CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004767] Bijlage 2 behorende bij 24bb004765 over Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Onderwijs17.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van de directeur Sport, Onderwijs en Cultuur van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling van 2 juli 2024, kenmerk M2405-4005; gelet op de artikelen 3, 4, 6 en 7 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014; overwegende, dat het wenselijk is een subsidieregeling vast te stellen voor het realiseren van voorschoolse educatie voor het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor Rotterdamse peuters die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en voorschoolse educatie te realiseren die voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen ten behoeve van Rotterdamse peuters; besluit: Artikel 1 Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - doelgroeppeuter: peuter voor wie het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente Rotterdam de indicatie Extra spelen en leren heeft afgegeven, dan wel de peuter voor wie de houder de indicatie Gelijke kansen heeft afgegeven; - gratis uren: uren waarvoor de ouder aan de houder geen ouderbijdrage verschuldigd is voor deelname van de doelgroeppeuter aan het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang; - houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum

exploiteert in de gemeente Rotterdam; - indicatie Extra spelen en leren: door het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond in de gemeente Rotterdam afgegeven indicatie aan ouders voor peuters waarbij het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft vastgesteld dat er een risico is op ontwikkelingsachterstand; - indicatie Gelijke kansen: door de houder afgegeven indicatie aan ouders voor peuters in gezinnen die aantoonbaar gebruik maken van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dan wel de Wet schuldsanering natuurlijke personen; - kindercentrum: voorziening als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang gevestigd in de gemeente Rotterdam en geregistreerd in het landelijk register kinderopvang; - NPRZ-gebied: de gebieden Charlois, Feijenoord en IJsselmonde, bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de wijkraden 2022, waar

Pagina 1 van 44

-

ouder: ouderbijdrage:

-

peuter:

-

plusopvang.

-

toezichthouder:

-

ve:

-

ve-programma peuteropvang:

-

ve-programma dagopvang:

-

wachtlijst:

Artikel 2

het Nationaal Programma Rotterdam, Zuid wordt uitgevoerd; ouder of verzorger van de peuter; bijdrage die de ouder aan de houder betaalt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang; kind woonachtig in de gemeente Rotterdam in de leeftijd vanaf twee jaar tot de leeftijd waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool; gespecialiseerde instelling voor kinderopvang als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Verordening tegemoetkoming kosten SMl-kinderopvang 2018; toezichthouder als bedoeld in artikel 1.61, tweede lid, van de Wet kinderopvang; voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang; ve-programma van minimaal 960 uur verdeeld over maximaal 60 weken en gemiddeld 16 uur per week, inclusief de momenten voor brengen en halen, bij een openstelling van 40 weken per kalenderjaar; ve-programma van minimaal 960 uur verdeeld over maximaal 78 weken en gemiddeld 12 uur en 18 minuten per week bij een openstelling van 50 tot en met 52 weken per kalenderjaar; lijst opgesteld door de houder van peuters die ingeschreven zijn voor plaatsing op een kindercentrum voor wie geen ve-programma peuteropvang of veprogramma dagopvang beschikbaar is.

Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor het kalenderjaar 2025 voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten. Artikel 3

Activiteiten

Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor ve in een kindercentrum voor de volgende activiteiten: a. b. c.

d. e.

het uitvoeren van een ve-programma peuteropvang, in een groep waarin ten minste twaalf en ten hoogste zestien peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn; het uitvoeren van een ve-programma peuteropvang, in een groep waarin ten hoogste acht peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn; het uitvoeren van activiteiten, die zijn gericht op het kunnen voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen voor het ve-programma peuteropvang, bedoeld in bijlage 1; het uitvoeren van een ve-programma dagopvang; het uitvoeren van activiteiten, die zijn gericht op het kunnen voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen voor het ve-programma dagopvang, bedoeld in bijlage 1;

Pagina 2 van 44

f.

g.

de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ve, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en nader uitgewerkt in bijlage 1, onderdeel 8, behorend bij deze subsidieregeling; het implementeren van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;

Artikel 4 Doelgroep Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de houder van een kindercentrum waar het veprogramma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang wordt uitgevoerd. Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen 1. Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten, genoemd in artikel 3. 2. De volgende kosten komen in ieder geval voor subsidie in aanmerking: a. de exploitatiekosten voor een groep waarvoor het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd; b.

de kapitaal- en onderhoudslasten voor de locatie waar het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd;

c. d.

de kosten voor het coördineren en uitvoeren van het ve-programma dagopvang; het verschil tussen de ouderbijdrage per uur voor deelname aan het ve-programma dagopvang en de maximum uurprijs voor dagopvang voor 2025, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit kinderopvangtoeslag voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

e.

de kosten voor de aan de doelgroeppeuters aangeboden gratis uren ve-programma dagopvang;

f. g.

de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen; de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ve bedoeld in artikel 3, onderdeel f;

h.

de kosten voor het implementeren van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;

i.

de gemaakte accountantskosten ten behoeve van de verantwoording van de op grond van deze regeling ontvangen subsidie.

3. De kosten, genoemd in het tweede lid, onderdelen d en e, voor een peuter die gebruik maakt van het ve-programma dagopvang als voorliggende voorziening bedoeld in artikel 3, onderdeel d, van de Verordening tegemoetkoming kosten SMl-kinderopvang Rotterdam 2018, komen voor subsidie op grond van deze subsidieregeling in aanmerking voor zover het de uren betreft behorende tot het ve-programma dagopvang. De uren ve-programma dagopvang die aldus op grond van deze subsidieregeling aan de houder worden gesubsidieerd, kan de houder niet ten laste brengen van subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018. Artikel 6 Hoogte van de subsidie 1. Een subsidie bedraagt ten hoogste: a.

€101.190 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, voor zover die activiteiten 16 uur per week worden uitgevoerd;

Pagina 3 van 44

b.

c.

d. e. f.

g. h.

i.

€ 625 per groep voor de onderhoudslasten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, als de locatie waar de groep is gehuisvest is opgenomen in de collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen; € 2.500 per groep voor de kapitaal- en onderhoudslasten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, als de locatie waar de groep is gehuisvest niet is opgenomen in de collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen; €455 per peuter voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c; het kostenverschil, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel d; de maximum uurprijs voor dagopvang voor 2025, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef eri onderdeel a, van het Besluit kinderopvangtoeslag, voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel e; €10.800 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen f en g, bij de uitvoering van het ve-programma peuteropvang; € 91 0 per peuter voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen fen g, bij de uitvoering van het ve-programma dagopvang, waarbij de volgende groepsstaffel wordt toegepast: 1 °. € 9.100 voor een groep met per week 5 tot en met 10 geplaatste peuters; 2°. € 910 maal aantal peuters voor een groep met per week 11 tot en met 15 geplaatste peuters; 3°.

€ 14.560 voor een groep met per week 16 of meer geplaatste peuters; € 5.000 per kindercentrum voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel

h; j.

2.

3.

4.

5.

€75.035 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a, f en g, voor zover die activiteiten 16 uur per week worden uitgevoerd in de groep als bedoeld in artikel 3, onderdeel b. Indien de subsidiabele activiteiten minder dan het voorgeschreven aantal weken worden uitgevoerd, wordt de hoogte van de subsidie bepaald naar rato van het aantal uitvoeringsweken.

De door de houder bij de subsidieaanvraag ingediende prognose voor de inkomsten uit ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang wordt bij de verlening verrekend met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a dan wel j. In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a, b, c en g, kan de subsidie worden verhoogd naar rato van het aantal uitvoeringsuren per week als de activiteiten meer dan 16 uur per week worden uitgevoerd. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, kan de subsidie worden verhoogd naar rato van het aantal uitvoeringsuren per week als de activiteiten meer dan 12 uur maar minder dan 16 uur per week worden uitgevoerd.

Artikel 7 1.

2.

Subsidieplafonds

Voor subsidieverlening op grond van deze subsidieregeling geldt voor het kalenderjaar 2025 een subsidieplaforid van € 49.000.000 onder voorbehoud dat voldoende middelen voor ve door de gemeenteraad op de begroting beschikbaar worden gesteld. Dit bedrag omvat mede de ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang. Voor subsidieverlening op grond van deze subsidieregeling geldt voor het kalenderjaar 2025 een subsidieplafond van€ 5.300.000 voor de bekostiging van gratis uren ve voor ouders van doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren die wonen in NPRZ-

Pagina 4 van 44

3.

gebied en een inkomen hebben tot 130% van het wettelijk sociaal minimum en gebruik maken van ve in NPRZ-gebied. Het college kan tussentijds de hoogte van de subsidieplafonds wijzigen.

Artikel 8 Wijze van verdeling 1. De verdeling van de subsidie geschiedt, totdat het toepasselijke subsidieplafond is bereikt, in de volgende volgorde: a. bestaande groepen waarvoor houders in 2024 reeds subsidie voor ve ontvangen van het college; b. bestaande groepen waarvoor houders in 2024 nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college waarbij sprake is van een wachtlijst met doelgroeppeuters, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst, de overige kindercentra; c. nieuwe groepen waarvoor houders nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college, waarbij sprake is van een wachtlijst met doelgroeppeuters, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst, de overige kindercentra; d. bestaande groepen waarvoor houders in 2024 nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college; e. nieuwe groepen waarvoor houders nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college. 2. Voor de lengte en de samenstelling van de wachtlijst zijn de gegevens, bedoeld in artikel 17, derde lid, op de peildatum 1 oktober 2024 bepalend. Artikel 9 Aanvraag 1.

De subsidieaanvraag wordt via www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/subsidies/ ingediend door middel van de door het college ter beschikking gestelde digitale aanvraagformulieren. 2. Aanvragen kunnen worden ingediend tot en met 30 september 2024. 3. De aanvrager legt de aanvraagformulieren over welke volledig en naar waarheid zijn ingevuld en in ieder geval zijn voorzien van de volgende gegevens: a. een specificatie van de urenstructuur, die de houder hanteert voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt; b. een plan met kostenopgave voor implementatie van ve en van een observatiesysteem voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt; c. het pedagogisch beleidsplan voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt; d. een specificatie van de wijze waarop de houder aanzet tot kwaliteitsontwikkeling. 4. De mogelijkheid tot het indienen van subsidieaanvragen kan opnieuw worden geboden als na afhandeling van alle subsidieaanvragen die zijn ingediend tot en met 30 september 2024, inclusief de aanvragen die op grond van een gemotiveerd verzoek tot uitstel van de indieningstermijn na deze datum zijn ingediend, het toepasselijke subsidieplafond nog niet is bereikt. 5.

De hernieuwde openstelling voor het indienen van subsidieaanvragen wordt bekend gemaakt op www.overheid.nl.

Pagina 5 van 44

6.

7. 8.

Indien het college opnieuw de mogelijkheid biedt tot het indienen van een subsidieaanvraag, kunnen subsidieaanvragen worden ingediend in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025. De subsidieverlening voor deze subsidieaanvragen heeft betrekking op de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 december 2025. De verdeling van de subsidie geschiedt op basis van de volgorde, bedoeld in artikel 8, totdat het toepasselijke subsidieplafond is bereikt.

Artikel 10 Aanvullende weigeringsgronden 1. Subsidieverlening kan worden geweigerd indien een groep bij aanvraag van de subsidie gemiddeld per week op locatieniveau minder dan vijf peuters telt. 2. Subsidieverlening kan worden geweigerd indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een kindercentrum waarvoor voor het eerst subsidie voor ve wordt aangevraagd en waarbij op het moment van de subsidieaanvraag voor het kalenderjaar 2025 sprake is van een formeel herstellend dan wel formeel bestraffend handhavingstraject als bedoeld in de Nalevingstrategie kwaliteit kinderopvang gemeente Rotterdam 2021 in verband met geconstateerde overtredingen van de Wet kinderopvang op het domein Pedagogisch klimaat dan wel het domein Personeel en groepen. 3.

Subsidieverlening kan worden geweigerd indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een kindercentrum waaraan voor het kalenderjaar 2024 subsidie voor ve is verleend en waarbij op het moment van de subsidieaanvraag voor het kalenderjaar 2025 sprake is van een formeel herstellend dan wel formeel bestraffend handhavingstraject met gebruikmaking van de handhavingsmiddelen last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, exploitatieverbod, dan wel oplegging van een bestuurlijke boete als bedoeld in de Nalevingstrategie kwaliteit kinderopvang gemeente Rotterdam in verband met geconstateerde overtredingen van de Wet kinderopvang op het domein Pedagogisch klimaat dan wel het domein Personeel en groepen waarbij de overtredingen naar het oordeel van de toezichthouder niet of niet volledig zijn hersteld. 4. Voordat het college subsidieverlening op basis van het tweede of derde lid weigert, stelt het de houder in de gelegenheid aan te tonen welke inspanningen worden verricht tot herstel van de geconstateerde overtredingen. 5.

Als de subsidieverlening is geweigerd op basis van het tweede dan wel derde lid en de toezichthouder oordeelt dat de geconstateerde overtredingen volledig zijn hersteld dan kan de subsidieaanvrager bij hernieuwde openstelling als bedoeld in artikel 9, vierde lid, een nieuwe subsidieaanvraag indienen.

Artikel 11 1.

2.

Verplichtingen

De houder van een kindercentrum voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens: a. de Wet kinderopvang; b. de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang; c. de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk; d. de Wet op het primair onderwijs; e. het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. De ve voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen zoals opgenomen in bijlage 1 van deze subsidieregeling.

Pagina 6 van 44

3.

4. 5.

6.

7. 8.

De houder verleent medewerking aan onderzoek naar de uitvoering van de Rotterdamse kwaliteitseisen, dat wordt uitgevoerd door de toezichthouder in samenspraak met de houder en met de gemeentelijke contactpersoon voor ve van de houder. De houder biedt aan peuters het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang aan. De houder stelt de peuter die de leeftijd van vier jaar heeft bereikt in de gelegenheid deel te blijven nemen aan ve tot het moment waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool. De houder van plusopvang verzoekt het Centrum voor Jeugd en Gezin een kind dat gebruik maakt van de plusopvang te registreren met de indicatie Extra spelen en leren als het kind nog niet over deze indicatie beschikt. De houder bepaalt de volgorde van plaatsing van peuters op de ve-groep en heeft daarbij een inspanningsverplichting om doelgroeppeuters met voorrang te plaatsen. Bij crisisplaatsing kan van deze voorrangsregel worden afgeweken.

Artikel 12 Aanvullende verplichtingen voor de uitvoering van het Ve-programma Voor de uitvoering van de ve-programma's gelden de volgende aanvullende verplichtingen: a. het ve-programma peuteropvang en het ve-programma dagopvang worden uitgevoerd in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste drie uur omvat; b. in het ve-programma peuteropvang zijn in een dagdeel van drie uur inbegrepen 15 minuten voor het moment van brengen en 15 minuten voor het moment van halen; c. het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang worden gedurende maximaal zes uur per dag aan een peuter aangeboden, waarbij de opvanguren zonder educatief kenmerk niet tot het ve-programma worden gerekend; d. het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de niet-doelgroeppeuter wordt verdeeld over minimaal twee dagdelen per week die zijn verdeeld over minimaal twee dagen per week; e. het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de doelgroeppeuter in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar wordt verdeeld over minimaal twee dagdelen per week die zijn verdeeld over minimaal twee dagen per week; f.

het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de doelgroeppeuter in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool wordt verdeeld over minimaal drie dagen per week; g. in afwijking van onderdeel f kan het ve-programma dagopvang van ten minste 12 uur per week aan de doelgroeppeuter worden aangeboden verdeeld over twee dagen per week als de ouder van de doelgroeppeuter niet meer dan twee dagen per week opvang kan of wil afnemen. Artikel 13 Urenstructuur ve-programma peuteropvang De houder biedt het ve-programma peuteropvang aan met een zodanige urenstructuur per week dat: a.

de niet-doelgroeppeuter gemiddeld 8 uur per week kan deelnemen aan het veprogramma peuteropvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 20 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend 480 uur verdeeld over 60 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de niet-doelgroeppeuter start op de basisschool;

Pagina 7 van 44

b.

c.

de doelgroeppeuter gemiddeld 8 uur per week kan deelnemen aan het ve-programma peuteropvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 20 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend gemiddeld 16 uur per week 960 uur verdeeld over 60 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool; de uitbreiding van het ve-programma peuteropvang van gemiddeld 8 uur naar 16 uur per week, bedoeld in onderdeel b, kan worden gestart voordat de doelgroeppeuter de leeftijd van tweeëneenhalf jaar heeft bereikt als de doelgroeppeuter naar het oordeel van de houder daartoe in staat is.

Artikel 14 Urenstructuur ve-programma dagopvang De houder biedt het ve-programma dagopvang aan met een zodanige urenstructuur per week dat: a.

de niet-doelgroeppeuter gemiddeld 6 uur en 9 minuten per week kan deelnemen aan het ve-programma dagopvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 26 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend 480 uur verdeeld over 78 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de niet-doelgroeppeuter start op de basisschool;

b.

de doelgroeppeuter gemiddeld 6 uur en 9 minuten per week kan deelnemen aan het ve-programma dagopvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 26 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend gemiddeld 12 uur en 18 minuten per week 960 uur verdeeld over 78 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool; de uitbreiding van het ve-programma dagopvang van gemiddeld 6 uur en 9 minuten naar 12 uur en 18 minuten per week, bedoeld in onderdeel b, kan worden gestart voordat de doelgroeppeuter de leeftijd van tweeëneenhalf jaar heeft bereikt als de doelgroeppeuter naar het oordeel van de houder daartoe in staat is.

c.

Artikel 15 1. 2.

3.

Ouderbijdrage

De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel aan het ve-programma dagopvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder. De houder brengt voor deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren na de uitbreiding van het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 13, onderdelen b en c, dan wel de uitbreiding van het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen ben c, een ouderbijdrage in rekening bij de ouder van 50% van het totale aantal uren, waarbij de overige 50% van het totale aantal uren voor de ouder gratis is. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Extra spelen en leren deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van ten minste 720 uur. De houder geeft de indicatie Gelijke kansen af voor de peuter van wie de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dan wel de Wet schuldsanering natuurlijke personen volgens de procedure, bedoeld in bijlage 2 van deze subsidieregeling.

Pagina 8 van 44

4.

5.

De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder bedoeld in het derde lid. De ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van ten minste 720 uur. De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening voor de deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren aan het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 13, onderdelen b en c, dan wel het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen b en c, als aan de volgende eisen wordt voldaan:

6.

a. het ve-programma wordt uitgevoerd met subsidie van het college in een kindercentrum gevestigd in NPRZ-gebied; b. de doelgroeppeuter en de ouder zijn woonachtig in NPRZ-gebied; en c. de ouder heeft een inkomen lager dan 130% van het wettelijk sociaal minimum. De houder volgt bij de bepaling van de hoogte van het inkomen tot 130% van het wettelijk sociaal minimum de procedure, bedoeld in bijlage 3 van deze subsidieregeling. De houder kan de gratis uren bedoeld in het tweede lid alleen aan de ouder aanbieden als de ouderbijdrage bedoeld in het eerste lid door de houder bij de ouder in rekening is gebracht.

7.

8.

De houder komt uitsluitend in aanmerking voor de subsidie voor gratis uren als bedoeld in het tweede lid als de ouderbijdrage bedoeld in het eerste lid door de houder bij de ouder in rekening is gebracht.

9.

De houder volgt bij de bepaling van de ouderbijdrage de procedure, bedoeld in bijlage 3 van deze subsidieregeling, waarbij: a.

de ouder met recht op kinderopvangtoeslag aan de houder het maximum uurtarief van de kinderdagopvang betaalt;

b.

de ouder zonder recht op kinderopvangtoeslag aan de houder een inkomensafhankelijke ouderbijdrage betaalt; c. de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur wordt vastgesteld door de houder op basis van de tabel ouderbijdragen voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag, bedoeld in bijlage 4 van deze subsidieregeling. 10. Als naar het oordeel van de houder de situatie van de ouder dit rechtvaardigt, kan de houder afwijken van de procedure voor de vaststelling van de ouderbijdrage. 11. De houder beschikt over een vastgestelde procedure voor de beoordeling van het afwijken van de procedure voor de vaststelling van de ouderbijdrage. 12. Als de afwijkingen van de procedure leiden tot een afwijking van meer dan tien procent van de gefactureerde omzet van de gesubsidieerde uren dan meldt de houder dit direct aan het college. 13. De door de houder gehanteerde en vastgestelde incassoprocedure is ten minste: a. schriftelijk vastgelegd; b. openbaar; c. voorzien van duidelijke termijnen. Artikel 16

Implementatieperiode De houder die voor het eerst subsidie aanvraagt voor ve en die nog niet kan voldoen aan één of meer subsidieverplichtingen:

Pagina 9 van 44

a.

b. c.

wordt door het college in de gelegenheid gesteld om gedurende een implementatieperiode van maximaal één jaar alsnog te voldoen aan deze subsidieverplichtingen; maakt hierover afspraken met het college voorafgaand aan de subsidieverlening; kan op verzoek gebruik maken van de mogelijkheid om het kindercentrum gedurende deze implementatieperiode in het landelijk register kinderopvang niet aan te laten merken als een kindercentrum met voorschoolse educatie.

Artikel 17 Tussenrapportages 1. Gedurende de subsidieperiode verstrekt de houder aan het college tweemaal een rapportage waarin de prognoses door de houder gedaan bij de subsidieaanvraag worden afgezet tegen de werkelijke realisatie. 2. De houder verstrekt aan het college uiterlijk 18 april 2025 en 17 oktober 2025 een rapportage die betrekking heeft op de realisatie in respectievelijk: a. de week van 31 maart tot en met 4 april 2025; b. de week van 29 september tot en met 3 oktober 2025. 3. Daarnaast verstrekt de houder gedurende de subsidieperiode aan het college maandelijks via het webportaal van Roseman Labs een rapportage ten behoeve van het monitoren van het bereik van ve en de wachtlijst voor ve in Rotterdam. 4. Voor de rapportages ontvangt de houder door het college vastgestelde rapportageformulieren. Artikel 18 Verzoek tot vaststelling van de subsidie 1. Het verzoek tot vaststelling van de subsidie over het kalenderjaar 2025 wordt door de houder uiterlijk op 31 maart 2026 digitaal ingediend via het webportaal van de gemeente Rotterdam met daarvoor door het college vastgestelde formulieren. 2. Voor de vaststelling van de subsidie verstrekt de houder aan het college: a. een volledig ingevuld PDF-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025 kwaliteit'; b. een volledig ingevuld Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025' in Excelformat; c.

een volledig ingevuld Excel-formulier 'Verantwoording OGW ve 2025' per locatie in Excel-format, dan wel een rapportage per locatie over de resultaten van opbrengst gericht werken uit 80S0S dan wel KIJK!; d. indien van toepassing, een overzicht met een onderbouwing van de werkelijke kosten van de implementatie van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt. Artikel 19

Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf€ 25.000 tot€ 50.000 Bij een verleende subsidie vanaf€ 25.000 tot€ 50.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht. Artikel 20 Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf€ 50.000 tot€ 200.000 Bij een verleende subsidie vanaf€ 50.000 tot€ 200.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend: Pagina 10 van 44

a.

b. c.

een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant met beperkte mate van zekerheid aangaande de gerealiseerde prestaties zoals vermeld in het Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025'; het volledig ingevulde Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025' gewaarmerkt door een onafhankelijke accountant; een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht.

Artikel 21 Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf€ 200.000 Bij een verleende subsidie vanaf€ 200.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend: a. een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant met redelijke mate van zekerheid aangaande de gerealiseerde prestaties zoals vermeld in het Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025'; b. het volledig ingevulde Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2025' gewaarmerkt door een onafhankelijke accountant; c. een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht. Artikel 22

Controle accountant Indien een accountantscontrole wordt vereist, dan wordt deze uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften, bedoeld in bijlage 5 van deze subsidieregeling.

Artikel 23

Vaststelling van de subsidie

1.

Bij de vaststelling van de subsidie worden de prognoses van de houder bij aanvraag van de subsidie vergeleken met de werkelijke realisatie door de houder opgegeven in het verzoek tot vaststelling van de subsidie. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie.

2.

Bij de vaststelling van de subsidie wordt de realisatie van de inkomsten uit ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang verrekend met de subsidie bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a dan wel b.

Artikel 24

Hardheidsclausule Het college kan bij het tijdelijk niet geheel voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3, onderdelen c en e, en artikel 11 en 12 besluiten toch subsidie te verlenen of te blijven verlenen indien het onverkort vasthouden aan deze verplichtingen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits de gesubsidieerde activiteiten aantoonbaar bijdragen aan het verbeteren van de voorwaarden voor Rotterdamse peuters om met succes in te kunnen stromen in het basisonderwijs. Artikel 25

Intrekken oude subsidieregeling De Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2025.

Pagina 11 van 44

Artikel 26 Overgangsrecht 1. Op subsidieaanvragen voor het kalenderjaar 2024 die zijn ingediend voor de intrekkingsdatum van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024, wordt beslist op grond van die regeling. 2. De Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024 blijft van toepassing op subsidies verstrekt op grond van die regeling. Artikel 27 Inwerkingtreding Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 28 Citeertitel Deze subsidieregeling wordt aangehaald als Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025. Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 juli 2024.

.J. Simons, L.b.

Pagina 12 van 44

Bijlage 1 Rotterdamse kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 11, tweede lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 Algemeen 1.

Het kindercentrum waarvoor de houder subsidie aanvraagt voldoet aan de voorwaarden gesteld in de relevante regelgeving. Gegeven de laatste beoordeling van de GGD zijn er geen zwaarwegende belemmeringen om subsidie te verlenen ten behoeve van het kinderdagcentrum.

2.

Het kindercentrum waarvoor de houder subsidie aanvraagt voert een programma uit waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. De beroepskracht is in het bezit van een ve-certificaat. Beroepskrachten die hieraan nog niet voldoen, werken samen op de groep met een beroepskracht die wel aan de eisen van de ve-scholing voldoet. Beroepskrachten krijgen 2 jaar de tijd om aan de eisen te voldoen. Beroepskrachten, inclusief hbo'ers, voldoen aan de vigerende regelgeving ten aanzien van certificering voor ve-programma's. Naast de ve-certificaten voor ve-programma's volstaat ook het volgende: a. beroepskrachten die de '4VVE'-scholing hebben afgerond; b. beroepskrachten die de opleiding Speelplezier zoals uitgevoerd door KindeRdam hebben afgerond;

3.

c. beroepskrachten die de 'AD PEP'-scholing hebben afgerond. De houder heeft de toetredingsverklaring getekend, waaruit blijkt dat men deelneemt aan en uitvoering geeft aan de afspraken van het Samenwerkingsconvenant SISA.

Groepsruimte 4.

De groepsruimte of de speel-leeromgeving is aantrekkelijk en uitdagend ingericht, waarbij rekening is gehouden met de ontwikkelingsfase van de kinderen en voldoet aan de didactische eisen.

Ouderbetrokkenheid 5.

De locatieverantwoordelijke maakt de ouderanalyse zo concreet mogelijk: hoe sluit je aan bij de drijfveren van de ouder? Hoe ga je de ouder informeren over de ontwikkeling van de peuter? Hoe kan je de ouder inspireren om thuis te lezen, praten, zingen, spelen met zijn of haar peuter? Welke tips geeft de pedagogisch medewerker aan de ouder? De locatieverantwoordelijke bespreekt dit plan, de aanpak en de ervaringen met collega's en ouders.

Zorg 6.

Elke locatie is bekend met en werkt met het Rotterdams Stappenplan Zorg en de Zorgkaart voor 0-4 jaar. In het zorgoverleg, dat minimaal 4 maal per jaar wordt gehouden, worden zorgpeuters besproken. De locatie werkt samen met een voorschools maatschappelijk werker die de verbinding vormt met externe partners zoals

Pagina 13 van 44

CJG en wijkteam. Als er geen voorschools maatschappelijk werker beschikbaar is, heeft de locatie aantoonbaar duidelijke afspraken over de manier waarop het contact met externe partners is geregeld

A-kwaliteit 7.

8.

De houder heeft een opleidingsplan en een personeelsplan vastgesteld die van toepassing zijn op het jaar waarvoor subsidie is verleend. In het opleidingsplan zijn op basis van inzicht in de competenties en het leer- of ontwikkelpotentieel van de medewerkers en op basis van een personeelsplanning maatregelen vastgesteld voor kwalificerende opscholing, bijscholing en professionalisering on the job. In het personeelsplan is onderbouwd op welke locaties de hbo'ers, al dan niet in opleiding, of ingezet als coach, worden ingezet. De houder houdt met betrekking tot iedere groep waarvoor subsidie wordt verleend een functiemix in stand, waardoor wordt voldaan aan de eisen voor de ureninzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dit kan op meerdere manieren gerealiseerd worden: a. pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie in te zetten als pedagogisch medewerker op de groep; of, b. pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie als coach/videointeractiebegeleider in te zetten op meerdere groepen voor gemiddeld vier uur per groep per week. Als onderdeel van de functiemix kan de subsidie voor kwaliteit ook worden ingezet voor het faciliteren dat de pedagogisch medewerker een opleiding volgt op hbo-niveau.

De pedagogisch medewerker die de hbo-opleiding volgt en nog niet heeft voltooid, voldoet niet aan de eisen voor de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Opbrengstgericht werken 9.

Locaties waarvoor subsidie is verleend, werken continu en aantoonbaar aan de verbetering van opbrengstgericht werken. Ambities op kind-, groeps-, locatie- en organisatieniveau worden geformuleerd. Ontwikkelingsresultaten op kind- en groepsniveau worden geëvalueerd. De werkwijze en ambities worden zo nodig bijgesteld op basis van de ontwikkelingsresultaten.

Domeinen en frequentie van de observaties 10.

In gesubsidieerde groepen zijn op individueel kindniveau op basis van de eerste observaties smart streefdoelen geformuleerd op de domeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling, met het oog op de overgang naar het basisonderwijs. Op grond hiervan worden streefdoelen op groepsniveau geformuleerd. De streefdoelen op kind- en groepsniveau worden ten minste ieder kalenderjaar geëvalueerd.

Observatiesysteem Pagina 14 van 44

11.

Iedere groep waarvoor subsidie wordt verleend werkt met een observatiesysteem, dat zodanig is ingericht (dit zijn systeemeisen): a. dat het de beroepskrachten inzicht kan geven in de ontwikkelresultaten van kinderen in hun voortgang en ontwikkeling, op ten minste de domeinen sociaalemotioneel, taal/geletterdheid, motoriek en rekenen, volgens de SLO-doelen; b. dat het de locatieverantwoordelijke inzicht kan geven in de ontwikkelresultaten van kinderen in hun voortgang en ontwikkeling, op ten minste de domeinen sociaalemotioneel, motoriek, taal/geletterdheid en rekenen, volgens de SLO-doelen.

Frequentie van observaties 12.

In iedere groep waarvoor subsidie is verleend: a. vindt binnen drie maanden na binnenkomst op de voorschool de eerste observatie en registratie plaats bij alle kinderen; b. vindt minimaal één tussentijdse observatie en registratie plaats bij alle kinderen, behalve bij kinderen die zijn ingestroomd na het 3e levensjaar; c. vindt bij uitstroom naar het basisonderwijs de observatie en registratie plaats bij alle kinderen op de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden, behalve bij zorgkinderen voor wie de observatie en registratie bij voorkeur plaatsvindt op de leeftijd van 3 jaar en 6 maanden, omdat de basisschool onderzoek moet doen en hier ook tijd voor nodig heeft zoals toegelicht in het Rotterdamse overdrachtsformulier.

Domeinen van observaties 13.

In een groep waarvoor subsidie is verleend worden doelgroeppeuters geobserveerd en geregistreerd op ten minste de domeinen sociaal-emotioneel, taal/geletterdheid, motoriek en rekenen, volgens de SLO-doelen.

Implementatie periode van het observatiesysteem voor nieuwe ve-groepen 14.

De houder die voor het eerst ve-subsidie ontvangt, heeft maximaal 2 jaar de tijd om te voldoen aan de subsidiecriteria voor wat betreft het gebruik van een observatiesysteem, zoals hierboven bepaald is. De houder formuleert voor wat betreft die punten een implementatieplan, welk plan ter beoordeling van de subsidiegever bij de subsidieaanvraag wordt gevoegd.

Doorgaande leerlijn 15.

De locatieverantwoordelijke kan per kindercentrum waarvoor subsidie is aangevraagd aan het college op schrift gestelde samenwerkingsafspraken met één of meerdere basisscholen overleggen. Minimaal zijn afspraken opgenomen met betrekking tot een doorgaande leerlijn en afstemming omtrent interne begeleiding en zorg. Indien er sprake is van omstandigheden waardoor dit beperkt of niet mogelijk is, wordt dit bij de subsidieaanvraag toegelicht. Voor locaties zonder samenwerking met één of meerdere basisscholen geldt dat met een uitstroom van meer dan 5 kinderen naar één basisschool afspraken worden gemaakt over ten minste het ve-beleid en het wennen

Pagina 15 van 44

van de kinderen aan de school. Als een kinderdagverblijf onderdeel van een IKC is, moet er een samenwerkingsovereenkomst zijn.

Zorg 16.

17.

Ten aanzien van ieder kind dat vanuit een ve-gesubsidieerde groep naar de basisschool gaat, wordt bij de overdracht het 'Overdrachtsdocument Rotterdam VVE-PO' gebruikt. Tenzij er gebruik wordt gemaakt van de gegevens uit het kindvolgsysteem. Het gedeelte over zorg wordt dan wel toegevoegd aan de gegevens uit het kindvolgsysteem. Indien het kind zorg behoeft, is er altijd sprake van een mondelinge, persoonlijke of telefonische overdracht van kindgegevens, voor zover de basisschool daaraan meewerkt. Bij locaties waar een zorgteam aanwezig is, worden de Intern Begeleider en andere externen uitgenodigd die betrokken zijn rondom de zorg en overdracht van het kind.

Gegevenslevering en subsidieaanvraag 18.

19.

20.

21.

Houders die subsidie ontvangen werken mee aan het leveren van observatie-, toets- en andere onderzoeksgegevens met betrekking tot kinderen, ten einde te komen tot geanonimiseerde inzichten over de ontwikkelings- en leerresultaten die met de kinderen worden bereikt, indien gewenst op locatie-, instellings- en gebiedsniveau. Houders die subsidie ontvangen werken mee aan onderzoek of informatieverzameling anderszins m.b.t. de plaatsing van kinderen, de wachtlijsten en de kwaliteit van de uitvoering van ve. Houders die subsidie aanvragen specificeren in hun subsidie aanvraag hoe en aan welke aanzetten tot kwaliteitsontwikkeling, zoals omschreven in de notitie 'Rotterdamse kwaliteit in voorschoolse voorzieningen. Kwaliteitskader voorschoolse educatie', zij bovendien uitvoering geven. Houders die subsidie aanvragen verklaren in de aanvraag te voldoen of te kunnen voldoen aan bovenstaande kwaliteitscriteria. Houders lichten in hun aanvraag de kwaliteitscriteria toe, waaraan zij niet of niet volledig kunnen voldoen.

Pagina 16 van 44

Bijlage 2 Procedure voor bepaling van de indicatie Gelijke kansen, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 De doelgroep Gelijke kansen Uit recent onderzoek blijkt dat armoede en schuldenproblematiek in een gezin eveneens belangrijke risicofactoren zijn die de ontwikkeling van jonge kinderen negatief kunnen beïnvloeden. De definitie van de doelgroep voor voorschoolse educatie is daarom met ingang van 2020 uitgebreid met de indicatie Gelijke kansen voor peuters in gezinnen die gebruik maken van schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen. In Rotterdam betreft dit naar schatting 500 peuters. De ouders van doelgroeppeuters met de indicatie Gelijke kansen betalen geen ouderbijdrage voor deelname aan de voorschoolse educatie. Intakegesprek In het intakegesprek met ouders kan worden meegenomen dat de doelgroep definitie is uitgebreid met de indicatie Gelijke kansen voor peuters in gezinnen die gebruik maken van schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, hierna te noemen Wgs, of de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hierna te noemen Wsnp. Check Om te kijken of een ouder recht heeft op een indicatie op basis van de Wgs of Wsnp leveren ouders hier het bewijs voor aan.

De check kan als volgt worden gedaan: Wsnp Online kan worden gekeken of een persoon onder de Wsnp valt. Zie website: https ://i nsolventies. rechtspraak. nl/#!/zoeken/i nd ex Bij zoeken op natuurlijke persoon kan de achternaam en de geboortedatum ingevuld worden. Hierna, klik op de zoekknop. Wgs Informatie of iemand is toegelaten bij de gemeente tot schuldhulpverlening in het kader van de Wgs is te achterhalen bij de betrokkene zelf. De ouder moet dan een toekenningsbeschikking laten zien van de Kredietbank Rotterdam die voldoet aan het hiernavolgende model. Het logo van de gemeente Rotterdam is altijd zichtbaar evenals de handtekening van het hoofd van de Kredietbank. Vastleggen van gegevens in de administratie van de houder over de doelgroep. De houder stelt vast dat de ouder de benodigde informatie heeft overgelegd en registreert in het administratiesysteem uitsluitend dat de peuter tot de doelgroep Gelijke kansen behoort.

Pagina 17 van 44

Toekenningsbeschikking Kredietbank Rotterdam

-j Gemeente Rotterdam Op heeft u schulddienstverlening aangevraagd bij de Kredietbank Rotterdam. Wij hebben besloten dat u schulddienstverlening krijgt. U leest in deze brief wat wij voor u gaan doen. En wat u zelf moet doen. Wat gaan wij voor u doen? Wij gaan in gesprek met uw schuldeisers. Wij proberen afspraken met hen te maken over het betalen van uw schulden. Ook gaan wij uw inkomsten en uitgaven beheren. Dit heet budgetbeheer. Hoe werkt budgetbeheer? Uw budgetbeheer start als. wij uw inkomen en eventuele toeslagen ontvangen. U heeft hiervoor een machtiging getekend. Wij betalen elke maand uw vaste lasten. Dit zijn bijvoorbeeld huur, energie, verzekeringen en telefoonkosten. Ook houden wij geld apart voor boodschappen, onverwachte uitgaven en uw schuldeisers. Uw inkomsten en uitgaven staan in het budgetplan. Ook het budgetplan krijgt u bij deze brief. Wat moet u zelf doen? o U heeft een machtiging ondertekend. Hierdoor worden uw inkomen en toeslagen overgemaakt naar de Kredietbank Rotterdam. Krijgt u toch nog geld op uw eigen rekening? Maak dit dan zelf over naar de Kredietbank Rotterdam. U doet dat naar rekeningnummer NL23 INGB 0000 1969 04, op naam van: Gemeentelijke Kredietbank Rotterdam. Zet uw relatienummer er ook bij. o

Krijgt u nog ander geld op uw eigen rekening? Bijvoorbeeld alimentatie, een erfenis of geld dat u terugkrijgt van de Belastingdienst? Maak dit dan ook altijd over naar de Kredietbank Rotterdam.

o

Stop alle automatische betalingen. Neem daarvoor contact op met uw bank. Anders betaalt u 2 keer.

□

Maak elke dag uw post open. Lees de brieven goed.

[OPTIONEEL, ANDERS WEGHALEN] o Een training volgen. Hierin leert u hoe u uw administratie bijhoudt. Ook leert u hoe u goed met uw geld omgaat. U volgt deze training bij een andere organisatie. Wij melden u hiervoor aan. U krijgt een uitnodiging voor een eerste afspraak. D

Verandert er iets in uw situatie? Verandert er iets in uw inkomsten of uitgaven? Of in uw persoonlijke omstandigheden? Geef dit dan meteen aan ons door. Wij passen dan het budgetplan aan.

Wat verwachten wij verder van u? Datu er alles aan doet om de schulddienstverlening te laten slagen. Het succes van de schulddienstverlening hangt vooral af van uw eigen motivatie en inzet. Pagina 18 van 44

Wij hebben afspraken met u gemaakt. Deze afspraken staan in het document 'Rechten en plichten'. U heeft dit document op [NOEM DATUM] ondertekend. Deze afspraken gelden zolang u schulddienstverlening krijgt. Wat gebeurt er als u de afspraken niet nakomt? Wij stoppen de schulddienstverlening als u de afspraken niet of niet helemaal nakomt. Dat doen wij ook als u de afspraken niet op tijd nakomt. Vraagt u opnieuw schulddienstverlening aan? Dan kunnen wij die aanvraag afwijzen. Waar staat dit in de wet- en regelgeving? □ Wet gemeentelijke schuldhulpverlening □ Beleidsregels Schulddienstverlening Rotterdam Heeft u nog vragen? Belt u gerust als u nog vragen heeft. Ons telefoonnummer is: [ ... ] U kunt bellen van maandag tot en met vrijdag tussen 9.00 en 12.00 uur. Met vriendelijke groet, namens Burgemeester en Wethouders

Hoofd Kredietbank Rotterdam

Pagina 19 van 44

Bijlage 3 Procedure voor bepaling van de hoogte van 130% van het wettelijk sociaal minimum, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, en voor de bepaling van hoogte van de ouderbijdrage, als bedoeld in artikel 15, negende lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 A De houder toetst volgens de procedure bedoeld in bijlage 2 van deze subsidieregeling bij de intake of de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van: a. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, hierna te noemen Wgs; of, b. de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hierna te noemen Wsnp. De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder die aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wgs respectievelijk de Wsnp. De houder registreert in dit geval in het administratiesysteem dat de peuter tot de doelgroep Gelijke kansen behoort. B De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder. De houder toetst bij de intake of de ouder recht heeft op kinderopvangtoeslag. Bij ouders die bevestigen dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag: 1.

factureert de houder de bruto kosten voor het aantal in rekening gebrachte uren voor het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang aan de ouder. De uurprijs voor deze uren is het maximum uurtarief voor de kinderdagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag. 2. Bij ouders die bevestigen dat zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag bepaalt de houder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage op basis van de volgende gegevens: a. het verzamelinkomen, waaronder wordt verstaan het totaal van het inkomen uit werk en woning uit box 1, het inkomen uit aanmerkelijk belang uit box 2 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen uit box 3 van de beide ouders dan wel verzorgers van het kind; b.

het aantal uren deelname aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma kinderdagopvang;

c.

het toepasselijke uurtarief volgens de tabel ouderbijdragen, bedoeld in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling.

De procedure voor de houder om het verzamelinkomen te bepalen van de ouder die bevestigt geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag is als volgt. 1.

De houder verzoekt aan de ouder gegevens te verstrekken over de hoogte van het verzamelinkomen op basis van: a. de meest recente aanslag inkomstenbelasting; b. indien de meest recente aanslag inkomstenbelasting niet kan worden overgelegd, een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst over het meest recente jaar, waarbij geldt dat als er twee ouders dan wel Pagina 20 van 44

2.

3. 4.

5.

verzorgers zijn, voor beiden een inkomensverklaring van de Belastingdienst wordt overgelegd; c. een op jaarbasis bruto gekapitaliseerde uitkeringsspecificatie die op de datum van het opmaken van het contract voor plaatsing niet ouder is dan twee maanden indien sprake is van een recente inkomensdaling waardoor de inkomsten lager zijn dan zou blijken uit de aanslag inkomstenbelasting of een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst omdat deze gebaseerd zijn op het inkomen in t-2. Het verzamelinkomen wordt eenmalig bepaald bij het aangaan van het contract voor plaatsing voor de gehele contractperiode en wordt alleen herzien bij een nieuwe plaatsing van een kind uit het gezin. De documenten die de ouder aan de houder ter inzage geeft voor het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen worden niet door de houder bewaard. In het contract dat de houder met de ouder sluit voor deelname aan het veprogramma wordt in ieder geval overeengekomen: a. dat de gegevens over het verzamelinkomen naar waarheid zijn verstrekt; b. dat maar eenmaal gebruik wordt gemaakt van gratis uren voor doelgroeppeuters, voor zover dat op de ouder van toepassing is. Indien de ouders geen inkomensgegevens overleggen aan de houder, gaat de houder voor de bepaling van de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage uit van het hoogste verzamelinkomen, bedoeld in de kinderopvangtoeslagtabel.

C De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder woonachtig in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de peuter de doelgroepindicatie Extra spelen en leren heeft en gebruik maakt van ve op een locatie in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde en de ouder een inkomen heeft tot 130% van het wettelijk sociaal minimum. Of het inkomen lager is dan 130% van het wettelijk sociaal minimum wordt als volgt door de houder bepaald: 1.

op basis van het bruto-jaarinkomen volgens de ouderbijdragetabel ve 2025, bedoeld in bijlage 4: a.

2.

voor een alleenstaande ouder wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum per 1 juli 2024 zoals vastgesteld in de Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder; b. voor gehuwde dan wel samenwonende ouders wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum per 1 juli 2024 zoals vastgesteld in de Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder; op basis van een specificatie van het netto-maandinkomen exclusief toeslagen: a. voor een alleenstaande ouder is het maximaal netto maandinkomen gelijk aan het laag tarief voor de Rotterdam pas 2025 voor een alleenstaande ouder dat in oktober 2024 wordt vastgesteld en daarna bekend zal worden gemaakt aan de houder;

Pagina 21 van 44

b.

3.

voor gehuwde dan Wel samenwonende ouders is het maximaal netto maandinkomen gelijk aan het laag tarief voor de Rotterdam pas 2025 voor gehuwde dan wel samenwonende ouders dat in oktober 2024 wordt vastgesteld en daarna bekend zal worden gemaakt aan de houder; of, op basis van de voucher voor gratis ve in NPRZ-gebied op de Rotterdampas.

D De houder kan de peuter uit het ve-programma uitschrijven conform de incassoprocedure van de houder als de ouder de ouderbijdrage niet betaalt. Een peuter wordt uitgeschreven bij een betalingsachterstand van maximaal drie maanden, tenzij er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 15, tiende lid. Uitschrijving van de peuter laat onverlet dat de ouder de niet betaalde ouderbijdrage verschuldigd blijft.

Pagina 22 van 44

Bijlage 4 Tabel ouderbijdragen voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 15, negende lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 . Tabel ouderbijdragen ve 2025 voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag.

Dit gaan ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betalen met ingang van 1 januari 2025.

Nummer inkomens- (gezamenlijk) inkomen ouder(s) categorie van 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

€ € € € € €

€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €

Pagina 23 van 44

0,00 € 23.212,00 € 24.757,00 € 26.301,00 € 27.849,00 € 29.393,00 € 30.940,00 € 32.484,00 € 34.026,00 € 35.688,00 € 37.347,00 € 39.011,00 € 40.671,00 € 42.337,00 € .43.999,00 € 45.701,00 € 47.404,00 € 49.109,00 € 50.812,00 € 52.520,00 € 54.222,00 € 55.926,00 € 57.630,00 € 59.493,00 € 63.145,00 € 66.795,00 € 70.447,00 € 74.101,00 € 77.751,00 € 81.405,00 € 85.056,00 € 88.708,00 €

tot en met 23.211,00 24.756,00 26.300,00 27.848,00 29.392,00 30.939,00 32.483,00 34.025,00 35.687,00 37.346,00 39.010,00 40.670,00 42.336,00 43.998,00 45.700,00 47.403,00 49.108,00 50.811,00 52.519,00 54.221,00 55.925,00 57.629,00 59.492,00 63.144,00 66.794,00 70.446,00 74.100,00 77.750,00 81.404,00 85.055,00 88.707,00 92.360,00

ouderbijdrage per ouderbijdrage per uur tweede en uur eerste kind volgend kind

€ € € € € €

€ € € € € € € € € € € €

e

€ € € € € € € € € € € € €

0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,46 0,52 0,60 0,70 0,75 0,84 0,91 1,01 1,17 1,25 1,37 1,62 1,86 2,10 2,38 2,62 2,86

€ € € € € € €

€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €

0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,43 0,46 0,49 0,52 0,56 0,59 0,59 0,59 0,59 0,59 0,63 0,70 0,74 0,77 0,85 0,90 0,95 1,03

33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69

€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €

92.361,00 € 96.011,00 € 99.668,00 € 103.319,00 € 106.969,00 € 110.622,00 € 114.345,00 € 118.087,00 € 121.826,00 € 125.566,00 € 129.304,00 € 133.046,00 € 136.787,00 € 140.529,00 € 144.265,00 € 148.004,00 € 151.747,00 € 155.485,00 € 159.225,00 € 162.964,00 € 166.706,00 € 170.450,00 € 174.187,00 € 177.927,00 € 181.664,00 € 185.407,00 € 189.148,00 € 192.889,00 € 196.628,00 € 200.364,00 € 204.108,00 € 207.846,00 € 211.587,00 € 215.328,00 € 219.066,00 € 222.807,00 € 226.546,00 en hoger

96.010,00 99.667,00 103.318,00 106.968,00 110.621,00 114.344,00 118.086,00 121.825,00 125.565,00 129.303,00 133.045,00 136.786,00 140.528,00 144.264,00 148.003,00 151.746,00 155.484,00 159.224,00 162.963,00 166.705,00 170.449,00 174.186,00 177.926,00 181.663,00 185.406,00 189.147,00 192.888,00 196.627,00 200.363,00 204.107,00 207.845,00 211.586,00 215.327,00 219.065,00 222.806,00 226.545,00

€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €

€ € €

3,12 3,35 3,62 3,87 4,10 4,36 4,58 4,81 5,03 5,27 5,47 5,68 5,88 6,09 6,31 6,52 6,74 6,95 7,14 7,14 7,14 7,14 7,14 7,14 7,14 7,14 7, 14 7,14 7,14 7,14 7, 14 7, 14 7, 14 7,14 7,14 7,14 7,14

€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €

1,09 1,14 1,17 1,24 1,29 1,34 1,41 1,47 1,51 1,54 1,62 1,68 1,72 1,79 1,83 1,91 1,97 2,08 2,11 2,20 2,29 2,36 2,45 2,51 2,59 2,67 2,74 2,85 2,90 2,98 3,06 3,14 3,20 3,29 3,37 3,43 3,52

aan deze tabel kunnen geen rechten worden ontleend door ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag, omdat de vaststelling van de ouderbijdrage van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag uitgaat van het zogenaamde verzamelinkomen, terwijl de Belastingdienst voor de berekening van de kinderopvangtoeslag uitgaat van het toetsingsinkomen.

Pagina 24 van 44

Bijlage 5 Accountantscontrole, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2025 Voor de subsidieverantwoording gelden de voorwaarden, bedoeld in de Subsidieverordening Rotterdam 2014 en het bijbehorende Subsidieprotocol, in de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024 en in de verleningsbeschikking. Bij de aanvraag van de subsidie heeft de houder in het Excel-aanvraagformulier prognoses gegeven voor de uit te voeren activiteiten. Bij de verantwoording vermeldt de houder in het Excel-verantwoordingsformulier de werkelijke realisatie van de uitgevoerde activiteiten. Bij verleende subsidiebedragen vanaf€ 50.000,00 overlegt de houder bij het Excelverantwoordingsformulier een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant. Het assurance-rapport is met beperkte of redelijke mate van zekerheid afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag. De accountant waarmerkt het Excel-verantwoordingsformulier. In overleg met houders is per onderwerp van de verantwoording dat door de accountant wordt gecontroleerd een toelichting en een werkwijze voor de accountant opgesteld. De onderwerpen voor verantwoording zijn voor peuteropvang en kinderdagopvang niet altijd gelijk. Het Excel-verantwoordingsformulier vermeldt of er sprake is van peuteropvang, hierna te noemen POV, of kinderdagopvang, hierna te noemen KDV.

Onderstaand schema vermeldt per onderwerp of de accountantscontrole geldt voor POV, KDV of voor beide categorieën.

1a

TOELICHTING VOOR DE ACCOUNTANT Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV. De houder die ve uitvoert met subsidie van de gemeente Rotterdam registreert van elke peuter die gebruik maakt van de ve: naam, geboortedatum, adres, woonplaats, aanmeldingsdatum, eerste bezoekdatum, laatste bezoekdatum en, indien van toepassing, of het een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren of met de indicatie Gelijke kansen betreft of een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maakt van de 130%-regeling.

1b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV. De accountant controleert of de registratie aanwezig is bij de houder.

2a

Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV. De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal peuters aan wie gedurende de subsidieperiode in twee telweken voorschoolse educatie is aangeboden. Voor de verantwoording over het kalenderjaar 2025 gelden de volgende twee telweken: a. de week van 31 maart 2025 tot en met 4 april 2025 b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=4ed84340-0317-489f-98c4-9dc8f5e6606a