[24bb004697] College reactie op Initiatiefvoorstel Van Dommelen ea over voor cultuurfinanciering
Tekst van het document
Gemeente Rotterdam
Maatschappelijke Ontwikkeling Onderwijs, Cultuur, Evenementen Said Kasmi Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl Van: Christian Melsen Telefoon: 14 010 E-mail: bbo@rotterdam.nl Ons kenmerk: M2404-6165 - 24b0005897
Aan de gemeenteraad
Onderwerp: Collegereactie op Initiatiefvoorstel voor cultuurfinanciering Datum: B&W 2 juli 2024
Op welke gronden deze brief? /Waarom nu voorgelegd? Aanleiding is het Initiatiefvoorstel over Cultuurfinanciering van leden D.J. van Dommelen (VVD), J.M. Nunnely (D66) en G.J. Engberts (PvdA) van 2 april 2024. Relatie met het coalitieakkoord/collegewerkprogramma/eerder aangenomen moties en gedane toezeggingen: 'Eén stad", Coalitieakkoord 2022-2026 'Van onschatbare waarde. Uitgangspunten nota cultuurbeleid Rotterdam, 2025-2028' Toezegging Rotterdamse cultuurbeleid - Meer culturele middelen Rotterdam (23bb004559) Toezegging op de hoogte houden m.b.t. ontwikkelingen transitie incl. financiering (23bb007133) Toelichting: Het college heeft met grote belangstelling en waardering uw initiatiefvoorstel bestudeerd dat twee zaken centraal stelt: 1) het vergroten van het eigen verdienvermogen van culturele instellingen 2) het vergroten van rijksmiddelen richting Rotterdamse cultuur Het voorstel getuigt van een nauwe verbondenheid van uw raad met de culturele sector en van onze gedeelde ambitie om de culturele sector financieel veerkrachtiger te maken. Het bevat prikkelende aanbevelingen die aansluiten bij het cultuurbeleid zoals dat door het college wordt uitgevoerd voor de periode 2021-2024 en zoals dat is vastgesteld voor de periode 2025-2028 in de cultuurnota 'Van onschatbare waarde'.
Terecht constateert u dat de gemeente Rotterdam al fors investeert in cultuur en het van belang is deze euro's nog slimmer als hefboom te gebruiken voor andere financiering. U doet concrete suggesties om zo de financiële ruimte van de culturele sector in Rotterdam te vergroten en ziet een rol weggelegd voor het college om dit te bevorderen.
1
In de afgelopen maanden heeft het college de implicaties, kansen en consequenties van het voorstel in kaart gebracht. Daarnaast heeft het, conform uw oproep, een breder scala aan mogelijkheden onderzocht. Om tot keuzes te komen, heeft het college overlegd met relevante lokale en nationale partijen, inzichten bijeengebracht uit lopende initiatieven en bewezen fundraising praktijken door middel van gegevensverzameling en analyses. Het college is aanvullend nagegaan welke concrete kansen en mogelijkheden culturele organisaties zelf zien om het verdienvermogen te vergroten en welke rol zij zien voor de gemeente. Hiertoe is in maart 2024 een enquête onder instellingen afgenomen die vooraf is afgestemd met de indiener van het Initiatiefvoorstel. In de vragenlijst maakten wij het gangbare onderscheid tussen kleine organisaties (jaaromzet < €50.000), middelgrote (jaaromzet tussen €50.000 en €1,5mln.), en grote instellingen met een begroting boven de €1,5 mln. De respons bedroeg 82 van 300 aangeschreven organisaties (27%). De opbrengst van bovenstaande vormt de basis voor onze collegereactie en de daarin gemaakte keuzes. Algemene bevindingen Vóór we ingaan op de concrete aanbevelingen uit het Initiatiefvoorstel, wil het college enkele algemene bevindingen delen.
Tenzij nader beschreven, bedoelen wij met fondsenwerving: het verwerven van financiële middelen bij vermogensfondsen, particulieren en bedrijfsleven. Samenstelling inkomsten private middelen • Uit de enquête blijkt dat gemiddeld 25% van de totale inkomsten van organisaties afkomstig is uit fondsenwerving, opgebouwd uit 16% vermogensfondsen, ruim 5% bedrijfsleven en een kleine 4% particulieren. Kleine en middelgrote instellingen ontvangen percentueel de meeste inkomsten van vermogensfondsen. Grote instellingen juist meer van bedrijfsleven en particulieren. • Bijna 80% van de respondenten heeft de voorbije jaren geïnvesteerd in fondsenwerving. Dit betreft zowel inzet op eigen fondsenwervers als op gespecialiseerde bureaus. Bijna 71% van de organisaties geeft aan meer te willen investeren in fondsenwerving. • Extra investeren in fondsenwervers leidt niet automatisch tot meer inkomsten. Onder de respondenten was dit over de voorbije jaren (slechts) bij 56% het geval. De meer inkomsten realiseert men uit het bedrijfsleven en particuliere hoek, niet uit vermogensfondsen. • Redenen om niet te investeren zijn: een gebrek aan tijd en middelen en de gedachte dat de boel op orde is. Redenen om wel te investeren zijn: verhoging eigen budget; realisatie gezondere financieringsmix en zicht op groeimogelijkheden.
• Goed hier een onderscheid te maken tussen de fondsenpotentie voor regulier programma en de fondsen potentie om incidentele redenen. Voor het reguliere programma kent fondsenwerving een verzadigingspunt. Een instelling kent alle relevante bronnen en kan niet voor programma-activiteiten telkens dezelfde partijen aanschrijven. Juist grote instellingen hebben dit verzadigingspunt voor regulier programma bereikt vanwege grotere personele slagkracht. Bij incidentele redenen voor werving loont investeren in fondsenwerving voor hen meer, omdat het hier nieuw terrein betreft. Denk aan verbouwingen of speciale programma's. • Niet elke instelling zag een groei op fondsenwerving (zie taartdiagram). Waar in de afgelopen periode sprake was van een afname van inkomsten, trof dat significant de kleine organisaties. Het Mattheüs-effect is hierbij van toepassing: grotere instellingen die al succesvol zijn in het werven van private fondsen kunnen dit succes uitbouwen, terwijl kleinere instellingen het moeilijker vinden om te investeren in fondsenwerving én er minder succesvol in zijn (bron: Beekman Stichting). Kort gezegd: rijk wordt rijker, arm wordt armer.
2
Zijn uw inkomsten uit fondsenwerving de voorbije jaren toegenomen of afgenomen?
@Toegenomen @ Gelijk gebleven
4fgenomen
Enquête gemeente Rotterdam, 2024 (N=82)
Trends financieringsmix • Landelijke onderzoeken tonen aan dat, hoewel culturele instellingen een positievere houding ten opzichte van ondernemerschap hebben ontwikkeld, de diversiteit aan inkomstenbronnen niet aantoonbaar is toegenomen. In het laatste meetjaar voor COVID-19 (2019) bleken culturele instellingen meer afhankelijk van subsidies dan in de voorgaande jaren. • Bij de Rotterdamse tultuurplaninstellingen zien wij tegelijkertijd een groei van inkomsten uit private middelen. In 2013 bestond 4,8% van de totale inkomsten uit inkomsten uit private middelen tegenover 10,2%in 2022 (bron: jaarcijfers cultuurplaninstellingen 2013-2022). Er is kennelijk potentie, dan wel een mogelijk sterker hefboomeffect van subsidiegelden. Dit vergt nader onderzoek. Binnen het In The Mix project (zie toelichting hierna) ronden partijen momenteel een rapport af dat verschillende modellen om publieke en private financiering te combineren in kaart brengt. Dit betreft deels bestaande modellen (van een maximum percentage cofinanciering van een project tot matchfunding), maar ook modellen die in Nederland of wereldwijd nog minder ingeburgerd zijn. Voor de zomer verschijnt dit rapport. • Organisaties zetten fondsen en giften in voor: extra financiële mogelijkheden voor projecten, dekking exploitatie, meer draagvlak voor de missie van de organisatie of om meer maatschappelijke projecten voor bijv.
toegankelijkheid te bewerkstelligen. De extra financiering wordt bijvoorbeeld ingezet voor innovatie, talentontwikkeling, makers fair pay betalen of het mogelijk maken van meer internationale bijdragen in programmering. •
•
Het generiek dekken van beheerslasten is over het algemeen geen motivatie voor gevers om aan instellingen te doneren. Onderzoekers herkennen dit uit bestaande literatuur over crowdfunding. Wij concluderen dat fondsenwerving een sterk incidenteel en activiteitengericht karakter kent. Structurele lasten dienen gedekt door structurele financiering, niet zijnde fondsenwerving. Een inventarisatie door de Vereniging Rotterdamse Fondsen onder haar leden, gepresenteerd maart 2024, laat zien dat er middelen beschikbaar zijn voor culturele instellingen bij de sociaalmaatschappelijke fondsen, maar niet bij culturele fondsen. Dit zou verklaren waarom voor de Rotterdamse situatie investeringen in fondsenwerving niet leiden tot extra inkomsten uit culturele vermogensfondsen. Er is 3
wel potentie op maatschappelijke thema's. Curerende fondsen als Droom & Daad buiten beschouwing gelaten. Inkomsten van de culturele sector naar bron (C mio, indicatief) 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000
2005 Publiek (A)
2007
■ Privaat (B)
2009
2011
■ Rijk (C)
2013
Provincies (C)
2015
2017
2019
■ Gemeenten (C) ■ Neven (D) Berenschot, 2023
•
Over de groeipotentie van private financiering blijkt geen eenduidig antwoord te formuleren. Zo waarschuwt Berenschot in zijn onderzoek voor te veel optimisme (zie diagram uit 'In de schijnwerpers Groeipotentie voor de culturele sector door bijdragen aan maatschappelijke opgaven', 2023). Het totale private deel (B) is al decennia stabiel en van een duidelijke groei is geen sprake. In Rotterdam speelt mee dat met fusies van bedrijven en vertrek van hoofdkantoren de verbinding tussen eindbeslissers over sponsordeals en het Rotterdamse culturele veld minder sterk is dan voorheen. Wel ziet Berenschot opdrachtgeverschap vanuit de overheid uit andere domeinen dan cultuur als kans. Uit het onderzoek 'Geven in Nederland' blijkt juist dat particulieren (vanaf 2018) en bedrijven (vanaf 2015) structureel meer zijn gaan geven aan cultuur. Ook ontvangt de cultuursector sinds 2018 meer inkomsten van goede doelenloterijen en nalatenschappen.
Inrichting en facilitering fondsenwerving
•
•
•
De culturele sector is bij het organiseren van verdienvermogen niet zonder meer te vergelijken met commerciële sectoren. Met verwijzing naar een recente publicatie van Justin O'Connor, "Culture is not an industry" (2024), betogen wij dat cultuur tevens dient als publiek goed om burgerschap te ondersteunen en versterken. Daarom benadrukt het college de toegang tot cultuur voor alle Rotterdammers en de inzet op de doelgroep licht in de komende beleidsperiode 2025-2028. Dit is een van de redenen waarom de overheid überhaupt investeert (en niet alleen met financiële middelen) in behoud en versterking van een culturele infrastructuur. Een kwart van de respondenten gaf aan dat de gemeente een rol zou kunnen spelen in de bemiddeling en het verbinden van partijen. Er worden vooral kansen gezien voor bemiddeling richting het bedrijfsleven inclusief de afdeling economie in de vorm van lobby. Maar ook netwerkbijeenkomsten of een platform zijn kansen die de respondenten zien. Ongeveer 75% van de organisaties geeft aan interesse of mogelijk interesse te hebben in deelname aan een platform voor backoffice activiteiten. Dit geldt voor 4
•
zowel kleine, middelgrote als grote instellingen. Het grootste deel ziet kansen bij ITsupport, administratieve werkzaamheden, marketing, personeelszaken en contracten beheer. Voorbeelden uit de praktijk zijn Secretariaten aan de Maas met bestuursondersteuning voor een aantal Rotterdamse fondsen en Sportfondsen Nederland met een back-office organisatie die services verleent voor personeel, administratie, rapportage, onderhoud, verzekeringen etc. 42% geeft aan interesse te hebben in programma's of opleidingsmodules. Wel maakt men een voorbehoud voor de inhoud van de opleidingen/cursussen; de meeste programma's en cursussen zijn te algemeen. Ook geven de respondenten aan dat het volgen van desbetreffende programma's veel tijd en middelen vergt. Het is daarom belangrijk voor de instellingen dat het wel genoeg oplevert. Praktijkgerichtheid is dus cruciaal vanuit het principe 'learning by doing'.
Deel 1: verdienvermogen culturele sector vergroten Aanbeveling 1 en 2: pilots subsidievoorwaarden • Onderzoek aan de hand van een of meerdere pilots hoe een gedeelte van de subsidie aan de culturele instellingen kan worden aangewend voor de werving van fundraisers om op deze wijze het eigen verdienvermogen van de culturele instellingen verder te vergroten. Dit zou met name voor middelgrote instellingen kunnen gelden. • Onderzoek in de breedste zin aan de hand van een of meerdere pilots hoe culturele instellingen op het gebied van fundraising innovatiever en ondernemender kunnen worden. Maak daarbij gebruik van bestaande netwerken en initiatieven. Gedacht zou hierbij kunnen worden aan het (deels) afhankelijk laten zijn van de hoogte van de subsidies aan het eigen verdienvermogen (een systeem van cofinanciering gerelateerd aan de eigen directe fondsenwerving). • Een andere gedachte is om voorwaarden te stellen aan de marketing van de cultuurinstellingen (bijdragen afhankelijk van merkkracht). Het college constateert dat inzet van meer fondsenwervers niet automatisch leidt tot het genereren van meer private middelen, afhankelijk van de nog aanwezige potentie voor regulier programma en expertise om meer projectmatig geefdoelen te realiserén. Daarnaast is er ook geen duidelijk verband gevonden tussen de omvang van de begroting van instellingen en de inkomsten uit fondsenwerving.
Verder weten we uit het verleden dat het instellen van een eigen inkomstennorm tot weinig effect leidt. In 2010 heeft het Ministerie van OCW een eigen inkomsten norm inclusief groei norm ingesteld, maar die heeft het na tegenvallende resultaten weer losgelaten. Onderzoekers zien meer in het stimuleren van een bredere financieringsmix dan het aanpassen van voorwaarden. Uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt namelijk wel dat instellingen door investeren in fondsenwerving hoger scoren op indicaties van ondernemerschapsgedrag. Dit is uitgewerkt in onze reactie op aanbeveling 3. Wij zijn meer principieel van mening dat de overheid allereerst subsidie verstrekt. ter dekking van vaste lasten om zo de culturele infrastructuur van de stad te borgen. Het verschuiven van deze middelen van een structureel doel naar personele inzet op veelal projectmatige inzet vinden wij niet passen bij de rol van de gemeente. Als tweede argument vinden wij het verplichtende karakter door oormerken van (een deel van) de subsidie onwenselijk. Daarmee gaat het college op de stoel van de culturele instelling zitten bij de inzet van middelen in relatie tot organisatiestrategie en organisatiekeuzes. Wij hechten aan een zuivere rolopvatting. Het college denkt eerder aan empowerment en stelt een alternatief voor om de inzet op fondsenwerving te stimuleren. 5
Actie college Gelet op het belang met name de middenlaag van instellingen te faciliteren, zullen wij dit najaar door landelijke experts een 'business day' laten organiseren voor Rotterdamse fondsenwervers en andere geinteresseerden gericht op: tips & tricks, inspirerende voorbeelden, mogelijkheden voor shared services, aanbevelingen op financiële huishouding, sectoronderzoek etc. Deze dag dient als basis voor een meer structureel traject dat door experts, deelnemers, bedrijfsleven en onderwijs en wetenschap vervolgens uitgewerkt wordt. De aard van de financierings- en ondersteuningsbehoefte speelt in dit traject een cruciale rol zodat een en ander beklijft bij individuele instellingen.
Aanbeveling 3. Ideeën uit onderyijsen wetenschap • Zet het onderwijs en de wetenschap in om tot ideeën te komen hoe de totale financiële pot te vergroten. Wij pakken deze aanbeveling breder op en onderzoeken hoe wij met gemeentelijke euro's een sterker hefboomeffect kunnen realiseren. Er lopen op dat vlak diverse inspirerende initiatieven en onderzoeken: •
Culture Capital Fund: voortkomend uit de New Deals Cultuur Rotterdam richt dit fonds zich op nieuwe initiatiefnemers in de stad. Het fonds start in de eerste fase met open calls en zal zich vervolgens doorontwikkelen tot een publiekprivaat vehikel voor cultuurfinanciering door private partners uit te nodigen te investeren. Initiatiefnemers zijn in gesprek met partijen als EEC en MKB Rotterdam over de vervolgstappen. Het college draagt eenmalig € 250.000 bij aan programmabudget. • Ondernemers Voor de Kunst: sinds 2018 is gemeente Rotterdam partner van Voordekunst. Voordekunst is hét platform voor crowdfunding in de creatieve sector. Elke euro van de gemeente leidt tot 4 euro's private giften. Nu heeft Rotterdam als eerste de stap gezet om ook bedrijfsgiften aan te trekken, dankzij het initiatief Ondernemers voor de kunst, met partners: Ecclesia, Galerie Weisbard, voordekunst, MKB Rotterdam Rijnmond, VNO-NCW Rotterdam & regio Rijnmond, Rotterdammers 4 Rotterdammers en Rotterdam Charity Club.
• Leve het geven: https://www.levehetgeven.nl • Kennispunt Mecenaatstudies: https://mecenaatstudies.sites.uu.nl • Cultuur+Ondernemen: o Culturele Financieringswijzer: https://www.cultuur-ondernemen.nl/culturelefinancieringswijzer o Kennisgidsen (meer volgt): https://www.cultuurondernemen.nl/artikel/kennisgidsen-voor-zakelijk-verantwoordelijken • In the Mix: samenwerking tussen Cultuur+ Ondernemen, Platform ACCT, voordekunst en de Erasmus Universiteit Rotterdam werken tussen mei 2023 en mei 2024 aan een project om de arbeidsmarktpositie van zelfstandige Nederlandse makers te versterken door meer kennis op te doen over, en pilots te ontwikkelen rondom financieringsmixen. Het heeft drie doelen: makers te helpen betere financieringsmixen te ontwikkelen, betere afstemming te krijgen tussen fondsen en financiers, en inzicht te krijgen over nog niet aangebroken mogelijkheden om financiering te mixen (bijvoorbeeld publiek/privaat). Uitkomsten zullen onder andere zijn: een roadmap met verschillende bestaande en nog niet bestaande financieringsmixen, een inventarisatie van obstakels voor makers om financiering te mixen en pilots om aanvraagprocedures te vergemakkelijken. 6
Actie college Er loopt een onderzoek naar matchfunding via voordekunst, en hoe die het beste ingezet kan worden (voor zowel private als publieke matchfundingspartners). De uitkomsten van het onderzoek zullen wij waar mogelijk inzetten om te bevorderen dat een groter aantal Rotterdamse private organisaties/gevers matchfundingpartner wordt. In algemene zin volgen wij de genoemde initiatieven op de voet en zullen de opbrengsten vertalen naar ons flexibele instrumentarium 2025-2028 en laten meenemen in het advies van de kwartiermaker transitie cultuur waar het gaat om financieringsmodellen onder het nieuwe bestel per 2029.
Aanbeveling 4: • Stimuleer cultuurmakers om deel te nemen aan bestaande programma's/opleidingsmodules over cultureel ondernemerschap aan de Erasmus Universiteit en/ofandere onderwijsinstellingen. Deze aanbeveling is besproken met een vertegenwoordiger van de EUR. Uit dit gesprek bleek dat de bestaande modules over dit onderwerp niet gericht zijn op praktische vaardigheden eri daardoor minder goed lijken aan te sluiten op de behoefte van makers. Tijdens de door het directeurenoverleg georganiseerde conferentie Kunstlab24 van medio april 2024 kwam naar voren dat het merendeel van de culturele organisaties beperkt is in bezetting en overvraagd wordt. Dit beeld komt overeen met de afgenomen enquête. Daarmee is het twijfelachtig of het reëel is dat organisaties in de gelegenheid zijn aan opleidingen deel te nemen. Op basis van de opbrengst van de hierboven onder aanbeveling 3 genoemde themabijeenkomst kan mogelijk een vervolg ontwikkeld worden. Actie college Hoewel de gemeente niet de werving van cursisten op zich neemt in een concurrerend onderwijsveld en hier met name een taak ziet weggelegd voor de sector zelf, wil ze wel expertisedeling bevorderen door aan de culturele instellingen mee te geven diverse interessante routes te zien: •
•
• •
Modules rondom artistic research/learning modules in ondernemerschap binnen de thematic line Arts, Culture and Creativity binnen UNIC (https://unic.eu/nl/thematiclines). UNIC is een samenwerking van een aantal Europese universiteiten in postindustriële steden, met name wat betreft onderwijs, gefinancierd door de EU. RASL, een samenwerking tussen Codarts, WDKA en de EUR (met name Arts and Culture Studies) als uitvalsbasis voor de ontwikkeling van ondernemerschapscursussen op de praktijk gericht. Cultuur+Ondernemen: programma Slagkracht, gericht op zakelijk leiders, https://www.cultuur-ondernemen.nl/diensten/slag kracht-ontwikkelprogramma Linc: leiderschap in cultuur, https://leiderschapincultuur.nl
Aanbeveling 5: shared services •
Zet in samenwerking met de culturele sector een platform op waarin zogenaamde backoffice activiteiten voor culturele instellingen kunnen worden gedeeld. Denk daarbij aan administratieve werkzaamheden, personeelszaken, contractenbeheer, secretariaat, marketing en IT-support. Zo'n organisatie kan ook de rol als expertisecentrum voor fundraising oppakken en/of ingezet worden als matchmaker tussen culturele en marktpartijen (backoffice wordt als het ware een front office).
7
De gemeente is in de ogen van het college niet de partij om een platform of organisatie op te zetten voor activiteiten die in beginsel door de markt worden uitgevoerd. Zeker niet omdat er tegelijkertijd een subsidierelatie bestaat tussen gemeente en de partijen die baat kunnen hebben bij zo'n platform. Wel zien wij mogelijkheden om de goede voorbeelden uit de praktijk zoals het eerdergenoemde Sportfondsen, op de juiste plek te laten landen. Vanuit huisvesting zijn er eveneens bestaande voorbeelden hoe multifunctioneel gebruik als model bijdraagt aan shared services, zoals het programma Heilige Huisjes waarbij ruimte in kerken voor andere doeleinden worden gebruikt waaronder ook culturele programmering. Actie college Het college gaat onderzoeken wat effectieve gedeelde shared services zijn die ook daadwerkelijk tot lastenverlichting leiden bij (kleinere) organisaties en kijkt daarbij in eerste instantie naar multifunctioneel gebruik van ruimtes. Uw raad heeft onlangs nog middels een amendement op het IHP Onderwijs het belang laten vastleggen van de koppeling van andere maatschappelijke functies aan schoolgebouwen (24bb001038). Het college brengt goede voorbeelden onder de aandacht van het Directeurenoverleg (DO) waarin directies van de structureel gesubsidieerde Rotterdamse instellingen zich hebben verenigd en wil samen met het DO tot aanbevelingèn komen.
Aanbeveling 6: SROI • Onderzoek hoe de SROI-verplichting (dienstverleners van de Gemeente Rotterdam worden contractueel verplicht om een percentage van de aanneemsom te investeren in het sociaal maatschappelijke domein) kan worden ingezet in de culturele sector. Bij veel opdrachten met een waarde van meer dan 50.000 euro, waarin de gemeente opdrachtgever is, maken we als gemeente afspraken over social return met als doel gezamenlijk impact te creëren voor onze stad en haar inwoners, in het bijzonder voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het gaat hier om uitkeringsgerechtigden Participatiewet, mensen met een WW, Wajong, WIA, WAO- of WSW-uitkering, en jongeren die een opleiding hebben gevolgd op het vmbo, voortgezet speciaal onderwijs, mbo-niveau 1 en 2 of een praktijkschool. Invulling van social return kan op vier manieren: 1. Werken 2. Leren & Ontwikkelen 3. Activiteit met maatschappelijke waarde 4. Inkoop/opdracht bij een erkende sociaal ondernemer of sociale werkvoorziening. Opdrachtnemers kunnen, naast arbeidsparticipatie en -ontwikkeling, dus ook op andere manieren invulling geven aan social return. Het organiseren van maatschappelijke activiteiten (bijvoorbeeld gastlessen) of plaatsen van een opdracht bij sociale werkvoorziening behoren ook tot de mogelijkheden. Gerealiseerde Social Return in Rotterdam in 2023 1. SR waardering geregistreerde personen 2.
Arbeidsontwikkeling 3. Inkoop sociaal onderneming Inkoop sociaal werkbedrijf 4. Maatschappelijke Activiteiten Totaal
€27.953.213 € 49.085 € 3.523.922 € 1.348.844 € 2.185.823 €35.060.887
Er liggen kansen in het zichtbaar maken wat cultuur kan bijdragen aan maatschappelijke opgaves door in het kader van SROI opdrachten te verstrekken aan creatieven/ makers of hierin samenwerking tussen opdrachtnemers en culturele sector te versterken: een groeiend aantal kunstenaars/makers probeert maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen via 8
kunst. (. ..) de artistieke en maatschappelijke waarde van de cultuursector begint bij de kunstenaars en hun werkpraktijk. Waarom het cultuurbestel dan niet zo inrichten dat zij daar het middelpunt van vormen?(...) bron: NRC 03012024 Joost Heinsius/ Henk Kreinen Actie college Het college herkent mogelijkheden om vanuit contractbeheer en opdrachtverlening de inzet op SROI ten behoeve van de culturele sector te intensiveren. Tegelijkertijd betreft SROI nadrukkelijk geen out-of-pocket geld voor de sector. Het komen tot een juiste inzet die matcht met behoeftes in de sector vraagt meer afstemming dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Het college zegt toe een en ander nader te onderzoeken en de raad over de Uitkomsten te informeren. Het accent ligt op een alternatieve wijze van invulling, op het moment dat de vier genoemde manieren niet uitvoerbaar blijken.
Aanbeveling 7: bekostiging cultuur uit andere domeinen • Cultuur draagt bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Maatschappelijke opdrachten vanuit andere beleidsdomeinen als bijvoorbeeld zorg ofstadsontwikkeling hebben een positief effect op het betreffende beleidsdomein en. op de culturele sector. Denk bijvoorbeeld aan de inzet van SKVR bij het eenzaamheidsprobleem bij ouderen. En zo zijn er nog veel meer goede voorbeelden. Wat veelal ontbreekt is dat er ook betaald wordt voor de bijdrage vanuit de culturele instelling aan het oplossen van het maatschappelijk vraagstuk. Aanbeveling: Ga na wat er op dit vlak allemaal al gebeurt en wat er goed gaat. Ga het gesprek aan met andere wethouders hoe de culturele sector kan bijdragen aan het bereiken van hun doelstellingen en bespreek de financiering daarvan.
Het college onderschrijft de stelling dat cultuur bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Daarbij merkt het college wel op dat financiering van de culturele infrastructuur uit publieke middelen in de eerste plaats bedoeld is ten behoeve van de intrinsieke waarde van kunst en cultuur. Cultuur kán vervolgens instrumenteel worden ingezet, maar dit is niet de reden om in kunst en cultuur te investeren. Met andere woorden de cultuurbegroting blijft in beginsel bedoeld voor culturele doelstellingen; om de productie, de ontwikkeling en beleving van kunst mogelijk te maken. Vanuit dit vertrekpunt zijn er vervolgens vele positieve effecten van kunst en cultuur op andere domeinen. In de huidige praktijk zijn er al vele voorbeelden van samenwerkingen tussen kunstenaars of culturele organisaties en organisaties uit andere domeinen. Soms betaald uit andere domeinen (gemeentelijk of fondsen), soms ook (deels) door de culturele organisaties zelf en dus met cultuurmiddelen. Wat het college betreft mag de geldstroom uit de andere marktsegmenten rijkelijker gaan vloeien. De positieve effecten zijn immers groot. Vooral op het gebied van zorg en welzijn ziet het college kansen. Denk daarbij aan jongeren (weerbaarheid en preventie) en ouderen (zorgkosten en kwaliteit van leven).
Enkele voorbeelden in Rotterdam zijn: waar het welzijn van mensen met niet-aangeboren hersenletsel door middel van dans verbetert, de hiphopcultuur waarin jongeren onderdeel zijn van een community wat tevens een waardevol sociaal netwerk en vangnet biedt, Music Matters dat door Erasmus MC betaald wordt voor muziektherapie. Deze geldstromen zullen echter nooit de basisfinanciering voor kunst en cultuur kunnen vervangen. Actie college De wethouder Cultuur zal nadere gesprekken voeren over de kansen voor sector overstijgende financiering. Daarnaast is dit onderwerp onderdeel van de opdracht aan de kwartiermaker transitie cultuur die begin 2024 is gestart. De kwartiermaker voert 9
hierover zowel binnen de gemeente als met externe financiers het gesprek. Het advies wordt eind 2025 opgeleverd aan het college.
Deel 2: Inzetten op andere verdeling Rijkscultuurgelden "Wat de indieners betreft gaan we aan de slag om de financiële bijdrage voor de culturele sector vanuit het Rijk substantieel te vergroten. Wij vragen het college van Burgemeester en Wethouders de regie te nemen om dit voor elkaar te krijgen en om in elk geval om de volgende aanbevelingen op te pakken. Dit lijstje is niet limitatief. Wij vragen het college nadrukkelijk om ook zelf een aantal ideeên en suggesties toe te voegen."
Aanbeveling 8: vergroten van het netwerk • Ontwikkel een strategie hoe wij op structurele basis ons netwerk vanuit Rotterdam kunnen vergroten bij de juiste instanties en betrek daarbij het gehele culturele ecosysteem, met als doel om ten minste een fair share te krijgen uit het landelijk cultuurbudget. Dit netwerk zou meerdere Ministeries (OCW, VWS, EZK, etc.), 2e Kamer, Provincie ZH, cultuurfondsen, etc. moeten dekken. Betrek daarbij de USP's en kernwaarden van de Rotterdamse culturele sector zoals urban culture, architectuur, cultuurinnovatie, het makers-klimaat en het cultuuronderwijs. Het college onderschrijft deze aanbeveling. Kwartiermaker Heleen Ririassa formuleert een kerndocument dat de waarde van Rotterdamse cultuur centraal stelt. Zodra beschikbaar zal het college dat uw raad doen toekomen. Dit fundament hangt nauw samen met een met het Stadhuis afgestemde interne lobbystrategie cultuur die toeziet op het onderhouden en uitbreiden van het netwerk, zowel cultureel als breed maatschappelijk. Het college ziet mogelijkheden om met name in het breed maatschappelijk domein de relaties uit te breiden en te verstevigen met het oog het op het verbreden van de financieringsmix voor cultuur.
Onlangs hebben de provincies Zuid- en Noord-Holland gezamenlijk een brief aan het kabinet verstuurd waarin onder meer aandacht wordt gevraagd voor het aandeel dat Rotterdam ontvangt van de landelijke cultuurmiddelen in aanloop naar het cultuurdebat in de Tweede kamer in september 2024. Actie college Het college stelt voor de toezegging Rotterdamse cultuurbeleid -- Meer culturele middelen Rotterdam (23bb004559) aan te houden en u najaar 2024 nader te informeren over de vervolgstappen van dit traject.
Aanbeveling 9: Cofinanciering • Zet bij het Rijk in op een systeem van cofinanciering, waarbij het Rijk in de uitgaven rekening houdt met de lokale bijdrage. Op deze wijze kunnen de Rijksmiddelen voor cultuur veel efficiënter worden ingezet. In geval er bij het Rijk geen draagvlak is voor een systeem van cofinanciering, onderzoek en bespreek in dat geval met de betrokken instanties hoe de bijdrage vanuit het Rijk aan de Rotterdamse cultuurinstellingen substantieel kan worden vergroot. Het college onderschrijft de oproep om cofinanciering rand voorwaardelijk te maken. Op dit moment is een dergelijk samenspel op basale wijze vastgelegd in vierjaarlijkse cultuurconvenanten tussen OCW en de gemeentes met BIS-instellingen. Het recente advies van de Raad voor Cultuur betoogt een diepere afstemming tussen de drie overheidslagen, in 10
de vorm van een kaderwet Cultuur per 2029. De in het advies genoemde doelstelling van 'toegang tot cultuur voor alle Nederlanders' beperkt zich wat ons betreft niet tot de discussie Randstad 'versus' regio. De doelstelling is even relevant en schaalbaar naar grootstedelijke context. Blijvende investeringen van het Rijk zijn nodig om in de grootstedelijke gebieden de toegang tot cultuur te waarborgen. Onze kernboodschap is: investeer als Rijk op de plekken waar ook de andere overheden investeren. Voorkom door meer spreiding een verwatering van middelen en impact. Mede daarom vinden wij de voorgestelde kaderwet cultuur alleen zinvol als deze verder reikt dan een minimaal niveau van zorgplicht. Grote steden zoals Rotterdam investeren al aanzienlijke middelen in kunst en cultuur per inwoner. Dit komt onder andere omdat de culturele voorzieningen en het verzorgingsgebied van een grote stad doorgaans groter zijn dan die van een kleinere gemeente. Actie college Het college zal zich te allen tijde hard maken voor een uitwerking die de specifieke behoeften en mogelijkheden van grote steden erkent, zoals op het vlak van goed werkgeverschap (denk aan fair pay voor zzp'ers) en het belang van financiële matching tussen Rijk, provincie en gemeente. Het komende cultuurconvenant 2025-2028 is een van de instrumenten om aandacht voor cofinanciering te vragen.
Ondertekening met Rijk, provincie Zuid-Holland en regiopartner gemeente Dordrecht vindt december 2024 plaats. Maar ook de deelname van wethouder Buijt aan de VNG-commissie ZJO op de cultuurportefeuille is voor ons een relevant kanaal. Uiteraard juicht het college het toe dat uw raad via eigen politieke lijnen een en ander eveneens richting landelijke politiek heeft bevorderd of zal bevorderen. Aanbeveling1Q: renovatie museum Boijmans Van Beuningen • Ga met het Rijk het gesprek aan hoe het Museum Boijmans Van Beuningen van een jaarlijkse substantiële Rijksbijdrage -en in elk geval van een substantiële Rijksbijdrage aan de renovatie van het Museum - kan worden voorzien. Vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn in het verleden eenmalige subsidies verstrekt voor een bijdrage in de renovatiekosten. Voor Museum Boijmans Van Beuningen is in deze eenmalige regeling € 7,5 mln. gereserveerd. Momenteel staat er geen dergelijke subsidieregeling open, maar loopt er een inventarisatie vanuit het programma Erfgoed en Overheid. Het contact met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wordt goed onderhouden en daarnaast worden andere subsidieregelingen zoals DUMAVA aangevraagd zodra dit opportuun is. Een bijdrage in de exploitatielasten zoals bij de Rijksmusea is een weinig haalbare kaart omdat het geen rijkscollectie betreft op enkele bruiklenen na.
Afsluitend Samenvattend meent het college met een breed scala aan acties recht te doen aan uw initiatief. Het totaal aan vervolgstappen zal naar onze mening positief bijdragen aan de financiële positie van de Rotterdamse culturele sector. Dit voorstel past bij de transitie naar een nieuw bestel per 2029 als het gaat om de zoektocht naar andere vormen van financiering. Dit traject biedt de mogelijkheid om de geleerde lessen, voorbeelden en resultaten rond financiering, fondsenwerving, lobby en positionering een robuuster en duurzamer karakter te geven. Vanzelfsprekend houden we uw raad op de hoogte van de voortgang. Wij stellen voor toezegging (23bb004559) aan te houden en tegelijkertijd toezegging (23bb007133) als afgedaan te beschouwen. 11
Financiële en juridische consequenties/aspecten: De voorgestelde acties passen binnen de begroting cultuur.
Burgemeester en wethouders van Rotterdam,
12