CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004772] Bijlage 1 behorende bij 24bb004774 over toelichting ontwerpbestemmingsplan Park OverdeSchie

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 25 september 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bestemmingsplan Tennispark Over de Schie19.039 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwaliteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende:

26

1. 2.

aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld; bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging benodigd is.

5.1.4

Gemeente Rotterdam

Waterplan 2 Rotterdam De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: » » »

Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf.

een

Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van De Delfthavense Schie is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Afbeelding 5.1 toont het watersysteem in de directe omgeving van het plangebied, zoals opgenomen op de legger van het hoogheemraadschap. In de huidige situatie is in het plangebied in de noordrand beperkt oppervlaktewater aanwezig. Binnen de aangrenzende schooltuinen is ook water aanwezig.

27

Afbeelding 5.1: Uitsnede leggerkaart Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. 5.3.2

Grondwater

Het plangebied valt binnen het peilgebied GPG-1030 met een waterpeil van NAP -2,50 m.

5.3.3

Waterkering

In het plangebied bevinden zich langs een regionale waterkeringen. De beschermingszone reikt niet tot het plangebied. De nieuwe woningen komen dan ook niet in de waterstaatswerk of beschermingszone te liggen.

5.3.4

Riolering

In het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater via het vuilwaterriool wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. Het hemelwater wordt via een drainage infiltratieriool afgevoerd. Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 8 (Overschie). Rioleringsdistrict 8 voert het afvalwater via district 7 (Blijdorp) en district 3 (Westen) naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven (AWZI) af.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

In de huidige situatie is beperkt oppervlaktewater aanwezig. Het aantal m2 verharding bedraagt in de huidige situatie circa 2.080 m2. Dit is akkoord bevonden door het Hoogheemraadschap. In de toekomstige situatie wordt circa 6.427 m2 verhard (zie tabel 5.1). Het verhard oppervlak neemt dus met circa 4.347 m2 toe. Conform de beleidsregel van het Hoogheemraadschap dient 1507o van het

28

toegenomen verhard oppervlak gecompenseerd te worden. Er dient dus 652,1 m2 water gegraven te worden. Daarnaast geldt in de gemeente Rotterdam dat bij nieuwe bouwwerken en nieuwe terreinverharding van 500 m2 en meer, 50 mm waterberging moet worden aangelegd. Het verhard oppervlak neemt met 4.347 m2 toe, waardoor 218 m3 waterberging nodig is. De benodigde waterberging van de gemeente mag gecombineerd worden met de eis van het Hoogheemraadschap. In en aan het plan wordt circa 650 m2 water gegraven. Voor de overige watercompensatie wordt gedacht aan het toepassen van infiltratiekratten. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in grasbeton. Om te zorgen dat bij planrealisatie voldoende watercompensatie wordt toegepast is een voorwaardelijke verplichting voor de benodigde waterberging opgenomen in de planregels. Gebruiksoppervlak

Percentage verhard

Verhard oppervlak

Woningen

2.828 m2

100Zo

2.828 m2

Tuinen

3.561 m2

30Zo

1.068 m2

Bestrating

2.186 m2

100Zo

2.186 m2

Grasbeton

690 m2

50Zo

345 m2

Groen

1.850 m2

00Zo

0 m2

Water

670 m2

007o

0 m2

Totaal

6.427 m2

Tabel 5.1: toekomstige verharding De nadere uitwerking van de aansluiting op het bestaande watersysteem wordt bij de watervergunning uitgewerkt.

5.4.2

Grondwater

Het plangebied wordt circa 1 meter opgehoogd. De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Het plan maakt daarnaast geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden.

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

In het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Ook is er geen beschermingszone en daaraan gekoppelde beschermende dubbelbestemming die binnen het plangebied valt.

5.4.4

Riolering

Door de beoogde nieuwbouw neemt de hoeveelheid afvalwater toe, en daarmee ook de belasting van het rioleringssysteem. De hoeveelheid afvalwater die bij realisatie van de ontwikkeling wordt toegevoegd zal echter relatief gering zijn ten opzichte van de totale hoeveelheid afvalwater in de omgeving van het plangebied. Het huidige rioleringssysteem biedt naar verwachting voldoende capaciteit om de toename van afvalwater door de nieuwbouw op te vangen. Bij de nieuwe ontwikkeling wordt voorzien in een gescheiden rioolstelsel, dat wil zeggen het gescheiden afvoeren van afval- en hemelwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt en zorgt dat er minder water wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. Het hemelwater wordt via een drainage infiltratieriool afgevoerd.

29

5.5

Conclusie

Door de voorgenomen ontwikkeling neemt Watercompensatie is daardoor benodigd.

het

verhard

oppervlak

in

het

plangebied

toe.

Het plangebied bevindt zich niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Wat betreft de riolering wordt voorzien in een gescheiden afvoerstelsel. Deze waterparagraaf zal worden voorgelegd aan en waar nodig worden afgestemd met de afdeling Watermanagement van de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

30

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieueffectrapportage

6.2.1

Kader

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.2

Plangebied

De realisatie van 48 woningen kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het bestemmingsplan. Door de initiatiefnemer moet op grond van het Besluit m.e.r. een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden opgesteld. Hierover dient door het bevoegd gezag expliciet een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele m.e.r.-beoordeling of MER noodzakelijk is. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat als gevolg van de ontwikkeling hooguit in beperkte mate en geen significant nadelige milieueffecten optreden. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren. Mogelijk is er ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren.

31

6.3

Mobiliteit

6.3.1

Verkeer

Bereikbaarheid en ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten aan de Torenlaan, richting de 2e Hogenbanweg en de Spaansebrug. Daarnaast voorziet het plan in (wandel)verbindingen richting het fiets- en wandelpad parallel aan de Delftshavense Schie.

Verk eersgeneratie Ten behoeve van de ontwikkeling is door KuiperCompagnons een verkeersnotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de notitie blijkt dat voorgenomen ontwikkeling in de minst gunstige situatie 83 extra motorvoertuigbewegingen per weekdag genereert. Dit is relatief gezien geen beperkte toename, maar in absolute zin wel. Mede gelet op de inrichting van Torenlaan en de 2e Hogenbanweg worden dan ook geen knelpunten verwacht als gevolg van deze toename van het aantal verkeersbewegingen.

6.3.2

Parkeren

Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022 Op dit moment geldt de “Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022”. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan van de parkeereis geheel of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat er in beginsel geen parkeervergunning op straat wordt afgegeven. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of vrijstelling kan worden verleend. Tevens zijn in de beleidsregeling regels opgenomen over elektrische voertuigen (EV Ready). Collectieve parkeervoorzieningen op eigen terrein bij nieuwbouw of transformatie moeten voorbereid zijn op het kunnen laden van elektrische voertuigen (EV Ready).

Ook moet de initiatiefnemer een EV plan aan de gemeente Rotterdam kunnen overleggen, waaruit blijkt dat op iedere autoparkeerplaats horend bij de ontwikkeling laadinfrastructuur gerealiseerd kan worden, zonder dat hiervoor bouwkundige aanpassingen noodzakelijk zijn. En dat een netaansluiting gerealiseerd wordt met voldoende capaciteit om ten minste 20o7o van het totaal aantal voertuigen waarvoor autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn gelijktijdig te kunnen laden, al dan niet met behulp van IT-oplossingen zoals een Smart grid.

Dynamische verwijzing bestemmingsplan Om aan het gemeentelijk parkeerbeleid te kunnen toetsen, is in artikel 11.1 van de regels van dit bestemmingsplan bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, en voor het laden en lossen van goederen, alleen kan worden verleend als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde 'dynamische verwijzing'. Dat wil zeggen dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. Op het moment van totstandkomen van dit bestemmingsplan is de 'Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022' het geldende beleid waaraan wordt getoetst. Om rekening te houden met een eventuele wijziging van het gemeentelijk beleid zonder dat het bestemmingsplan daarvoor moet worden aangepast, verwijst de regeling ook naar eventuele rechtsopvolgers. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de parkeernormen en eis van parkeren op eigen terrein, mits wordt voldaan aan de voorwaarden die eveneens in de beleidsregels zijn opgenomen. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is

32

de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Autoparkeren Op grond van de gemeentelijke beleidsregeling, geldt in de zone 'Overig gebied' (zone C) voor grondgebonden woningen van 85 tot 120 m2 gbo een parkeernorm van 1,80 autoparkeerplaatsen per woning. Voor de appartementen van 65 tot 85 m2 gbo geldt een parkeernorm van 1,0 autoparkeerplaatsen per woning en voor appartementen van 85 tot 120 m2 gbo geldt een parkeernorm van 1,4 autoparkeerplaatsen per woning. Voor de grondgebonden woningen zijn 57,6 parkeerplaatsen benodigd en voor de 16 appartementen 16,4 parkeerplaatsen. In totaal zijn dus 74 parkeerplaatsen nodig. In het stedenbouwkundig plan worden drie parkeerkoffers voorzien met in totaal 56 parkeerplaatsen. Sommige rij- en hoekwoningen krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit betreffen 18 parkeerplaatsen. In totaal wordt er binnen het plangebied dus voorzien in 74 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.

Fietsparkeren De rij-Zhoekwoningen krijgen in de tuin of in het bouwvolume een berging voor de stalling van fietsen. Ook wordt er in het appartementengebouw een fietsenstalling voorzien. Alle woningen krijgen een eigen berging van ten minste 5 m2.

6.4

Milieuzonering

6.4.1

Kader

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

33

6.4.2

Plangebied

De voorgenomen ontwikkeling maakt de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies mogelijk. Ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Schie, bevindt zich het gezoneerde industrieterrein 'Spaanse Polder. Binnen dit industrieterrein zijn bedrijven toegestaan van milieucategorie 1 t/m 5, met een maximale richtafstand van 1.000 meter. Het gedeelte van het industrieterrein direct aan de overzijde van de Schie, het dichtst bij de toekomstige woningen, kent voor een groot deel de aanduiding 'groothandel'. Deze groothandel kan worden geschaard onder categorie 3.1, met een richtafstand van 50 meter. De afstand tot aan het plangebied bedraagt circa 65 meter. Het plangebied valt wel binnen de richtafstanden van de andere toegestane bedrijven op het industrieterrein. Voor deze bedrijven is geluid het maatgevende aspect. Andere milieuaspecten, zoals geur en gevaar zijn niet van invloed op het plangebied. Er liggen geen geurcontouren over het plangebied heen. Bovendien veroorzaakt de naastgelegen groothandel op deze aspecten geen hinder. Verder is net ten zuiden en te noorden van het plangebied al woningbouw gerealiseerd of in aanbouw, waardoor bestaande en toekomstige bedrijvigheid in die zin al wordt belemmerd. In het akoestisch onderzoek door Buro Bouwfysica is het aspect industrielawaai meegenomen. In paragraaf 6.5.2 zijn de resultaten uit dit onderzoek toegelicht.

Daarnaast is door Peutz onderzoek gedaan naar geluid en luchtkwaliteit als gevolg van de geprojecteerde hulpwarmtecentrale in Overschie. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het onderzoek is geconcludeerd dat voor geluid als luchtkwaliteit geen belemmeringen worden voorzien. Gelet op het aspect geluid worden wel belemmeringen voorzien. Om hier te kunnen voldoen aan de standaard geluidgrenswaarden zullen geluidreducerende maatregelen aan de HWC getroffen moeten worden. Deze belemmeringen zijn overigens reeds aanwezig in verband met het aanwezige wegverkeerslawaai (zie paragraaf 6.5.2). Door middel van maatwerkvoorschriften dienen hogere grenswaarden te worden verleend. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een schoolwerktuin. Voor schoolwerktuinen is geen VNG-categorie met bijbehorende richtafstand benoemd. Er kan wel enige hinder worden verwacht zoals compost (geur) en stemgeluid. Categorieën waarbij kan worden aangesloten zijn bijvoorbeeld Akkerbouw en fruitteelt of Kassen. Deze categorieën kennen een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De woningen worden van de schoolwerktuin gescheiden door een waterpartij, groenzone en ontsluitingsmogelijkheden. De richtafstand van 10 meter wordt dan ook gerespecteerd. Daarnaast zijn direct aangrezend aan de schoolwerktuin reeds woonbestemmingen aanwezig.

Hiervan worden dan ook geen belemmeringen verwacht.

6.4.3

Conclusie

Voor alle toekomstige woningen moet een hogere waarde worden vastgesteld. Dit betekent dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan eveneens een ontwerpbesluit tot vaststellen hogere waarde ter inzage moet worden gelegd.

6.5

Geluid

6.5.1

Kader

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Met dit bestemmingsplan worden nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt, namelijk woningen. De voorzieningen in de plint zijn geen geluidgevoelige bestemmingen in het kader van de Wgh.

Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden In de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder worden respectievelijk voor wegverkeerslawaai,

34

spoorweglawaai en industrielawaai twee typen grenswaarden benoemd: de zogenaamde voorkeursgrenswaarde en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Per geluidbron (per weg, per spoorweg en per industrieterrein) wordt aan de grenswaarden getoetst. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan bij het College van B&W een zogenaamde hogere waarde (dan de voorkeursgrenswaarde) worden aangevraagd. Het vaststellen van een hogere waarde door B&W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden.

stedenbouwkundige,

Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels).

Dove gevels De Wet geluidhinder benoemt grenswaarden voor de geluidbelastingen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Dove gevels zijn echter gevels waarvan de geluidbelastingen op deze gevels niet hoeven te worden getoetst aan deze grenswaarden. Dove gevels zijn: » «

gevels zonder aanwezige te openen delen en die voldoen aan een karakteristieke geluidwering van tenminste het verschil van de geluidbelasting en een waarde van 33 dB, onderscheidenlijk 35 dB(A); gevels met bij uitzondering te openen delen, mits deze delen niet grenzen aan een geluidgevoelige ruimte (slaap-, woon- of eetkamer). Voorbeelden zijn: 1. een raam in een gevel van een besloten keuken met een vloeroppervlakte van minder dan 11 m2; 2. een raam in een hal van een woning; 3. een nooduitgang.

Onderzoekszone wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De locatie is in het kader van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de 2e Hogebanweg.

Onderzoekszone industrielawaai De locatie is gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Spaanse Polder.

Normstelling In het geval nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals nieuwe woningen, kunnen worden gerealiseerd binnen een zone van een weg of een gezoneerd industrieterrein, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het college van Rotterdam) bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Voor de nieuwe woningen moet worden onderzocht of aan de normen van de Wgh kan worden voldaan. Indien noodzakelijk moet een procedure voor het vaststellen van hogere waarden worden doorlopen. Geluidsbron

Voorkeu rswaarde

Hogere waarde nieuwbouw

Lokale wegen

48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)

63 dB (art. 83, lid 2 Wgh)

Industrieterrein

50 dB(A) (art. 57, lid 1 Wgh)

55 dB(A) (art. 60 Wgh)

35

Tabel 6.1: Normstelling wegverkeers- en industrielawaai voor nieuw te bouwen woningen. Reductie geluidsbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidsbelastingen op grond van artikel 110g Wgh worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet worden gerekend met het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Voor de wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur wordt op de resultaten voor wegverkeerslawaai een reductie toegepast van 5 dB.

Cumulatie In artikel 110f Wet geluidhinder is aangegeven dat de cumulatieve geluidsbelasting van verschillende geluidsbronnen inzichtelijk moet worden gemaakt. Daarbij gaat het om de relevante geluidsbronnen; alle bronnen die de voorkeurswaarde overschrijden. Aan de cumulatieve geluidsbelastingen worden geen normen gesteld. Het college moet bij het vaststellen van de hogere waarden beoordelen of zij de cumulatieve geluidsbelasting aanvaardbaar acht. De cumulatieve geluidsbelasting moet worden berekend volgens de omschreven rekenmethode uit hoofdstuk 2 van bijlage I van Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012.

Rotterdams ontheffingsbeleid Wgh Om ervoor te zorgen dat ook bij hoogbelaste woningen een leefbare woonsituatie blijft bestaan, worden in het Rotterdamse beleid hogere waarden aanvullende voorwaarden gesteld. De voorwaarden waarin in dit rapport is getoetst is dat alle nieuw te bouwen woningen beschikken over tenminste één geluidsluwe gevel en buitenruimte. Als geluidsluw wordt verstaan een geluidsbelasting van maximaal 53 dB voor wegverkeerslawaai cumulatief na toepassing van de reductie ex artikel 110g Wgh en 50 dB(A) voor het totaal van alle industrielawaaibronnen. In de praktijk kan het om stedenbouwkundige redenen wenselijk zijn om buitenruimten aan de geluidbelaste zijde te situeren, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van zon. Deze situatie wijkt af van het ontheffingsbeleid. Om geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen, moet in dat geval gezocht worden naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van een gemeenschappelijke buitenruimte die wel geluidluw is gelegen. Het creëren van een tweede buitenruimte is eveneens een mogelijkheid. Als niet aan één of meer aan het ontheffingsbeleid verbonden voorwaarden wordt voldaan, kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek doen aan de DCMR om voor dat plan af te wijken van het vastgestelde ontheffingsbeleid. Het plan moet dan in ieder geval voldoende aandacht schenken aan de leefomgevingskwaliteit.

6.5.2

Plangebied

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BuroBouwfysica een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 4. De belangrijkste resultaten en conclusies zijn hieronder samengevat. Uit de beoordeling van het plan met grondgebonden woningen in drie lagen en een zeslaags appartementengebouw volgt dat nagenoeg alle woningen binnen het plan een geluidbelasting ondervinden vanwege industrielawaai afkomstig van het industrieterrein Spaanse Polder hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) tot een maximum van 58 dB(A) op de 6e laag aan de zuidwestgevel van het appartementengebouw. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 55 dB(A) ten gevolge van industrielawaai wordt op een deel van de woningen (atelierwoningen en deel van appartementen) overschreden waardoor het toepassen van dove gevels noodzakelijk is. Wegverkeerslawaai afkomstig van de 2e Hogebanweg Z Spaanse Brug speelt uitsluitend een rol voor de woningen aan de zijde van de brug tot een maximum van 57 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden waardoor het toepassen van dove gevels vanwege wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Vanwege de overschrijding van grenswaarden is het noodzakelijk om voor alle woningen binnen het plan hogere waarden vast te stellen.

Bij de vaststelling van een hogere waarde dient op grond van het gemeentelijk geluidbeleid rekening gehouden te worden met aanvullende voorwaarden waaronder, de

36

aanwezigheid van een geluidluwe zijde, aanwezigheid geluidluwe buitenruimte en een gunstige akoestische indeling van de woningen. Voor de drielaagse tuin- en laanwoningen geldt dat zij in de huidige opzet direct kunnen voldoen aan de aanvullende voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast is vanwege het overschrijden van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit vanwege het geluid afkomstig van de tijdelijke hulpwarmtecentrale van de Eneco die wordt gesitueerd onder de Spaanse Brug noodzakelijk dat er naast het treffen van schermmaatregelen maatwerkvoorschriften worden vastgesteld tot een geluidbelasting van maximaal 55 dB(A) ter plaatse van de gevels van het appartementengebouw. Met de in het rapport beschreven principeoplossingen en randvoorwaarden voor de indeling van de woningen wordt de beoogde ontwikkeling als haalbaar beoordeeld binnen de kaders van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid.

6.5.3

Conclusie

Voor alle toekomstige woningen moet een hogere waarde worden vastgesteld. Dit betekent dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan eveneens een ontwerpbesluit tot vaststellen hogere waarde ter inzage moet worden gelegd.

6.6

Luchtkwaliteit

6.6.1

Kader

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fjnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » » « » »

De

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid

37

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.6.2

Plangebied

In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen (aan één ontsluitingsweg) in de regel is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 47 nieuwe woningen mogelijk, en blijft zodoende ruim onder dit criterium. Nader onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2|5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.

Afbeelding 6.3: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM25, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool). Uit afbeelding 6.3 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 23,1 gg/m3, 17,2 gg/m3 en 9,3 gg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 gg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 gg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

38

Hulpwarmtecentrale (HWC Overschie) Door Peutz is onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit als gevolg van de geprojecteerde HWC Overschie. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5. Hieruit volgt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen).

6.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.7

Bodem

6.7.1

Kader

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.7.2

Plangebied

Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel een sportbestemming, waarbinnen wonen op de locatie van de nieuwbouw niet is toegestaan. Dit bestemmingsplan maakt op de locatie de realisatie van woningen mogelijk. Inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse is benodigd. Door onderzoeksbureau Arnicon is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. De belangrijkste resultaten en conclusies zijn hieronder samengevat. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de aangetroffen sterke verontreinigingen met koper, lood, nikkel, zink en/of PAK. Voor deze verontreinigingen is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zodoende is er een noodzaak tot het nemen van saneringsmaatregelen in het kader van de herontwikkeling. Zonder de maatregelen is de locatie niet geschikt geacht voor de beoogde woonbestemming. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodem niet verontreinigd is met asbest terecht.

De aangetoonde sterke verontreinigingen met koper, lood, nikkel, zink en/of PAK in de grond (circa 0,1-0,65 m-mv) geven op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) in principe aanleiding tot het treffen van een saneringsmaatregel. Voor deze verontreinigingen is het aanbrengen van een leeflaag de meest gebruikelijke saneringsmethode. Derhalve wordt het niet noodzakelijk geacht om de omvang nauwkeuriger in kaart te brengen. Voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden kan er met behulp van een saneringsplan of een BUS-melding (gestandaardiseerd saneringsplan) het voornemen tot saneren worden ingediend bij het bevoegd gezag (DCMR). De saneringsmaatregel en/of het grondwerk zal uitgevoerd dienen te worden door een voor de BRL 7000 erkende aannemer en begeleid dienen te worden door een voor de BRL 6000 erkende milieukundig begeleider. Na beëindiging van de saneringswerkzaamheden dient er een BUS-evaluatie van de sanering te worden opgesteld. Dit verslag dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overlegd, waarna de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen).

39

Eventuele afvoer van grond dient plaats te vinden conform de regelgeving in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond op de locatie her te gebruiken. Voor hergebruik als bodem binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing.

6.7.3

Conclusie

Om de locatie geschikt te maken voor de nieuwe bestemming 'Wonen' is het nodig de verontreiniging te saneren. Om de verontreiniging te saneren zal een BUS-melding of een saneringsplan ingediend worden bij het bevoegd gezag.

6.8

Externe veiligheid

6.8.1

Kader

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

40

6.8.2

Plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: » » »

Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A13 en A20; Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam-Gouda; Rotterdam The Hague Airport (RTHA).

Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen voor de rijkswegen en spoorlijn. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Het plangebied bevindt zich aan de rand van het vliegveld RTHA. Vanwege de ligging aan de grens van de zone en het zeer lage groepsrisico dat in de huidige situatie aanwezig is, levert RTHA geen belemmering op voor de ontwikkeling. De risicocontouren en invloedsgebieden van de inrichtingen die zich op het aangrenzende bedrijventerrein Spaanse Polder bevinden reiken niet tot aan het plangebied. Deze bedrijven vormen daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig 'verspreiden' tussen de reguliere doelgroepen.

Scenario toxische gassen Door een incident kan een tankwand van een tankauto scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van de gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd.

41

Risicocommunicatie naar toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huu^/koopcontract voor een woning of indiensttreding kunnen bewoners en werknemers op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand” en de website www.rijnmondveilig.nl.

6.8.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Bij definitieve planvorming dient het bestemmingsplan Rotterdam-Rijnmond.

6.9

Natuur

6.9.1

Kader

voor

advies

voorgelegd

te

worden

aan

de

veiligheidsregio

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Het begrip 'aanvaardbaar" betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. In dit document worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot voorliggend plangebied.

42

6.9.2

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: « »

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. Een quickscan in het kader van de Wnb is daarom benodigd. Door GroenTeam is in dit kader een ecologische quickscan uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 7. De belangrijkste bevindingen worden hieronder samengevat. Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat er binnen het plangebied geen strikt beschermde soorten zijn te verwachten. Tijdens het broedseizoen (half maart tot eind augustus) kunnen in bomen en struiken wellicht enkele broedende vogels worden verwacht. De vogels mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. Behalve broedvogels kunnen verder uitsluitend wellicht enkele provinciaal vrijgestelde soorten worden verwacht, waarvoor de wettelijke zorgplicht van toepassing is.

6.9.3

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN is zodoende niet nodig. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.

Stik stofdepositie Voorliggend plangebied bevindt zich op geruime afstand van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Desondanks dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn als gevolg van stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Daarbij is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering - waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt - geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De bouwfase hoeft niet langer te worden berekend; een berekening voor de gebruiksfase blijft wel benodigd. Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-onderzoek opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gedurende de gebruiksfase van de 48 nieuwe woningen in het bestemmingsplan 'Park OverdeSchie'. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

6.9.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

43

6.10

Duurzaamheid

6.10.1

Kader

Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het klimaatakkoord (waarvan het ontwerp eind 2018 is verschenen) staan afspraken met verschillende sectoren over hoe de doelen uit de Klimaatwet gehaald kunnen worden. Na het doorrekenen van het klimaatakkoord door het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving is de overheid het klimaatakkoord momenteel aan het afronden.

Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m3 per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.

Rotterdam Duurzaamheidskompas De gemeente Rotterdam voert actief beleid met betrekking tot duurzaamheid. Het Rotterdams duurzaamheidskompas zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij, en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Hierin is aangegeven welke doelstellingen Rotterdam de collegeperiode, in 2030 en in 2050 nastreeft op het gebied van duurzaamheid, hoe de gemeente de transities op het gebied van duurzaamheid dichter bij elkaar brengt en integreert, en op welke manier de gemeente met welk thema aan de slag gaat. De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in ambities op vier thema’s: energietransitie, circulair, klimaatbestendig en gezonde leefomgeving. De gemeente werkt aan zowel de energietransitie als aan de transitie naar een circulaire economie en creëert tegelijkertijd een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. De vier ambities zijn van grote invloed op elkaar. Door de uitdagingen die er liggen binnen de vier thema’s zo veel mogelijk te verbinden, versterken ze elkaar in de uitvoering. Zo creëert de gemeente een robuust pad naar een gezond en groen Rotterdam met een duurzame toekomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=471f021b-f558-4a41-afb7-be6f4789e481