[24bb003922] Bijlage 1 behorende bij 24bb003920 - Ontwerp bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark Toelichting
Tekst van het document
4.12.3 Conclusie Op basis van het onderzoek is gebleken dat het plangebied volledig in onverdacht gebied ligt. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
32
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het bestemmingsplan betreft enkel een uitbreiding van een bestaande kabels- en leidingenstrook. Om een uniforme planologische bescherming te bieden, zijn de regels die gelden in het bestemmingsplan Maasvlakte 2 (2018) aangehouden.
5.2
Enkelbestemmingen
5.2.1
Bedrijf - 5
De inhoud van de bestemming Bedrijf - 5 kent meerdere deelsegmenten. Deze betreffen de hoofdactiviteit. Daarnaast is het mogelijk dat ondergeschikte aanverwante bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Tevens omvat de bedrijfsbestemming een uitgebreide lijst van mogelijkheden voor medegebruik. Zo zijn binnen de bedrijfsbestemming onder andere wegen, groen, water, laad- en losvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming toegestaan. De reden dat de lijst van het medegebruik zo uitgebreid is, is gebaseerd op het huidige gebruik en de toekomstig gewenste flexibiliteit. Door deze lijst op te nemen kan voorkomen worden dat het bestemmingsplan een rem legt op het doelmatige gebruik van gronden binnen het havengebied.
5.2.2
Bedrijf - Nutsbedrijf
Deze bestemming is 1 op 1 overgenomen uit het inpassingsplan Net op zee Nederwiek 2. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 1.4 Andere ruimtelijke besluiten in voorbereiding.
5.3
Dubbelbestemmingen
5.3.1
Algemeen
Ter bescherming van (buis)leidingen, kabels en archeologische waarden zijn in dit bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen. Dubbelbestemmingen liggen altijd op gronden waarop ook enkelbestemmingen rusten. In enkele gevallen overlappen dubbelbestemmingen elkaar. Voor de afstemming tussen de voorkomende (enkel- en dubbel)bestemmingen zijn binnen die bestemmingen specifieke bepalingen opgenomen. Daarmee wordt verduidelijkt dat in voorkomende gevallen (tenzij expliciet anders bepaald) rekening moet worden gehouden met alle voorschriften uit alle geldende bestemmingen, dat wil zeggen de bestemmingsomschrijving, de bouw- en gebruiksregels en de vereisten voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden - inclusief de mogelijkheden voor afwijking daarvan.
5.3.2
Leiding - Hoogspanning
Deze dubbelbestemming is 1 op 1 overgenomen uit het inpassingsplan Net op zee Nederwiek 2. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 1.4 Andere ruimtelijke besluiten in voorbereiding.
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
33
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
5.3.3
Leiding - Leidingstrook
Binnen deze dubbelbestemming zijn buisleidingen en leidingen toegestaan. Deze bestemming is inclusief een beschermingszone van 5 m aan weerszijden van de leidingen. Een omgevingsvergunning is onder meer vereist voor werken en/of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de aanwezige leidingen. Er zijn uitzonderingen opgenomen in het kader van het inpassingsplan Net op Zee Nederwiek 2.
5.3.4
Waarde - Archeologie 2
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' betreft de (land)bodems. Het doel van deze dubbelbestemming is de archeologische waarden in de betrokken bodems te beschermen. Er is een vergunningplicht voor verstoringen van ongeroerde bodem met een oppervlak groter dan 200 m2, gemeten in verticale projectie beneden NAP (in landbodems) of de huidige onderwaterbodem. Voor de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat wanneer het werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 m2 met een verstoring dieper dan 7 meter betreft, er onafhankelijk van de oppervlakte van de verstoring, een vergunning nodig is. Er kan alleen een vergunning worden verleend als een rapport van een archeologisch deskundige voorhanden is waarin de archeologische waarde van de bodem voldoende is vastgesteld. Op basis van het rapport kunnen aan de vergunning maatregelen worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg. Werken en werkzaamheden in geroerde bodems (zoals bestaande cunetten), onderhoud-, beheer en herstelwerkzaamheden en het aanbrengen en verwijderen van beplanting zijn niet vergunning plichtig.
Om zowel de onderzoekskosten te beheersen als tot een goede afweging van de (noodzaak van) te treffen maatregelen te komen, wordt het archeologisch onderzoek gefaseerd in een bureauonderzoek, dat afhankelijk van de bevindingen kan worden gevolgd door inventariserend veldonderzoek. Het inventariserend veldonderzoek kan bestaan uit een verkennende, karterende en waarderende fase. Voor de verkennende en karterende fasen kan bodemonderzoek (grondboringen) nodig zijn, voor de karterende en waarderende fase kunnen ook ontgravingen (proefsleuven) nodig zijn. Na iedere onderzoekstap wordt door het bevoegd gezag bepaald of het noodzakelijk of zinvol is om de archeologische waarden nader te onderzoeken en de volgende stap te nemen. In veel gevallen volstaat het bureauonderzoek. Op basis van het archeologisch rapport wordt in de vergunning bepaald of en welke maatregelen noodzakelijk zijn. De meest vergaande maatregel is het opgraven van archeologische waarden, om ze elders te behouden. Opgraven vindt met name op grotere diepten alleen in uitzonderingsgevallen plaats, op grond van zwaarwegend archeologisch belang. Daarbij wordt ook een afweging gemaakt tegen de uitvoerbaarheid en de gevolgen voor het project.
In de meeste gevallen zijn op grond van het onderzoek geen specifieke maatregelen nodig of kan worden gekozen voor archeologische begeleiding van het werk of het behoud van de archeologische waarden in situ, waar nodig door het treffen van technische maatregelen.
34
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. De belanghebbende(n) (overheden) participeren in dit project. De gemeente Rotterdam als zijnde bevoegd gezag en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en TenneT in het kader van voorbereidingsbesluit (van het inpassingsplan) Net op Zee Nederwiek 2 (zie ook paragraaf 1.4). Verder kan eenieder in het kader van de bestemmingsplanprocedure een zienswijze indienen en kunnen belanghebbenden beroep in stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden binnen het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden.
6.2.1
Exploitatieplan
Op grond van artikel 6.12 Wro moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan waarin (bepaalde) nieuwe bouwplannen worden mogelijk gemaakt, tevens een exploitatieplan te worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgezien indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dat is hier het geval. Bij de verzelfstandiging van het (toen nog) Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, zijn tussen de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam N.V. afspraken gemaakt over het beheer van het havengebied. Daarbij is afgesproken dat het Havenbedrijf verantwoordelijk is voor het beheer van het gebied, en wel via een erfpachtconstructie. Het Havenbedrijf sluit als erfpachter van het gebied bij de uitgifte van terreinen (onder)erfpacht- en huurcontracten af met toekomstige gebruikers waarin afspraken worden gemaakt over onder meer het kostenverhaal (privaatrechtelijke exploitatieovereenkomst). In deze afspraken worden de kosten die gemaakt moeten worden voor het bouwrijp maken van het gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte betrokken. Deze kosten komen daarom niet ten laste van de gemeente Rotterdam. Het vaststellen van een exploitatieplan is dus niet nodig.
6.2.2
Planschade
Er wordt geen planschade verwacht. Voor zover er al sprake is van het wegbestemmen van huidige mogelijkheden, zijn de gronden over het algemeen in eigendom van de gemeente en in eeuwigdurende erfpacht gegeven aan het havenbedrijf. De op die gronden gevestigde bedrijven beschikken over tijdelijke huur- of erfpachtovereenkomsten, die - mede gelet op het overgangsrecht - gestand kunnen worden gedaan, zodat naar verwachting geen (plan)schade optreedt. De uiteindelijke bepaling en eventuele vergoeding van planschade vindt plaats conform de Wet ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
35
bestemmingsplan Leidingstrook H2 Conversiepark
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de procedure van het plan beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de voorontwerpfase, de ontwerpfase en de vaststellingsfase van het plan.
7.2
Ontwerpfase
7.2.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
7.2.2
Ontwerpfase
In Rotterdam wordt in de regel geen voorontwerpbestemmingsplan opgesteld. Ook voor dit plan is dat niet gebeurd. Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is getoetst door de gemeente en overlegreacties zijn verwerkt. Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening ligt het ontwerpbestemmingsplan 6 weken ter inzage, op het gemeentehuis en digitaal via de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit stelt eenieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen. Na de verwerking van eventuele zienswijzen zal het plan aan de gemeente worden aangeboden ter vaststelling.
7.3
Vaststellingsfase
Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Indien de commentaren (zienswijzen) uit de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan daar aanleiding toe geven, passen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan aan. Dat kunnen zij overigens ook uit eigen beweging doen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stellen burgemeester en wethouders het raadsvoorstel op. Daarin gaan zij onder meer in op de eventuele zienswijzen. Uiteindelijk beslist de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. De raad kan op dat moment ook besluiten om het bestemmingsplan niet, dan wel gewijzigd vast te stellen. De indieners van de zienswijzen hoeven niet te worden gehoord. Desgewenst kunnen zij gebruik maken van het spreekrecht.
7.4
Beroepsfase
Het vaststellingsbesluit wordt samen met het vastgestelde bestemmingsplan na de vaststelling gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tegen de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan kan eenieder beroep instellen. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na die zes weken onherroepelijk.
36