CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004772] Bijlage 1 behorende bij 24bb004774 over toelichting ontwerpbestemmingsplan Park OverdeSchie

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 27 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting19.039 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Park OverdeSchie ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.:

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam NL. IMRO.0599.BP2196TennisparkOv-on01

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

7

Beleid

8

2.1

Rijksbeleid

8

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

10

2.3

Gemeentelijk beleid

13

Beschrijving van het plangebied

17

3.1

Ontstaansgeschiedenis

17

3.2

Huidig gebruik

17

3.3

Archeologie

18

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

19

Planbeschrijving

21

4.1

Inleiding

21

4.2

Nota van Uitgangspunten

21

4.3

Ontwikkelingen

22

4.4

Juridische planbeschrijving

23

Water

25

5.1

Beleidskader

25

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

27

5.3

Huidige watersysteem

27

5.4

De wateropgave

28

5.5

Conclusie

30

Milieu

31

6.1

Inleiding

31

6.2

Milieueffectrapportage

31

6.3

Mobiliteit

32

6.4

Milieuzonering

33

6.5

Geluid

34

6.6

Luchtkwaliteit

37

6.7

Bodem

39

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

2

6.8

Externe veiligheid

40

6.9

Natuur

42

6.10

Duurzaamheid

44

6.11

Windhinder en windgevaar

45

6.12

Overige aspecten

45

Hoofdstuk 7

Handhaving

46

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

47

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

Hoofdstuk 10

Procedure

49

10.1

Voorbereidingsfase

49

10.2

Ontwerpfase

49

10.3

Vaststellingsfase

49

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van tennispark OverdeSchie. Het tennispark is in privaat eigendom en wordt niet gesubsidieerd. Inmiddels is gebleken dat er geen mogelijkheid is deze onderneming rendabel voort te zetten. Door de initiatiefnemer is daarom een woningbouwplan ontwikkeld voor deze locatie. Het nieuw beoogde stedenbouwkundige plan past niet binnen de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt de gewijzigde opzet in juridisch-planologische zin mogelijk gemaakt.

1.2

Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een relatief gedetailleerde opzet en regeling, omdat er al een ver uitgewerkt bouwplan voorhanden is. De regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bevindt zich in de wijk Overschie in Rotterdam. Het plangebied wordt grofweg begrensd door: » » » «

Bestaande woonbebouwing aan de Torenlaan aan de noordoostzijde; de Torenlaan met daarachter de Spaansebrug aan de zuidoostzijde. educatieve- en nutstuincomplexen van Stad en Natuur aan de noordwestzijde; de Delfshavense Schie en de lange-afstandsfietsroute over de Delfshavenseweg aan de westzijde.

De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. De globale ligging van het plangebied is in afbeelding 1.1 en 1.2 weergegeven.

5

Afbeelding 1.1: Ligging plangebied in de directe omgeving

Rotterdam The Hague. -' Airport

'*

Bedrijvenpark

Bedrijven terrein

Rotterdam centrum Schiedam centrum

Havengebied Havengebied

Afbeelding 1.2: Globale ligging van het plangebied op grotere schaal (het plangebied is globaal rood aangegeven).

6

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Overschie', dat op 29 november 2018 door de gemeenteraad van Rotterdam is vastgesteld. In dit bestemmingsplan kent het voorliggende plangebied de enkelbestemmingen 'Sport - Sport- en speelterrein' en 'Wonen'. Daarnaast is aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Afbeelding 1.2 toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.

Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan, voorliggend plangebied is rood omkaderd (bron: ruimtelijk eplannen. nl). Tot slot gelden op de gronden van het plangebied nog de paraplubestemmingsplannen 'Parapluherziening parkeernormering Rotterdam', 'Parapluherziening biologische veiligheid' en 'Parapluherziening Cultuurhistorie Overschie'. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening evenementen' bevindt zich nog in de ontwerpfase. Omdat de voorziene ontwikkeling niet past binnen het geldende bestemmingsplan wordt met dit bestemmingsplan een nieuwe planologisch kader gemaakt.

7

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgegaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één Rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Dit toekomstperspectief voor Nederland is: » » » » »

Een klimaatbestendige delta; Duurzaam, concurrerend en circulair; Kwaliteit van leven in stad en dorp; Nabijheid en betrouwbare verbindingen; Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk.

Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. 2. 3. 4.

Naar een duurzame en concurrerende economie; Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn: 1. 2. 3.

Combineren boven enkelvoudig; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen voorkomen.

De komst van de Omgevingswet maakt het mogelijk om het beleid en aanpak rondom de gezonde leefomgeving steviger te verankeren, rekening houdend met de samenstelling van de wijk en de behoeften van inwoners. Gemeenten krijgen onder de Omgevingswet namelijk meer ruimte voor lokaal maatwerk doordat taken worden gedecentraliseerd. Volgens het Rijk is een gezonde leefomgeving een omgeving waar inwoners zich prettig voelen, die uitnodigt tot gezond gedrag en zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid. Voor gemeenten is onder andere de 'Handreiking Gezonde Gemeente' door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgesteld om te ondersteunen bij

8

het sturen op een gezonde fysieke en sociale leefomgeving. De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat. Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd pier 1 juli 2017 Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid twee en drie) dienen plannen, waarin nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

of

van

kantoren,

detailhandel,

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte.

Planspecifieke toets Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van circa 48 nieuwe woningen. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. De ontwikkeling kan daarom worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor een ladderonderbouwing benodigd is. Daarbij dient in ieder geval de behoefte aan de ontwikkeling te worden onderbouwd. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam en voorziet dus in een verdichting. Voor de locatiekeuze is daarom geen nadere onderbouwing in het kader van de ladder nodig.

Behoefte In

de

Staat

van

Zuid-Holland

is

de

toegestane

woningvoorraadgroei

op

basis

van

de

Woningbehoefteraming 2021 opgenomen, voor de periode 2021 t/m 2030. Voor de regio Rotterdam volgt hieruit een toegestane woningvoorraadgroei van 61.150, en een toegestane plancapaciteit van 79.495

9

woningen. Van deze toegestane woningvoorraadgroei zijn 31.950 woningen voorzien voor de periode t/m 2025. Hieruit blijkt de grote behoefte aan woningen in de regio, waar de beoogde toevoeging van 48 wooneenheden in algemene zin een bijdrage aan levert. De ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van appartementen en rijwoningen. Dit sluit aan bij de ambitie uit de Rotterdamse Woonvisie om meer variatie in woningen toe te voegen. Van de 16 appartementen vallen 15 appartementen in het middeldure koopsegment en 1 in de vrije sector. De overige woningen vallen in het dure segment. Uit de woonvisie blijkt dat er een grote behoefte is aan middeldure en dure woningen, waardoor Rotterdammers kunnen doorgroeien en niet langer voor een groter huis de stad uit hoeven te trekken. Tussen nu en 2030 acht de gemeente een toename van ten minste 36.000 woningen in het midden- en hoge segment reëel. De ontwikkeling van 48 woningen draagt hier aan bij. De gemeente heeft daarnaast aangegeven woningbouw als een passende ontwikkeling op deze locatie te zien. Hiermee is het mogelijk om meer woningen toe te voegen in het middensegment. Ook kan hierdoor invulling gegeven worden aan het programma Langer thuis, het geeft mogelijkheden voor starters op de woningmarkt, naast potentiel meer doorstroming op de woningmarkt.

Op basis van de grote woningbehoefte in de regio en de bijdrage aan de gemeentelijke pijlers, kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving, en bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Deze kaders zijn vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 en op 1 april 2019 in werking getreden. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Een herziening van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland wordt naar verwachting in de loop van 2022 vastgesteld.

2.2.2

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 De Omgevngsvisie omvat en vervangt de volgende wettelijk verplichte plannen: » « » » »

de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie al voorgesorteerd op de Omgevingswet. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: » « » »

Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hooldstructuur; De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Het Omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgavegerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke

10

ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.

Ruimtelijke hoofdstructuur

Afbeelding 2.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland - ruimtelijke hoofdstructuur. Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevngsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

Beleidskeuzes De ambities geven vorm aan de provinciale opgaven. De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening. 1. Landschap en cultuurhistorie: Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het 2. 3.

landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. Gezondheid en veiligheid: Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder Natuur en recreatie: Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren.

11

4.

Ruimte en verstedelijking: Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. 5. Wonen: Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. 6. Bodem en ondergrond: Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. 7. Cultuurparticipatie en bibliotheken: Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. 8. Klimaatadaptatie: Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen. 9. Zoetwater en drinkwater: Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater. 10. Bereikbaarheid: Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders. 11. Regionale economie: Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie. 12. Energievoorziening: Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de diverse provinciale ambities en opgaven.

Zo zorgt de realisatie van woningen op deze locatie voor een zorgvuldiger ruimtegebruik, en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Tegelijk wordt hiermee voorzien in een aantrekkelijke leefomgeving, met woningen die voorzien in een behoefte van de doelgroep (zie de ladderonderbouwing in paragraaf 2.1.3). In het ontwerp van zowel het gebouw als de omliggende buitenruimte wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, aansluitend bij de karakteristieken van de omgeving. Verder wordt in paragraaf 6.10 het aspect duurzaamheid aangehaald.

2.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 Het provinciaal beleid wordt juridisch-planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze regels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang.

Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit (lid 1): a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet geen wijziging op structuurniveau.

Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de Omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) voldoet bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende eisen:

een

a.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik

12

gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale afstemming toegevoegd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is in het kader van de Ladder als onderdeel van het Rijksbeleid al nader ingegaan in paragraaf 2.1.3.

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden; zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld door de gemeenteraad op 29 november 2007 De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie, die bepalen wat er de opvolgende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ontwikkelingsstrategie uit de Stadsvisie, met name de doelstelling voor een aantrekkelijke woonstad. Met de ontwikkeling ontstaat een aantrekkelijk nieuw woonmilieu, dat zowel qua programma als ontwerp aansluit bij het omliggende gebied. Gezien de locatie van de ontwikkeling wordt ook aangesloten bij de kernbeslissing uit de Stadsvisie om in bestaand stedelijk gebied in de woningbehoefte te voorzien.

2.3.2

Omgevingsvisie Rotterdam: De Veranderstad

Vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2021 Als opvolger van de Stadsvisie en met het oog op de Omgevingswet heeft de gemeente Rotterdam een gemeentebrede omgevingsvisie opgesteld. In 2018 is de ‘Verkenning Omgevingsvisie Rotterdam’ gepubliceerd, gevolgd door het gespreksdocument ‘De Veranderstad’ in 2019. Als volgende stap richting de daadwerkelijke omgevingsvisie is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld, waarna vervolgens de effecten van de keuzes in de omgevingsvisie zijn beoordeeld in het Rotterdamse Omgevingseffectrapport (ROER). Al het bovenstaande heeft, samen met de opbrengsten uit een uitgebreid participatietraject, geleid tot de omgevingsvisie: ‘De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen’. De definitieve omgevingsvisie is op 2 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de omgevingsvisie kiest de gemeente Rotterdam voor ‘goede groei’. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en identiteit ondersteunt en versterkt waarbij Rotterdammers betrokken worden in het proces van verandering.

13

Om vanuit een integraal perspectief richting te geven aan deze ‘goede groei’ en de toekomst van de fysieke leefomgeving, worden vijf perspectieven gehanteerd. Deze vormen een ‘kompas’ waarmee koers kan worden bepaald. Daarbij moet in de praktijk worden gezocht naar de juiste balans; de vijf perspectieven kunnen nooit in dezelfde mate worden nagestreefd, maar elke ontwikkeling wordt wel door de vijf brillen bekeken. De perspectieven geven richting aan het handelen van het stadsbestuur en bieden houvast aan mensen, organisaties en bedrijven die iets willen doen in de stad. Ze zijn flexibel genoeg om invulling te geven aan nieuwe ideeën en ontwikkelingen. Ze maken de impact van grote trends, beleid en initiatieven op de fysieke leefomgeving inzichtelijk. En ze maken de ruimtelijke impact van plannen en keuzes vergelijkbaar. De vijf perspectieven zijn: « * * * *

Compacte stad: Rotterdam als een compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier. Inclusieve stad: Rotterdam is een stad waar niemand in de meerderheid is. Duurzame stad: Rotterdam groeit uit tot een stad en haven die leiderschap toont in de transitie naar duurzame energie circulaire processen en een klimaatneutrale maatschappij. Gezonde stad: Rotterdam maakt gezond leven voor alle inwoners in de stad mogelijk. Productieve stad: Rotterdam biedt ruimte aan de nieuwe economie.

‘Goede groei’ betekent ook dat rondom een aantal grote opgaven richtinggevende, soms rigoureuze, keuzes gemaakt worden. In de Rotterdamse omgevingsvisie staan vijf hoofdkeuzes centraal. Dit zijn de belangrijkste keuzes voor de ontwikkeling van de stad in de komende decennia. Voor elke hoofdkeuze fungeren de drie principes van goede groei (samen stadmaken, ontwikkelen vanuit eigen identiteit en groeien op basis van de vijf perspectieven) als leidraad. In de omgevingsvisie worden de volgende hoofdkeuzes gemaakt: * « * * *

Rotterdam zet in op prettig leven in de delta; Rotterdam gaat verstedelijken en verbinden; Rotterdam zet in op vitale wijken; Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie; Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen.

Afbeelding 2.1 toont de omgevingsvisiekaart voor het stedelijk gebied van Rotterdam. Hierin zijn de belangrijkste ontwikkelingsrichtingen aangegeven, op basis van de perspectieven en hoofdkeuzes uit de omgevingsvisie.

ÏM LEGENDA

STEDELIJK GEBIED

5Q4 Verdichten binnen de bestaande stad nabij hoogwaardig openbaar vervoer (Lange termijn) zoekgebied verstedelijking. (ÿ^(į) Schaalsprong openbaar vervoer op de Oude Lijn in combinatie met verstedelijking Ontwikkelen ’ stedelijke centra Nieuwe HOV-verbinding tussen Kralingse Zoom en Zuid plein en Centraal Station. Focuswijken voor stedelijke vernieuwing Opheffen barrières Ruimte voor bedrijven - makersdistrict (M4H/RDM) - HMC (hoge milieucategoñe)

De rivieren als landschappelijke slagaders i de stad. Rotterdam groener: parken, singels boulevards en straten. Ruim baan ’ (RMA). Ç3

voetgangers en fietsers

Impuls openbare riumte in de / stadprojecten

Afbeelding 2.1: Omgevingsvisiekaart stedelijk gebied (bron: Omgevingsvisie Rotterdam, december 2021).

14

Voorliggend plangebied kent op de visiekaart geen aanduiding, maar valt wel binnen het stedelijk gebied. Met voorgenomen ontwikkeling wordt een stedelijke verdichting gerealiseerd. De openbare ruimte wordt ingericht als aantrekkelijk verblijfsgebied en zorgt voor aansluiting bij de bestaande woningen en functies in de omgeving. Zodoende geeft de ontwikkeling in de eerste plaats invulling aan het perspectief van de compacte stad. In meer bescheiden mate krijgen ook de andere perspectieven een plaats in de ontwikkeling. Zo wordt er met de ontwikkeling onder andere rekening gehouden met de wettelijke duurzaamheidseisen.

2.3.3 Woonvisie Rotterdam: koers naar 2030, agenda tot 2020; en Thuis in Rotterdam Addendum Woonvisie Rotterdam 2030 Woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2016; Addendum in mei 2019 De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: »

de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;

»

te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

»

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: » » »

een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: » » » « »

het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen, met name gericht op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de actuele woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Om de geformuleerde ambities voor de korte termijn te concretiseren, is daarom een agenda voor de periode tot en met 2020 opgesteld. In mei 2019 is een Addendum op de Woonvisie vastgesteld, 'Thuis in Rotterdam'. De ambities uit de Woonvisie 2030 blijven daarin de leidraad, wel zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd aansluitend bij actuele ontwikkelingen. Ook is de Agenda 2020 bijgewerkt tot 2022, gelijklopend met de raadsperiode. Zo zijn in het Addendum aanpassingen doorgevoerd door in te zetten op het versnellen van de woningvoorraadontwikkeling, energiezuinig en milieuvriendelijk wonen bevorderen, en zijn er nieuwe en aangescherpte korte termijnacties in een Agenda 2022 opgenomen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 48 woningen. Deze woningen worden uitgevoerd in verschillende typologieën, in het middeldure en dure koopsegment. Aangesloten wordt bij de ambitie om te voorzien in de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen.

Voorgenomen ontwikkeling sluit hiermee aan bij de prioriteiten die in de Woonvisie van Rotterdam zijn benoemd.

15

2.3.4

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: » » »

de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een nieuwe woonbuurt mogelijk, en heeft niet direct betrekking op mobiliteit en verkeersnetwerken. Op de verkeerssituatie, ontsluiting en (fiets)parkeeroplossing in relatie tot de ontwikkeling wordt nader ingegaan in paragraaf 6.3.

16

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied is gelegen in Overschie. Het ligt direct ten noorden van de 2e Hogenbanweg en Spaansebrug, de verbindingsweg tussen Overschie en de Spaanse Polder. De ontstaansgeschiedenis van Overschie is volledig verknoopt met de vier waterlopen die hier bij elkaar komen en elk naar een andere stad in de omgeving voeren. De Schie naar Schiedam is de echte Schie, de enige die niet grotendeels is uitgegraven, maar een natuurlijk ontstaan en beloop heeft. De Delftse Schie van Delft naar Overschie werd al gegraven in de 11e eeuw, de Rotterdamse Schie van Overschie naar Rotterdam in 1340. De Delfshavense Schie werd uiteindelijk in 1389 gerealiseerd. Elk van de vier Schieën heeft een andere geschiedenis, die deels nog af te lezen is aan de huidige ruimtelijke verschijningsvorm en functie. Deze aanknopingspunt bieden voor verdere ontwikkeling.

geschiedenis

en

dit

onderscheid

kan

een

De Delfshavense Schie is als verbindingskanaal van grote betekenis geweest voor Delft, maar is niet tot ontwikkeling gekomen als industriële as zoals de Rotterdamse Schie vanaf de 17de eeuw. Delfshaven bleef achter in zijn ontwikkeling. Rotterdam had langs dit kanaal geen zeggenschap. Deze Schie was vanouds al wel grootschaliger en kaler in zijn opzet dan de andere drie Schieën. Rond de jaren ‘20 en ‘30 van de 20e eeuw ontstond ten noorden van de Spaansebrug een woongebied met Tuindorps karakter van voornamelijk grondgebonden woningen. De oevers van de Delfshavense Schie, tussen Overschie en de spoorlijn Rotterdam - Hoek van Holland, waren tot de jaren '50 nog polderlandschap. Het plan voor Kleinpolder van Lotte Stam-Beese uit 1952 heeft Overschie aan de Delfshavense Schie gebracht. Het groene karakter van het dijklichaam van de Delfshavense Schie is nog te herkennen. Het fietspad aan deze zijde van de Delfshavense Schie heeft zich vanaf het begin van deze eeuw ontwikkeld tot een recreatieve fietsroute van Rotterdam naar Delft.

3.2

Huidig gebruik

In de huidige situatie wordt het plangebied gebruikt als tennispark. Het tennispark bestaat uit ca. 1,15 hectare, heeft 13 tennisbanen en 1 minibaan, een paviljoen, een voormalige woning en enkele bijgebouwen. De planlocatie ligt dichtbij de snelweg A13. Verder is het omringd door een bedrijven­ terrein en woonbuurt. Schiedam centrum is hemelsbreed niet ver weg, maar door de verschillende waterlopen lastig te bereiken. Het vliegveld Rotterdam The Hague Airport ligt ook dichtbij de locatie. De aanvliegroute ligt iets noordelijker dan de planlocatie. Ondanks alle inspanningen om meer leden te werven, is het aantal leden van de tennisvereniging dalende. In 2023 zijn er minder dan 200 leden. Dat is ruim onvoldoende om een gezonde exploitatie te voeren. Het tennispark is privaat eigendom en ontvangt geen subsidies. Omdat de tennisbanen bovendien oud zijn en vervangen moeten worden, is een investering nodig die niet rendabel te maken is.

17

Afbeelding 3.1: Zicht op plangebied

3.3

Archeologie

3.3.1

Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: « « »

te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

18

3.3.2

Archeologische verwachting

Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) is aan de locatie een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. In het vigerende bestemmingsplan 'Overschie' kent het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Binnen deze dubbelbestemming geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld, respectievelijk de onderwaterbodem.

Planbeoordeling BOOR In het kader van de voorgenomen ontwikkeling en grondwerkzaamheden heeft de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek beoordeeld. Hieruit is naar voren gekomen dat er een verkennend inventariserend veldonderzoek plaats dient te vinden. Archeologie Rotterdam (team Beheer en Beleid) heeft een Programma van Eisen (PvE) voor de uitvoering dit verkennend en karterend veldonderzoek opgesteld. Het PvE is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. Het onderzoek moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning. Het onderzoeksrapport wordt ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd en na goedkeuring wordt het onderzoeksrapport als bijlage bij de vergunningaanvraag ingediend. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. Dit is geborgd middels de archeologische dubbelbestemming in de regels.

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

3.4.1

Algemeen

In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijksbeschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie”.

Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouw/aandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Rijk smonumenten (RM) en Gemeentelijk e monumenten (GM)

19

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

3.4.2

Plangebied

Het plangebied ligt niet binnen beschermd stadsgezicht of wederopbouwaandachtsgebied. Ook zijn er binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zelf geen monumenten en/of beeldbepalende objecten aanwezig. In het vigerende bestemmingsplan is dan ook geen cultuurhistorische dubbelbestemming opgenomen. Op circa 100 meter afstand bevinden zich wel karakteristieke bouwwerken aan de Rotterdamse Rijweg. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen nadelige invloed op.

20

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van de huidige bebouwing binnen het plangebied en de realisatie van een nieuwe woonbuurt. Met dit bestemmingsplan worden deze nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.3 worden de ontwikkelingen uitgebreider beschreven; paragraaf 4.4 geeft een juridische beschrijving van het plan.

4.2

Nota van Uitgangspunten

De gemeente Rotterdam heeft een Nota van Uitgangspunten opgesteld voor dit plangebied om tot een bouwplan te komen. Op basis van de uitgangspunten opgenomen in de nota wordt het plan getoetst. De Nota van Uitgangspunten is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Afbeelding 4.1 toont de uitgangspunten. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten samengevat: »

«

»

Er dient een centrale hoofdroute door de buurt te worden aangelegd, die groen ingericht wordt en als gedeelde ruimte fungeert. Voor nood- en hulpdiensten is er een rondgang nodig. Naast de centrale woonstraat, dienen er ook voetgangersroutes te komen tussen de woonbuurt en de dijk. Parkeren zal bij de eigen woning plaatsvinden of in collectieve vorm, zoals een parkeerkoffer. Ook bezoekersparkeren moet hier worden opgelost, zodat de centrale woonstraat zo veel mogelijk vrij blijft van parkeren. Het gebied moet verder een groen karakter krijgen met aan de kant van de dijk en langs de hoofdroute een groene strook. Daarnaast moet de watergang verbreed worden voor watercompensatie. De bebouwing sluit aan op de bestaande wijk met grondgebonden woningen. Op de hoek van de Delfhavense Schie en Spaansebrug is de mogelijkheid om gestapelde bouw te realiseren in tuindorpsfeer. De bebouwingshoogtes moeten aansluiten bij de naastgelegen buurt. Twee lagen met kap is hier de norm. Voor de goothoogtes wordt als maximum 6 meter gesteld, voor de nokhoogte maximaal 12 meter. Voor een appartementengebouw is het maximum 6 lagen, waarbij het gebouw maximaal 19 meter hoog mag worden (met uitzondering van een liftopbouw).

21

Randvoorwaardenkaart Tuindorp Over de Schie

LEGENDA ■™-

projectgrens auto

—>

fiets voetgangers

«—»

wandelpad groenstructuur woongebied voorkanten en bouwvlak van de nieuwe woningen

tr

hoek- en hoogteaccent

1_ _ J waterberging —» p

uitbreiding ikv watercompensatie parkeeritoffer bomen

Afbeelding 4.1: Randvoorwaardenkaart

4.3

Ontwikkelingen

Het karakter van de nieuwe ontwikkeling wordt afgestemd op de naastgelegen wijk om Overschie prominent aan de Delfhavense Schie te koppelen. Woningbouw is een passende ontwikkeling op deze locatie. Hiermee is het mogelijk om meer woningen toe te voegen in het midden- en dure segment. Het bestaande tuindorp wordt dan gecomplementeerd met een mooie voorkant naar het water. Er wordt zodoende aangestuurd op het voortzetten van de elementaire stedenbouwkundige en bebouwingskarakteristieken van de bestaande wijk. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 48 woningen. Van deze woningen worden er 32 woningen uitgevoerd als rij- of hoekwoning. De overige 16 woningen zijn appartementen. In afbeelding 4.2 is de plattegrond van de toekomstige situatie van het plangebied weergegeven zoals die ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan is voorzien.

22

Afbeelding 4.2: Plattegrond toekomstige situatie (26 september 2023)

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Inleiding

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd.

4.4.2

Bestemmingsmethodiek

Voorliggend bestemmingsplan is een gedetailleerd en ontwikkelgericht bestemmingsplan. In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk is de beoogde ontwikkeling uiteengezet. De situering van de bouwvlakken en de maximale bouwhoogte zijn hierop toegesneden.

4.4.3

Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken: * * « «

Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen.

Hoofdstuk 11nleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna

23

volgt een toelichting per artikel.

Tuin De tuinen bij woningen en andere functies hebben de standaard bestemming 'Tuin' gekregen. Hierin is geregeld hoeveel en wat voor bebouwing is toegestaan binnen de tuin. Een aanbouw van niet dieper dan 3 meter aan de achtergevel van het hoofdgebouw is toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - parkeren’ is parkeren toegestaan. Daarnaast is een functieaanduiding 'landschapswaarden' opgenomen langs de tuinen van de atelierwoningen, grenzend aan de dijk. Vanuit landschappelijk oogpunt is het namelijk niet wenselijk om deze zijde van de woningen als 'achterkant' te zien. De aangewezen gronden dienen dan ook niet als erf te worden beschouwd in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht.

Wonen De nieuwe woonbebouwing krijgt de bestemming 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen. Tevens zijn voorzieningen behorend bij bovengenoemde functies, zoals groen, watergangen, erf, ontsluitingswegen en -paden mogelijk. De maximale bouwhoogten zijn op de verbeelding opgenomen. Daarnaast zijn enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot akoestiek, voortkomend uit het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 6.5 en bijlage 4). Zo moet onder meer ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - dove gevel’ een dove gevel gerealiseerd en in stand gehouden worden.

Waarde - Archeologie 4 In het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Hoewel het plangebied voor de beoogde ontwikkeling is vrijgegeven (zie paragraaf 3.3.2), is deze dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Deze dubbelbestemming zorgt voor bescherming van eventuele archeologische waarden bij toekomstige (andere) ontwikkelingen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Zo zijn er enkele algemeen geldende bouw- en gebruiksregels bepaald. Daarnaast worden enkele algemene afwijkingsen wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Deze regels zijn rechtstreeks overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

4.4.4

Geometrische plaatsbepaling I verbeelding

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BTG-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.

24

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Europees en rijksbeleid

Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.

Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Waterbeheer 21e eeuw(WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets

25

geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

5.1.2

Provinciaal beleid

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 - 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 2016-2021 moet gebeuren, om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: » » « »

waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen; realiseren van mooi en schoon water; ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Omgevingsverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat, voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.

5.1.3

Beleid waterbeheerder

Waterbeheerplan 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het Waterbeheerplan 2016-2021, dat op 19 juni 2016 is vastgesteld, vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In het Waterbeheerplan geeft het hoogheemraadschap haar visie en ambities op het waterbeheer voor de lange termijn; het geeft richting aan het handelen van het Hoogheemraadschap en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het Hoogheemraadschap kunnen verwachten. Daarnaast biedt het ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Het Waterbeheerplan 2016-2021 bevat nieuwe accenten, die de rode draad vormen voor de werkzaamheden in de komende planperiode: het Hoogheemraadschap staat daarbij voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Het Hoogheemraadschap voert haar taken uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij wordt zorggedragen voor de leefbaarheid van het gebied en het vergroten van de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Daarnaast worden particuliere initiatieven gestimuleerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e90e22d4-4ce9-40d3-b0dd-0f42826a7448