[24bb004538] Bijlage 3 behorende bij 24bb004535 over Preadvies commissie voor Omgevingskwaliteit + Cultureel Erfgoed (O+CE, voorheen Commissie Welstand & Monumenten)
Tekst van het document
COMMISSIE OMGEVINGSKWALITEIT EN CULTUREEL ERFGOED
Aan het College van Burgemeester en Wethouders Rotterdam t.a.v. wethouder M. Struijvenberg en wethouder S. Kasmi Postbus 70012 3000 KP Rotterdam
Bezoekadres secretariaat: Wilhelminakade 179, 3072 AP Rotterdam Postadres: Postbus 6575, 3002 AN Rotterdam Website: www.rotterdam.nl/welstand
Betreft: preadvies scenario gefaseerde ambitie Museum Boijmans van Beuningen Datum: 22 mei 2024
Geachte wethouders, Op 22 mei heeft Francine Houben namens Mecanoo het schetsontwerp voor de restauratie en doorontwikkeling van Museum Boijmans van Beuningen (MBVB) aan de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed Rotterdam gepresenteerd. Dit ontwerp, gestoeld op het uitgangspunt van gefaseerde ambitie, schetst een alternatief voor de ‘basis+ variant’ die eerder door supervisor André van Stigt en gemeentelijk projectleider Ton Knipping aan de commissie is voorgelegd. De commissie heeft in februari dit jaar ongevraagd op de ‘basis+ variant’ gereflecteerd. Op uw verzoek brengt de commissie bij deze haar preadvies inzake de restauratie en doorontwikkeling van MBVB uit, waarbij zij beide varianten op hun merites beoordeelt. Daarbij moet worden benadrukt dat beide varianten in dit stadium relatief beperkt zijn uitgewerkt. De ‘basis+ variant’ behelst op dit moment meer een benaderingswijze dan dat het een ontwerp is. De ‘gefaseerde ambitie’ verkeert nog in de fase van schetsontwerp, hetgeen impliceert dat in het vervolg van het ontwerpproces nog diverse dilemma’s zullen voorliggen en keuzes/n moeten worden gemaakt. Als aangegeven in de reflectie op de ‘basis+ variant’ van februari dit jaar, acht de commissie de ‘basis+ variant’ een denkbare route naar een vernieuwd MBVB.
Het uitgangspunt ‘we doen het met de spullen die we hebben’ sluit aan bij de tijdgeest waarin sloop vanuit duurzaamheid niet langer de eerste insteek is. Daarbij werd de ‘basis+ variant’ ook ingegeven door de wens de bouwkosten, die het aanvankelijke gereserveerde bouwbudget al ruimschoots overschrijden, in te perken. Ofschoon de commissie deze route denkbaar achtte, gaf zij daar direct bij aan dat ook in de ‘basis+ variant’ een aantal aspecten beter moesten worden geregeld om het museum toekomstbestendig te maken. Dat betrof met name de ontwikkeling van een uitnodigende entree, een heldere en voor ieder toegankelijke museale routing en een versterkte relatie met de omgeving. Ten aanzien van het bouwdeel Robbrecht & Daem werd opgemerkt dat transformatie van dit bouwdeel wellicht kansen zou bieden om het bouwdeel Bodon weer in ere te herstellen als daglichtmuseum. Inmiddels heeft de architect in samenwerking met de museumdirectie een variant op SO-niveau opgesteld dat uitgaat van een gefaseerde ambitie. In deze variant worden de drie bouwdelen die zijn aangeduid als rijksmonument weer in hun kracht gezet. Het bouwdeel Robbrecht & Daem, dat het bouwdeel Bodon in een wurggreep omklemt, wordt in het voorstel geamoveerd.
Daarmee ontstaat een ensemble van drie gebouwdelen die tezamen één museum vormen en de gelaagdheid van Rotterdam representeren: - Het gebouwdeel Van der Steur representeert het deftige Rotterdam van voor de oorlog; - Het gebouwdeel Alexander Bodon staat voor de naoorlogse innovatiedrang; - De aanbouw van Hubert Jan Henket tekent het modernisme. De commissie staat kritisch tegenover sloop en acht dit alleen een optie wanneer dat leidt tot een aantoonbare en substantiële winst aan kwaliteit. Dat lijkt met het gepresenteerde scenario alleszins het geval. Het SO brengt in beeld hoe in dit geval sloop leidt tot een museum dat veel genereuzer in zijn parkomgeving staat. Hierbij kan het gebouw van Bodon weer als daglichtmuseum stralen, ontstaat aan de Museumparkstraat een veel samenhangender gevelbeeld en krijgt de bezoeker/passant veel meer mee van
wat het museum binnen allemaal te bieden heeft. Daarbij maakt de sloop van het gebouwdeel Robbrecht & Daem het ook mogelijk de logistieke bereikbaarheid van de werkplaatsen en tentoonstellingsruimten langs een kortere -en voor het park minder ingrijpende- weg sterk te verbeteren. Het schetsontwerp toont -naar het oordeel van de commissie- voor het eerst een perspectief op een uitnodigende museale entree waar functies als kaartverkoop, garderobe, museumwinkel en sanitair kunnen worden ontwikkeld zonder de monumentale kwaliteit van de gebouwdelen Van der Steur en Bodon aan te tasten. Het schetsontwerp biedt daarmee zicht op: - Herstel van de bouwdelen Van der Steur, Bodon en Henket; - Een vernieuwde, inclusieve en gastvrije entree; - Een verbeterde logistiek; - Een verbeterde verbinding met stad en park. De commissie is dan ook onverholen en unaniem enthousiast over de kansen die het schetsontwerp voor het museum en de stad biedt. Hiermee lijkt de stap te worden gemaakt waarmee het museum de toekomst in kan gaan en waarmee eigentijdse kwaliteit aan het ensemble wordt toegevoegd. Dit enthousiasme laat onverlet dat de commissie vragen bij het schetsontwerp heeft, waarvan zij verwacht dat deze in de uitwerking naar definitief ontwerp tot een oplossing worden gebracht.
Deze hebben onder andere betrekking op de toegankelijkheid van de route door het museumcomplex, op de betekenis en positie van de Oudhollandse trap en op de doorwerking van de logistieke corridor. Enkele voorstellen zijn van invloed op de relatie met en de inrichting van de tuin en daarmee ook op de herkenbaarheid van het oorspronkelijke polderpatroon dat nog van vóór de ontwikkeling van het museum dateert. De commissie vraagt expliciet aandacht voor deze wellicht wat meer verscholen erfgoedkwaliteiten. In de bijlage zijn de aandachtspunten die de commissie wil meegeven verder benoemd. Resumerend Ofschoon de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed Rotterdam als eerder aangegeven de ‘basis+ variant’ denkbaar acht, heeft zij een sterke voorkeur voor de variant van de gefaseerde ambitie. Hiermee wordt de stap ingezet die nodig is om het museum ook in de toekomst te laten functioneren en ontstaat een museum dat aan de stad meerwaarde geeft. Het schetsontwerp zet de bouwdelen Van der Steur, Bodon en Henket in hun kracht, versterkt hun onderlinge samenhang en voegt daarbij eigentijdse kwaliteit en identiteit aan het museum toe! Aspecten die naar het oordeel van de commissie oplosbaar lijken maar in de uitwerking tot Definitief Ontwerp nadrukkelijk aandacht behoeven zijn in de bijlage benoemd.
Vertrouwend de stad Rotterdam met dit advies van dienst te zijn geweest, namens de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed Rotterdam,
ir. Steven Slabbers, voorzitter
Bijlage: Aandachtspunten bij de uitwerking van het SO ‘gefaseerde ambitie’ Kopie: Wethouder C. Zeegers De heer T. Knipping (projectdirecteur MBVB) De heer R. André de la Porte (directeur Bestaande stad)
2
Aandachtspunten bij de uitwerking van het SO ‘gefaseerde ambitie ’ Bijlage bij het preadvies inzake scenario ‘gefaseerde ambitie’ MBVB van de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed d.d. 22 mei 2024 1. De commissie is positief over het voorstel van de nieuwe verdiepte entree in de buitenhof. Dit kan nieuwe identiteit aan het bouwdeel Van der Steur toe gaan voegen. De commissie ondersteunt de gedachte de buitenhof als publiek toegankelijke, stenig monumentale ruimte uit te werken. Daarmee wordt de buitenhof weer deel van de openbare ruimte van de stad. Een goede bereikbaarheid van de verdiepte entree voor minder validen behoeft aandacht. De lift die hiervoor moet worden ontwikkeld moet uitnodigend zijn, mag niet worden weggestopt, maar mag tegelijkertijd geen afbreuk doen aan de monumentale openheid van de buitenhof. 2. De commissie onderstreept het belang van een verbeterde toegankelijke routing door het museumgebouw. In hoeverre hieraan wordt voldaan, laat zich op basis van het schetsontwerp nog onvoldoende beoordelen. De drie gebouwdelen die tezamen het vernieuwde museum gaan vormen kennen zowel onderling als intern tal van hoogteverschillen. Het is de commissie nog niet duidelijk hoe wordt voorkomen dat deze hoogteverschillen obstakels voor de mindervalide museumbezoeker gaan vormen.
Daarbij hecht de commissie aan een logische en respectvolle routing naar het gebouwdeel Van der Steur die tevens de rotonda in zijn kracht zet. 3. De positie van de Oudhollandse trap is nog niet helder. Deze trap is een zeer bijzonder en zeldzaam monumentaal onderdeel dat niet is berekend op het gebruik door een stroom aan museumbezoekers. Dat maakt de trap niet geschikt als onderdeel van de museale hoofdroute. Bijkomend aandachtspunt is de mate waarin de trap als museaal object vrij in de ruimte staat. In het schetsontwerp lijkt er frictie met de lift die nabij de trap is gedacht. 4. De commissie is positief over de gedachte de binnenhof te overkappen en de buitenhof daarentegen juist open te houden. Wel meent zij dat de ideeën voor de binnenhof nog te veel op twee gedachten hinken: tuin en/of ruimte voor grote ontvangsten. De commissie roept de architect op hierin een duidelijke keuze te maken. De voorkeur van de commissie gaat hierbij nadrukkelijk uit naar de doorontwikkeling tot een intiem en groen binnenhof in tegenstelling tot het stenig en meer extroverte buitenhof. De overkapping maakt het mogelijk de oorspronkelijk door Van der Steur bedachte relatie tussen museum en tuinkamer, waar de bezoeker rust kan vinden, in ere te herstellen. 5. De commissie ondersteunt de gedachte het gebouwdeel Henket als parkpaviljoen te ontwikkelen.
Naar verwacht zijn daarmee minder aanpassingen aan de buitenschil van dit paviljoen nodig en ontstaan er meer mogelijkheden om de relatie binnen-buiten te versterken. De commissie vraagt het gebouwdeel Henket nog explicieter als parkpaviljoen met een versterkte binnen-buitenrelatie uit te werken, als plek waar de Rotterdammer op een zomerse dag buiten kan verpozen met zicht over het park en op het monument G.J. de Jongh. 6. De commissie is in beginsel positief over de logistieke entree aan de oostzijde van het bouwdeel Bodon, maar heeft vragen bij de wijze waarop deze zich manifesteert. Het logistieke expeditievolume reikt tot voorbij de grens van het gebouwdeel Bodon en is daarmee nadrukkelijk aanwezig. Ook twijfelt de commissie aan het doorzetten van de logistieke corridor tot aan het bouwdeel Henket. Deze dure ingreep vergt forse bouwkundige aanpassingen dwars door de fundering onder Van der Steur. Het hoogteverschil van 160 cm dat de tunnel impliceert, zet de relatie van het museum met het park onder druk. De ingrepen ten behoeve van de logistieke corridor zijn niet alleen van invloed op de relatie met en de inrichting van de tuin maar grijpen ook in op de herkenbaarheid van het oorspronkelijke polderpatroon dat nog van vóór de ontwikkeling van het museum dateert. De commissie vraagt expliciet aandacht voor deze wellicht wat meer verscholen erfgoedkwaliteiten.
3
Daarbij zijn er twijfels over zowel de noodzaak als de wenselijkheid om Henket -dat als horeca/parkpaviljoen zoveel mogelijk los van het museum wordt ontwikkeld- op het logistieke systeem van het museum aan te takken. Het andersoortig gebruik dat veelal ook op andere momenten van de dag plaatsvindt, kan aanleiding zijn tot conflicten. De commissie vraagt de mogelijkheden van een gescheiden expeditie over het Melkkoppad te onderzoeken. 7. De commissie begrijpt de ingreep om het bouwdeel Robbrecht & Daem te slopen. Daarmee ontstaat ruimte aan de Museumparkstraat, komt het museum ook aan die zijde meer ín het park dan áán de straat te staan en wordt Bodon als daglichtzaal in ere hersteld. De commissie is nieuwsgierig naar de nieuwe gevel die na sloop van Robbrecht & Daem aan de buitenhof wordt ontwikkeld. 8. De uitwerking van de hoek Westersingel-Museumparkstraat is de commissie nog niet duidelijk. Met de sloop van Robbrecht & Daem kan de villa aan de Westersingel als een trotse hoek worden ontwikkeld. Nog onduidelijk is hoe de voorgestane galerie, afval-opstelplaats en de aansluiting op Bodon een sterk samenhangend geheel gaan vormen dat in volume aansluit bij de bebouwing langs de Westersingel. 9.
Het ontbreekt de commissie aan inzicht hoe de technische installaties ruimtelijk worden ingepast en wat dit betekent voor het innovatieve luchtverversingssysteem dat Van der Steur voor het museum heeft ontwikkeld.
4