CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003930] Bijlage 1 behorende bij 24bb003929 - Ontwerpbestemmingsplan 'Grafisch Lyceum Rotterdam'

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 27 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting25.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN

Grafisch Lyceum Rotterdam

colofon

projectnaam Bestemmingsplan Grafisch Lyceum Rotterdam datum 13 november 2023 projectnummer P04415 IMRO-identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2133GrafLyceRoton01 opdrachtgever Grafisch Lyceum Rotterdam Concept -Ontwerp 13 november 2023 Vaststelling BRO projectleider MOo projectteam JvdA ADi bron kaft: BRO

Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 info@bro.nl www.bro.nl

Grafisch Lyceum Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging en begrenzing

5

1.3

Vigerend bestemmingsplan

7

1.4

Gekozen planopzet

8

Beleidskader

9

2.1

Rijksbeleid

9

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

11

2.3

Gemeentelijk beleid

14

Gebiedstypering

16

3.1

Archeologie

16

3.2

Cultuurhistorie

18

3.3

Huidige situatie en gebruik

20

Planbeschrijving

22

4.1

Uitgangspunten en programma

22

4.2

Bouwplan en toekomstige inrichting

22

4.3

Juridische planbeschrijving

25

Water

26

5.1

Beleidskader

26

5.2

Waterparagraaf

27

Hoofdstuk 6

Milieu

30

6.1

Inleiding

30

6.2

Milieueffectrapportage

30

6.3

Milieuzonering

31

6.4

Geluid

32

6.5

Luchtkwaliteit

35

6.6

Bodem

39

6.7

Externe veiligheid

40

6.8

Stikstof

43

6.9

Flora en fauna

44

6.10

Verkeer en parkeren

46

6.11

Duurzaamheid en energie

50

6.12

Bezonning

51

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

2

Hoofdstuk 7

Financiële Uitvoerbaarheid

52

Hoofdstuk 8

Maatschappelijke Uitvoerbaarheid

53

8.1

Vooroverleg

53

8.2

Participatie

53

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het Grafisch Lyceum Rotterdam is gespecialiseerd in onderwijs voor de wereld van media, vormgeven en ICT. De opleidingen richten zich op mediavormgeven (zowel grafisch als multimedia), dtp, audiovisuele productie, podium- en evenemententechniek, printmedia, sign, mediamanagement en mediatechnologie. De instelling bestaat uit een mbo-afdeling en een vmbo-afdeling. Er wordt tevens leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) aangeboden. Het vmbo voor Vormgeven en Media van het Grafisch Lyceum Rotterdam is gevestigd in Rotterdam aan het Stadhoudersplein. De school telt circa 560 leerlingen. Het gebouw uit 1989 is sterk verouderd en voldoet niet meer aan de huidige eisen (onderwijsinhoudelijk, technisch en functioneel) van een moderne school. Het Grafisch Lyceum is voornemens om op de huidige locatie vervangende nieuwbouw te plegen. De ontwikkeling past niet binnen het vigerend bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder'. De gemeente Rotterdam is voornemens om medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Onderhavig bestemmingsplan maakt de beoogde ontwikkeling jurudisch-planologisch mogelijk. Tot slot wordt opgemerkt dat gedurende de periode van 29 juni 2018 tot en met 9 augustus 2018 reeds een ontwerpbestemmingsplan 'Grafisch Lyceum Rotterdam' ter inzage heeft gelegen.

Eenieder is hierbij in de gelegenheid gesteld om zienswijzen omtrent het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen. Na afloop van de zienswijzenperiode heeft er echter geen vaststelling van het bestemmingsplan plaatsgevonden. De nieuwbouw van het Grafisch Lyceum Rotterdam, waarin dit bestemmingsplan diende te voorzien, is ook nooit gerealiseerd. Nu, enkele jaren later, is het in 2018 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan geactualiseerd.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt in de wijk Blijdorp-Bergpolder, aan de noordzijde van het Stadhoudersplein. Het betreft het perceel van de vmbo-locatie van het Grafisch Lyceum Rotterdam. Het perceel van 3.460 m² is voor ongeveer 56% bebouwd. Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie AB, nummer 2889. Het plangebied bestaat uit het gebouw van het Grafisch Lyceum Rotterdam met bijhorend pauzeplein met noodgebouw en een fietsenstalling. Aan de zuid- en westzijde van het gebouw zijn, buiten het plangebied, openbare (betaalde) parkeerplaatsen gelegen. Aan de oostzijde is het kleinschalige medisch centrum 'Gezond Blijdorp' aanwezig met apotheek, huisarts en fysiotherapie. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een stadspark. Op de volgende afbeeldingen zijn de ligging van het plangebied in groter verband en een luchtfoto afgebeeld, waarop de ligging en begrenzing van het plangebied in zijn nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing (juridisch geborgd) van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

5

Figuur 1.1: Ligging plangebied in groter verband

Figuur 1.2: Ligging plangebied en directe omgeving, met begrenzing indicatief weergegeven

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder', vastgesteld op 2 februari 2017. Het plangebied heeft de bestemming 'Maatschappelijk - 1'. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen, met het daarbij behorende erf, toegestaan. De realisatie van het Grafisch Lyceum Rotterdam als onderwijsfunctie is hierbinnen in beginsel mogelijk. Het bouwvlak volgt exact de footprint van de huidige bebouwing. Ter plaatse van het bouwvlak is een bouwhoogte van 8 meter toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn tevens overdekte fietsenstallingen en bergingen toegestaan. Een klein gedeelte van het plangebied heeft thans de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen niet toegestaan. Ook is ter plaatse geen bouwvlak opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding van het plangebied (rood)

Daarnaast liggen er twee dubbelbestemmingen op het plangebied; 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Cultuurhistorie'. Voor de gronden met 'Waarde - Cultuurhistorie' geldt, in aanvulling op de bouwregels voor 'Maatschappelijk - 1', dat gebouwen die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan afgedekt zijn met een platdak, bij herbouw afgedekt dienen te worden met een platdak in de oorspronkelijke vorm, of waar afgedekt met een kap, bij herbouw afgedekt dienen te worden met een kap in de oorspronkelijke vorm (d.w.z. de kapvorm zoals die was ten tijde van de eerste oplevering van het gebouw). Tevens dient de bestaande indeling in bouwblokken te worden gehandhaafd. De gronden met 'Waarde - Archeologie 3' zijn mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Wanneer aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken dieper dan 2,5 meter beneden NAP, en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m², worden ingediend, dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

7

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het bestaande bouwvlak en aan de zuidzijde beperkt buiten het bestemmingsvlak 'Maatschapplijk - 1'. Daarnaast komt de beoogde bouwhoogte uit boven de binnen het bouwvlak toegestane bouwhoogte van 8 meter. In de huidige situatie is het perceel van het Grafisch Lyceum van 3.460 m² voor ongeveer 56% bebouwd. In de beoogde ontwikkeling wordt het gehele perceel bebouwd. De nieuwbouw dient afgedekt te worden met een platdak. Daarbij dient de bestaande indeling in bouwblokken te worden gehandhaafd. Het Grafisch Lyceum maakt geen onderdeel uit van een specifiek bouwblok. Het gebouw staat als solitair object in de ruimte.

1.4

Gekozen planopzet

Het projectbestemmingsplan heeft tot doel om een juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken te bieden. Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch gezien bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoud en op welke manier rekening is gehouden met de relevante omgevingsaspecten.

8

Hoofdstuk 2

Beleidskader

Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de in-voering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leef-omgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. 2. 3. 4.

combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. de nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie;

9

14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Doorwerk ing plangebied In onderhavig geval is geen sprake van rijksbelangen die in het geding zijn of strijdigheid met de beleidsdoelstellingen als neergelegd in de NOVI. De voorgenomen ontwikkelingen werpen tevens geen belemmeringen op voor het bereiken van deze in de NOVI verwoorde beleidsdoelstellingen. Er bestaan, bezien vanuit het oogpunt van het willen behalen van de beleidsdoelstellingen uit de NOVI, dan ook geen belemmeringen voor onderhavig planiniatief. 2.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerk ing plangebied Aangezien sprake is van een bestemmingsplan dat voorziet in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2 is in beginsel sprake van een stedelijke ontwikkeling. In vergelijking met het vorige juridisch-planologische regime wordt voorzien in een groter planologisch ruimtebeslag, aangezien het bouwvlak vergroot wordt en er een grotere bouwhoogte wordt toegestaan, kan gebouw met een groter brutovloeroppervlak worden gerealiseerd dan thans mogelijk is onder het huidige juridisch-planologische regime. Hiermee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen en de behoefte aan de ontwikkeling beschreven.

Het vmbo voor Vormgeven en Media van het Grafisch Lyceum Rotterdam is gevestigd in Rotterdam aan het Stadhoudersplein. De huidige school telt circa 560 leerlingen. Het huidige gebouw uit 1989 is sterk verouderd en voldoet niet meer aan de huidige eisen (onderwijsinhoudelijk, technisch en functioneel) van een moderne school. Voor de vervangende nieuwbouw van het Grafisch Lyceum is een ruimtelijk en functioneel Programma van Eisen (PvE) opgesteld door HEVO (d.d. 26 april 2016). In dit PvE worden de basisuitgangspunten verwoord waar de nieuwe huisvesting van het Grafisch Lyceum vmbo aan zou moeten voldoen. Voor het Grafisch Lyceum vmbo was 500 leerlingen zowel onderwijskundig als

10

bedrijfsmatig het streefaantal voor de vervangende nieuwbouw van de school. Sindsdien is het aantal leerlingen gegroeid met ongeveer 60, met name vanwege het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs (lwoo). Vanwege deze groei in het aantal leerlingen heeft er een herijking van dit PvE plaatsgevonden (d.d. 5 juli 2021). Het Grafisch Lyceum vmbo heeft behoefte aan een helder, overzichtelijk en compact gebouw. In tegenstelling tot het verleden, is een school niet meer een verzameling van identieke klaslokalen op een rij met een gang ernaast. Er is behoefte aan flexibele ruimten waar zowel klassikaal onderwijs gegeven kan worden als gewerkt kan worden in een groepje of zelfstandig. Lange gangen moeten vermeden worden. In de Onderwijsvisie Grafisch Lyceum is het onderwijs van het vmbo georganiseerd rondom vier thuisbasissen, voor elk leerjaar één, waar leerlingen individueel, in groepen en/of in stilte kunnen werken. In de hoofdopzet van de huisvesting is uitgegaan van een vierlaags volume met op de begane grond de gymnastiekzaal, de science lokalen en het MVI-cluster (Media, Vormgeven en ICT) voorzien. Op de eerste verdieping zijn de aula/kantine en algemene ruimten (staf) voorzien. Op de tweede en derde verdieping zijn de verschillende thuisbasissen voorzien. De aula is het knooppunt binnen het gebouw en moet vanuit alle thuisbasissen snel bereikbaar zijn.

De thuisbasis is de plek waar de leerlingen per leerjaar een eigen plek hebben waar ze een groot deel van de vakken krijgen. Dit is ook de plek waar het onderwijzend personeel een eigen (flexibele) werkplek heeft en de teamleider een eigen ruimte. Deze indeling is gebaseerd op de onderwijsvisie en de uitwisselbaarheid van ruimten en werkplekken. Elke thuisbasis beschikt over verschillende theorielokalen en een leerplein. Het leerplein wordt ingezet voor zelfstandig werken, groepsopdrachten of voor het geven van instructies. Uitgangspunt voor het bepalen van het Programma van Ruimten is het onderwijsconcept en het daarop volgend vlekkenplan. Hiervoor is het aantal benodigde onderwijsruimten bepaald aan de hand van het toekomstige lesrooster bij 500 leerlingen, verdeeld over 20 klassen. Vervolgens is aan de hand van deze uitgangspunten een voorstel gemaakt voor de indeling van de thuisbasissen en een optimalisatie in ruimten. Dit is verder uitgewerkt in het PvE en de daarna opgestelde herijking van dit PvE. Concluderend: uit het PvE, de daaropvolgende herijking van het PvE, de Onderwijsvisie en het Programma van Ruimten blijkt dat een moderne school met de gewenste flexibele ruimten en werkvormen een grotere ruimtebehoefte kent. De (potentiële) leerlingen van de school hebben belangstelling voor creatieve en/of technische beroepen, communicatie en (nieuwe) media.

De school trekt hierdoor leerlingen uit heel Rotterdam, maar ook de wijde omtrek (25%). Vanwege deze specifieke aard van de school en het niet toenemen van het leerlingaantal ten opzichte van de huidige situatie, heeft de beoogde vervangende nieuwbouw van de school geen (nadelige) effecten op de omliggende scholen, in die zin dat zij hierdoor leegstandsproblemen gaan ervaren. Conclusie De ontwikkeling die met voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt voorziet in een bestaande behoefte en ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

11

2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben de provinciale staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen: in de ambities wordt omschreven waar we als provincie heen willen, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. Sinds de vaststelling is de provinciale omgevingsvisie een aantal maal op punten gewijzigd. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft de Omgevingsvisie Zuid-Holland de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. In de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn zeven provinciale vernieuwingsambities geformuleerd, namelijk: 1. samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organsaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5.

versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Doorwerk ing plangebied De zesde hierboven weergegeven provinciale vernieuwingsambitie, 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteiliteit', heeft niet alleen betrekking op de opgave tot het realiseren van een fors aantal betaalbare woningen. De groeiende steden zijn namelijk ook plekken waar sociale problematiek zich manifesteert. De vitaliteit van de stad is gebaat bij goede scholen. Ook de kwaliteit van de huisvesting is onderdeel van de kwaliteit van een school. Onderhavig bestemmingsplan draagt bij aan het vitaliseren van de stad, aangezien wordt voorzien in kwalitatief goede huisvesting voor het Grafisch Lyceum Rotterdam. Hiermee past het planinitiatief binnen de kaders van de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

12

2.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben de provinciale staten van Zuid-Holland de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Deze verordening bevat de provinciale regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Met het vaststellen van deze verordening is geanticipeerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn 17 provinciale verordeningen volledig en 1 provinciale verordening gedeeltelijk geïntegreerd. Het uitgangspunt hierbij was een beleidsneutrale integratie. Sinds de vaststelling is de provinciale omgevingsverordening een aantal maal op punten gewijzigd. De Omgevingsverordening Zuid-Holland is zodanig opgebouwd dat na twee inleidende hoofdstukken voor de regeling van algemene begrippen (hoofdstuk 1) en de aanwijzing van onderdelen van de fysieke leefomgeving (hoofdstuk 2), de regels voor activiteiten door burgers en bedrijven voorop staan (hoofdstuk 3). Daarna komen de meer tot het openbaar bestuur gerichte regels over het ambitieniveau voor leefomgevingskwaliteit (hoofdstuk 4), de regels over onderlinge taakverdeling (hoofdstuk 5) en de doorwerking van provinciaal beleid naar andere bestuursorganen via instructieregels (hoofdstuk 6).

Vervolgens komen ondersteunende hoofdstukken over financiële bepalingen (hoofdstuk 7), procedures van voorbereiding (hoofdstuk 8) en handhaving (hoofdstuk 9), schade (hoofdstuk 10), monitoring en informatie (hoofdstuk 11) en adviesorganen (hoofdstuk 12). Overgangsrecht (hoofdstuk 13) en slotbepalingen (hoofdstuk 14) sluiten de verordening af. Doorwerk ing plangebied In onderhavig geval is artikel 6.9, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland relevant. Hierin is het volgende bepaald: Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikk eling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rek ening is gehouden met de relevante richtpunten van de k waliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. In onderhavig geval is sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentititeit. Er wordt namelijk voorzien in een stedelijke functie binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij de omvang en hoogte van de aansluiting bij de omvang en hoogte van de bebouwing in de omgeving van het plangebied. Gelet op de verscheidenheid aan functies in de omgeving van het plangebied past de beoogde school niet alleen ruimtelijke maar ook functioneel gezien binnen de omgeving. Artikel 6.10, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat een regeling omtrent stedelijke ontwikkelingen. In dit lid is het volgende neergelegd:

13

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenk omstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Er is sprake van bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt binnen bestaand stedelijk gebied. In subparagraaf 2.1.2 is reeds getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarom wordt voor deze toetsing verwezen naar betreffende subparagraaf. Concluderend kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet stijdig is met hetgeen is opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1

Omgevingsvisie Rotterdam

Op 2 december 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam de Omgevingsvisie Rotterdam vastgesteld. Deze omgevingsvisie heeft de titel 'De Veranderstad. - Werken aan een stad voor iedereen.' gekregen. De omgevingsvisie is de integrale visie op de fysieke leefomgeving. Met fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om in Rotterdam Het omvat alle elementen die de ruimte bepalen zoals: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De ontwikkeling van de fysieke leefomgeving hangt sterk samen met de sociale leefomgeving en het economische domein. Daarom zijn ruimtelijke aspecten op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling, milieu en economie ook onderdeel van deze visie. De omgevingsvisie beschrijft integrale, allesomvattende opgaven en keuzes voor Rotterdam. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. De gemeente Rotterdam maakt in haar omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.

Rotterdam zet in op prettig leven in de delta; Rotterdam gaat verstedelijken en verbinden; Rotterdam zet in op vitale wijken; Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie; Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen.

Om tot een integrale blik te komen, werken we met vijf langetermijndoelen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving. Dit worden perspectieven genoemd. Ze vormen het kompas waarmee de koers van de gemeente bepaald wordt. Niet elk van de perspectieven kan altijd in even grote mate worden nagestreefd. Alle ontwikkelingen worden echter wel door de brillen van deze vijf perspectieven bekeken. Concreet gezien gaat het hierbij om de volgende perspectieven: 1. 2. 3. 4. 5.

compacte stad; inclusieve stad; duurzame stad; gezonde stad; productieve stad.

Doorwerk ing plangebied

14

Met onderhavig plan wordt bijgedragen aan de vitaliteit van de omgeving van het plangebied. Door het realiseren van een nieuw schoolgebouw wordt een positive bijdrage geleverd aan het creëren van een prettigere leeromgeving voor scholieren. Ook zorgt het realiseren van de nieuwbouw voor een ruimtelijke kwaliteitsimpuls, mede aangezien oude, gedateerde bebouwing wordt vervangen door nieuwe bebouwing. Daarnaast wordt aangesloten bij de langetermijndoelen tot het creëren van een compacte, inclusieve, duurzame en productieve stad. Hiermee wordt bijgedragen aan het bereiken van de beleidsdoelstelling als neergelegd in de gemeentelijke omgevingsvisie. Geconcludeerd kan daarom worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de Omgevingsvisie Rotterdam.

15

Hoofdstuk 3

Gebiedstypering

3.1

Archeologie

3.1.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerking treding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van "de verstoorder betaalt" uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 3.1.2

Gemeentelijk beleid

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

16

3.1.3

Archeologische verwachting

In het plangebied is de diepere ondergrond kansrijk voor het aantreffen van bewoningssporen uit de Midden-Steentijd. Op het veen en op mogelijk aanwezige fossiele stroomgordels kunnen bewoningssporen vanaf de IJzertijd aanwezig zijn. Vanaf de 19e eeuw heeft het gebied een complete metamorfose ondergaan. Er zijn wegen en spoorlijnen aangelegd, de Rotterdamse Schie is gedempt en na het ophogen van grote delen van het gebied is het hele gebied bebouwd. Plaatselijk kunnen ondanks al deze ingrepen ook de jongere bewoningssporen en vondsten uit Middeleeuwen en de Nieuwe tijd nog zeer compleet en goed geconserveerd onder de (plaatselijk dikke) ophogingen aanwezig zijn. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rotterdam geldt voor het plangebied een zeer hoge verwachting (categorie 2). Voor gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting geldt volgens de archeologische beleidskaart het volgende : 'voor grondroerende werkzaamheden in gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting is afhankelijk van de verstoringsdiepte, maar ongeacht het oppervlak van de uit te voeren werkzaamheden- een vrijstelling en/of aanlegvergunning verplicht.' 3.1.4

Bescherming archeologie vigerend bestemmingsplan

Op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder' geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Wanneer aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken dieper dan 2,5 meter beneden NAP, en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m², worden ingediend, dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. 3.1.5

Bescherming archeologie in onderhavig bestemmingsplan

De exacte ligging en diepte van de nieuwbouw van het Grafisch Lyceum is momenteel nog niet bekend. Ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied is in de regels van dit bestemmingsplan, in afwijking van de regeling die is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder', de volgende regeling opgenomen: Waarde - Archeologie - 1 Voor het plangebied geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,5 meter beneden NAP, ongeacht de oppervlakte van de ingreep. De bescherming van archeologie is juridisch verankerd door de archeologische regeling in de regels en de archeologische laag op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Het uitgewerkte bouwplan moet te zijner tijd worden voorgelegd aan de afdeling Archeologie van de Gemeente. Archeologie Rotterdam beoordeelt of een (voor) onderzoek op de locatie nodig is, of niet.

17

3.2

Cultuurhistorie

3.2.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 3.2.2

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid is vastgelegd in onder meer de Erfgoedverordening Rotterdam (vastgesteld op 28 januari 2021) en de Erfgoedagenda Rotterdam 2023-2027 (vastgesteld 16 mei 2023). De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. De Gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen: Beschermde stadsgezichten (BS); Wederopbouwaandachtsgebieden; Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM); Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG). Beschermd stadsgezicht Blijdorp - Bergpolder Het plangebied ligt in het beschermd stadsgezicht Blijdorp - Bergpolder. Op 5 november 2014 hebben de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Infrastructuur en Milieu het beschermd stadsgezicht 'Blijdorp - Bergpolder' aangewezen. De waarden van het beschermd stadsgezicht worden als volgt getypeerd. Het cultuurhistorisch belang van Blijdorp/Bergpolder is gelegen in het feit dat het ontwerp van W. Kromhout Czn. en W.G. Witteveen is voortgekomen als deelplan uit een op grond van onderzoek verkregen totale visie op de stad en regio: Studie voor den algemeenen uitleg van Rotterdam in verband met omliggende gemeenten (1928). Hierbij was de focus op een adequate hoofdverkeersstructuur (zowel weg- als waterverkeer) richtinggevend.

Daarnaast werd de opzet van het plan bepaald door het streven naar een harmonieuze, grootstedelijke woonwijk met optimale recreatie- en groenvoorzieningen en een verbetering van de woningtypologie voor de doelgroep (arbeiders en middenstand). De samenwerking tussen Witteveen en Kromhout heeft geleid tot een even functioneel als esthetisch stedenbouwkundig plan, dat kenmerkend is voor de ontwikkeling van de stedenbouwkunde van de jaren twintig en dertig. De oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur van Blijdorp/Bergpolder is grotendeels intact en van belang vanwege de heldere structuur en ruimtelijke opbouw, geconstrueerd op een logisch patroon van hoofdverkeerswegen en bestaande uit een symmetrische en geometrische ordening van architectonische eenheden, overwegend in de vorm van monumentale ensembles van gesloten (woning)bouwblokken en stroken met een stedelijke schaal en vormgeving. Groenstroken en laanbeplanting van de (hoofd)wegen en parkvoorzieningen in de vorm van groene 'assen' in een regelmatige spreiding over de wijk voegen een ruime hoeveelheid groen toe. Met name het gebied aan weerszijden van de Statensingel heeft door de aanwezigheid van voortuinen en de manifestere aanwezigheid van achtertuinen (door de strokenaanleg) het karakter van een tuinstad.

De Gordelweg/Schieweg, Statenweg en Stadhoudersweg vormen belangrijke routes in de ontsluiting van het Rotterdamse centrum en Rotterdam Zuid. Hierdoor is het harmonieuze stedenbouwkundige,

18

architectonische en lommerrijke karakter van Blijdorp/Bergpolder van beeldbepalende waarde als noordwestelijke 'entree' tot de stad. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn de hoofdkenmerken van de historisch-ruimtelijke waarde aangegeven voor het beschermd stadsgezicht Blijdorp/Bergpolder. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt nabij de Stadhoudersweg, één van de genoemde hoofdontsluitingswegen binnen het beschermd stadsgezicht. Het is gelegen op de kop van één van de 'groene assen' binnen het gebied, aan de rand van een voor dit gebied waardevol park aan de Noorderhavenkade. Het is hierdoor enerzijds van belang dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de waarde van deze 'groene as' en anderzijds dat de bebouwing qua situering, omvang en vormgeving past bij de kenmerken binnen het beschermd stadsgezicht. De bebouwing in het gebied bestaat voornamelijk uit etagewoningen in hoofdzakelijk gesloten bouwblokken en enkele stroken van drie tot vijf bouwlagen. Een grote mate van architectonische en visuele eenheid en een grootstedelijk karakter zijn kenmerkend. Hierbij is evenwel van belang dat het plangebied, samen met het naastgelegen Medisch centrum, een solitaire plek binnen het gebied kent.

De huidige bebouwing in het plangebied draagt niet bij aan de genoemde architectonische eenheid en kent door de sobere architectuur een beperkte ruimtelijke/architectonische kwaliteit. De nieuwe bebouwing zal in de as tussen beide zijden van de Noorderhavenkade worden gepositioneerd (zie nader par. 4.2). Op deze wijze voegt de nieuwbouw zich logisch binnen het bebouwingspatroon rondom de Noorderhavenkade en sluit deze goed aan op de kenmerkende ruimtelijke structuren binnen het beschermd stadsgezicht. De nieuwbouw zal hoofdzakelijk bestaan uit vier bouwlagen en sluit hiermee qua hoogte aan op de in de omgeving aanwezige bebouwing. De plek van het plangebied op de kop van de groene as, nabij een hoofdontsluitingsweg, leent zich goed voor een hogere bouwmassa dan de bestaande bebouwing. De nieuwbouw doet in dit opzicht dan ook geen afbreuk aan de waarden binnen het beschermd stadsgezicht. De achterzijde van de bebouwing, gericht op de aangrenzende groenstrook, zal een lager accent krijgen. De groenstrook aan de zijde van het Stadhoudersplein wordt doorgetrokken. Daarnaast is het de ambitie om het schoolplein niet met hekken te omkaderen zoals in de huidige situatie het geval is, maar open te laten en zo onderdeel te laten worden van de openbare ruimte. De aansluiting/ruimtelijke relatie tussen bebouwing en omgeving wordt hierdoor versterkt.

Monumenten en Beeldbepalende Objecten In het plangebied bevinden zich geen monumenten en Beeldbepalende Objecten. 3.2.3

Bescherming cultuurhistorie in het bestemmingsplan

Het beschermd stadsgezicht Blijdorp - Bergpolder wordt in de regels van voorliggend bestemmingsplan beschermd door middel van enerzijds een gedetailleerde wijze van bestemmen en anderzijds de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Hierbij is uitgegaan van de planregels voor de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder'. Bescherming bebouwing: In de dubbelbestemming wordt de stedenbouwkundige structuur beschermd, door middel van een regeling die aangeeft dat de bestaande indeling in bouwblokken dient te worden gehandhaafd; Daarnaast worden gebouwen beschermd door middel van een sloopverbod. Een vergunning voor het slopen wordt enkel afgegeven wanneer het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet of niet in betekende mate wordt geschaad. Hierbij wordt advies gevraagd van de Commissie Welstand en Monumenten; Gebouwen die voorzien zijn van een kap moeten bij herontwikkeling opnieuw voorzien worden van een kap en gebouwen die voorzien zijn van een plat dak moeten bij herontwikkeling opnieuw voorzien worden van een plat dak; Het Grafisch Lyceum maakt geen onderdeel uit van een specifiek bouwblok. Het gebouw staat als

19

solitair object in de centrale groene as van de Noorderhavenkade en is op de waarderingskaart getypeerd als gebouw dat afwijkt van de oorspronkelijke structuur van Blijdorp-Bergpolder. Het Stadhouderplein is getypeerd als een van de belangrijke dragers van de stedenbouwkundige structuur evenals de wanden van de omliggende woongebouwen. De nieuwbouw van het Grafisch Lyceum zal zorgvuldig te worden ingepast in de stedenbouwkundige structuur van Blijdorp-Bergpolder en dient afgedekt te worden met een plat dak.

3.3

Huidige situatie en gebruik

De wijk Blijdorp kenmerkt zich door de strakke, gesloten, rechte en hoge bouwblokken met binnentuinen die volledig van de openbare weg afgesloten zijn. De bouwblokken worden door middel van brede lanen en groene singels en straten van elkaar gescheiden. De wijk is aangelegd in de jaren 1930-1940 in de Blijdorpsepolder. In de uitvoering is in de zone bij het huidige Stadhouderplein in de jaren '30 een verbindingskanaal aangelegd, de Noorderhaven. Dit verbindingskanaal verbond de Rotterdamse Schie met het nieuw aangelegde Noorderkanaal. In de jaren '50 is de Noorderhaven gedempt. De Noorderhavenkade is na de demping bebouwd met noodschoolgebouwen en ruimte voor spelen en sport. In het uitbreidingsplan Blijdorp was namelijk te weinig ruimte voorzien voor maatschappelijke voorzieningen zoals scholen. Dat gold ook voor de strook tussen de Nobelstraat en de Sonmanstraat ten westen van het plangebied. Hier zijn ook diverse voorzieningen gebouwd. Vanaf eind jaren '80 zijn de gebouwen aan de Noorderhavenkade vervangen door een meer permanente bebouwing. Op dit moment staan aan de zuidzijde bij het Stadhoudersplein gaat het Grafisch Lyceum en een kleinschalig medisch Centrum 'Gezond Blijdorp'. Aan de noordzijde gaat het om een multifunctioneel schoolgebouw met twee basisscholen, een sportzaal en ruimte voor kinderdagverblijf.

Hiertussen ligt een park met speelvoorzieningen en veel volwassen bomen. Al deze gebouwen staan als objecten in de groene parkzone. Deze groene parkzone vormt een herkenbare as en wordt begrensd door de bebouwingswanden van gesloten bouwblokken van de Noorderhavenkade en het Stadhoudersplein. Deze bebouwingswanden zijn overwegend 5 lagen hoog en afgedekt met een plat dak. De schoolgebouwen vormen een uitzondering op de gesloten bouwblokken waarmee de Noorderhavenkade en het Stadhoudersplein zijn omgeven. De bouwhoogte is 1 tot 2 lagen hoog en daarmee ondergeschikt aan de bebouwing eromheen. Het perceel van het Grafisch Lyceum heeft een oppervlakte van 3.460 m² is voor ongeveer 56% bebouwd. De footprint van 1.948 m² beslaat het zuidelijke deel van het perceel. Het multifunctionele schoolgebouw aan de noordzijde is alzijdig vormgegeven. Het Grafische Lyceum heeft geen duidelijke oriëntatie en staat enigszins vreemd in de parkstrook aan het Stadhoudersplein. In de toelichting bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is het gebouw getypeerd als 'afwijkend van het oorspronkelijk stedelijk weefsel'. Alhoewel het Grafisch Lyceum en het naastgelegen medisch centrum een andere architectuur en uitstraling hebben, vormen ze samen een ensemble aan het Stadhoudersplein.

Beide hebben de hoofdentree aan het Stadhoudersplein, zijn circa 7 tot 8 meter hoog en bestaan qua opzet uit een simpel, rechthoekig volume. Het Grafisch Lyceum heeft een vrij gesloten gevel aan het plein en een sobere architectuur. De kleurstelling en het materiaalgebruik wijkt af van de omgeving. Aan de achterzijde (noordzijde) bevindt zich ook een entree, omdat daar de buitenruimte en de fietsenstalling zijn gesitueerd. Hier komen veel leerlingen het pand binnen. Het Grafisch Lyceum ligt aan de zuid- en oostzijde direct tegen de stoep aan. Aan de westzijde vormt een haag de overgang met de openbare ruimte. Aan de noordzijde/parkzijde wordt de buitenruimte begrensd door een hoog hekwerk. Direct achter het hekwerk bevinden zich vele volwassen bomen die met hun kroon over het hek uitkragen. De ruimtelijke relatie tussen bebouwing en groen is in de huidige situatie beperkt.

20

Figuur 3.1: Foto's bestaande situatie; zuidzijde (links) en noordzijde (rechts)

21

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Uitgangspunten en programma

Uitgangspunten voor de vernieuwing van het Grafisch Lyceum vmbo: Het huidige terrein waarover het Grafisch Lyceum beschikt heeft een oppervlakte van circa 3.460 m². De vervangende nieuwbouw betreft één gebouw voor 560 leerlingen en één gymnastieklokaal, met een totaal brutovloeroppervlak (BVO) van 6.055 m². De vervangende nieuwbouw dient een compact gebouw te zijn om grip te houden op de exploitatiekosten en de kleinschaligheid van het Grafisch Lyceum vmbo te bevorderen. Het parkeren van auto's gebeurt aan de openbare weg, conform de mogelijkheid tot salderen in de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets 2022.

Figuur 4.1: programma nieuwbouw Grafisch Lyceum

4.2

Bouwplan en toekomstige inrichting

Op basis van het Programma van Eisen (PvE) uit 2016 en de uitgangspunten voor de nieuwbouw van het Grafisch Lyceum is een hoofdopzet huisvesting opgesteld. In deze hoofdopzet is uitgegaan van een vierlaags volume met op de begane grond de gymnastiekzaal, de science lokalen en het MVI-cluster (Media, Vormgeven en ICT) voorzien. Op de eerste verdieping zijn de aula/kantine en algemene ruimten (staf) voorzien. Op de tweede en derde verdieping zijn de verschillende thuisbasissen voorzien. De thuisbasis is de plek waar de leerlingen per leerjaar een eigen plek hebben waar ze een groot deel van de vakken krijgen (theorielokalen en leerlingwerkplekken). Dit is ook de plek waar het onderwijzend personeel een eigen (flexibele) werkplek heeft en de teamleider een eigen ruimte. Deze indeling is gebaseerd op de onderwijsvisie en de uitwisselbaarheid van ruimten en werkplekken. Verticaal gezien is er een relatie tussen de meer geluidsgevoelige ruimten (theorie en thuisbasis) enerzijds en de geluidproducerende ruimten c.q. minder geluidsgevoelige ruimten (aula, gymnastiek, MVI) anderzijds. Anno 2021 was het PvE uit 2016 niet meer volledig actueel. Daarom heeft in juli 2021 een herijking van het PvE plaatsgevonden. Vanwege de groei van het aantal leerlingen van 500 naar 560 zijn is het programma hierbij uitgebreid van 5.455 m² naar 6.055 m².

Op basis van het herijkte programma is een principevoorstel voor de toekomstige bouwmassa opgesteld. Dit gaat uit van een nieuw gebouw in de as tussen beide zijden van de Noorderhavenkade, zie figuur 4.2. Op deze wijze voegt de nieuwbouw zich logisch binnen het bebouwingspatroon rondom de Noorderhavenkade. Een nadere stedenbouwkundige onderbouwing van het plan, waarin wordt ingegaan op de gemaakte keuzes qua positionering, vormgeving en materialisering van de nieuwbouw is opgenomen in Bijlage 1. Hierna wordt ingegaan op de voornaamste keuzes en uitgangspunten.

22

Figuur 4.2: stedenbouwkundig concept: hoofdvorm nieuwbouw in de as

Voor de positionering, vormgeving en uitstraling van het gebouw is er als uitgangspunt voor gekozen om het gebouw als object in de groene ruimte te plaatsen. Dit doet recht aan de plek. Door het schoolplein en de hoofdentree aan de westzijde van het gebouw te positioneren, past de inrichting en planopzet goed in de omgeving. De nieuwbouw sluit beter aan bij de ruimtelijke structuren die het beschermd stadsgezicht en de directe omgeving kenmerken. De nieuwbouw zal hoofdzakelijk bestaan uit vier bouwlagen. Binnen de beperkte afmetingen van het perceel is het gewenste programma niet in drie bouwlagen in te passen. Met vier bouwlagen resteert er voldoende pleinruimte op het perceel. De achterzijde van het gebouw zal een lager accent krijgen in de richting van de parkzone. Hierdoor wordt de ruimtelijke impact op de parkzone, die eveneens een beschermde waarde in het stadsgezicht betreft, beperkt en ontstaat een geleidelijke en natuurlijke overgang tussen bebouwing en groen. Figuur 4.3 geeft de beoogde massa-opbouw, mede in relatie tot de bebouwing en het groen in de omgeving, indicatief weer.

23

Figuur 4.3: principe massa

De groenstrook aan de zijde van het Stadhoudersplein wordt doorgetrokken. Daarnaast is het de ambitie om het schoolplein niet met hekken te omkaderen zoals in de huidige situatie het geval is, maar open te laten en zo onderdeel te laten worden van de openbare ruimte. Zodoende ontstaat er meer verbinding tussen het plangebied en de omgeving. Het fietsparkeren wordt deels op het schoolplein en deels in het gebouw opgelost. De hoofdentree van het onderwijsgebouw bevindt zich aan de zijde van het schoolplein en is vormgegeven als een ruime buitentrap die binnen het volume valt en wordt doorgezet als een tribune in het interieur. De aula bevindt zich op de eerste verdieping en krijgt een groot venster richting het Stadhoudersplein. De begane grond wordt ingericht met prakrijkruimtes, de eerste verdieping met algemene ruimtes en de verdiepingen erboven met klaslokalen. De terrassen aan de groenstrook krijgen op de eerste laag een buitenruimte voor de docenten en op het ruimere bovenliggende terras een buitenklaslokaal. Beiden worden groen ingericht om aan te sluiten op de aangrenzende groenstrook. Het (auto)parkeren vondt aan de openbare weg plaats, zoals in de bestaande situatie al het geval is.

24

Figuur 4.4: principe opzet toekomstige inrichting en logistiek

4.3

Juridische planbeschrijving

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij het vigerend bestemmingsplan 'Blijdorp-Bergpolder'. Verder is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). Voor het plangebied gelden de volgende (dubbel)bestemmingen: Maatschappelijk - 1 Het plangebied heeft de bestemming 'Maatschappelijk - 1' conform het vigerend bestemmingsplan. Hier zijn geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen, met het daarbij behorende erf, toegestaan. Onder maatschappelijk wordt verstaan: Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Het bouwvlak en de toegestane maximale hoogte zijn afgestemd op de in de voorgaande paragraaf beschreven stedenbouwkundige uitgangspunten. Waarde - Archeologie 1 In de regels is ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied deze dubbelbestemming opgenomen. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond is een omgevingsvergunning nodig. Zie voor een beschrijving van de archeologische waarden paragraaf 3.1.

Waarde - Cultuurhistorie De bestemming Waarde-Cultuurhistorie is opgenomen ten behoeve van het Beschermde stadsgezicht Blijdorp-Bergpolder. In de regels is een regeling opgenomen die de bebouwing beschermt. Zie voor een beschrijving van de cultuurhistorische waarden paragraaf 3.2

25

Hoofdstuk 5

Water

Sinds het in werking treden van het Besluit Ruimtelijke Ordening per 1 november 2003 is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. Op basis van dit besluit is het noodzakelijk om in de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen een beschrijving te geven van de wijze waarop ten aanzien van de waterhuishouding rekening gehouden wordt met de gevolgen die het ruimtelijke plan met zich meebrengt. In het kader van de planontwikkeling is een beknopte waterparagraaf opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste punten vermeld, voor de gehele waterparagraaf wordt verwezen naar de bijlagen. Het doel van de waterparagraaf is een beschrijving te geven van de wijze waarop ten aanzien van de waterhuishouding rekening gehouden wordt met de gevolgen die de herontwikkeling van de locatie met zich meebrengt. Het doel hiervan is het voorkomen van waterproblemen (zowel overlast als verdroging).

5.1

Beleidskader

5.1.1

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het plangebied bevindt zich binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het beleid van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2017, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.

Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn.

26

5.1.2

Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012

De Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: Kleine plannen Dit betreffen plannen met een verhardingstoename tot 500 m². Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden.

Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Middelgrote plannen Dit betreffen plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied. Grote plannen Dit betreffen plannen groter dan 10 hectare bruto planoppervlak. Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Bij dergelijke plannen wordt het plangebied veelal grotendeels heringericht. Dit biedt mogelijkheden om systeemaanpassingen door te voeren. Het is daarom gewenst om de waterhuishouding in het gebied apart te beschouwen. HHSK zal daarom het watersysteem bij grote plannen apart doorrekenen.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Inleiding

De beknopte waterparagraaf is opgesteld voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie Stadhoudersplein 35 te Rotterdam. Op de locatie vindt vervangende nieuwbouw van de bestaande school plaats. Hoewel het bruto vloeroppervlak van de toekomstige bebouwing wordt uitgebreid, wordt het verharde oppervlak van de locatie niet ten gewijzigd opzichte van de huidige situatie. In zowel de huidige als toekomstige situatie is de locatie immers volledig bebouwd en/of voorzien van verharding.

27

5.2.2

Watertoetsproces

Het Hoogheemraadschap Schielanden en de Krimpenerwaard, waarbinnen het plangebied is gelegen, is aangesloten op de landelijke digitale watertoets. In de digitale watertoets wordt het plangebied waarop de watertoets betrekking heeft aangegeven en wordt een vragenlijst ingevuld. Op basis van de resultaten van de digitale watertoets wordt bepaald of geen, een verkorte of een normale watertoetsprocedure van toepassing is op de herontwikkeling. In onderstaande tabel zijn de vragenlijst alsmede de bijhorende antwoorden uit de digitale watertoets opgenomen. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage 2 van de waterparagraaf.

Tabel 5.1: Vragenlijst digitale watertoets 5.2.3

Resultaten watertoets

Uit de watertoets blijkt op basis van de antwoorden in tabel 5.1 dat er voor de herontwikkeling een waterstaatkundig belang is. De waterstaatkundige belangen worden door het uitvoeren van dit plan echter niet of slechts beperkt beinvloed. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft om die reden een positief advies gegeven. Op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is voor onderhavige herontwikkeling sprake van een zogenaamd ‘klein plan’ (verhardingstoename tot 500 m²). Om die reden is voor de herontwikkeling geen compensatie noodzakelijk omdat kleine plannen een gering effect hebben op de waterhuishouding. Hemelwater wordt in de huidige situatie reeds via de riolering afgevoerd. Gezien de reeds aanwezige volledige verharding zal deze afvoer in de toekomst gelijk blijven. Uit de Hemelwaterverordening van de gemeente volgt dat bij nieuwe ontwikkelingen minimaal 50 mm regenwater per uur en 80 mm regenwater per dag op eigen terrein geborgen moet worden. PM uitwerking Ten aanzien van het afvoeren van afvalwater is op basis van de bekende gegevens een beperkte toename te verwachten. Deze toename is beperkt omdat het gebruikersaantal van de school gelijk blijft, enkel het bruto vloeroppervlak (BVO) wordt vergoot. Deze afvoer wordt eveneens aan de riolering aangeboden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b237a4d4-10fd-457f-bcd8-bb3f2182f28e