CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb005843] Bijlage 11 behorende bij 24bb005840 - Aanvulling MER M4H dd 23-8

Commissie Mobiliteit, Haven, Economie en Klimaat (2022-2026) 18 september 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Mobiliteit32.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan, Masterplan en stedenbouwkundige uitwerking en inrichtingsplannen openbare ruimte Masterplan deelgebieden en stedenbouwkundige uitwerking Bestemmingsplan

Bestemmingsplan , Masterplan Merwehaven

Masterplan deelgebieden

Masterplan Merwehaven Masterplan Merwehaven

Voorkomen/beperken geluidsweerkaatsing van gebouwen

Mengbaarheid van bedrijven en woningen garanderen in relatie tot geluid Positioneren niet-woonfuncties Geluidluwe plekken realiseren

Luchtkwaliteit

Geur

Stof Externe veiligheid

Gevoelige bestemmingen niet situeren aan wegen met een intensiteit hoger dan 10.000 mvt/etm Goed geventileerde woningen

Masterplan deelgebieden en stedenbouwkundige uitwerking Bestemmingsplan

Masterplan Merwehaven

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Omgevingsvergunnin g / Bouwbesluit

Omgevingsvergunning

Nieuwe bedrijven voldoen aan Maatregelniveau I van Geurbeleid Rijnmond Acceptabele geurbelasting op geurgevoelige objecten door bestaande bedrijven Stofhinderbedrijven worden uitgesloten

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Nieuwe risicovolle inrichtingen terughoudend toelaten

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Brzo-/Bevi-bedrijven worden in het plangebied uitgesloten Veiligheidsrisico’s worden verantwoord

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Er wordt rekenschap gegeven van de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen Verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk voor de buisleiding

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

4

Dit geldt bij vele spelregels, dat bij een nieuwe ruimtelijke procedure zoals een omgevingsplan, voor bijvoorbeeld Marconikwartier en/of Keilekwartier alle spelregels opnieuw dienen te worden vertaald in de instrumenten.

blad 50 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Nautische veiligheid Overige gezondheidsaspecten

Ontwikkelingen aan het water geven rekenschap van het aspect nautische veiligheid Voorkomen stralingsveiligheidsrisico’s

Ecologie

Creëren van een groene leefomgeving, zoals deze is uitgewerkt in de masterplannen

Bodem en ondergrond

Water

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan Bestemmingsplan

Tegengaan van de Japanse duizendknoop en andere exotische invasieve soorten

Geen woonbestemmingen en maatschappelijke voorzieningen binnen de zone. Masterplan/Nota van Uitgangspunten/ Inrichtingsplan Omgevingsvergunning

Bodemonderzoek en -sanering passend bij de gewenste functie

Omgevingsvergunning

Onderzoek naar gesteldheid fundering bij hoogbouw

Omgevingsvergunning

Onderzoek naar niet gesprongen explosieven

Omgevingsvergunning

Geen aanleg van (nieuw) oppervlaktewater in het gebied

Masterplan/Nota van Uitgangspunten/ Inrichtingsplan

Waterbergingsopgave bij nieuwbouw

Omgevingsvergunning/Masterplan deelgebieden Omgevingsvergunning

Richtlijnen minimale ontwateringsdiepte

Ecologie

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Masterplan Merwehaven Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Bestemmingsplan, Masterplan Merwehaven Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Nota van Uitgangspunten/ Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning

Hemelwater vasthouden en gebruiken voor diverse doeleinden

Nota van Uitgangspunten/ Omgevingsvergunning

Beperken lozingen van het riool op de Nieuwe Maas

Omgevingsvergunnin g

Uitvoeren Adaptatiestrategie Waterveiligheid M4H

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan , Masterplan Merwehaven

Bij elke ontwikkeling (bij voorkeur per groter ontwikkelgebied) wordt nader onderzocht of er beschermde soorten en/of rode lijst soorten aanwezig zijn Voorafgaand en tijdens ontwikkelingen verantwoord omgaan met soorten Natuurinclusief ontwikkelen

Vergunning Wet natuurbescherming

Bestemmingsplan Vergunning Wnb

Vergunning Wet natuurbescherming Masterplan deelgebieden

Vergunning Wnb

Per ontwikkeling wordt de stikstofdepositie in beeld gebracht Bescherming van archeologische waarden

Vergunning Wet natuurbescherming Bestemmingsplan

Vergunning Wnb

Behoud van monumenten

Erfgoedwet en monumentenverorde ning / Masterplan deelgebieden Bestemmingsplan/ Masterplan deelgebieden

Behoud van beeldbepalende bouwwerken

Er geldt een ‘nee, tenzij’-principe voor het realiseren van gebouwen boven de 40 meter

Bestemmingsplan / Masterplan deelgebieden

,

Masterplan Merwehaven

Bestemmingsplan Masterplan Merwehaven Bestemmingsplan Masterplan Merwehaven

,

Bestemmingsplan

blad 51 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Energie en circulariteit

Hinder tijdens realisatie

Negen doelstellingen energiesysteem

voor

uitwerking

van

het

Energiestrategie/ Masterplan/ Omgevingsvergunning

Maatregelen ter bevordering van circulariteit

Masterplan deelgebieden

Opstellen BLVC-plan voorafgaand aan ieder bouwplan

Omgevingsvergunning

Energiestrategie bij vaststelling bestemmingsplan Masterplan Merwehaven Omgevingsvergunning

blad 52 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

4.

Energie en circulariteit In dit hoofdstuk is naar aanleiding van het voorlopige toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. een gevoeligheidsanalyse van het warm tapwatergebruik van bedrijven en voorzieningen uitgevoerd en is het MER aangevuld met een analyse van de materiaalgebonden milieu-impact van het beoogde duurzame energiesysteem in M4H.

4.1

Gevoeligheidsanalyse warm tapwatergebruik In paragraaf 7.3.1 van het MER is de energievraag voor de ontwikkeling van heel M4H uiteengezet. Voor het tapwatergebruik van bedrijfsfuncties en voorzieningen zijn geen aannames opgenomen, omdat er nog geen zicht is in het precieze type activiteiten. Daarbij is aangegeven dat dit tot een onderschatting van de tapwatervraag kan leiden, maar dat dit in de uitwerking (als er wel zicht op het uiteindelijke beoogde programma is) moet worden herberekend. De Commissie m.e.r. adviseert evenwel in deze planfase een gevoeligheidsanalyse uit te voeren, omdat warm water een dusdanig grote impact kan hebben op de omvang en daarmee keuze van het energiesysteem. Aanpak analyse In onderstaande gevoeligheidsanalyse wordt ingegaan op de volgende punten die relevant zijn om af te wegen in hoeverre het tapwatergebruik van bedrijven en voorzieningen invloed kan hebben op de omvang en daarmee de keuze voor het energiesysteem:  Tapwatergebruik bij verschillende functies  Verwarming tapwater via warmtenet of waterpompen  Inschatting tapwatergebruik per deelgebied De analyse sluit af met een conclusie. Tapwatergebruik bij verschillende functies Het gebruik van tapwater voor persoonlijk gebruik (koken, handen wassen, douchen etc.) in kantoor-, school-, winkelfuncties is zeer beperkt in verhouding met het gebruik voor ruimteverwarming bij deze functies.

figuur 4.1 geeft daarvoor een indicatie, op basis van standaard waardes in de Uniforme Maatlat Gebouwde Omgeving voor een aantal gebouwtypologieën 5 . Hieruit blijkt dat er bij ‘standaard’ gebruik en standaard gebruiksfuncties (bijvoorbeeld een kantoor, een winkel en een school) van niet-woonfuncties een klein deel tapwatergebruik is te verwachten, niet genoeg om tot wezenlijk andere systeemkeuzes te komen. 100% 80% 60% 40% 20% 0%

verwarming

tapwater

figuur 4.1 Verhouding generieke gebouwen warm tapwatergebruik vs. ruimteverwarming (bron: gemeente Rotterdam op basis van Uniforme Maatlat Gebouwde Omgeving)

Uit figuur 4.1 wordt ook duidelijk dat het ‘klassieke’ tapwatergebruik bij kantoor-, school-, winkelfuncties niet relevant voor de systeemkeuze is, daarvoor is het simpelweg een te klein aandeel. Als het aandeel groter wordt (door warmtevragende functies/processen), kan het de systeemkeuze gaan beïnvloeden. Bij ‘bijzondere’ functies, 5

UMGO: uniforme maatlat gebouwde omgeving. Rekentool van RVO/ expertisecentrum warmte om indicatieve warmte/koudebehoefte te bepalen (rvo.nl)

blad 53 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

zoals een sportfunctie/zwembad (zie figuur 4.1), kunnen de verhoudingen anders zijn en tot wezenlijke effecten op systeemkeuze leiden. Bij bedrijvigheid kan dit ook gebeuren als er een proces is waarbij veel warmte op het niveau van tapwater (6080 °C) nodig is, bijvoorbeeld bij voedselproductie en industriële wasserijen. Het tapwatergebruik varieert sterk per type bedrijf, maar de kans bestaat wel dat het gebruik groter is dan het ‘klassieke’ tapwatergebruik bij kantoor-, school- en winkelfuncties. Verwarming tapwater via warmtenet of via warmtepompen Tapwater kan zowel vanuit een warmtenet als met een warmtepomp worden verwarmd en dat interacteert met de effectiviteit van de energiesystemen. Bij tapwater is het noodzakelijk dat het op een hogere temperatuur wordt aangeboden (> 55 °C of >60°C bij het tappunt, afhankelijk van het type systeem) en dat het in korte tijd in grote hoeveelheden beschikbaar is (bijvoorbeeld bij douchen). De hogere temperatuur en hoge pieken maakt het minder geschikt om met een warmtepomp op te wekken, een dergelijk systeem gebruikt dan relatief veel elektriciteit. De inzet van warmtepompen voor tapwaterproductie vergroot juist het elektriciteitsgebruik. Dat is één van de belangrijkste redenen waarom het vanuit systeemperspectief wenselijker is om tapwater uit het stedelijk warmtenet te bereiden.

Toch kan dit niet altijd de meest logische keuze zijn: gebouwen hebben ook behoefte aan koeling en hiervoor is een WKO (warmte-koudeopslag) een duurzamere oplossing. Een gebouw wordt gekoeld vanuit de bodem, overtollige warmte uit de zomer wordt op een andere plek in de bodem opgeslagen en in de winter gebeurt het tegenovergestelde om de bodem weer voldoende ‘af te koelen’ voor de volgende zomer. Die warmte kan worden gebruikt voor verwarming en eventueel tapwater. Afhankelijk van de balans tussen warmte en koudevraag kan een verbinding met een warmtenet dan weinig toegevoegde waarde hebben. Bij gebouwen met een heel kleine tapwatervraag (kantoren) is lokale opwekking in veel gevallen het meest effectief, omdat er minder systeemverliezen zijn, en is er geen systeem-invloed. Inschatting tapwatergebruik per deelgebied Hieronder wordt nader ingegaan op de verwachting in welke deelgebieden een grotere dan ‘standaard’ tapwatervraag aannemelijk is en in hoeverre dit de keuze voor het duurzame energiesysteem kan beïnvloeden. Hierbij is uitgegaan van een beoogde verdeling woningen, werkfuncties en functies, zoals weergegeven in figuur 4.2, gebaseerd op de programma-alternatieven uit het MER M4H (het lage en hoge programma hebben bij benadering bijna gelijke verhoudingen tussen woonfuncties, werkfuncties en voorzieningen).

verhoudingen tussen wonen, werken en voorzieningen 100% 80% 60% 40% 20% 0% merwehavens

marconi-kwartier

Woningen

Werken

keile-kwartier

galileipark

Voorzieningen

figuur 4.2 Verhouding woningen, werkfuncties en voorzieningen per deelgebied M4H (bron: MER M4H. Antea Group, 2023)

Merwehaven Merwehaven heeft een groot aandeel woonfuncties met een hogere bebouwingsdichtheid. Andere functies zijn voornamelijk maatschappelijke voorzieningen (gezondheidscentrum, school, supermarkt etc.) en kleinschalige creatieve maakindustrie met een lage milieucategorie (t/m milieucategorie 2). Door de nadruk op wonen in

blad 54 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Merwehaven is dit “klassieke” tapwatergebruik al meegenomen in de berekening van de energievraag en daarmee meegewogen in de energiesysteemkeuze. De kleine aanvullende vraag van de bedrijven en voorzieningen (minder dan 20% van het totaal) zal dat niet wezenlijk veranderen. Gezien de relatief beperkte schaal van de tapwatervraag voor de bedrijven en voorzieningen is het aannemelijk dat deze functies op dezelfde manier van tapwater kunnen worden voorzien als de woonfuncties. Conclusie Merwehaven: tapwater is al een wezenlijke factor in de afweging, het kleine aandeel niet-woonfuncties zal de systeemkeuze niet wezenlijk beïnvloeden. Galileipark Galileipark is volledig gericht op bedrijvigheid, hier is geen ruimte voor wonen. De schaalgrootte en de milieucategorie van de bedrijven is hoger dan in de rest van M4H (t/m milieucategorie 4.2), waarbij ook grotere maakindustrie hier kan plaatsvinden. Het effect van de “klassieke” tapwatervraag in dit deel zal door de beoogde lagere dichtheid op Galileipark en de grotere schaal van de bedrijven (er is ook veel ruimte voor ‘bedrijfshallen’ waar relatief weinig mensen per oppervlakte werken) heel klein zijn. De kans bestaat dat er één of meerdere bedrijven zijn die een aanzienlijke warmtevraag voor een productieproces nodig hebben en/of terug kunnen leveren (restwarmte).

Door de ligging van het warmtenet (zie figuur 3.14) is het mogelijk dergelijke bedrijven aan te sluiten op het warmtenet. Het is verstandig om in de energiesysteemkeuze rekening te houden met de kans dat een dergelijk bedrijf zich kan vestigen op Galileipark. Conclusie Galileipark: Hier bestaat de mogelijkheid dat bedrijven met een hoger tapwatergebruik zich kunnen vestigen. Het is verstandig om in de systeemkeuze ruimte te houden voor warmte (terug)levering vanuit/naar het warmtenet, maar tevens ervoor te zorgen dat het systeem ook zonder deze functie in de warmte/koude van het deelgebied kan voorzien. Marconikwartier Het Marconikwartier wordt in de toekomst (nog niet in het voorkeursalternatief) het gebied met de hoogste dichtheden in een vrij evenwichtige verhouding tussen wonen en niet-wonen (bedrijven en voorzieningen). De bedrijvigheid is gericht op kantoorfuncties en in tapwater vergelijkbare functies zoals scholen en kleinschalige ontwerp en onderzoeksfuncties. De milieucategorie van dit gebied laat industriële bedrijvigheid niet toe (t/m milieucategorie 3.1, mits de feitelijke belasting niet hoger is dan milieucategorie 2, zie ook tabel 3-4 in het MER). De kans op een grote extra tapwatervraag is daarom niet zo groot.

Door de hoge dichtheden (ook van wonen) is er sowieso al een substantiële tapwatervraag in het gebied waarmee rekening is gehouden in de energievraag en afweging van de energiesysteemkeuze. Door de beoogde verhouding tussen wonen en niet-wonen (50-50) is een effect van de niet-woonfuncties wel te verwachten, maar gezien het type bedrijvigheid (voornamelijk lagere milieucategorieën) is het niet te verwachten dat er veel bedrijvigheid komt waarbij er een zeer grote warm watervraag moet worden ingevuld. Conclusie Marconikwartier: De systeemkeuze wordt al beïnvloed door de tapwatervraag van de woningen. De omvang aan niet-woonfuncties zal de tapwatervraag marginaal doen groeien, het is niet te verwachten dat hier systeemveranderende grote tapwatervragers bij komen. Keilekwartier In Keilekwartier zijn in de toekomst (nog niet in het voorkeursalternatief) lagere bebouwingsdichtheden dan in Marconikwartier beoogd, maar wel een vergelijkbare verhouding tussen wonen en niet-wonen. Door lagere dichtheden in dit gebied is de tapwatervraag in het gebied lager, wat de afweging tussen warmtenet en lokale oplossingen (WKO’s en warmtepompen e.d.) meer in de richting van lokale oplossingen brengt. De beoogde maximale milieucategorie is gelijk aan Marconikwartier (t/m milieucategorie 3.1).

Door de lagere dichtheden kan een niet-woonfunctie, bijvoorbeeld een bedrijf, met hoog tapwatergebruik meer impact hebben op de totale vraag. Conclusie Keilekwartier: Hier bestaat de mogelijkheid dat een bedrijf met een hoger tapwatergebruik zich in de toekomst hier vestigt. Het is verstandig om in dit deelgebied de systeemkeuze te maken op basis van een gedetailleerder beeld over de dan verwachte bedrijvigheid en hun tapwatervraag (voor bijvoorbeeld productieprocessen).

blad 55 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Conclusie gevoeligheidsanalyse warm tapwaterverbruik Het ‘klassieke’ tapwatergebruik van niet-woonfuncties (kantoor-, school-, winkelfuncties) zal niet tot wezenlijke andere systeemkeuzes leiden. Niet-woonfuncties kunnen ook andere vormen van warm watervraag hebben voor processen/ activiteiten, zoals industriële wasserijen, voedselproductie en zwembaden. Dat kan wel van wezenlijke invloed op de systeemkeuze zijn. Dat speelt met name in Galileipark en mogelijk in de toekomst in Keilekwartier. In de concretisering van deze deelgebieden is het verstandig hier rekening mee te houden en dit mee te nemen in de systeemkeuzes voor die deelgebieden.

4.2

Materiaalgebonden milieu-impact duurzame energiesysteem Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. wordt in deze paragraaf nader ingegaan op de circulaire, materiaalgebonden milieu-impact van het beoogde duurzame energiesysteem. Aanpak analyse Gemeente Rotterdam onderschrijft het belang van het in kaart brengen van de materiaalgebonden milieu-impact van energiesystemen en het sturen op het verlagen daarvan. De gemeente ziet ook een overlappend belang met andere belangen, een efficiënt systeem kan kostenefficiënter en kleiner worden ontworpen, wat waarschijnlijk de milieu-impact ook verkleint. Voor deze fase beperken we ons, zoals geadviseerd door de Commissie m.e.r., tot een kwalitatieve benadering. De analyse is gebaseerd op een relevante kwantitatieve studie en vervolgstudie die in opdracht van RVO zijn gemaakt over de milieu-impact van verschillende warmtenetconfiguraties6. Deze studies leggen een aantal onderliggende principes bloot die ook relevant zijn voor de keuzes die in M4H voorliggen. Studie warmtenetconfiguraties De in opdracht van RVO gemaakte studie gaat uit van een theoretische situatie waarbij 1.000 woningen voor 50 jaar van warmte, koude en warm tapwater worden voorzien.

Hiervoor zijn zes verschillende scenario’s uitgewerkt:  Scenario 1: MT - gestapeld: Midden Temperatuur distributienet (70-40 graden Celsius) in een hoogbouw wijk;  Scenario 2: MT - grondgebonden: Midden Temperatuur distributienet (70-40 graden Celsius) in een laagbouw wijk;  Scenario 3: LT - gestapeld: Laag Temperatuur distributienet (55-35 graden Celsius) in een hoogbouw wijk;  Scenario 4: LT - grondgebonden: Laag Temperatuur distributienet (55-35 graden Celsius) in een laagbouw wijk;  Scenario 5: ZLT - gestapeld: Zeer Lage Temperatuur distributienet (15-8 graden Celsius) in een hoogbouw wijk;  Scenario 6: ZLT-grondgebonden: Zeer Lage Temperatuur distributienet (15-8 graden Celsius) in een laagbouw wijk. Van deze scenario’s is de milieu-impact bepaald en geanalyseerd. Hieronder volgen de meest relevante resultaten. Bij een LCA (Life-Cycle Assessment) wordt de milieu-impact van een product of systeem uitgerekend over de gehele levenscyclus. Daarbij gaat het om de fases grondstoffen, transport, productie, distributie, gebruik en afvalverwerking. Dit leidt tot een milieukostenindicator (MKI), uitgedrukt in euro’s. Uit de studie komt naar voren dat in de levenscyclus van een warmtenet de impact van de gebruiksfase in alle scenario’s dominant is. De gebruiksfase bedraagt tussen de 90 en 94% van de totale berekende MKI (de blauwe balken in figuur 4.3).

De overige fases, die invloed hebben op de circulaire, materiaalgebonden milieu-impact (grondstoffen, transport, productie, distributie en afvalverwerking) hebben dus een beperkte impact ten opzichte van de gebruiksfase van een warmtenet. ZLT-netten scoren in de gemaakte vergelijking beter dan MT- en LT-netten, het percentage van de MKI voor de overige fases ligt bij deze scenario’s het laagst. Binnen de drie temperatuurniveaus (MT, LT en ZLT) scoort per temparuurniveau de gestapelde bouw beter dan de grondgeboden bouw.

6

Criteria voor onderlinge vergelijking van warmtenetconfiguraties. Deltares, 2022. Vervolgstudie milieuprestaties verschillende warmtenetconfiguraties. LBP|Sight, 6 juli 2023.

blad 56 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

MKI gebruiksfase vs. overige fases levencsyclus 12.000.000 10.000.000 8.000.000 6.000.000 4.000.000 2.000.000 scenario 1

scenario 2

scenario 3

MKI B6 (gebruiksenergie)

scenario 4

scenario 5

scenario 6

MKI overige fases

figuur 4.3 Milieukostenindicator scenario’s warmtenet (bron: LBP|Sight, bewerking IBR Rotterdam, 2023). ‘MKI B6’ (blauw) = gebruiksfase, ‘MKI overige fases’ (oranje) = grondstoffen, transport, productie, distributie en afvalverwerking

Het elektriciteitsgebruik (al de scenario’s in de studie zijn ‘all electric’) geeft veruit de grootste impact op de MKI. figuur 4.4 laat zien dat de milieu-impact afneemt naarmate meer groene energie wordt toegepast. Dit komt door de dominantie van de gebruiksfase in de MKI.

figuur 4.4 Afhankelijkheid milieu-impact van % grijze stroom in elektriciteitsmix (bron: LBP|Sight, 2023)

Uit figuur 4.5 is te herleiden dat veel kleine warmtepompen op woningniveau (scenario 7) een veel grotere bijdrage hebben op de materiaalgebonden milieu-impact dan een aantal grote warmtepompen (scenario 1 t/m 6). Individuele airco units hebben een grote materiaalgebonden milieu-impact (zie ook figuur 4.5).

blad 57 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 4.5 Materiaalgebonden milieu-impact van energiesysteem in 7 varianten, excl. elektriciteitsverbruik (Bron: LBP|sight, 2023)

Het distributienetwerk is een klein onderdeel van de milieu-impact (afgerond circa 1-5% van de totale MKI, zoals weergegeven in figuur 4.6). Binnen het distributienetwerk zijn het leidingnet en de afleversets beide (grofweg) even belangrijk (zie figuur 4.6).

figuur 4.6 Onderverdeling van de milieu-impact per component van een distributienet

Implicaties voor de energiesysteemkeuze voor M4H De casus van de ‘RVO’-studie wijkt af van de situatie in M4H. Hieronder volgen de belangrijkste verschillen:  M4H kent een mix van wonen en werken. In de ‘RVO’-studie wordt enkel naar wonen gekeken;  M4H kent een mogelijkheid om met (HT, hoog temperatuur distributienet) restwarmte te verwarmen. De ‘RVO’-studie gaat uit van allemaal ‘all electric’ varianten zonder externe energiebronnen.

blad 58 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Niettemin bevat de studie relevante resultaten voor de energiesysteemkeuze voor M4H:  De gebruiksfase blijft dominant in de materiaalgebonden milieu-impact van het energiesysteem, zelfs als er gebruik kan worden gemaakt van 100% hernieuwbare elektriciteit. Ingrepen die de energievraag voor de gebruiksfase verminderen zijn vanuit milieu-impact dus al snel effectief;  Collectiviteit en integraliteit loont vanuit het perspectief van de materiaalgebonden milieu-impact. Veel kleine objecten hebben een grotere materiaalgebonden milieu-impact dan enkele grote objecten. Ook het separaat oplossen van warmte en koude heeft een negatief effect op de materiaalgebonden milieu-impact;  Het distributienetwerk met een bepaald aantal leidingen en de keuze voor het type leidingen dragen bij aan de materiaalgebonden milieu-impact, maar zijn in het totaal niet van doorslaggevend belang. Door het perspectief van de materiaalgebonden milieu-impact van het energiesysteem toe te voegen aan de afweging van de keuze voor het energiesysteem wordt de afweging verrijkt.

De in het MER opgenomen spelregel met negen doelstellingen voor de uitwerking van het energiesysteem, die zullen worden vertaald in een afwegingskader als onderdeel van de energiestrategie (zie paragraaf 24.3 van het MER) worden versterkt door dit perspectief, met name doelstelling 1) voorkomen van energiegebruik, 4) gebruik passieve oplossingen en reststromen en 8) collectieve voorzieningen. De kwalitatieve analyse geeft daarom een verdere ondersteuning van de ingeslagen route om in te zetten op collectieve voorzieningen in de driehoek warmtenet, WKO, TEO. Op basis van deze kwalitatieve analyse wordt duidelijk dat de materiaalgebonden milieu-impact van het gebied beïnvloed kan worden door de keuze van het energiesysteem.

4.3

Samenvattende beoordeling planvoornemen Door de gevoeligheidsanalyse op warm tapwatergebruik en de kwalitatieve analyse van de materiaalgebonden milieu-impact van duurzame energiesystemen is meer inzicht in beide onderdelen verkregen. De aanvullende analyses in de voorgaande paragrafen leiden niet tot andere effectscores op de thema’s energie en circulariteit, dan in het MER.

blad 59 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

5.

Geluid: verdere dezonering industrieterrein HNOF Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het geluidsonderzoek in het kader van de verdere beoogde dezonering van industrieterrein Havens-Noordwest voor de beoogde transformatie van industrieterrein Nieuw-Mathenesse in Schiedam.

5.1

Inleiding Binnen het gebied Merwe-Vierhavens (M4H) ligt een deel van het industrieterrein Havens-Noordwest en OostFrankenland (HNOF) in Rotterdam en een deel van het industrieterrein, industrieterrein Nieuw-Mathenesse, in de gemeente Schiedam (zie figuur 5.1). Voor de transformatie van het gebied Merwe-Vierhavens wordt een deel van het industrieterrein HNOF gedezoneerd ten behoeve van woningbouw (het lichtgeel gearceerd gedeelte in figuur 5.1). Voor de gedeeltelijke dezonering wordt momenteel een bestemmingsplanprocedure (parapluherziening) doorlopen waarbij het MER M4H een bijlage vormt. In 6.3.1 van het MER wordt hier nader op ingegaan.

figuur 5.1 Te dezoneren delen industrieterrein Havens-Noordwest en Oost-Frankenland (HNOF) (Bron: RHDHV, 2023).

De gemeente Schiedam wenst het industrieterrein Nieuw-Mathenesse gedeeltelijk eveneens te transformeren naar woningbouw. Hiervoor is een verdere dezonering nodig van de geluidszone van het industrieterrein HNOF in Rotterdam, het blauw gearceerde gedeelte in figuur 5.1). Bij de gemeente Schiedam is daarom ook een bestemmingsplanprocedure gestart om de geluidszone aan te passen. Het industrieterrein Mathenesse kent geen vestiging van grote lawaaimakers. Er is daarmee geen wettelijke verplichting om een gezoneerd industrieterrein in stand te laten. Op de gedezoneerde delen wordt de vestiging van bedrijven in de zin van de Wet geluidhinder uitgesloten. De vergunde rechten van bestaande bedrijven blijven ongewijzigd.

blad 60 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

5.2

Geluidseffecten dezonering Nieuw-Mathenesse De gemeente Schiedam wil inzichtelijk krijgen of als gevolg van de dezonering van Nieuw-Mathenesse negatieve effecten zullen optreden op het voorkeursalternatief van het MER M4H en of die kunnen worden gemitigeerd. Als er geen negatieve effecten optreden kunnen de uitgangspunten van het MER M4H ongewijzigd blijven en kan de gemeente Rotterdam de huidige parapluherziening ongewijzigd vaststellen. In een geluidsonderzoek 7 zijn de effecten van de beoogde dezonering in beeld gebracht voor gebruik en vastlegging in verdere procedures:  De dezonering van de gehele geluidzone van het industrieterrein Nieuw-Mathenesse door middel van een bestemmingsplan;  Een eventuele aanvulling op het bestemmingsplan aan de Rotterdamse zijde. Onderstaand zijn de resultaten van het geluidsonderzoek weergegeven. Het geluidsonderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij dit rapport. Effect dezonering op geluidbelasting in zone-immissiepunten Het gedeeltelijk dezoneren van het industrieterrein heeft geen effect op de geluidruimte op de zoneimmissiepunten zoals in de planregels van het bestemmingsplan M4H is opgenomen. De geluidruimte daarin is al gebaseerd op de situatie zonder de bedrijven op het Schiedamse deel. Dat houdt in dat de dezonering van NieuwMathenesse geen effect heeft op de geluidruimte voor de bedrijven op het Rotterdamse deel.

Die was vastgelegd in de geluidruimte op de zone-immissiepunten zoals opgenomen in het bestemmingsplan M4H en zal bij wijziging van de zone-immissiepunten opnieuw worden vastgelegd op basis van de informatie uit het zonebeheermodel. Conclusie Door de dezonering van het industrieterrein Nieuw-Mathenesse in Schiedam treden geen negatieve effecten op voor het voorkeursalternatief, alsmede het planvoornemen van M4H. Gevolgen dezonering voor de zonegrens van Merwe-Vierhavens Als het industrieterrein Nieuw-Mathenesse wordt gedezoneerd, kan de zonegrens van het industrieterrein HNOF worden verkleind. In figuur 5.2 is zowel de nieuwe zonegrens als de zonegrens zoals opgenomen in het MER M4H opgenomen. De nieuwe zonegrens is de omhullende van de 50 dB(A)-contouren op een rekenhoogte van zowel 5 als 30 meter (groene en blauwe contour in figuur 5.2). Ten gevolge van het dezoneren van Nieuw-Mathenesse komt de zonegrens aan de westzijde (ter hoogte van Nieuw-Mathenesse) gemiddeld 250 meter naar het oosten te liggen (oranje contour in figuur 5.2). Advies De uitgangspunten van het MER M4H behoeven niet te worden aangepast, maar de gemeente Rotterdam zal de huidige parapluherziening moeten aanpassen:  De zonegrens wordt verschoven in oostelijke richting, zoals aangegeven in figuur 5.2;  De zone-immissiepunten aan de westzijde worden aangepast aan de nieuwe zonegrens.

De zonegrens van het resterende gezoneerde industrieterrein Havens-Noordwest en Oost-Frankenland valt na aanpassing in Schiedam geheel binnen het te dezoneren gebied Nieuw-Mathenesse.

7

Dezonering Nieuw Mathenesse: Akoestisch onderzoek. RoyalHaskoningDHV, 2023.

blad 61 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 5.2 Geluidcontouren HNOF vóór en na dezonering Nieuw-Mathenesse

5.3

Samenvattende beoordeling planvoornemen Door de dezonering van het industrieterrein Nieuw-Mathenesse in Schiedam treden geen negatieve effecten op voor het voorkeursalternatief, alsmede het planvoornemen van M4H. De aanvullende effectbeschrijving in de voorgaande paragraaf leidt niet tot andere effectscores op het thema geluid, dan in het MER.

blad 62 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

6.

Natuur Merwe-Vierhavens In dit hoofdstuk zijn de resultaten van de geactualiseerde gebiedsanalyse, de geactualiseerde voortoets met bijbehorende geactualiseerde stikstofberekeningen van het planvoornemen M4H weergegeven. In paragraaf 3.11 komen de resultaten van deze actualisaties voor het voorkeursalternatief van M4H (alleen transformatie Merwehaven en verdere ontwikkeling Galileipark) aan bod.

6.1

Gebiedsbescherming: Natura 2000 In 2022 is een voortoets8 met bijbehorende stikstofberekeningen uitgevoerd. De voortoets is in november 2023 geactualiseerd 9 . De voortoets is opgenomen als bijlage 3 van de aanvulling op het MER. De bijbehorende stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met de AERIUS versie 2023.0.1 en zijn tevens als bijlage opgenomen bij dit rapport. Stikstofdepositie-onderzoek De berekende stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van het planvoornemen M4H per bron in tabel 6.1 samengevat. Voor de berekening van deze stikstofdepositie-effecten van het planvoornemen is uitgegaan van de mobiliteitsvariant 4 (hoog programma, ambitiepakket M), omdat deze variant de meest verkeersaantrekkende werking heeft van de varianten 3, 4 en 5. De planbijdragen kunnen in deze tabel niet worden opgeteld, want deze maximale bijdragen zijn berekend op verschillende locaties in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. tabel 6.1 Berekende stikstofdepositie van de verschillende bronnen ten opzichte van de huidige situatie en autonome ontwikkeling 2032. In groen zijn de maximale depositieafnames weergegeven en in rood de maximale toenames binnen de omliggende Natura 2000-gebieden (bron: RHDHV, 2023). Bron

Plan (2032) versus autonoom (2032) = planeffect

Plan (2032) versus huidig (2022)

Bedrijven en activiteiten

Afname: tot -0,02 mol N/ha/jaar

Afname: tot -0,02 mol N/ha/jaar

Wegverkeer

Toename: tot + 0,06 mol N/ha/jaar

Afname: tot -0,05 mol N/ha/jaar

Zeescheepvaart

Afname: tot -0,03 mol N/ha/jaar

Afname: tot -0,20 mol N/ha/jaar

Binnenvaart

Afname: tot -0,15 mol N/ha/jaar

Afname: tot -0,20 mol N/ha/jaar

Toename: tot + 0,03 mol N/ha/jaar

n.v.t.

Permanente gebruiksfase 2032)

Tijdelijke aanlegfase (2024-2032) Aanlegwerkzaamheden

Gebruiksfase Het planeffect tijdens gebruiksfase laat voor de bedrijfsactiviteiten en voor de zee- en binnenvaart een afname zien, de deposities van het wegverkeer nemen toe (in de vergelijking met de autonome situatie 2032). Uit het stikstofonderzoek is gebleken dat bij optelling van de verschillende bronnen er in geen van de zichtjaren sprake is van een toename van de stikstofdepositie. De afname van de emissies door bedrijvigheid, zeescheepvaart en binnenvaart is in alle zichtjaren groter dan de toename voor wegverkeer. Dit is te zien in figuur 6.2.

8

Voortoets ontwikkelingen M4H. Beoordeling van de ontwikkelingen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. RoyalHaskoningDHV, 2022.

9

Voortoets ontwikkelingen M4H. Beoordeling van de ontwikkelingen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. RoyalHaskoningDHV, 2023.

blad 63 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 6.1 Delta stikstofdepositie gebruiksfase versus autonome situatie, delta gebruiksfase versus huidige situatie en effecten aanlegfase M4H (planbijdrage stikstofdepositie aanlegfase op Voordelta ontbreekt in de figuur, deze bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar)

Realisatiefase Tijdens de realisatiefase wordt (aangeduid als aanlegfase in tabel en figuur), door de jaren heen, binnen verschillende Natura 2000-gebieden, gedurende de uitvoeringsperiode van 10 jaar, een toename van de stikstofdepositie berekend. Het maatgevende uitvoeringsjaar betreft 2024. De hoogste toename van 0,03 mol N/ha/jaar (zie tabel 6.1) is berekend op Natura 2000-gebied de Oude Maas. Dit gebied is echter niet gevoelig voor stikstofdepositie, er zijn geen gevoelige habitattypen aanwezig. De hoogste toename, berekend op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is op Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen en bedraagt 0,01 mol N/ha/jaar (zie de gele lijn in figuur 6.1). Gebruiksfase + aanlegfase De emissietoename tijdens de aanlegfase minus de emissieafname tijdens de gebruiksfase laat (per saldo) een oplopende afname van de emissies vanuit het plangebied zijn, zie figuur 6.2. Emissies en deposities zijn, op deze afstand, sterk aan elkaar gerelateerd. Een afname in emissies zal leiden tot een depositieafname in de omliggende Natura 2000-gebieden. Hieruit volgt dat er in de periode 2024-2032 geen sprake is van een depositietoename.

blad 64 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 6.2 Verloop aanlegfase versus planeffect tijdens de uitvoeringsperiode (2024-2032) op basis van emissies

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een depositietoename is stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en is daarmee niet in strijd met de Wet natuurbescherming – onderdeel Natura 2000 en daarmee is het plan voor dit onderdeel uitvoerbaar.

6.2

Soortenbescherming In 2020 is een gebiedsanalyse uitgevoerd door Bureau Stadsnatuur van het M4H-gebied op potentiële beschermde natuurwaarden10. In 2023-2024 is het onderzoek geactualiseerd11, de gebiedsanalyse is als bijlage 4 bij dit rapport opgenomen. Ten opzichte van het onderzoek uit 2020 is in de tussentijd een grootschalig onderzoek uitgevoerd naar beschermde gebouwbewonende soorten. Hiermee is beter in kaart gebracht wat de huidige natuurwaarden zijn van M4H. Daarbij is een breder perspectief genomen ten opzichte van het onderzoek uit 2020, waarbij er nu ook gekeken is naar potenties van de steenmarter, diverse beschermde flora en meerdere vogelsoorten. Onderstaand zijn de conclusies van de geactualiseerde gebiedsanalyse voor M4H samengevat. Hierbij zijn tevens de resultaten van de natuurtoets voor het ontwikkelgebied Merwehaven (zie paragraaf 3.11) erbij vermeld:  M4H heeft een unieke diversiteit van flora en fauna ten opzichte van het omliggend gebied. De unieke diversiteit bestaat uit de afwisselende ecologische omstandigheden en dynamiek van het (ex-)industriële gebruik van het gebied;  Er zijn binnen Marconikwartier, Galileipark en Keilekwartier potenties voor leefgebieden aangetroffen voor de Huismus binnen het gebied. Daarnaast zijn in de afgelopen vijf jaar waarnemingen gedaan van de Huismus in de Marconistrip en Keilekwartier.

Voor de Huismus dient aanvullend onderzoek gedaan te worden om de reikwijdte van de beschermde situatie in kaart te brengen. In Merwehaven is bij nader onderzoek de huismus niet daadwerkelijk aangetroffen;  Voor vleermuizen is er potentie in het plangebied en is er gebiedsbreed onderzoek uitgevoerd in M4H. Uit het onderzoek van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. zijn binnen Merwehaven twee zomerverblijfplaatsen en een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Op basis van het vastgestelde baltsterritorium wordt er eveneens een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis verwacht binnen Merwehaven. Tevens is er een essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De groenstrook ten noorden van de Schiedamseweg (buiten het plangebied van M4H) bevat essentieel

10

Gebiedsanalyse natuurwaarden M4H. Bureau Stadsnatuur, 2020.

11

Actualisatie gebiedsanalyse natuurwaarden M4H. Bureau Stadsnatuur, 2024.

blad 65 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

 

foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis (zie figuur 3.8). Uit het gebiedsbrede onderzoek (de gebiedsanalyse M4H) zijn geen verblijfplaatsen of territoria vastgesteld voor vleermuizen; Er zijn binnen het deelgebied Gustoweg potenties gevonden voor groeiplaatsen van Blaas- en Schubvaren, binnen het deelgebied Marconistrip en Galileipark zijn potenties gevonden voor groeiplaatsen van Glad biggenkruid en binnen het deelgebied Marconistrip zijn potenties gevonden voor groeiplaatsen van Smalle raai. De genoemde soorten zijn bij nader onderzoek in Merwehaven daar niet daadwerkelijk aangetroffen; Er zijn twee locaties binnen het deelgebied Marconikwartier die potentie hebben op een broedgeval van de Slechtvalk; Er zijn geen potenties gevonden voor leefgebieden van de Steenmarter. De groenstrook aan de Keilezijweg binnen deelgebied Galileipark biedt potentie voor de Boomvalk en de Ransuil voor een broedgeval, mits er in het geval van de Boomvalk een bestand nest beschikbaar is.

In tabel 6.2 is samengevat weergegeven voor welke soorten er potenties zijn binnen het M4H-gebied. De locaties met potenties voor leefgebieden van beschermde fauna en groeiplaatsen voor beschermde flora zijn weergegeven in figuur 6.3 en figuur 6.4 op de volgende bladzijden. tabel 6.2 Potenties voor soorten binnen M4H, gebaseerd op waarnemingen gevonden uit bureau-onderzoek (Bureau Stadsnatuur, 2024).

blad 66 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 6.3 Potentiële verblijf- en groeiplaatsen beschermde soorten in M4H (1 van 2)

blad 67 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

figuur 6.4 Potentiële verblijf- en groeiplaatsen beschermde soorten in M4H (2 van 2)

De groeiplaatsen en leefgebieden met potentie voor genoemde beschermde soorten kunnen worden aangetast, indien gebouwen in het plangebied in aanmerking komen voor sloop of renovatie en gronden in aanmerking komen voor herinrichting. Zonder het toepassen van mitigerende maatregelen bestaat het risico op overtreden van de Wet natuurbescherming. Hoewel in dit stadium niet zeker is of deze soorten ook werkelijk hier zitten en welke gebouwen binnen heel M4H behouden, gerenoveerd of gesloopt worden en welke gronden behouden of heringericht worden, moet dit bij de verdere uitwerking van de ontwikkelingen wel duidelijk zijn. Dan is in het kader van het individuele project aanvullend onderzoek nodig om de impact op de vleermuizen en vogels in beeld te brengen. Voor Merwehaven is inmiddels een natuurtoets uitgevoerd. Voor de aangetroffen soorten zullen mitigerende maatregelen nodig zijn om aantasting van de leefgebieden te voorkomen. De resultaten zijn nader weergegeven in paragraaf 3.11 van deze aanvulling op het MER. Conclusie Gelet op de staat van instandhouding van deze soorten en de mogelijkheid om mitigerende maatregelen te treffen, staat de potentiële aanwezigheid van deze soorten de transformatie van M4H niet in de weg.

De effecten van het planvoornemen zijn, gezien de mogelijke effecten op de vleermuizen en vogels (huismussen, slechtvalk, boomvalk en ransuil) in de gebouwen en de mogelijke effecten op de blaas- en schubvaren, glad biggenkruid en smalle raai licht negatief (0/-) beoordeeld.

6.3

Biodiversiteit Een aantal aspecten heeft een grote impact op de beschermde natuurwaarden en de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden, zoals de sloop of renovatie van een gebouw, herontwikkeling van de groenlocaties en het verzachten van de overgang van land naar water door kademuren vervangen door natuurvriendelijke oevers. Onderstaande aandachtspunten en specifieke ecologische kansen dragen bij aan de ontwikkeling van biodivers gebied. Sloop of renovatie van gebouwen Sloop of renovatie van gebouwen kan een grote impact hebben op de gebouwbewonende soorten. Gebouwbewonende soorten zijn redelijk plaatsgetrouw, door een grootschalige ontwikkeling kan de lokale populatie sterk achteruitgaan of zelfs verdwijnen. Mitigerende of compenserende maatregelen zijn nodig indien soorten in gebouwen worden aangetroffen, zoals de huismussen en vleermuizen in een aantal gebouwen binnen M4H (zie paragraaf 6.2). Ecologische kansen renovatie en nieuwe bebouwing:  Kies voor een natuurinclusief ontwerp van de nieuwe bebouwing en buitenruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het geschikt houden van gevels en dak en/of het integreren van verblijfsvoorzieningen (zoals inbouwkasten) voor vleermuizen en broedvogels. Betrek hierbij een stadsecoloog voor advies.

blad 68 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Aanleg van groen De vergroening van M4H biedt kansen om de biodiversiteit te versterken. Aan het gebied wordt circa 8,4 hectare aan groengebieden toegevoegd (zie figuur 6.5). Het aanleggen van gecultiveerd groen, zoals stadsparken, plantsoenen en recreatiegebieden, kan afbreuk doen aan de diversiteit van M4H. Er is een goede balans nodig tussen gebruiksgroen (voor mensen) en ecologisch groen (voor flora en fauna). De kansen liggen met name in het gebruik van inheemse lokale vegetatie en het behouden van de condities van het landschap: in dit geval voedselarm en droog. Een focus op voedselarme, droge grond en het in stand houden en verder ontwikkelen van de bestaande vegetatie kunnen tools zijn voor behoud van ecologisch groen. Deze vegetatie is ook beter bestand tegen hitte en droogte dan regulier aangelegde buitenruimte. In het Masterplan Merwehaven is de ontwikkeling van een ecologisch netwerk groenstructuur beoogd met het in M4H passende biotoop duinlandschap, zie paragraaf 3.11 van deze aanvulling op het MER. De toevoeging van groen in het plangebied heeft ook potentieel gunstige effecten op (beschermde) soorten. Waar het gebied in de huidige situatie arm is aan bomen en heesters, kunnen vleermuizen en vogels sterk profiteren van een toename aan (inheemse) bomen en heesters.

figuur 6.5 Toekomstige groenstructuur in M4H (bron: Ruimtelijk Raamwerk M4H)

Ecologische kansen aanleg groen in buitenruimte:  Hanteer bij de herinrichting zoveel mogelijk het ‘nee, tenzij-principe’: realiseer een groen maaiveld, tenzij dit in verband met gebruiksfuncties niet kan;  Kies niet (enkel) voor een strak gemaaid gazon, maar voor bijvoorbeeld bloemrijke mengsels met extensief beheer;  Behoud waar mogelijk (grote) inheems bomen en lijnvormige groenstructuren vanwege hun grote ecologische waarde en doordat het terugkrijgen van een dergelijke functie veel tijd kost;  Compenseer te verwijderen groen op dezelfde locatie of anders in de direct omgeving;  Behoud of creëer een doorlopende groenstructuur;  Pas waar mogelijk een natuurlijk en extensief beheer toe, waardoor grasland of randen worden omgevormd naar een rijkere kruidenvegetatie;  Creëer waar mogelijk een rand of plek met ruigtekruiden die slechts eens per twee jaar wordt gemaaid, ter ondersteuning van het insectenbestand en kleine zoogdieren;  Draag zorg voor een goede (doorlaatbare) bodemstructuur.

blad 69 van 71

datum 2 februari 2024 projectnummer 0458108.100 betreft Aanvulling MER Merwe-Vierhavens

Overgang van land naar water In het Ruimtelijk Raamwerk wordt ingegaan op het verzachten van land-waterovergangen, onder andere door de aanleg van een getijdenpark langs de Nieuwe Maas. Binnen M4H, in Keilekwartier, wordt momenteel het eerste getijdepark aangelegd. Het getijdenpark zal hoofdzakelijk bestaan uit een grote hoeveelheid zand die afhankelijk van het getij onder water zal komen te staan. Deze ingreep van het verzachten van de land-waterovergangen kan kansrijk zijn voor veel flora en fauna, enkel schept het voor muurflora risico’s. Voor deze soortgroep is M4H een belangrijk verspreidingsgebied binnen Rotterdam. Ondanks dat deze soorten niet meer beschermd zijn, wordt aanbevolen om rekening te houden met de groeiplaatsen van deze muurflora en ruimte te bieden voor nieuwe groeiplaatsen. De aanleg van een getijdenpark kan tevens bijdragen aan de het vergroten van de natuurwaarden langs de rivier. Door het creëren van meer gradiënten kunnen waardevolle migratieroutes voor vissoorten en andere diersoorten bieden. Hiermee wordt de biodiversiteit in het gebied vergroot. Binnen het plangebied zijn er meerdere groeiplaatsen van Japanse duizendknoop. Het Havenbedrijf Rotterdam is actief bezig met de bestrijding van deze invasieve en schadelijke soort. Bij grondverzet kan deze soort zich verspreiden.

Zonder aanpak van deze soort kunnen groeiplaatsen zich handhaven en uitbreiden, met als gevolg beschadiging van gebouwen, verharding en beplanting. Ecologische kansen herinrichting overgang van land naar water  Gebruik bij de restauratie van de kademuur zachte kalkrijke cementspecie. Hierdoor ontstaan mogelijk geschikte groeiplaatsomstandigheden voor beschermde (kade)muurplanten zoals blaasvaren en schubvaren. Door achter de kadestenen een vochtvoerende laag in te passen, kan het water capillair stijgen12 en zo de voegen vochtig houden;  Onderzoek de mogelijkheden om groeiplaatsen van (niet-beschermde) varens te behouden, zoals de groeiplaatsen vooraf weg te halen en achteraf terug te brengen;  Plaats de huidige stenen weer terug bij het opnieuw bestraten van de kade. Conclusie De biodiversiteit kan door de transformatie van M4H sterk verbeteren. Een aandachtspunt hierbij is wel dat niet al het groen gecultiveerd wordt naar gebruiksgroen. Voor een versterking van de biodiversiteit is ook ecologisch waardevol groen relevant. Het beoogde effect van het toevoegen en vergroten van de biodiversiteit met het planvoornemen is hierom positief (+) beoordeeld.

6.4

Samenvattende beoordeling planvoornemen Score milieueffecten De aanvullende effectbeschrijvingen in de voorgaande paragrafen leiden niet tot andere effectscores op het thema ecologie, dan in het MER. Het planvoornemen heeft geen effecten op beschermde gebieden. Het planvoornemen kan leiden tot licht negatieve effecten op beschermde soorten vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde vleermuizen en vogels. Er liggen kansen om de biodiversiteit in het gebied te vergroten. Er zijn geen verschileffecten tussen het laag en hoog programma. De effectscores blijven ongewijzigd. tabel 6.3 Beoordeling ecologie

Aspect

Beoordelingscriteria

Gebiedsbescherming: Natura 2000 Gebiedsbescherming: Natuur Netwerk Nederland Soortenbescherming

De mate van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden De mate van aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden Natuur Netwerk Nederland

Biodiversiteit

De mate van aantasting en versterking op de instandhouding van beschermde soorten De mate van biodiversiteit

Laag programma

Hoog programma

0

0

0

0

0/-

0/-

+

+

12

Capillaire werking is opstijging van een vloeistof (meestal water) in nauwe kanalen door onderlinge aantrekking (cohesie en adhesie) van moleculen.

blad 70 van 71

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Monitorweg 29 1322 BK Almere Postbus 10044 1301 AA Almere E. Hester.Lindeboom@Anteagroup.nl

Copyright © 2024 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.

www.anteagroup.nl

QUICKSCAN MERWEHAVEN ROTTERDAM Eindrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 23-11-2022

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Gemeente Rotterdam Dhr. D. van der Gaag Postbus 6575 3002 AN Rotterdam do.vandergaag@rotterdam.nl

Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

Ing. D. Withagen

Auteur: Kwaliteitscontrole:

Ing. D. Withagen Ing. J. Koorevaar

Projectcode: Status: Datum:

RONA2240 Definitief 23-11-2022

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

SAMENVATTING

De Gemeente Rotterdam is voornemens de Merwehavens te transformeren van een haven naar een leefgebied. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De geplande werkzaamheden kunnen leiden tot het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, de boommarter en de steenmarter en het doden van individuen van deze soorten. De werkzaamheden kunnen leiden tot het verdwijnen van essentiële vliegroutes van vleermuizen. Nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen kunnen worden aangetast en vernield en individuen kunnen worden verstoord en gedood. Exemplaren van beschermde flora kunnen worden ontworteld en vernield. De werkzaamheden kunnen leiden tot het doden van algemene (vrijgestelde) amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren en nesten van algemene broedvogels kunnen worden vernield. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden.

Het projectgebied herbergt mogelijk exemplaren van beschermde flora en beschermde functies van de boommarter en de steenmarter, vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van beschermde flora, vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, steenmarter en vleermuizen, vliegroutes van vleermuizen en de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar beschermde flora dient te zijn afgestemd op de blaasvaren, glad biggenkruid, schubvaren en de smalle raai. Onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen), rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis (m.u.v. paarverblijfplaatsen) en de watervleermuis (m.u.v. paar- en winterverblijfplaatsen). Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren, zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) uit te voeren.

De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming. Zodoende zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing op de te kappen bomen in het projectgebied.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 8

3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Zoogdieren ......................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 12 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 13 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 13 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 13 3.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................

13 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 14 3.3 Invasieve exoten .................................................................................................................... 15 3.3.1 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 15 3.4 Effecten ................................................................................................................................. 16 3.4.1 Effecten ontwikkelingen ....................................................................................................... 16 3.5 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 17 3.5.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................ 17 3.5.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 17 3.5.3 Ontheffing Wet natuurbescherming ...................................................................................... 18 4 4.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 19 Effecten ................................................................................................................................. 19

5

Houtopstanden ......................................................................................................................... 20

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 21 Conclusies ............................................................................................................................. 21 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 21

7

Literatuur .................................................................................................................................. 23

Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 24 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 25 Bijlage 3: Waarnemingen habitatscan ................................................................................................. 27

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De Gemeente Rotterdam is voornemens de Merwehavens te transformeren van een haven naar een leefgebied. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming. Zodoende zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing op de te kappen bomen in het projectgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8840419b-78df-4cb0-a18d-c4b84a8f3d47