CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003930] Bijlage 1 behorende bij 24bb003929 - Ontwerpbestemmingsplan 'Grafisch Lyceum Rotterdam'

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 26 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen25.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van de bekende gegevens wordt aangenomen dat het aanwezige rioolstelsel voldoende capaciteit heeft om deze beperkte toename op te vangen.

28

29

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieueffectrapportage

6.2.1

Toetsingskader

Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen 'van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder ander de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r.- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of er een m.e.r.-plicht geldt. 6.2.2

Aanmeldingsnotitie m.e.r.

Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. In deze toelichting wordt de conclusie vermeld, voor de gehele notitie wordt verwezen naar de bijlagen. Gezien de aanmeldingsnotitie en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

30

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Aanbevolen wordt een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan Grafisch Lyceum Rotterdam geen milieueffectrapportage wordt vereist. Beoordeling Het bevoegd gezag heeft de aanmeldingsnotitie m.e.r beoordeeld en heeft aangegeven dat deze ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2. De functie wijzigt niet en daarmee is planologisch gezien de impact op het milieu niet anders. Er geldt dus geen m.e.r.-plicht.

6.3

Milieuzonering

6.3.1

Toetsingskader

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

31

6.3.2

Effecten functies in omgeving op functies binnen plangebied

Het plangebied valt onder het omgevingstype 'gemengd gebied' vanwege de verschillende omliggende functies en de ligging aan het Stadhoudersplein. In de directe omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor, voornamelijk milieucategorie 1 en 2, functies passende bij het gemengde gebied van het Stadhoudersplein en omgeving. Direct ten oosten van het plangebied ligt het kleinschalige medisch centrum Gezond Blijdorp. Aan de Van Maanenstraat 8 ligt Sportfondsenbad Rotterdam Noord, het Van Maanembad (zwembad). Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied', kan de richtafstand worden teruggebracht met één afstandsstap. De gedachtegang hierachter is dat in gemengd gebied reeds sprake is van een hogere milieubelasting dan in een rustig woongebied. Dit betekent dat voor de activiteiten met een milieucategorie 1 en 2 sprake is van een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter. De afstand van de beoogde bebouwing tot de meest nabijgelegen functies bedraagt meer dan 10 meter, met uitzondering van het medisch centrum. De afstand hiertoe bedraagt circa 9 meter. Een medisch centrum valt echter onder milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 0 meter geldt in gemengd gebied. Sportfondsenbad Rotterdam Noord valt onder milieucategorie 4.1, waarvoor een richtafstand geldt van 100 meter in gemengd gebied. De afstand hiertoe bedraagt circa 135 meter.

Er wordt dan ook aan de geldende richtafstanden voldaan. De omliggende functies hebben daarom geen invloed op de binnen het plangebied beoogde functie (school). 6.3.3

Effecten functies binnen plangebied op functies in omgeving

Het initiatief maakt de herbouw van een school mogelijk. Er dient daarom ook gekeken te worden naar de invloed van de school op de omgeving. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' valt een school onder milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt op basis van gemengd gebied. Het enige object gelegen binnen 10 meter van het plangebied betreft het medisch centrum. Dit is echter geen geluidsgevoelige bestemming. Zodoende zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 6.3.4

Conclusie

Vanuit het aspect milieuhinder bestaat er geen belemmering vanuit of voor de omgeving vanwege de voorgenomen ontwikkeling.

6.4

Geluid

6.4.1

Toetsingskader

Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

32

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Railverkeer Overeenkomstig de systematiek van verkeerswegen hebben ook (bovengrondse) spoorwegen een toetsingszone voor geluidhinder. De omvang van deze zone is per traject opgenomen in het 'Besluit geluidhinder spoorwegen'. Het plangebied ligt buiten de geluidzones van spoorwegen, waardoor onderzoek naar railverkeerslawaai niet aan de orde is. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen industrieterreinen aanwezig, die op basis van de Wgh een geluidzone hebben. Nader onderzoek in dit opzicht is niet aan de orde. Ten aanzien van niet-gezoneerde bedrijvigheid wordt verwezen naar de voorgaande paragraaf 6.3.

33

6.4.2

Rotterdams beleid

In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.4.3

Onderzoek wegverkeer

Gelet op artikel 1.2, eerste lid van het Besluit geluidhinder (Bgh) is een onderwijsgebouw een 'ander geluidsgevoelig gebouw' als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, Bgh geldt dit niet voor de delen van een onderwijsgebouw die niet worden aangemerkt als verblijfsruimte in de zin van artikel 1.1, eerste lid, onderdeel d, Bgh. Hoewel er reeds een keuze is gemaakt voor de indeling van het schoolgebouw, zijn er in de toekomst mogelijk redenen om deze indeling op punten te wijzigen. Daarom is ervoor gekozen om niet de contouren van de beoogde bebouwing maar de plangrens als uitgangspunt te hanteren voor het berekenen van de geluidsbelastingen op de gevels. Door Windmill is een akoestisch onderzoek wegverkeer (d.d. 10 augustus 2023) uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Wet geluidhinder De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Statenweg, de Schieweg en de A20 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Stadhoudersweg (50 dB) en de Bergselaan (54 dB) voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde. Deze geluidbelasting voldoet wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB.

In verband met de geconstateerde overschrijding van de voorkeurswaarde zijn in het akoestisch onderzoek maatregelen onderzocht. Als bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet haalbaar of gewenst zijn is herbestemming alleen mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Rotterdam, hogere grenswaarden vastgesteld worden voor het onderwijsgebouw. Het toepassen van maatregelen is in dit geval niet doelmatig en stuit op overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige en planologische aard. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Goede ruimtelijke ordening De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt maximaal 61 dB. Het toepassen van maatregelen is niet doelmatig en stuit op overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige en planologische aard. De berekende geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Er is geen sprake van cumulatie met andere geluidsbronnen. Na het verlenen van een hogere waarde vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van de nieuwbouw van het Grafisch Lyceum te Rotterdam. Hogere waarden kunnen in dit geval redelijkerwijs worden verleend.

Besluit hogere waarde Het ontwerpbesluit hogere waarde, dat tevens in Bijlage 4 is opgenomen, zal tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

34

6.5

Luchtkwaliteit

6.5.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woning-bouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2microgram/m³).

35

6.5.2

Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Beleidsregel buitenklimaat Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De Beleidsregel is van toepassing op nieuwe scholen (voor kinderen) en kinderopvang (met uitzondering van gastouderopvang). Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Waarbij voor scholen en kinderopvang in de nabijheid van rijkswegen en drukke stedelijke wegen een ‘nee-tenzij’ beleid geldt en voor andere scholen en kinderopvang een motivatieplicht voor de keuzes die in relatie tot luchtkwaliteit zijn gemaakt. Omdat de Beleidsregel is gericht op kinderen in de groei als kwetsbare groep voor luchtverontreiniging is de Beleidsregel alleen van toepassing op kinderopvang, basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs.

De Beleidsregel is niet van toepassing op MBO’s, HBO’s, universiteiten en opleidingsinstellingen voor volwassenen. Met nieuw wordt hier bedoeld dat het om een nieuwe planologische situatie moet gaan. Dit wil zeggen dat er een nieuw bestemmingsplan (of omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan) wordt opgesteld waarin bestemmingen zijn opgenomen die een school of kinderopvang mogelijk maken op een locatie waar dit in het voorgaande bestemmingsplan niet het geval is. De Beleidsmaatregel is niet van toepassing op voorliggend initiatief, aangezien geen nieuwe school mogelijk wordt gemaakt. Het vigerend bestemmingsplan maakt reeds een school mogelijk ter plaatse van het plangebied. In deze nota is uitgewerkt hoe de collegedoelen met betrekking tot schone licht worden vertaald in concrete maatregelen. Koersnota Schone Lucht 2019-2022 In juli 2019 is de nieuwe beleidsvisie 'Koersnota Schone Lucht 2019-2022' gepresenteerd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam. Hierin zijn die verschillende ambities opgenomen: 1. alle straten in Rotterdam voldoen in 2020 aan de Europese normen; 2. verbetering van de gemiddelde luchtkwaliteit in heel Rotterdam in 2022; 3. WHO-advieswaarden in 2025. De strategie om de luchtkwaliteit te verbeteren bestaat uit een combinatie van maatregelen, waarbij de focus wordt gelegd op: 1.

bronnen met effect op leefniveau; 2. bronnen binnen de invloedssfeer van de gemeente; 3. locaties waar mensen blootgesteld worden aan de hoogste concentraties. Vanuit de te realiseren school worden geen luchtvervuilende stoffen uitgestoten. Wel veroorzaakt het wegverkeer van en naar de school uitstoot van luchtvervuilende stoffen. Hierop zal nader worden ingegaan in subparagraaf 6.5.3.

36

6.5.3

Onderzoek

Initieel luchtkwaliteitsonderzoek Door Windmill is een luchtkwaliteitonderzoek (d.d. 21 november 2017) uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Doel van het onderzoek is toetsing van de NO2-immissie en de fijnstofimmissie als gevolg van de activiteiten binnen het plan aan de Wet milieubeheer. Van de in de Wet milieubeheer genoemde stoffen zijn alleen stikstofdioxide en zwevende deeltjes onderzocht. De ervaring leert dat de concentraties van de andere stoffen zich ruim onder de grenswaarden, zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer, bevinden. De emissies vanwege de activiteiten die binnen het plan kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. De toetsingswaarden volgen uit de Wet milieubeheer. Met een verspreidingsmodel is de immissie in de omgeving van het plan berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer. Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan.

Actualisatie luchtkwaliteitsonderzoek Er is geen sprake van een geval als opgenomen in bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het is daarom noodzakelijk om aan de hand van een berekening te bepaling in hoeverre al dan niet in betekenende mate (IBM) wordt bijgedragen aan luchtvervuiling. Een dergelijke berekening is niet reeds uitgevoerd in het kader van het luchtkwaliteitsonderzoek uit 2017. Hierin is namelijk het niet optreden van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde als uitgangspunt genomen. De NIBM-berekening is uitgevoerd middels de NIBM-tool. Hierbij is uitgegaan van de maximale (theoretische) toename in verkeersgeneratie als berekend in paragraaf 6.9. Uitgaande van een worstcasescenario is voor het aandeel vrachtverkeer 5% ingevuld. Realistischer is echter een aandeel van vrachtverkeer van 1%. Door in de berekening echter uit te gaan van 5% vrachtverkeer, kan worden aangetoond in hoeverre zelfs bij een dergelijk onrealistisch hoog aandeel vrachtverkeer nog steeds sprake is van niet in betekenende mate bijdragen. De resultaten uit deze berekening zijn hieronder weergegeven. Voor het jaar van planrealisatie is uitgegaan van het jaar 2024. Mocht de planrealisatie plaatsvinden in een later jaar, dan is dit niet problematisch.

Reden daarvoor is dat in de systematiek van de NIBM-tool wordt uitgegaan van een 'maximale bijdrage extra verkeer' die elk navolgend 'Jaar van planrealisatie' steeds lager wordt in vergelijking met de voorgaande jaren van planrealisatie.

37

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat geen sprake is van in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ook wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden bekeken of er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Over luchtkwaliteit kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die waarden kunnen meestal bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. Hierbij zijn de waarden van de dichtstbijzijnde rekenpunten als uitgangspunt genomen. Twee van deze rekenpunten bevinden zich binnen het plangebied. Betreffende waarden (voor het jaar 2020) zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit in het plangebied. Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het tevens onwaarschijnlijk dat de gestelde normen voor NO2, PM10 en PM2.5 zullen worden overschreden na realisatie van de ontwikkelingen waarin voorzien wordt middels onderhavig bestemmingsplan. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

38

6.6

Bodem

6.6.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De locatie is reeds bestemd ten behoeve van een school (maatschappelijk). Gezien de beperkte wijziging is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. 6.6.2

Onderzoek

Historisch bodemonderzoek Door Lycens is een historisch bodemonderzoek (d.d. 28 september 2017) uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Conclusies Uit de historische informatie blijkt dat de locatie is gelegen in een voormalige dempingsgebied. Tevens is bekend dat het dempingsmateriaal heterogeen licht tot sterk verontreinigd is met onder andere zware metalen en PAK. Direct ten oosten van de onderzoekslocatie is echter een onderzoek bekend waaruit blijkt dat de bovenste meter van de locatie niet verontreinigd is. Aan de andere kant dient geconcludeerd te worden dat het bestaande pand ten oosten van de onderzoekslocatie dient als isolatiemaatregel ten opzichte van de onderliggende verontreinigde grond en een koolaslaag. Ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie zijn in het verleden drie boringen geplaatst. Uit de bekende stukken is echter geen bodemopbouw of verontreinigingsgraad af te leiden. Mogelijk geldt er vanuit het voormalige NAVOS-onderzoek reeds een beperking op de locatie of is er reeds een afgeheel saneringsplan opgesteld voor het gehele gebied. Derhalve is aanvullende informatie opgevraagd bij de DCMR. Uit deze reactie blijkt dat de locatie is gelegen binnen de contour van de met oorlogspuin gedempte Noorderhaven.

Dit puin is afgedekt met een laag grond met een dikte tussen de 1,5 en 2,0 meter. Voor deze locatie is geen beperking of saneringsplan opgesteld. Er dient echter aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de actuele bodemkwaliteit. Advies Geadviseerd wordt een verkennend bodemonderzoek op de locatie uit te voeren om de actuele bodemkwaliteit vast te stellen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het oorlogspuin welke zich rond 2,0 m-mv aanwezig is. Verwacht wordt dat de aanwezige bodem in meer of mindere mate verontreinigd is met zware metalen en PAK. Mogelijk kan plaatselijk minerale olie gemeten worden. Om een goed beeld te krijgen van de bodemopbouw dient overwogen te worden eveneens inpandige boringen te plaatsen. Geadviseerd wordt alle te plaatsen boringen door te zetten tot op of door het oorlogspuin (indien mogelijk). Met de aanwezigheid van oorlogspuin dient ook tijdens de herontwikkeling rekening gehouden te worden, mogelijk kan dit puin een beperking opleveren voor bijvoorbeeld het plaatsen van heipalen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de kwaliteit van de grond bepaald worden. Tevens kan een uitspraak gedaan worden over het mogelijk in gang zetten van een bodemsaneringstraject en de eventueel te nemen veiligheidsmaatregelen tijdens de uit te voeren graafwerkzaamheden.

39

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Lycens heeft naar aanleiding van de resultaten uit het historisch bodemonderzoek en verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Resultaten Over het algemeen zin in zowel boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten aan diverse zware matelen, PAK, PCB en/of minerale olioe aangetoond. Daarnaast blijkt de boven- en ondergrond heterogeen verspreid in lichte tot sterkte mate verontreinigd met lood. Deze verontreiniging in zowel de boven- als de ondergrond wordt gerelateerd aan de (diverse) ophoging(en) die hebben plaatsgevonden tijdens het dempen van de voormalige watergang en/of nadien het bouwrijp maken van de locatie. Geconcludeerd wordt dat sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Deze verontreiniging is niet spoedeisend. Wel vormt de verontreining een belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium waargenomen. De gemeten concentratie overschrijdt dde streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Aangezien voor de verontreiniging geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater.

Conclusies en aanbevelingen Binnen het plangebied is sprake van ernstige bodemverontreiniging met lood in de boven- en ondergrond. Omdat de verontreinging vanwege de volledige bebouwing en/of verharding geen directe risico's met zich meebrengt, hoeft de verontreining niet met spoed te worden gesaneerd. Omdat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging kunnen zonder het nemen van maatregelen echter geen graaf-/grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Om in het kader van de herontwikkeling graaf-/grondroerende werkzaamheden mogelijk te maken wordt geadviseerd om voorafgaande aan deze werkzaamheden een saneringsplan op te stellen dat geschikt is voor de uit te voeren grondwerkzaamheden. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen onder milieukundige begeleiding uitgevoerd te worden. Ook dient rekening te worden gehouden met het nemen van de benodigde veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van contact met de verontreinigde grond. Hiervoor zal voorafgaand aan de uit te voeren grondwerkzaamheden een veiligheidsplan opgesteld moeten worden. Mocht bij de herontwikkeling van de locatie grond vrijkomen, dan wordt aanbevolen deze grond op eigen locatie te hergebruiken. Bij toepassing van de grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.

Voorafgaand aan de afzet van overtollige grond zal de kwaliteit van de grond door middel van een partijkeuring vastgesteld moeten worden. Omdat reeds bekend is dat de grond in lichte tot sterke mate verontreinigd is, zal eventueel overtollige grond niet zoner meer elders toepasbaar is. Tot slot wordt geadviseerd om bij een toekomstige terreinindeling rekening te houden met de aanwezige bodemverontreiniging. Om risico's op contact met verontreinigde grond te voorkomen, wordt geadviseerd om het terrein overeenkomstig de huidige terreinindeling opnieuw in zijn geheel te zoorzien van bebouwing en/of verharding. Aangezien zowel in de grond als in het grondwater verontreinigingen zijn aangetroffen, is de hypothese dat sprake is van een verdachte locatie juist gebleken. Ook de gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van asbest in de bodem als onverdacht kan worden beschouwd juist gebleken.

6.7

Externe veiligheid

40

6.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. 6.7.2

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

41

Figuur 6.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied (paars)

6.7.3

Inrichtingen

Er zijn geen Bevi-bedrijven in het plangebied of daarbuiten waarvan de invloed tot in het plangebied reikt. In het plangebied liggen geen 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende niet-Bevi inrichtingen gelegen die relevant kunnen zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied: De aanwezigheid van een chloorbleekloogtank (opslag, 2000 liter) bij Sportfondsenbad Rotterdam Noord, Van Maanenstraat 8. Het toxisch scenario is maatgevend, de effectafstand dodelijk bedraagt 90 meter, de effectafstand gewond 880 meter; Het vulpunt en de opstelplaats benzinetankwagen van Tango, gelegen aan de Gordelweg 260. Het maatgevend scenario is ontvlambaar/brandbaar, de effectafstand dodelijk is 50 meter; De opstelplaats benzinetankwagen en vulpunt van tankstation Esso gelegen aan de Gordelweg 121. De effectafstand dodelijk bedraagt 50 meter, het maatgevend scenario is ontvlambaar/brandbaar; Voor deze niet-Bevi inrichtingen gelden geen wettelijke normen voor de afstand die bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aangehouden moet worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in het geval van nieuwe ontwikkelingen wel de effecten van een calamiteit met de inrichting in beschouwing worden genomen.

De twee genoemde tankstations liggen op zeer ruime afstand van het plangebied en vormen zodoende geen risico. Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van het chloorbleekloogtank bij Sportfondsenbad Rotterdam Noord, Van Maanenstraat 8. De afstand tot de tank bedraagt circa 200 meter, waardoor voldaan wordt aan de effectafstand dodelijk, maar niet aan de effectafstand gewond.

42

De beoogde ontwikkeling betreft echter geen functieverandering en de bouwgrens aan de zuidzijde (de zijde welke het dichtsts bij de inrichting ligt) blijft gelijk. Zodoende wordt de nieuwbouw niet dichter bij de betreffende inrichting gebouwd. Bovendien betreft het de effecten van een calamiteit met een kleine kans van optreden, het risico is zeer gering. Daarom heeft de gekozen wijze van bestemmen niet of nauwelijks invloed op de veiligheidssituatie, en is deze inrichting niet van invloed op het bestemmingsplan. 6.7.4

Transport gevaarlijke stoffen

De A20 ligt ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 550 meter. Over de autosnelweg A20 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Aangezien het plangebied buiten 200 meter vanaf de rand van deze snelweg ligt, hoeft het groepsrisico en het plaatsgebonden risico langs deze weg niet beschouwd te worden en zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit dit oogpunt. De spoorlijn van Rotterdam Centraal naar Gouda en Utrecht ligt ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 750 meter. Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen blijkt dat vervoer van gevaarlijke stoffen op dit traject plaatsvindt. De veiligheidszone (de 10-6- plaatsgebonden risicocontour) van dit traject, ter hoogte van het plangebied, bedraagt 15 meter uit het hart van de spoorbundel. De veiligheidscontour ligt binnen de spoorbundel, zodat binnen deze contour geen (beperkt) kwetsbare objecten kunnen worden opgericht en de veiligheidscontour daarom geen belemmering voor het bestemmingsplan oplevert. In het plasbrandaandachtsgebied, het gebied tot 30 meter vanaf de rand van het spoor, moet bij realisering van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand. De 10-8 groepsrisicocontour bedraagt 142 meter.

Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden- en groepsrisicocontour van het spoor en er zijn dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit dit oogpunt. 6.7.5

Buisleidingen

In en rond het plangebied liggen geen leidingen welke relevant zijn voor de externe veiligheid. Binnen het plangebied zijn geen leidingen gelegen, welke vanwege hun diameter, door te geleiden stof en/of druk op de verbeelding vermeld moeten worden.

6.8

Stikstof

6.8.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

43

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. 6.8.2

Onderzoek

Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, 'Oude Maas' en 'Boezems Kinderdijk', zijn gelegen op respectievelijk circa 10,1 kilometer ten zuiden en 12,8 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. De effecten die eventueel in de genoemde gebieden zouden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en betreffende Natura 2000-gebieden is het echter geheel onwaarschijnlijk dat er een toename in licht en geluid is in de Natura 2000-gebieden. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met AERIUS worden uitgesloten. BRO heeft deze berekening uitgevoerd voor de aanleg- en de gebruiksfase. Voor de berekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea's is een beschrijving gegeven van de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit deze toelichting. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van het Grafisch Lyceum Rotterdam. Deze school zal gasloos worden opgeleverd, waardoor geen sprake is van relevante stikstofemissies vanuit deze functie.

De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen echter wel voor stikstofemissies. Deze verkeersgeneratie is berekend in subparagraaf 6.10.2. Het gaat hierbij om (naar boven toe afgerond) 87 mvt/etmaal. Dit betreft het aantal verwachte verkeersbewegingen per etmaal in beide richtingen voor de nieuwe situatie. Hierbij is geen rekening gehouden met een saldering van het aantal verkeersbewegingen. Voor de volledigheid zijn eveneens 8 zware vrachtbewegingen per maand (bewegingen voor bijvoorbeeld een ophaaldiensten en vuilniswagens) meegenomen in de berekening. De verkeersbewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen is ingevoerd. Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Er hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Ook geldt er geen vergunningsplicht in de zin van de Wnb.

6.9

Flora en fauna

6.9.1

Toetsingskader

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk om het effect van de ontwikkeling op natuurwaarden (flora en fauna) inzichtelijk te maken. Een quickscan waarbij wordt ingegaan op de gebiedsbescherming en soortenbescherming is daarom noodzakelijk. Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.

44

6.9.2

Onderzoek

Quickscan flora en fauna Door BRO is een quickscan flora en fauna (d.d. 15 juni 2017) uitgevoerd voor het plangebied. In juli 2023 is deze quickscan geactualiseerd op basis van een nieuw veldbezoek. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Conclusies gebiedsbescherming Gezien de afstand tot een Natura 2000-gebied (minimaal 10 km) en de aard van de ingreep binnen de kern van stedelijke gebied van Rotterdam zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk, gelegen op minimaal 2,5 km, is eveneens niet aan de orde. Conclusies soortbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden zijn de voorgenomen plannen uitvoerbaar, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de (sloop)werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Ten aanzien van de sloop van het hoofdgebouw wordt vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk geacht. Indien van toepassing kan, middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing, de sloop en vervolgens nieuwbouw alsnog worden uitgevoerd.

Het verwijderen van beplanting langs het schoolterrein dient buiten het broedseizoen in verband met eventuele broedvogels en daarnaast dient de zorgplicht in acht te worden genomen ten behoeve van incidenteel aanwezige algemene soorten. Vervolgonderzoek vleermuizen BRO heeft, gelet op de resultaten uit de quickscan flora en fauna, in 2018 een protocollair vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Aangezien dit vleermuisonderzoek in beginsel 3 jaar geldig is, is in 2021 een nieuw vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (d.d. 19 november 2021). In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In de periode half mei tot en met september 2021 zijn in totaal vijf aanvullende veldbezoeken per deelgebied uitgevoerd. Dit betreft de meest gunstige periode van het jaar waarin vleermuizen aantoonbaar van een onderzoeksgebied gebruik kunnen maken. Resultaten Verblijfplaatsen In het voorjaar zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen binnen het plangebied waargenomen. Het is een vrij rustige locatie, waar 2-3 vleermuizen langskomen. Er wordt vrijwel niet gefoerageerd rond het gebouw en er is geen binding met de school waargenomen. In het najaar was het plangebied tevens een vrij rustige locatie met betrekking tot vleermuizen.

Ter hoogte van Noorderhavenkade 28 enkele keren sociale roepjes gehoord. Gezien deze roepjes niet met regelmatige vluchten werden waargenomen betreft het waarschijnlijk geen baltsterritorium. Er is geen binding met de school binnen het plangebied waargenomen. Foeragerende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn enkele foeragerende vleermuizen rondom het groen op de parkeerplaats waargenomen. De voorgenomen plannen zullen echter niet leiden tot een significante afname in foerageermogelijkheden. Vliegroutes Tijdens de veldbezoeken zijn in de directe omgeving geen eenduidig vliegpatronen aangetroffen welke

45

door meerdere individuen werd gevolgd. Overige soorten In het gebouw kunnen ook vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Hiermee dient rekening te worden gehouden door buiten het broedseizoen of na een controle te werken. Effectenbeoordeling Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Er gaan bij werkzaamheden geen rust- en verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of vliegroutes verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Overige soorten Andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst. Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval.

Conclusie Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.

6.10

Verkeer en parkeren

6.10.1 Uitgangspunten Voor het onderdeel verkeer en parkeren heeft het Grafisch Lyceum de volgende uitgangspunten geformuleerd: Parkeren van auto's vindt plaats in de openbare ruimte; Fietsenstalling op het terrein met centrale ontsluiting nabij de entree; Toegang pauzeplein voor fietsers op een logische plek aan de Noorderhavenkade; Fietsenstalling biedt plek voor 300 fietsen (voor 60% van alle leerlingen). Hiervan dient 30% bestemd voor afwijkende fietsen (mountainbikes, fietsen met mandjes ect.); Fietsenstalling voor personeel die plek biedt aan 20 fietsen, 2 scooters en 3 motoren; 10 Plekken voor scooters / brommer op het terrein, op ruime afstand van de leslokalen; Goede gescheiden verkeersstromen; Onderzocht wordt of de huidige ondergrondse fietsenstalling hergebruikt kan worden.

46

6.10.2 Verkeer In de huidige situatie is reeds een school in het plangebied aanwezig. In de toekomstige situatie wordt hier wederom een school gerealiseerd, maar dan groter qua oppervlakte. Het leerlingaantal in de huidige situatie en in de toekomstige situatie betreft circa 560 leerlingen. Om te bepalen wat de verkeersgeneratie van de beoogde school binnen het plangebied is kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande verkeersgeneratie. Conform de CROW-publicatie wordt deze verkeersgeneratie berekend aan de hand van het aantal leerlingen. Dit aantal leerlingen zal ten opzichte van de huidige situatie niet wijzigen. Daarom is geen sprake van een toename in de verkeersaantrekkende werken. Zorgvuldigheidshalve is de verkeersgeneratie voor de beoogde school wel inzichtelijk gemaakt middels een berekening. Bij het hanteren van de kencijfers met betrekking tot verkeer is het van belang om de mate van stedelijkheid te bepalen aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. Het CBS biedt in de publicatie 'Regionale kencijfers Nederland' een overzicht van de omgevingsadressendichtheid voor alle gemeenten in Nederland. Op 1 januari 2021 bedroeg de omgevingsadressendichtheid van de gemeente Rotterdam 4.012 adressen/km2.

Hiermee valt de gemeente in de stedelijkheidsklasse 'zeer sterk stedelijk'. De locatiecategorie is 'schil centrum'. Het maximale verkeerskengetal dat voor een middelbare school op een dergelijke locatie dient te worden aangehouden is 15,4 mvt/etmaal/100 leerlingen. Uitgaande van 560 leerlingen komt de maximale verkeersgeneratie voor de school hiermee uit op 86,24 mvt/etmaal. De ontsluiting van het plangebied zal niet wijzigen ten opzichte van de bestaande situatie en vindt plaats op het Stadhoudersplein. Gezien de capaciteit van het Stadhouderplein en het niet toenemen van de verkeersgeneratie, is op voorhand te stellen dat het omliggende wegennetwerk geen problemen zal ondervinden door het onderhavige plan.

47

6.10.3 Parkeren Autoparkeren Momenteel heeft de school 20 parkeervergunningen in gebruik. Deze parkeerplaatsen worden in de directe omgeving van de school (voornamelijk op het plein voor de school) gebruikt. Er zijn de school geen klachten van de omgeving bekend over de gebruikte parkeerplaatsen. Voor een vmbo-school in de zone 'Zone B Stadswijken' geldt conform de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' van de gemeente Rotterdam een parkeernorm van 0,45 parkeerplaatsen per leslokaal van 30 leerlingen. Er wordt voorzien in 23 klaslokalen (inclusief 1 gymlokaal en 2 makerspaces/ICT-lokalen, exclusief 2 flexlokalen). Ervan uitgaande dat deze lokalen elk geschikt zijn voor 30 leerlingen resulteert dit in een parkeereis van 10,35 parkeerplaatsen. Naar boven toe afgerond betekent dit dat er 11 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Deze parkeerbehoefte dient, gelet op artikel 2, vierde lid, van de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' in beginsel volledig op eigen terrein te worden gerealiseerd. Gezien de beperkte omvang van het perceel en het benodigde programma is het echter niet mogelijk de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Overwogen is om terrein aan de achterzijde van het perceel te verwerven, zodat parkeren op eigen terrein mogelijk gemaakt kan worden.

Dit heeft echter een aantal belangrijke nadelen. In de eerste plaats kost deze werkwijze veel geld. Er moet immers grond aangekocht worden en bovendien moeten de parkeerplaatsen aangelegd worden. De kosten hiervoor zal de school uit het totale stichtingsbudget moeten betalen, waardoor de onderwijsruimten versoberd moeten worden. Dat is niet wenselijk. Bovendien tast een uitbreiding van het perceel aan de achterzijde het park aan, dat kleiner wordt met 250 m2 tot 500 m2, afhankelijk van hoeveel parkeerplaatsen exact aangelegd moeten worden. Ook het verkleinen van de parkruimte acht de school niet wenselijk. Tot slot wordt er meer verkeer de woonwijk ingeleid, wat bovendien kruist met het fietsverkeer, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat. Om inzicht te krijgen in de parkeerdruk van het Stadhoudersplein, is een parkeerbalans opgesteld van de school en het naastgelegen gezondheidscentrum Gezond Blijdorp. Logischerwijs zullen deze twee functies de grootste gebruikers van de parkeervoorzieningen op het Stadhoudersplein zijn. Het is uiteraard niet uitgesloten dat bewoners hier ook gaan parkeren, maar die zullen waarschijnlijk eerst de parkeerplaatsen dichter bij huis gaan gebruiken. Als deze vol zijn (in de avond, nacht en weekenden) zal gekozen worden voor de parkeerplaatsen op het Stadhoudersplein.

Uitgaande van het huidig gebruik van het gezondheidscentrum, ontstaat de volgende parkeerbalans. Daarbij is uitgegaan van de ASVV2012 met de volgende uitgangspunten: Stedelijkheid: zeer sterk stedelijk Ligging: schil centrum kamers

min

max

010 fysio

5

-

-

Baggerman en Harderwijk

2

-

-

Overbeeke

2

-

-

Prikpost STAR

0,5

-

-

Psycholoog / diëtist

0,5

-

-

Totaal gezondheidscentrum

10

12

17

Apotheek Berg&Vos

1

2,3

2,8

14,3

19,8

Totaal Tabel 6.1: parkeerbalans gezondheidcentrum Gezond Blijdorp

48

Voor het Grafisch Lyceum is ook gerekend met een minimale en maximale parkeervraag. De minimale parkeervraag is, conform het gemeentelijk parkeerbeleid, gesteld op 10,35 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er, naar boven toe afgerond, in beginsel voorzien dient te worden in 11 parkeerplaatsen. Het maximale gebruik is vooralsnog gesteld op 20. Dit is het aantal vergunningen dat de school heeft, hetgeen in de praktijk toereikend is. Het volgende druktebeeld ontstaat, wanneer aanwezigheidspercentages worden meegewogen:

Tabel 6.2: druktebeeld Grafisch Lyceum

Het Stadhoudersplein heeft 38 reguliere parkeerplaatsen en één invalideparkeerplaats die momenteel in gebruik is door een werknemer van het Grafisch Lyceum. Bovenstaande balans toont aan dat er sprake is van voldoende parkeerruimte, zeker wanneer voor het Grafisch Lyceum de door de gemeente gehanteerde parkeernorm gebruikt worden. Wanneer voor het Grafisch Lyceum de eigen parkeernorm gebruikt wordt (zijnde het aantal parkeervergunningen) dan ontstaat een maximaal tekort van 1 parkeerplaats voor de werkdagochtend. Aannemelijk is dat dit tekort kan worden opgevangen in de omgeving, aangezien het aanwezigheidspercentage van de bewoners op dat moment slechts 50% is. In de avonden en weekenden kunnen de bewoners makkelijk nog gebruik maken van de parkeerplaats aan het Stadhoudersplein. De parkeerdruk is op dat moment namelijk zeer minimaal (zie tabel 6.2). Op basis van hetgeen beschreven is in de vorige alinea's valt te concluderen dat het parkeren in de openbare ruimte met de reeds aanwezige parkeervergunningen een verantwoorde optie is. Hierbij wordt bovendien in aanmerking genomen dat de parkeerdruk in de openbare ruimte als gevolg van de ontwikkeling niet toeneemt, omdat het aantal leerlingen en docenten niet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie.

Om de hiervoor beschreven redenen is het bovendien onwenselijk om over te gaan tot de aankoop van de gronden aan de achterzijde van het perceel. Daarom kan in dit geval redelijkerwijs en gemotiveerd worden afgeweken van de eis uit de vigerende parkeernota dat de parkeereis volledig op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Fietsparkeren Voor een vmbo-school in de zone 'Zone B Stadswijken' geldt conform de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' van de gemeente Rotterdam een fietsparkeernorm van 15 plekken per lokaal. Er wordt voorzien in 23 klaslokalen (inclusief 1 gymlokaal en 2 makerspaces/ICT-lokalen, exclusief 2 flexlokalen). Dit betekent dat er 345 fietsparkeerplekken benodigd zijn. Hiervoor is voldoende ruimte in het plan opgenomen op het schoolplein en in het nieuwe gebouw. Het fietsparkeren vindt geheel plaats op eigen terrein. Hiervoor wordt geen openbare ruimte gebruikt. Er wordt voldaan aan de Beleidsregeling.

49

6.11

Duurzaamheid en energie

6.11.1 Rotterdams Duurzaamheidskompas Op 20 december 2020 heeft de gemeente Rotterdam het vernieuwde 'Duurzaamheidskompas Rotterdam' ('Duurzaamheidskompas') vastgesteld. Hierin staan alle ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid op een rij. In het Duurzaamheidskompas is terug te vinden: 1. Welke doelstellingen Rotterdam deze collegeperiode in 2030 en in 2050 nastreeft op het gebied van duurzaamheid; 2. Hoe de transities op het gebied van duurzaamheid dichter bij elkaar worden gebracht en geïntegreerd, zodat ze elkaar versterken; 3. Op welke manier met welk thema aan de slag wordt gegaan en hoe stap voor stap naar het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen wordt gewerkt. In het Duurzaamheidskompas zijn ambities opgenomen met betrekking tot vier thema's: 1. 2. 3. 4.

energietransitie; circulair; klimaatbestendig; gezonde leefomgeving.

De gemeente Rotterdam heeft (inter)nationale doelen ten aanzien van bovenstaande thema's vertaald naar Rotterdamse doelen. Hierbij is ook de belangrijkste indicator voor de komende periode benoemd. Zo is ten aanzien van het thema energietransitie als doel gesteld om in 2030 49% minder CO2 uit te stoten dan in 1990. In 2050 moet Rotterdam energieneutraal zijn. Ten aanzien van het thema klimaatbestendigheid is het doel om in 2025 volledig klimaatadaptief te zijn. Verder hanteert de gemeente Rotterdam zeven verschillende uitgangspunten ten aanzien van het realiseren van de doelstellingen uit het Duurzaamheidskompas, beschreven vanuit het perspectief van de gemeente: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

We doen het samen met Rotterdammers en onze partners; Als gemeente geven we zelf het goede voorbeeld; We doen het al lerend en faciliteren innovatie; We benutten koppelkansen; We stellen kaders en handhaven waar het moet; We zorgen dat we onze ambities betaalbaar, betrouwbaar en veilig realiseren; We communiceren op maat.

6.11.2 Ambities duurzaamheid en energie GLR De onderhavige ontwikkeling betreft de sloop en herbouw van het Grafisch Lyceum Rotterdam binnen het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam. Bij de totstandkoming van het plan zijn maatregelen op het gebied van duurzaamheid en energie waar mogelijk en realistisch meegenomen. Hierbij wordt aangetekend dat de beperkte ruimte van het bouwperceel de mogelijkheden daartoe enigszins beperkt. Als concrete relevante uitgangspunten kunnen worden genoemd: een zo compact mogelijk gebouw (zo klein mogelijk buitenoppervlak), waardoor meer onbebouwde ruimte ontstaat; goede bereikbaarheid met openbaar vervoer en fiets; groene inbedding aan het park/groene verharding. Voor de verdere planuitwerking van het Grafisch Lyceum Rotterdam wordt onderzoek gedaan om de volgende aspecten op het gebied van duurzaamheid en energie mee te nemen in het ontwerp van het

50

gebouw: zeer goede isolatie (hoge Rc en triple beglazing) en buitenzonwering; toekomstbestendigheid door modulaire opzet/ verplaatsbare binnenwanden/ in- en uitbreidbaarheid; onderhoudsarme en herbruikbare materialen en bouwcomponenten; compartimentering/ klimaatzones zodat bouwdelen apart gebruikt kunnen worden; groene daken; waterinfiltratie/ wateropvang/ hergebruik regenwater; WKO installatie; vraaggestuurde balansventilatie met luchtwarmtewisselaar; photovoltaische zonnepanelen; LED daglichtregeling aanwezigheidsdetectie; daglicht diep in het gebouw laten binnendringen door daklichten/ vides en hoge ramen. Hierbij worden deze duurzaamheidsmaatregelen altijd afgewogen tegen de functionaliteit van het gebouw, de opbrengsten en de beperkingen die uit het beschikbare budget volgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=6faf60b7-1f2e-4553-8581-9cb410a7a0d7