

Afbeelding 22: Grens bebouwde kom Rotterdam (geo.ozhz.nl)

20

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES De bebouwing, bomen met boomholtes en meerpalen kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats van vleermuizen. De groenstroken langs de Schiedamseweg fungeren mogelijk als essentiële vliegroute van vleermuizen. Bomen met holtes, dicht struweel, takkenrillen en houtstapels kunnen dienen als verblijfplaats van de boommarter en de steenmarter. Er zijn potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen aanwezig in het projectgebied. Deze kunnen dienen als nestlocatie van roofvogels en uilen met jaarrond beschermde nesten. In het projectgebied zijn mogelijk exemplaren van de blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en de smalle raai aanwezig. In het projectgebied kunnen broedgevallen van algemene broedvogels voorkomen. Er kunnen algemene (vrijgestelde) amfibieën, vissen en zoogdieren in het projectgebied worden verwacht. De geplande werkzaamheden kunnen leiden tot het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, de boommarter en de steenmarter en het doden van individuen. De werkzaamheden kunnen leiden tot het verwijderen van essentiële vliegroutes van vleermuizen. Nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen kunnen worden aangetast en vernield en individuen kunnen worden verstoord en gedood. Exemplaren van beschermde flora kunnen worden ontworteld en vernield.

De werkzaamheden kunnen leiden tot het doden van algemene (vrijgestelde) amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren en nesten van algemene broedvogels kunnen worden vernield. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een toename in stikstofemissie, is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming. Zodoende zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing op de te kappen bomen in het projectgebied.

6.2

AANBEVELINGEN Het projectgebied herbergt mogelijk exemplaren van beschermde flora en beschermde functies van de boommarter en de steenmarter, vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van beschermde flora, vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, steenmarter en vleermuizen, vliegroutes van vleermuizen en de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar beschermde flora dient te zijn afgestemd op de blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en de smalle raai. Onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen), rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis (m.u.v. paarverblijfplaatsen) en de watervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen). Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren, zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) uit te voeren.

De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

21

Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode maart t/m augustus

gewerkt wordt Boommarter en steenmarter

Verblijfplaatsen

Maart t/m augustus

Flora

Exemplaren

Juni t/m augustus

Roofvogels en uilen

Nestlocaties

20 februari t/m 31 augustus

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

1 juni t/m 15 juli

Vleermuizen

Vliegroutes

1 juni t/m 15 augustus

Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

1 augustus t/m 10 september

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen

15 augustus t/m 15 september

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december t/m 28 februari

Het is aan te bevelen om aanvullende nachtelijke verlichting tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast, is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Bij werkzaamheden in en langs het water kunnen mogelijk individuen van algemene vissen worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten.

22

7

LITERATUUR

BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 2.0, BIJ12 juni 2022. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.gbif.org www.geo.ozhz.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/feiten-cijfers/interactieve/

23

Bijlage 1: Foto-impressie

24

Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 88/436 Soortgroep Naam Amfibieën

bastaardkikker1 1

Bescherming

Afstand

Wnb A

< 5km < 2km*

Amfibieën

gewone pad

Wnb A

Amfibieën

kamsalamander

HR IV & Bern II

< 5km

Amfibieën

kleine watersalamander1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

meerkikker

1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 5km

Amfibieën

vroedmeesterpad

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

gevlekte witsnuitlibel

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

grote vos

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

iepenpage

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

rivierrombout

HR IV & Bern II

< 5km

Reptielen

muurhagedis

HR IV & Bern II

< 5km

Reptielen

ringslang

Wnb A

< 5km

Vaatplanten

blaasvaren

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

brede wolfsmelk

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

glad biggenkruid

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kartuizer anjer

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kruipend moerasscherm

HR IV & Bern I

< 5km

Vaatplanten

schubvaren

Wnb B

< 5km*

Vaatplanten

smalle raai

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

wolfskers

Wnb B

< 5km

Vissen

grote modderkruiper

Wnb A

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 2km*

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 3km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 2km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 2km*

Vleermuizen

tweekleurige vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vogels

blauwe reiger

Cat. 5

< 4km*

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km*

Vogels

ekster

Cat. 5

< 1km*

Vogels

gekraagde roodstaart

Cat. 5

< 3km*

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 2km*

Vogels

grote gele kwikstaart

Cat. 3

< 1km

Vogels

havik

Cat. 4

< 5km

Vogels

huismus

Cat. 2

< 2km*

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

kerkuil

Cat. 3

< 5km*

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km*

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km*

Vogels

slechtvalk

Cat. 3

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km*

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

steenuil

Cat. 1

< 5km*

25

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km*

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 2km*

Vogels

zwarte roodstaart

Cat. 5

< 3km*

Zoogdieren

bever

HR IV

< 5km

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bosmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

bunzing

Wnb A

< 3km*

Zoogdieren

dwergmuis1

Wnb A

< 5km*

1

Zoogdieren

egel

Wnb A

< 2km*

Zoogdieren

gewone bosspitsmuis 1

Wnb A

< 5km*

1

Zoogdieren

haas

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

konijn

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

rosse woelmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

steenmarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

vos

1

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

wezel1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

Wnb A woelrat * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling

< 5km

26

Bijlage 3: Waarnemingen habitatscan

27

NATUURONDERZOEK MERWEHAVEN TE ROTTERDAM Boommarter, broedvogels, steenmarter, vaatplanten en vleermuizen

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 9-11-2023

VERANTWOORDING Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Gemeente Rotterdam Dhr. D.O. van der Gaag Postbus 6575 3002 AN Rotterdam 06 39111268 do.vandergaag@rotterdam.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

Ing. D. Withagen

Auteur: Kwaliteitscontrole:

Ing. A.C.Y. van den Berg Ing. D. Withagen

Projectcode: Status: Datum:

ROVW2313 Definitief 9-11-2023

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is aangesloten bij brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e80f888b-f8cb-4e6e-a292-565a2129ed0c