CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb005785] Bijlage behorende bij 24bb005717 over wijzigingen definitieboekje collegetargets juni 2024

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 19 september 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Financiën7.245 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingen definitieboekje collegetargets juni 2024 2. Collegetarget Verminderen naastplaatsingen en zwerfafval We verminderen naastplaatsingen en zwerfafval in de 20 wijken die het slechtst scoren. Doel in deze collegeperiode is een stijging van de CROW-score op naastplaatsingen en zwerfafval met gemiddeld 5 procentpunt over alle 20 wijken. Portefeuillehouder: wethouder Karremans Begrotingsprogramma: Beheer van de stad SDG: 11. Duurzame steden en gemeenschappen Doelstelling: specifiek We verminderen naastplaatsingen en zwerfafval in de 20 wijken die het slechtst scoren. Het doel is een stijging van de CROW-score van gemiddeld 5 procentpunt ultimo 2025 ten opzichte van het jaargemiddelde ultimo 2021. Een naastplaatsing is afval naast de containers en kan bestaan uit zakken, dozen en grofvuil. Zwerfafval is ‘klein’ afval dat mensen bewust of onbewust weggooien of achterlaten in de openbare ruimte op plaatsen die daar niet voor bestemd zijn. Voorbeelden zijn verpakkingsmaterialen, sigarettenfilters, kauwgomresten, blikjes en flesjes. Zwerfafval en naastplaatsingen zijn grote ergernissen van Rotterdammers. Meer naastplaastingen betekent ook meer kans op zwerfafval. Vanwege deze samenhang is het target op beide onderwerpen gericht. Voor de aanpak op naastplaatsingen is extra geld beschikbaar gesteld in het coalitieakkoord.

Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd De succesvolle NietRnaast-aanpak om naastplaatsingen aan te pakken wordt over heel Rotterdam uitgerold. In de wijken worden alle containers gecontroleerd. Medewerkers registreren de naastplaatsingen met behulp van een app en halen ze van straat. Er wordt samengewerkt met handhavers om boetes uit te schrijven. Analyse van de registraties wordt ingezet om het werkproces en de wijkgerichte dienstverlening te optimaliseren. Uit de metingen van de naastplaatsingen bleek dat 20 wijken slecht scoren. Dit heeft geleid tot deze target, waarbij naast de naastplaatsingen ook de aanpak van het zwerfvuil is betrokken omdat deze twee onderwerpen vaak hand in hand gaan waar het gaat om de vervuiling in de wijk. Naastplaatsingen pakken we ook aan door vaker en strenger te beboeten. Reinigingsmedewerkers leiden we op tot toezichthouder zodat zij kunnen optreden tegen naastplaatsingen. Met de introductie van de pop-up milieuparken krijgen bewoners de kans om kapotte of kringloopwaardige spullen op een laagdrempelige manier in te leveren in hun wijk. Het pop-up milieupark bestaat uit meerdere containers, elk voor een aparte grondstof, zoals textiel, oud papier en karton, elektrische apparaten en grofvuil. Ook kunnen bewoners spullen inleveren die nog bruikbaar zijn.

Tegelijkertijd maken we Rotterdammers bewust van het belang van afval scheiden en informeren we hen over de milieuparken waar ze het hele jaar terecht kunnen. In 2023 worden er minimaal 100 pop-up milieuparken georganiseerd. Samen met de verruiming van openingstijden van de milieuparken en de recente ingebruikname van te lenen bakfietsen (incl. reservering) zorgt deze wijkgerichte dienstverlening voor meer service naar en gemak voor de Rotterdammers. We gaan verder met onze aanpak van zwerfafval en het reinigen van de buitenruimte. We zetten de reinigingsteams vaker in, stadsbreed en ook in het weekend. We zetten bij de in- en/of uitgang van

parken op piekmomenten grote containers neer. We investeren in zogenaamde ‘zakken vullen’ acties, waarbij bewoners en schoolkinderen voor een kleine tegenprestatie zwerfafval opruimen. De landelijke invoering van statiegeld op plastic flesjes (sinds juli 2021) en blikjes (vanaf 2023) heeft invloed op de hoeveelheid zwerfafval. We zien het aantal flesjes in het zwerfafval afnemen. Tegelijkertijd heeft het zoeken van flesjes in afvalbakken door Rotterdammers die wat bij willen verdienen, weer nieuw zwerfafval tot gevolg. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2021 2022 (nulmeting) (31-122022) Mijlpaal

80,25% niveau B of hoger

2023 (31-122023)

2024 (31-122024)

2025 (31-122025)*

2026/einde collegeperiode

81,5% niveau B of hoger

82,75% niveau B of hoger

84% niveau B of hoger

84% niveau B of hoger

Realisatie

79% niveau B of hoger** Beeldkwaliteit naastplaatsingen en zwerfafval in de 20 slechtst scorende wijken *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording ** jaargemiddelde van alle metingen Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens CROW-systematiek Er wordt gemeten volgens de landelijke CROW-systematiek, die de gemeente sinds 2019 toepast om de beeldkwaliteit van de Rotterdamse buitenruimte te monitoren. De metingen worden steeksproefsgewijs gehouden en gedurende het hele jaar uitgevoerd op verschillende tijdstippen, dagen en seizoenen. Hierdoor kan het aantal metingen per wijk per jaar verschillen. Voor de metingen wordt gebruik gemaakt van standaard beeldmeetlatten en meetmethoden uit de landelijke CROW Kwaliteitscatalogus Openbare Ruimte. Een beeldmeetlat beschrijft een kwaliteitscriterium met foto’s, beschrijvingen en prestatie-eisen. Bij elke beeldmeetlat wordt de score uitgedrukt in een kwaliteitsniveau. Deze kwaliteitsniveaus lopen van A+ tot en met D: • A+ = zeer goed • A = goed • B = voldoende • C = matig tot onvoldoende • D = onvoldoende tot achterstallig Er zijn beeldmeetlatten voor de reiniging van de openbare ruimte (Schoon), beheer verharding en beheer groen (Heel). Een onafhankelijk bedrijf meet volgens deze systematiek de buitenruimte op CBS-buurtniveau.

De gemeenteraad wordt conform de P&C-cyclus geïnformeerd over de gemeten CROWkwaliteitsniveaus op Schoon en Heel. De CROW-indicator Schoon en Heel staat in de begroting. De resultaten worden ook online gepubliceerd op een schouwkaart: Beeldkwaliteit meten | Rotterdam.nl. Metingen van het target Voor het collegetarget worden de metingen gebruikt voor de CROW-indicatoren op naastplaatsingen en zwerfafval. Voor naastplaatsingen betreft dit de beeldmeetlat Meubilaircontainer-bijgeplaatst afval rondom container. Voor zwerfafval wordt het gemiddelde van de 5 verschillende beeldmeetlatten over zwerfafval gehanteerd, te weten ‘Groen-beplanting-zwerfafval

grof’, ‘Groen-gras en kruidachtigen-zwerfafval fijn’, ‘Groen-gras en kruidachtigen-zwerfafval grof’, ‘Verharding-zwerfafval fijn’ en ‘Verharding-zwerfafval grof’. De realisatie is het gemiddelde van de scores op naastplaatsingen en zwerfafval, waarbij aan beide een even zwaar gewicht wordt toegekend. De 20 slechtst scorende wijken zijn benoemd op basis van hun scores op naastplaatsingen over 2021, vanwege de focus van de NietRnaast aanpak en de aandacht voor dit onderwerp in het coalitieakkoord. De gehele collegeperiode blijft de focus liggen op deze 20 wijken. Dit betreft CBS-wijken. Het betreft de volgende wijken:

Wijk Pendrecht Oud Charlois Tarwewijk Carnisse Lombardijen Stadsdriehoek Provenierswijk Vreewijk Tussendijken Bergpolder Struisenburg Oude Noorden Rubroek Beverwaard Spangen Zuidwijk Bospolder Hillesluis Zuiderpark Cool Nieuwe Westen Gemiddelde top 20:

Gebied Charlois Charlois Charlois Charlois IJsselmonde Rotterdam Centrum Noord Feijenoord Delfshaven Noord Kralingen-Crooswijk Noord Kralingen-Crooswijk IJsselmonde Delfshaven Charlois Delfshaven Feijenoord Charlois Delfshaven Delfshaven

Gemiddelde CROW-score 2021 naastplaatsingen en zwerfafval 76,69% 80,40% 73,16% 73,23% 81,43% 79,45% 81,24% 82,47% 72,07% 80,71% 82,87% 74,89% 79,46% 82,83% 74,63% 86,25% 77,33% 74,40% 91,30% 81,98% 81,75% 78,86% niveau B of hoger

NB. Het Witte Dorp scoorde ook niet goed op de metingen naastplaatsingen. Echter, deze wijk is niet opgenomen in bovenstaand overzicht vanwege het feit dat deze wijk in 2021 slechts 4 metingen op naastplaatsingen had. Dit ligt lager dan het minimale aantal van 8 metingen per wijk om een betrouwbaar cijfer te krijgen, waardoor het Witte Dorp niet geschikt is bevonden als onderdeel voor de uitvoering van het collegetarget. Nulmeting De nulmeting over 2021 betreft het gemiddelde van de scores op naastplaatsingen en zwerfafval voor deze 20 wijken. De gemiddelde score over 2021 is 79% niveau B of hoger. Deze score is gebaseerd op 8.311 metingen in 2021. Rapportage en verantwoording Jaarlijks in het eerste kwartaal wordt met een wethoudersbrief gerapporteerd aan de gemeenteraad over de inspanningen en voortgang op het target. De realisatie van het target is tevens beschikbaar

in de jaarrekening. De verantwoording van dit target wordt opgenomen in de integrale eindverantwoording van het college.

7. Collegetarget Woningbouwproductie Het college start de in de komende drie en een half jaar met de bouw van 12.500 – 14.500 nieuwe woningen. Van deze woningen (uitgezonderd tijdelijke woningen) behoort 20% tot het sociale segment en 35% tot het middensegment. Portefeuillehouder: wethouder Zeegers Begrotingsprogramma: Stedelijke Ontwikkeling SDG: 11. Duurzame steden en gemeenschappen: Iedere Rotterdammer moet toegang hebben tot een woning die past bij hun inkomen. Dit stimuleren we door nieuwe woningen te bouwen in verschillende prijssegmenten en bijvoorbeeld afspraken te maken met woningbouwcorporaties en marktpartijen. Zo zorgen we er voordat starters, ouderen of sociale stijgers in Rotterdam kunnen blijven wonen. Doelstelling: specifiek Rotterdam groeit, volgens het principe goede groei, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Daarbij wordt naast een integrale groei, van woningen, voorzieningen, werklocaties en groen, ingezet op een goede participatie en betrokkenheid van de rotterdammers. Veel rotterdammers zijn op zoek naar een betaalbare (Sociale of Midden-Categorie) woning. De ambitie is om in de periode Juli 2022 t/m December 2025 in totaal te starten met de bouw van 12.500 – 14.500 nieuwe woningen. (in het eerste half jaar van 2022 zijn 1500 nieuwe woningen gestart met de bouw, deze vallen buiten deze collegeperiode).

Van deze woningen (uitgezonderd tijdelijke woningen) behoort minimaal 20% tot het sociale segment en minimaal 35% tot het middensegment.” Van zelfstandige woningen is sprake als in de woningen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen de status zelfstandig hebben toegewezen gekregen. College zet daarnaast in op de startbouw van 1600 studentenwoningen in de komende periode. Indien de studentenwoningen zelfstandige woningen betreffen worden deze aantallen meegeteld in het target. Studentenkamer (onzelfstandige woningen) vallen niet binnen het target. Daarnaast zetten we in op de realisatie van tijdelijke woningen die voor de duur van ca15 jaar in Rotterdam worden geplaatst. De tijdelijke woningen tellen wel me in de productieaantallen, maar komen bovenop de afgesproken te realiseren percentages van de betaalbare woningen.

Onder het target vallen alle te starten zelfstandige woningen, die tot stand komen via nieuwbouw, optoppen door het bouwen van woningen op een bestaand gebouw, transformatie (functieverandering van niet-wonen naar wonen) en vernieuwbouw (grootschalige schilrenovatie van bestaande woonpanden tot nieuwe woningen, waarbij de woningen ten behoeve van de renovatie worden onttrokken, de woningen die ontstaan na de renovatie worden daarbij als nieuwe woningen op de woningmarkt aangeboden) De grenzen van de prijsklassen zijn bepaald in de vastgestelde woonvisie, inclusief de jaarlijkse indexeringsafspraken, de prijsklassen worden jaarlijks geactualiseerd in de feitenkaart prijsklassen. De datum waarop de feitelijke starthandeling van de bouwwerkzaamheden plaatsvindt, bepaalt in welk jaar de woning meetelt. Als feitelijke starthandeling wordt voor nieuwbouw aangehouden, een eerste paal of een eerste andere constructieve handeling zoals het slaan van een damwand of de startbouw die op project is afgesproken naar de kopers en is gedefinieerd voor dat project in de woningborg of SWK afspraken. Indien er geen fundering noodzakelijk is voor de nieuwbouw geldt de eerste handeling van het bouwwerk op de nieuwe locatie. Voor transformatie en of renovatie wordt aangehouden het starten van de eerste verbouwingswerkzaamheden aan het betreffende pand.

Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd De beschikbaarheid van voldoende (bouw)locaties is essentieel om de doelstelling te kunnen realiseren. Indien de gemeente zelf het initiatief neemt om een locatie uit te werken, dan spreken we van de actieve rol van de het ontwikkelproces, zoals bijvoorbeeld in M4H of de Rijnhaven, Maar er zijn ook locaties waarbij een marktpartij of een corporaties, op niet gemeentelijke gronden woningbouw ontwikkelen. In deze gevallen spreken we van een faciliterende gemeente rol. Om bouwlocaties met de juiste programmering uit te werken in lijn met de gemeentelijke doelstellingen zet de gemeente daarbij zowel privaatrecht als publiekrecht in. Behalen van de opgave wordt gerealiseerd door het begeleiden en initiëren van de planvorming, het prioriteren van de mogelijke bouwplannen, het binden van voldoende investerend, ontwikkelend en bouwend vermogen aan de opgave door bijvoorbeeld marketing en door het voeren van accountmanagement naar de partners die de bouwproductie daadwerkelijk gaan realiseren. Gezien de uitdagende marktsituatie, de noodzaak om door te blijven bouwen ook als de marktsituatie complexer wordt, en de noodzaak tot bijsturing zodat voldoende betaalbare woningen worden gerealiseerd is het maken van nieuwe afspraken met de bouwsector in een vernieuwd bouwakkoord nodig.

Samen met de Rotterdammers Rotterdam groeit snel en daarmee verandert ook de woonomgeving en werkomgeving van bestaande Rotterdammers snel. Goede participatie en betrokkenheid van de bestaande rotterdammers is daarom essentieel om de groei van de stad in het huidige tempo te kunnen blijven realiseren. Waarom kiezen we in dit target voor een bandbreedte? Voor het realiseren van het target is Rotterdam afhankelijk van andere partijen; zo bouwen we de woningen niet zelf en zijn bijdragen vanuit Rijk en gemeentelijke begroting noodzakelijk voor onrendabele investeringen in gebiedsontwikkelingen. Bovendien zijn macro economische ontwikkeling (zoals economische ontwikkelingen, stijgende bouwkosten, etc.) van invloed op ontwikkelingen in de woningmarkt. Vandaar de keuze voor een target met bandbreedte tussen 12.500 en 14.500 woningen. Inzetten van privaatrechtelijke en publiekrechtelijke sturing. Sturing op de woningbouw en de onderliggende programmering vindt zowel privaatrechtelijke als een publiekrechtelijke plaats. De bouw van de woningen zelf wordt volledig door marktpartijen en corporaties gerealiseerd.

Publiekrechtelijk zorgt de gemeente voor het opstarten van voldoende gebiedsontwikkelingen, via het vaststellen van visies en masterplannen, de afgifte van omgevingsvergunningen, voor eventueel benodigde wijzigingen van het planologisch kader en maakt de gemeente afspraken met woningbouwcorporaties in prestatieafspraken. Privaatrechtelijk maakt de gemeente afspraken over de vergoeding van door de gemeente te maken kosten voor het project, maar ook over de te realiseren programmering, met partijen in anterieure overeenkomsten, gronduitgiften en overige bijbetalingen over de kosten voor het plan. Per locatie wordt bekekenen welke mix van privaatrecht en publiekrecht moet worden ingezet om de gemeente doelstellingen te realiseren. Extra sturing op betaalbaarheid De betaalbaarheid van woningen in Rotterdam staat onder druk, dit komt enerzijds omdat door de schaarste de woningprijzen in de afgelopen jaren flink zijn opgelopen, anderzijds omdat de kostprijs van een woning vaak hoger ligt dan de prijs die voor een betaalbare woning kan worden betaald. De Rotterdamse woningmarkt vraagt daarom om een sterke sturing vanuit de gemeente en een

vernieuwing van de Rotterdamse Woonvisie die in de komende periode zal worden uitgewerkt. De actieve rol bij nieuwe bouwprojecten zal worden versterkt om de gewenste programmering nu en in de komende jaren ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Het college heeft daarbij 25 miljoen euro gereserveerd om de onrendabele investeringen van betaalbare woningen af te kunnen dekken. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde Op basis van het door de rekenkamer opgestelde rapport targets tellen wordt is de startdatum voor de meting gelegd op 1 juli 2022. Het college target gaat over de periode van 01-07-2022 t/m 31-052025. Gemiddeld betekent dit het starten van 3.500 – 4.000 woningen per jaar, maar de daadwerkelijke te starten aantallen per jaar kunnen fluctueren. De eindwaarde wordt vastgesteld voor eindverantwoording (31-12-2025). Het college wijst erop dat daarmee de cijfers voor het collegetarget van de eerste mijnpaal 2023 en de laatste mijlpaal 2025 afwijken van de jaarcijfers die het college ook rapporteert over de bouwproductie.

Mijlpaal

2022, nulmeting (01-07-2022)

2023 (31-122022

2024 (31-12-2023)

2025 (31-12-2024)

einde collegeperiode (30-11-2025)

0

2.000 -2.500 ( 20% sociaal35% Midden)

5.500 – 6.500 (20% sociaal35% Midden)

9.000 – 10.500 (20% sociaal-35% Midden))

12.500 – 14.500 (20% sociaal35% Midden)

Realisatie Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Voortgangsmeting van de target vindt plaats via het monitorsysteem van nieuwbouwwoningen, BoPro van het cluster Stadsontwikkeling. Dit systeem ondersteunt de programmering van de woningbouwopgave aan de ene kant en monitort daarin de daadwerkelijke startbouw en de onderliggende programmering. De startbouw wordt bijgehouden door het doen van fysieke waarnemingen. Betaalbare woningen tellen mee, indien is aangetoond dat deze op moment van startbouw in het betaalbare segment worden gerealiseerd. De aangetoonde prijs kan daarbij worden bepaald op basis van een vastgestelde verkoopprijs of verhuurprijs zoals, danwel via een overeengekomen afspraak met de ontwikkelende partij over de in het project te realiseren programmering, indien deze (of een deel van deze) verkoop of verhuur prijzen, nog niet zijn vastgesteld.

Bij alle woningen die in Bopro de status gestart krijgen wordt gecontroleerd of de prijscategorieën die zijn opgenomen in de registratie in overeenstemming zijn met de vastgestelde verkoopprijs of verhuurprijs zoals aangeleverd door de ontwikkelende, verhurende of verkopende partij, of is gepubliceerd op een openbare verkoopsite (zoals bijvoorbeeld Funda of de betreffende project verkoop/verhuur site) of in overeenstemming zijn met hierover tussen partijen gemaakte afspraken in bijvoorbeeld privaatrechtelijke contracten. Indien deze prijscategorie niet kan worden geverifieerd krijgt het de prijscategorie met de status onbekend. Zodra de prijs, op een later moment wel kan worden geverifieerd, bijvoorbeeld als de woningen in verhuur worden genomen, worden de prijscategorieën, met terugwerkende kracht in het jaar van startbouw gecorrigeerd. Er vindt voor de prijsgrenzen geen berekening plaats.

Rapportage en verantwoording Het college rapporteert jaarlijks via de eerste en tweede herziening en jaarverslag over de kwantitatieve en onderliggende programmering van de gerealiseerde bouwproductie. Tevens zal de eindverantwoording worden opgesteld op basis van alle woningen die zijn gestart tussen 01-072022 t/m 31-12-2025.

8. Collegetarget Verkeersveiligheid We verbeteren de verkeersveiligheid in Rotterdam door effectieve maatregelen te treffen op dertig van de meest verkeersonveilige locaties in de stad. Portefeuillehouder: wethouder Karremans Begrotingsprogramma: Stedelijke ontwikkeling SDG: 9. Innovatie en duurzame infrastructuur Doelstelling: specifiek Het verbeteren van de verkeersveiligheid valt onder begrotingsdoelstelling 2.2: Ruim baan voor fietsers en voetgangers. “Jaarlijks de aanpak van de tien meest verkeersonveilige plekken. Opsporing van asociaal rijgedrag en aanpakken van de daders. Voorbereiding op de snelheidsnorm van maximaal 30 km per uur in de stad.” De collegetarget brengt focus aan in de uitvoering van verkeersveiligheidsbeleid door dertig locaties te selecteren waar zich onveiligheid concentreert. De veiligheid wordt verbeterd door gerichte maatregelen te treffen. De effectiviteit van de maatregelen wordt vastgesteld door de effecten in de praktijk te beoordelen. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Met het verbeteren van verkeersveiligheid beogen we het aantal verkeersslachtoffers steeds verder te beperken door het aantal en de ernst van ongevallen te verminderen. Om ongevallen te voorkomen, volgen we een risico-aanpak.

We sporen risicolocaties op op basis van systematische risico-inschatting, daadwerkelijk optredende ongevallen en meldingen van burgers; we pakken maatregelen aan met op de risico’s gerichte maatregelen en monitoren de effectiviteit daarvan. We treffen effectieve maatregelen op de dertig meest verkeersonveilige locaties in de stad. We stellen in de eerste helft van 2023 een lijst op van verkeersonveilige locaties op het gemeentelijke wegennet, op basis van de dan bekende scores op: A. Risico’s in de infrastructuur (inrichting voldoet niet aan ontwerprichtlijnen) en/ of risico’s door te grote drukte en hoge snelheid in relatie met de weginrichting. De weginrichting van wegen en fietspaden toetsen we digitaal aan de richtlijnen van CROW en SWOV. B. Beleving van onveilig verkeersgedrag op basis van een eigen verkeersveiligheidsenquête. C. Locaties waar de afgelopen drie jaar zes letselongevallen hebben plaatsgevonden. Zie de toelichting onder Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens voor een uitwerking en precisering van deze selectie. We actualiseren deze lijst jaarlijks. Ieder afzonderlijk criterium (A, B, C) staat voor 1 punt. Een locatie kan zodoende minimaal één en maximaal drie punten scoren, waarmee een rangorde in mate van onveiligheid ontstaat. Bij de jaarlijkse actualisatie kan deze rangorde door nieuw ingewonnen data worden aangepast.

Bepalend is de plek van een locatie in de rangorde op het moment dat tot aanpak wordt besloten. In de selectie van aan te pakken locaties kan van deze rangorde worden afgeweken op basis van de volgende afwegingen: De locatie is een concentratiepunt van onveiligheid in een groter gebied. Als aanpak op de locatie een bredere uitstraling heeft op de veiligheid in het gebied, kan deze met voorrang worden opgepakt. Afstemming met de omgeving: is aanpak van de locatie haalbaar en wenselijk. Projecten die kunnen worden gecombineerd met andere werkzaamheden of waarvan de voorbereiding al gaande

is, hebben voorrang. Anderzijds kunnen de eisen van verkeerscirculatie, overlastbeperking, toekomstig gepland groot onderhoud of bouwplannen veroorzaken dat een locatie beter niet direct kan worden aangepakt. - Technische uitvoerbaarheid en kostenefficiency. - Geen eenduidige oorzaak verkeersonveiligheid. Als op basis van analyse van de data/informatie over de locatie geen eenduidige oorzaak van de verkeersonveiligheid kan worden vastgesteld, dan is geen gerichte en effectieve aanpak volgens de doelstelling van deze target mogelijk. Uit de rangorde worden voortdurend nieuwe locaties geselecteerd, die kunnen worden aangepakt. De aanpak van de onveilige locatie wordt bepaald door in de 0 situatie een gestandaardiseerde schouw uit te laten voeren door een extern gecertificeerde verkeersveiligheidsauditor, werkzaam binnen de gemeente Rotterdam. Indien nodig wordt een meting uitgevoerd van snelheid en hoeveelheid van het autoverkeer. Op basis van de schouw en andere data stelt een aangewezen expertteam binnen de gemeente het probleem (dwz. de gesignaleerde risico’s en de oorzaken daarvan) vast en maakt een keuze uit de volgende maatregelen: 1) 2) 3)

Het aanpassen van de weginrichting zodat deze aan de ontwerprichtlijnen voldoet. Het beperken van drukte en/of grote snelheidsverschillen door het verlagen van de hoeveelheid en/of rijsnelheid van het autoverkeer (autoluw-aanpak). Het tegengaan van het gevaarlijke gedrag door een infrastructurele aanpassing, of handhaving op/ beïnvloeding van verkeersgedrag.

De maatregelen zijn effectief gebleken wanneer: Risico’s als gevolg van de uitgevoerde maatregelen waarneembaar zijn afgenomen op de betreffende locatie, en/of - De uitgevoerde maatregelen in relatie met het gesignaleerde probleem bewezen effectief zijn conform de wetenschappelijk onderzochte effectiviteit zoals landelijk opgenomen in: Effectiviteitswijzer. -

Om de effectiviteit vast te stellen wordt een gestandaardiseerde schouw uitgevoerd door een extern gecertificeerde verkeersveiligheidsauditor, werkzaam binnen de gemeente Rotterdam. Er wordt indien van toepassing gebruik gemaakt van door de Effectiviteitswijzer bij de uitgevoerde maatregelen voorgeschreven meet- en analysemethoden. Indien nodig wordt een meting uitgevoerd van snelheid en hoeveelheid van het autoverkeer. Op basis van de schouw en daarbij betrokken data stelt een aangewezen expertteam binnen de gemeente de effectiviteit van de maatregelen onderbouwd vast (1-meting). Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022, nulmeting (peildatum)

2023 (peildatum)

2024 (peildatum)

2025 (peildatum)

Mijlpaal 10 10 10 realisatie *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025

2026/einde collegeperiode (peildatum)* Cumulatief 30

Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens De verschillende stappen in het proces worden vastgelegd in rapportages. Voor de begeleiding van het proces en de vastlegging in rapportages, wordt een protocol opgesteld. De inzet van speciaal

gekwalificeerd personeel en de toepassing van landelijk vastgestelde normen spelen een belangrijke rol. Locatiedata A De weginrichting toetsen we digitaal aan de richtlijnen van CROW en SWOV voor ‘veilige weginfrastructuur’ en ‘veilige fietspaden’ (kennisnetwerkspv.nl). B De verkeersveiligheidsenquête wordt uitgevoerd op basis van een platform waarop Rotterdammers met ‘prikkers’ locaties kunnen benoemen waar zij onveiligheid beleven en onveilig gedrag waarnemen. Gestart zal worden met beschikbare data uit 2019, waarna deze enquête in 2023 zal worden geactualiseerd. Op basis van de uitkomsten van de enquête, wordt de norm bepaald voor toekenning van een punt in het kader van deze target. C Conform de registratie van ongevallen in het ongevallenbestand BRON van Rijkswaterstaat. De normwaarde van zes letselongevallen is de landelijk en in het gemeentelijk beleid sinds jaar en dag aangehouden ‘black spot’ definitie. Locatiekeuze De lijst met locaties die is opgesteld op basis van de drie criteria, is openbaar. De keuze van de aan te pakken locaties en de wijze waarop de afwegingen hierin worden meegenomen, worden transparant vastgelegd. NB.

Het begrip ‘locatie’ start als een concentratiepunt van risico’s, ongevallen en/of meldingen; het wordt de lokalisering van een probleem dat kan worden aangepakt; daarna wordt het een projectgebied, waarbij maatregelen ook buiten de oorspronkelijke risicolocatie kunnen worden genomen. Voor de meting van effectiviteit wordt weer teruggegrepen op de locatie waar oorspronkelijk de risico’s optraden. 0-meting (probleem en maatregelen) De door de auditor en het team gemaakte afwegingen en gekozen maatregelen worden transparant vastgelegd in een rapportage. 1-meting (effectiviteit) De overwegingen van auditor en team, de waarnemingen die zijn gedaan en data die zij hebben gebruikt en de uitkomst van de afweging worden transparant vastgelegd in een rapportage. Rapportage en verantwoording Gerapporteerd wordt bij de 4-, 8-maandsrapportage en jaarrekening. Naar aanleiding van de jaarrekening 2023 en 2024 wordt een tussenrapportage opgesteld. Hierin worden de afgeronde locaties meegenomen tot aan het moment van opstellen van de jaarrekening (medio januari van het volgende jaar). De eindrapportage bestaat uit een bundeling van de vastleggingen van locatiekeuzen en per locatie de 0-metingen en 1-metingen.

13. Collegetarget Bedrijfsruimte De doelstelling voor deze collegeperiode is voldoende bedrijfsruimte door te zorgen dat de omvang m² bedrijfsruimte gelijk blijft aan het huidige niveau Portefeuillehouder: Robert Simons Begrotingsprogramma: Stedelijke Ontwikkeling SDG: # 11 Duurzame steden en gemeenschappen: Iedere Rotterdammer moet toegang hebben tot werk dat past bij zijn/haar vaardigheden (SDG 11). Dit stimuleren we door voldoende en gevarieerde bedrijfsruimte te behouden, zowel op formele stedelijke bedrijfslocaties (zie Nota Bedrijfsruimte 2019) als in de wijk. Zo voorkomen we dat een grote groep Rotterdammers in de toekomst geen passend werk in de nabijheid van hun woning kan vinden bij voorkeur in sectoren die belangrijk zijn om onze stad draaiende te houden. Doelstelling: voldoende bedrijfsruimte door te zorgen dat de omvang m² bedrijfsruimte gelijk blijft aan het huidige niveau De doelstelling is om de komende vier jaar te zorgen dat de voorraad bedrijfsruimte in de gemeente Rotterdam buiten het havengebied tenminste gelijk blijft aan het huidige niveau. Dat wil zeggen: het totaal areaal neemt niet af. Deze ambitie is niet puur kwantitatief.

Achterliggend doel is om voldoende beschikbare bedrijfsruimte in de wijken te houden en de kwaliteit en het gebruik van de bedrijfsruimten op industrie- en bedrijventerreinen te verbeteren door in te zetten op “het juiste bedrijf op de juiste plek”. Een belangrijk motief daarbij is dat vooral de praktisch geschoolde Rotterdammers voldoende banen dicht bij hun woning moeten kunnen vinden. We zetten ons hierbij vooral in op twee soorten bedrijfsruimte: Bedrijfsruimte in en nabij de stadswijken, die nodig is om economische functies te huisvesten die: • de wijkeconomie ondersteunen, denk aan de fietsenmaker, loodgieter, autobedrijf, etc. • qua activiteit samen kan gaan met andere functies (wonen, recreëren, horeca?) • qua activiteiten bijdragen aan de economische structuur; • werkgelegenheid bieden verspreid door de stad op korte afstand van de woning. Grootschalige(re) bedrijfsruimte, op redelijke afstand van de woning, gesitueerd op in het bestemmingsplan omschreven industrie- en bedrijventerreinen, bedoeld om onder meer economische functies te huisvesten die: • meer ruimte en mobiliteit nodig hebben voor het bedrijfsproces; bijvoorbeeld verladers, fabrieken, grondstoffenproducenten, • een hogere milieucategorie (3 of hoger) nodig hebben; metaalbewerking, gevaarlijke stoffen, recycling, maakindustrie, etc.

• noodzakelijk zijn voor de distributie en logistiek van goederen in de stad; groothandelsmarkt, sorteercentrum, pakket- en bezorgdiensten. Toelichting Rotterdam groeit, volgens het principe goede groei, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Daarbij wordt een integrale groei voorgesteld van onder meer: woningen, voorzieningen, werklocaties, groen, maar ook een groei in verduurzaming en digitalisering. Door groeiende vraag naar woningen en andere functies is tegelijkertijd met het saneren van verouderde bedrijfslocaties recent een trend waar te nemen van afname van aanbod en voorraad bedrijfsruimte. Volgens de cijfers uit de gemeentelijke Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is in de periode 2020-2022 de voorraad bedrijfsruime in het stedelijk gebied met 35.000 m² (gebruiksvloeroppervlakte) afgenomen. Een bedrijfsruimte is daarbij gedefinieerd als: een verblijfsruimte, waarin werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen (definitie uit Nota Bedrijfsruimte Rotterdam, 2019).

De afname lijkt beperkt, maar autonome (niet bijgestuurde) ontwikkeling zorgt op korte termijn voor verdere krimp en creëert een structureel tekort aan (betaalbare) bedrijfsruimte omdat er slechts in zeer beperkte mate mogelijkheden voor nieuwbouw zijn. Door fysieke en functionele veroudering wordt jaarlijks gemiddeld twee procent van de totale voorraad incourant waarna transformatie (herontwikkeling voor een andere functie) of sloop volgt. En dat in een markt waar bedrijven nu al grote moeite hebben om zich in Rotterdam (of regio) te vestigen of uit te breiden. De schaarste aan bedrijfsruimte is volgens diverse makelaars toegenomen, terwijl prognoses aangeven dat de ruimtebehoefte op langere termijn op een hoog peil blijft en het aanbod van ruimte op bedrijventerreinen in de Rotterdamse regio hier niet in kan voorzien. Het beschikbaar houden van bestaande hoeveelheid bedrijfsruimte is essentieel gezien: • de ruimte die nodig is voor bedrijven die kunnen bijdragen aan de circulaire en duurzame transitie in Rotterdam zoals b.v. de maakindustrie; • het behoud van een brede sectorstructuur. Als we niets doen (en dus niet sturen) wordt Rotterdam een dienstenstad met vooral banen voor theoretisch opgeleiden. De economie wordt eenzijdiger en daarmee kwetsbaarder en minder wendbaar.

• Ongeveer 45% (peiljaar 2020) van de werkgelegenheid in Rotterdam behoort tot de ‘beroepsniveau’s 1 en 2’ waar laag tot middelbaar onderwijsniveau vereist is. Een belangrijk deel van deze werkgelegenheid concentreert zich in bedrijfsruimten en op bedrijventerreinen. Rotterdam wil in de toekomst op alle opleidingstypen banen blijven bieden aan Rotterdammers (Goede Groei). Hiervoor is ruimte nodig, op formele stedelijke bedrijfslocaties en in de wijk. • Het behoud van bedrijfsruimte in de toekomst niet vanzelfsprekend is. Zoals geschetst, is het areaal bedrijfsruimte in de afgelopen jaren afgenomen. De verwachting is dat deze ontwikkeling (veroudering en vervolgens transformatie) zich de komende jaren zal voortzetten. Het huidige tekort aan ruimte voor bedrijvigheid leidt ertoe dat de sectorstructuur van Rotterdam versneld verandert. Activiteiten met meer ruimtebeslag worden naar buiten de gemeente gedrukt en het werk in Rotterdam vereist meer theoretisch opgeleiden. Ruimtelijke verdichting leidt er namelijk toe dat kantoorachtige dienstverlening (en hoogwaardige engineering) meer vestigingskansen krijgt dan praktische maakindustrie. Dit is een structurerend mechanisme dat voortkomt uit de dynamiek tussen productiviteit en grondprijzen. Bij schaarste aan ruimte gaan grondprijzen omhoog waardoor bedrijfsruimten niet betaalbaar blijven.

Ruimte extensieve bedrijvigheid, waar vaker kansen liggen voor praktisch geschoold werk, krijgt daarmee steeds minder kans in de stad. Dit heeft gevolgen voor de Rotterdamse beroepsbevolking. Voor een deel van de praktisch opgeleide Rotterdammers zal het gevolg zijn dat de arbeidsmarktkansen verschuiven naar de regiogemeenten, vooral waar het beroepen gerelateerd aan productie, bouw of logistiek betreft. Of zelfs daarbuiten, want het is maar zeer de vraag of de regio deze ruimtevraag kan of wil accommoderen. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Het behalen van het collegetarget is ambitieus. Rotterdam is afhankelijk van goede samenwerking met andere partijen en het target wordt behaald door de inzet op een scala aan ingrepen en instrumenten. Zo realiseren we meestal de bedrijfsruimte niet zelf; dit is in principe het werkveld van marktpartijen. Daarnaast is het aanbod van bedrijfsruimte onderdeel van een regionale structuur omdat economie niet ophoudt bij de gemeentegrens zodat samenwerking met regiogemeenten (MRDH), Provincie en Rijk voor de hand ligt. Als lokale overheid zijn we echter wel sturend en faciliterend in gebiedsontwikkelingen. Hierbij kan zowel privaat- (o.a. uitgiftecontracten) als publiekrechtelijk (o.a. bestemmingsplannen) gestuurd worden. Om al deze inspanningen te stroomlijnen wordt een actieplan opgesteld.

Het actieplan bedrijfsruimte is in september 2023 gereed en gaat in op:

1. De stedelijke schuifpuzzel die nodig is om balans te krijgen in de bedrijfsruimte voorraad. Dit is onder het credo “het juiste bedrijf op de juiste plek”. 2. Het opbouwen van een monitor en rapportage op bedrijfsruimten. 3. Het onderzoeken en uitwerken van te hanteren instrumentarium Er wordt in het actieplan bij alle onderdelen rekening gehouden met de inbreng en afhankelijkheid van stakeholders en een inschatting gemaakt van de benodigde middelen. Het college kan verschillend instrumentarium inzetten om de gestelde mijlpalen te behalen. Dit instrumentarium wordt in het actieplan nader uitgewerkt. De inzet van het instrumentarium kan op verschillende manieren bijdragen aan de doelstelling, in onderstaande volgorde: 1. Beperken van het onttrekken van ruimte waar bedrijvigheid gevestigd is/zich kan vestigen bij herontwikkeling; - door het niet verlenen van medewerking aan een bestemmings- of functiewijziging. 2. Stimuleren van efficiënter gebruik van ruimte waar bedrijvigheid gevestigd is/zich kan vestigen, waardoor de voorraad toeneemt - door op bedrijventerreinen een minimale millieucategorie verplicht te stellen. 3. Stimuleren van toevoeging van ruimte waar bedrijvigheid zich kan vestigen ; door bij grote gebiedsontwikkelingen in te zetten op minimaal 10% toevoeging van bedrijfsruimte. 4.

Versnellen van de realisatie van plannen voor toevoeging van ruimte waar bedrijvigheid zich kan vestigen – door prioriteit te geven aan gebiedsontwikkelingen waar bedrijfsruimte al in planvorming is opgenomen. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022, 2023 (31-12nulmeting 2022 (01-07-2022) Mijlpaal Realisatie

m² 4.264.471 m² 4.264.471

m² 4.264.471 -

2024 (31-12-2023)

2025 (31-12-2024)

2026/einde collegeperiode (01-12-2025)*

m² 4.264.471 -

m² 4.264.471 -

m² 4.264.471 -

Bij het uitvoeren van de nulmeting is geïnventariseerd hoe groot de autonome ontwikkeling in de komende collegeperiode is. Dit gebeurt op basis van reeds gemaakte harde en zachte planafspraken (op basis van input van de afdeling gebiedsontwikkeling). De planafspraken betreffen zowel gebiedsontwikkelingen waarin bedrijfsruimte verdwijnt als ook waar wordt toegevoegd. Het betreft plannen en de uitvoering is afhankelijk van veel factoren (o.a. vergunning en financiering). Het onderstaande overzicht is daarmee een indicatie voor de ambitie en haalbaarheid van het target. Hierbij dienen nog de volgende opmerkingen gemaakt te worden: • Er is vaak sprake van samenhang: vrijwel altijd is eerst sprake van onttrekking (sloop bestaand vastgoed) voordat toevoeging van nieuwbouw gerealiseerd wordt. Gemiddeld zal het 2 jaar duren voordat een bedrijfsruimte teruggebouwd is na de sloop. In de tussenliggende periode is daardoor een afname van de voorraad terug te zien in de BAGcijfers. Niet zelden worden bouwplannen nog aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden, waardoor er minder of zelfs geen bedrijfsruimte wordt teruggebouwd. • De cijfers voor onttrekking zijn harder dan cijfers voor toevoeging. Onttrekking vindt veel plaats op locaties waar de druk op alternatief programma groot is. Bij nieuwbouw geldt dat ruimtelijke procedures nog gevoerd worden en vertraagd kunnen raken.

• De inschatting is alleen gebaseerd op grotere gebiedsontwikkelingen waarover gesprekken worden gevoerd met marktpartijen.

Grote gebiedsontwikkelingen Boezembuurt (Boezembocht-zuid / Nieuw Kralingen) Loswal de Bonnen (Hoek van Holland) Merwehaven (M4H) Rijnhaven + Katendrecht Piekstraat-Persoonshaven (westzijde, excl Hunter Douglas) Nassaukade (Upfield)

Onttrekking (in m²)

Toevoeging (in Saldo m²) (in m²)

20.000

8.000

-12.000

175.000 15.000 10.500

175.000 -50.000 -28.500

30.000

10.000

-20.000

28.000 182.000

5.000 223.500

-23.000 41.500

65.000 39.000

-

Het positieve saldo bij de grote gebiedsontwikkelingen wordt naar verwachting tenietgedaan door de vele kleine transformaties in het stedelijk gebied en op gemengde bedrijfslocaties. De rekenregel in het vastgoed is dat jaarlijks 2% door fysieke en/of functionele veroudering incourant raakt. Op de Rotterdamse voorraad van 4,2 miljoen betekent dit over de periode van 4 jaar 336.000m² (dit is inclusief bovenstaande grote gebiedsontwikkelingen van 182.000m²). Zonder vervanging op de kleinere locaties dreigt de voorraad te krimp met 112.500m² in de periode 2022-2026. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Voor het meten van het collegetarget bedrijfsruimte wordt gebruik gemaakt van de gegevens in de BAG (basisadministratie adressen en gebouwen). De BAG is de officiële en gemeentelijke databron voor het meten van het target. De feitelijke nulmeting vindt plaats op peildatum 1 juli 2022. De eindmeting vindt plaats op een datum zo dicht mogelijk bij het einde van de collegeperiode, maar niet later dan 1 december 2025. Om de voortgang op het target te monitoren zal op 1 januari van elk tussenliggende jaar een uittreksel uit de BAG gehaald worden. Gemeten wordt het metrage verblijfsobject in gebruik alsook het metrage in verbouwing en het metrage verblijfsobject in gebruik (niet ingemeten). Alleen welke geregistreerd staan met de functie industrie.

Het collegetarget richt zich op de stedelijke economie en is daarom exclusief havengebied (met uitzondering van de Sluisjesdijk waar stedelijke functies voorzien zijn in de toekomst), alle objecten binnen het uitgelichte gebied op de kaart worden daarin meegenomen.

Rapportage en verantwoording Het college rapporteert jaarlijks in de jaarrekening over de voortgang van het target door toe- en afname van bedrijfsruimte in beeld te brengen. In de hoofdrapportage wordt ook op gebiedsniveau

gemonitord over de balans tussen enerzijds onttrekking en toevoeging en anderzijds de ontwikkeling van arbeidsplaatsen per gebied. Dit geeft inzicht in en argumentatie voor te nemen besluiten en inzet van instrumentarium.

15. Collegetarget Wijk aan zet nr. “Het college realiseert (in deze collegeperiode) naar het oordeel van de wijkraad 75% van de acties die opgenomen zijn in de wijkplannen.” Portefeuillehouder: wethouder Simons Contactpersoon (ambtelijk): Mustapha el Boumeshouli, Directeur WPS, Dienstverlening Business controller: Lianne Edelschaap Begrotingsprogramma: De acties uit de wijkplannen vallen in principe onder de bestaande middelen/begroting van de desbetreffende onderdelen van de gemeentelijke organisatie. SDG: 16.7. Ontvankelijke, inclusieve, participatieve en representatieve besluitvorming op alle niveaus garanderen Doelstelling: Door de raad vastgestelde doelen, resultaten en acties in de wijkplannen. Het gaat om maximaal 5 lange termijn doelen, oftewel ER-doelen, welke per wijk jaarlijks worden uitgewerkt in concrete acties, resultaten en doelen in het jaaractieplan (welke deel uitmaakt van een wijkplan). De 75% heeft betrekking op de acties uit de jaaractieplannen van de 39 wijken. Doelstelling(en) uit het begrotingsprogramma Met deze target wordt een bijdrage geleverd aan meerdere doelstellingen uit de verschillende programma’s. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd In de huidige bestuursperiode stellen de wijkraden samen met de gemeentelijke organisatie en het wijknetwerk een wijkakkoord op.

Een wijkakkoord raakt alle beleidsterreinen, dit kan variëren van groen tot veiligheid. Dit betekent dat het wijkakkoord een grote diversiteit aan doelen, resultaten en acties kan hebben die (kunnen) leiden tot het verbeteren van de verschillende opgaven in de wijk. Tegelijkertijd raakt dit de gehele gemeentelijke organisatie. Om het collegetarget te behalen is het van belang dat goed wordt samengewerkt tussen de verschillende beleidsterreinen, en dat de organisatie en het college integraal, wijkgericht en responsief werken. Naar verwachting zullen de doelen, resultaten en acties van de wijken ook bijdragen aan de realisatie van andere collegetargets. Het wijkakkoord bestaat uit het wijkplan en afspraken over participatie bij stedelijke opgaven. Het wijkplan bestaat uit een wijkvisie en een jaaractieplan. In de wijkvisie komen o.a. aan bod: behoeften en wensen vanuit de wijk, relatie met coalitieakkoord of collegeprogramma en stedelijke programma’s, toekomstbeeld, strategie met opgaven (met resultaten) en een meerjarenplanning. In het jaaractieplan worden de beoogde resultaten uitgewerkt in concrete acties. Een wijkplan komt tot stand in gesprekken tussen de wijkraad, het wijknetwerk en de gemeentelijke organisatie.

Zij formuleren met elkaar de belangrijkste doelen/opgaven voor de wijk en gaan met elkaar in gesprek welke acties het meeste bijdragen aan het realiseren van deze doelen. Hierbij beoordeelt de gemeente of het mogelijk is om deze (uit bestaande middelen) uit te voeren. De wijkraad stelt het concept vast. De concept wijkplannen worden voorgelegd aan het college en vastgesteld door de raad, als onderdeel van de P&C cyclus in 2023. Met de vaststelling van de voorjaarsnota worden de bijgevoegde wijkplannen definitief vastgesteld. Wordt er voor de uitvoering van de wijkplannen aanvullend budget beschikbaar gesteld, dan wordt dit toegevoegd aan de begroting van de desbetreffende clusters. Zij ontvangen hiermee de impliciete opdracht om de desbetreffende actie(s) uit te voeren. De jaaractieplannen van 2024 en 2025 gaan mee met de P&C cyclus van dat jaar.

Dit target focust zich op de acties die een bijdrage leveren aan het te realiseren resultaat/doel en daarmee de opgaven die onderdeel zijn van dat doel. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde Nulmeting (ultimo 2023) .

2024 (ultimo)

2025* (ultimo)

2026/einde collegeperiode (peildatum)

Mijlpaal 75% 75% 75% nvt realisatie nvt *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025 Medio 2023 worden de wijkplannen vastgesteld door de gemeenteraad. De jaaractieplannen van 2024 en 2025 gaan mee met de P&C cyclus van dat jaar. Er worden geen acties tussentijds gewijzigd na vaststelling door de gemeenteraad. De wijkraad stelt elk jaar een jaaractieplan vast1, waarin de acties en resultaten per doel staan. Het maximaal aantal doelen per wijk is 5, het maximaal aantal resultaten per doel is 3 en het maximaal aantal acties per resultaat is 3. De wijkraad ontvangt hierover een 8-maands- en 12maandsrapportage. In plaats van een 4-maandsrapportage wordt met de wijkraden een kwalitatief gesprek over de voortgang gevoerd. Deze wijziging vindt plaats met ingang van 2024. Het einddoel van het target is om bij de derde meting (eind 2025) 75% van alle unieke acties uit de jaaractieplannen 2023, 2024 en 2025 behaald te hebben. Dit betekent dat alle acties uit de jaaractieplannen over de jaren 2023, 2024 en 2025 voor alle 39 wijkraden worden meegenomen. Om te beschikken over een zo actueel mogelijk beeld wordt in 2025 ipv een 8-maandsrapportage eenmaal een 10-maandsrapportage opgesteld. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens De doelen, resultaten en acties uit de jaaractieplannen worden vastgelegd in het gemeentelijk systeem (thans Digiwap).

Op basis hiervan wordt twee keer per jaar een voortgangsrapportage (8 en 12-maanden) opgesteld. Daarin wordt door de gemeentelijke organisatie aangegeven wat is afgerond, wat nog loopt en welke prognose wordt afgegeven voor de realisatie van de acties binnen dat jaar. Dit betreft een kwalitatieve meting, waar wordt gemeten aan de hand van een stoplichtenmodel.

1

onder voorbehoud van vaststelling door de Raad

Het stoplichtenmodel kent vier kleuren: - Groen voor de acties, resultaten en doelen die naar het oordeel van de wijkraad zijn gerealiseerd, of op afzienbare termijn volledig worden gerealiseerd of deels gerealiseerd zijn en niet hoeven te worden afgemaakt - Oranje2 voor de acties, resultaten en doelen die doorlopen in het nieuwe jaar of doorschuiven naar het nieuwe jaar. De kleur oranje wordt alleen gebruikt voor acties die doorschuiven en opgenomen worden in het jaaractieplan van het volgende jaar. Een actie kan meerdere jaren doorschuiven of doorlopen. - Rood voor de acties, resultaten en doelen die naar het oordeel van de wijkraad niet of onvoldoende zijn gerealiseerd, of niet meer nodig/gewenst zijn - Wit voor de acties, resultaten en doelen die niet uitvoerbaar zijn (besloten door het college) Het oordeel van de wijkraad is leidend bij een eventuele afwijking tussen de perceptie van de wijkraad en het WijkMT over de voortgang van de acties in de 12-maandsrapportage. In het wijkverslag van de wijkraad dient deze afwijking opgenomen te worden. Hierop volgend wordt de kleur van de actie aangepast in het systeem/de 12-maandsrapportage. De opstelsom van de 39 12maandrapportages (in 2025 de 10-maandsrapportage) leidt tot een totaalpercentage.

Mocht een wijkraad niet functioneren/niet in de gelegenheid zijn om tijdig een wijkverslag te maken en de 12-maandsrapportage te bespreken en vast te stellen, dan wordt de vaststelling van de 12maandsrapportage ambtelijk gedaan door het WijkMT.

Bij de bepaling van het percentage worden bij alle eindrapportages (12-maandsrapportage in 2023 en 2024, 10-maandsrapportage in 2025) alle groene acties afgezet tegen het totaal aantal acties (kleuren groen, oranje en rood). De acties die niet uitvoerbaar zijn (besloten door het college), de witte acties, worden niet meegenomen. Ook de acties waarvan de gemeente niet de actiehouder is (acties van de wijkraad en externe partijen) worden niet meegenomen in het percentage. In 2023 wordt dat voor alle acties uit het jaaractieplan 2023 gedaan. In 2024 wordt dat voor alle acties uit de jaaractieplannen 2023 en 2024 gedaan (dus cumulatief). In 2025 wordt dat voor alle acties uit de jaaractieplannen 2023, 2024 en 2025 (t/m de 10-maandsrapportage 2025) gedaan. Rapportage en verantwoording De 8- en 12-maands rapportages worden besproken met de wijkraad en het WijkMT3 waarbij de wijkraad de eindrapportage (12-maandsrapportage in 2023 en 2024, 10-maandsrapportage in 2025) uiteindelijk vaststelt. De 12-maands voortgangsrapportage wordt elk jaar geaccordeerd door de gemeenteraad en wordt, tezamen met het wijkverslag wat de wijkraad maakt meegenomen in de jaarrekening van de gemeente Rotterdam. De 12-maandsvoortgangsrapportage van 2025 wordt niet meegenomen in dit collegetarget, aangezien dit te laat is om mee te nemen in het verantwoordingsproces. Hier wordt -per

Voor alle doorgeschoven acties wordt in de desbetreffende (beide of meer) jaarschijven het unieke nummer opgenomen dat hoort bij de doorgeschoven actie. Zo zijn alle doorgeschoven acties goed volgbaar. De procesbeheerder controleert of deze doorgeschoven acties niet dubbel meetellen. Daar alle doorgeschoven acties in het jaar T+1 doorlopen komen alle doorgeschoven acties uit het jaar T voor de berekening van de collegetarget te vervallen. 2

3

Tot 2024 ook met het rayonberaad, deze zijn echter per 2024 afgeschaald

uitzondering- gekozen om een 10-maandsrapportage te maken ipv een 8-maadsrapportage. Obv deze rapportage wordt de eindwaarde bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d5d347fc-6aa4-4ba1-a4f1-0504503b9750