CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003761] Bijlage behorende bij 24bb003756 - WODC onderzoek richten op de regenboog. Een onderzoek naar daders en prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 26 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Samenleven42.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Volgens de organisatie hebben mensen uit de doelgroep als ervaringsdeskundigen zelf de meeste expertise in huis. Naast voorlichting en educatie zou een strafrechtelijke norm gesteld moeten worden om jongeren duidelijk te maken dat bepaald gedrag strafbaar is. TNN merkt in dit verband op dat 'bashen' binnen bepaalde groepen jongeren als statusverhogend wordt gezien. Deze jongeren komen vaak weg met dit gedrag, omdat hier ook geen strafrechtelijke norm voor is. In meer algemene zin moeten duidelijker grenzen gesteld worden van wat wel en wat niet toelaatbaar is. Ook de politiek moet daar een helder standpunt over innemen.

8.3 Aangiftebereid, -afhandeling en -registratie Een ruime meerderheid van de door ons bestudeerde strafdossiers blijkt betrekking te hebben op geweld tegen homoseksuele mannen. De vraag rijst hoe het komt dat een minderheid van strafdossiers daders betreft van geweld tegen LBTIQ-personen. Een verklaring hiervoor ligt mogelijk in de bereidheid binnen de verschillende gemeenschappen om aangifte te doen bij de politie. We hebben daarom zowel organisaties als slachtofferrespondenten bevraagd over welke belemmeringen er zijn om aangifte te doen, welke ervaringen er zijn met het aangifteproces, en hoe belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat slachtoffers van LBTIQ-geweld meer bereid zijn om aangifte te doen.

Belemmeringen om aangifte te doen Uit gesprekken met organisaties en slachtofferrespondenten komt een aantal factoren naar voren die ertoe kunnen leiden dat LBTIQ-personen zich belemmerd voelen om bij de politie aangifte te doen. 1.

Gewenning/normalisatie van incidenten. Volgens organisaties als COC, NNID en TNN en een aantal slachtofferrespondenten is het voor mensen (bijna) dagelijkse kost geworden om geconfronteerd te worden met bijvoorbeeld grappen, beledigingen, insinuaties en scheldpartijen. Als gevolg hiervan is het een tweede natuur geworden om hiermee om te gaan en van deze voorvallen geen aangifte van te doen, als dit al überhaupt wordt overwogen.

2. Aangiftewaardigheid van incidenten. TNN en NOA wijzen erop dat mensen niet altijd weten dat zij aangifte kunnen doen van wat hen overkomt. Of dat zij het idee hebben dat een

87

Richten op de regenboog incident het niet waard is om aangifte van te doen, of hier althans over twijfelen. Dit is ook terug te zien in verhalen van slachtofferrespondenten. Zo vertellen een lesbische, trans-, een biseksuele en een queer slachtofferrespondent dat zij geen aangifte hebben gedaan van hun incidenten (respectievelijk grensoverschrijdend seksueel gericht gedrag, kwetsende uitspraken/opruiing, beledigende uitspraken/licht fysiek contact en schelden/naroepen) omdat zij twijfelen of wat zij hebben meegemaakt ernstig genoeg is om aangifte van te doen en serieus genomen zou worden door de politie. Ook geven zij aan dat zij überhaupt niet wisten dat voor deze gevallen aangifte kan worden gedaan. Zij zouden wel aangifte doen wanneer de situatie zou escaleren in bijvoorbeeld intimidatie en/of fysiek geweld. De lesbische slachtofferrespondent zegt hierover dat wat haar is overkomen 'niet erg genoeg is' vergeleken met "wat je bijvoorbeeld op televisie ziet of in de krant leest. Dat gaat echt om heftige geweldsdelicten".

88

3.

De inspanning om aangifte te doen. Een aantal slachtofferrespondenten geeft aan geen aangifte te hebben gedaan vanwege alle tijd, moeite en energie die het aangifteproces volgens hen kost. Zo heeft één van de lesbische slachtofferrespondenten, die door een voorbijganger werd bespuugd vanwege haar lesbisch zijn, erover nagedacht om hier aangifte van te doen ("Bespugen is voor mij een behoorlijk harde grens") maar heeft hier toch van afgezien vanwege alle 'rompslomp' die erbij komt kijken. Van het incident heeft zij wel melding gemaakt bij een antidiscriminatiebureau zodat het voorval toch ergens geregistreerd zou staan.

4.

Vertrouwen in de politie als (overheids)instantie. TNN ervaart dat de aangiftebereidheid bij transpersonen zeer laag is omdat er grote angst is voor negatieve bejegening door de politie. Binnen de gemeenschap is er weinig vertrouwen in het ordehandhavend systeem. Daarnaast heerst er ook een soort algemene angst en wantrouwen voor Nederlandse handhavingsinstanties, die de stap om aangifte te doen kunnen belemmeren. Dat het in Nederland tot 2014 verplicht was om sterilisatie te ondergaan op het moment dat iemand in transitie ging, speelt daar nog steeds een rol bij. Verder is een deel van de transpersonen vluchteling en hebben ze in hun thuisland veel te maken gehad met vijandige instituties wat geprojecteerd wordt op instituties in Nederland. Een gebrek aan vertrouwen in de politie blijkt ook uit ervaringen van de transslachtofferrespondent. Bij een aantal oplopen waar hij bij aanwezig was ((tegen)demonstraties, transdag op Pride)) nam de politie in zijn ogen telkens een anti-transhouding aan door reacties uit te lokken en transpersonen in de gaten te houden. Zo richtte de politie te paard zich tijdens Pride op de groep transpersonen in plaats van te letten op wat zich daarbuiten aan mogelijke dreiging voor transpersonen afspeelde. Als gevolg ging er van de politie meer dreiging uit dan dat zij als een beschermend apparaat werd gezien, in de ogen van deze respondent.

5.

Eerdere ervaringen met de aangifteafhandeling. Eerdere ervaringen met de afhandeling van de aangifte zijn van (veelal negatieve) invloed op de overweging om een volgende keer aangifte te doen. Twee queer slachtofferrespondenten, allebei met een migratieachtergrond, die slachtoffer waren van fysiek geweld, werden niet direct geholpen toen zij aangifte wilden doen. In plaats daarvan moesten zij enkele dagen wachten voordat zij alsnog aangifte konden doen. De ene queer respondent heeft opvolging gekregen van zijn aangifte (hij werd hierin bijgestaan door het COC en Slachtofferhulp en kreeg compensatie), bij de andere queer respondent is er geen verder onderzoek gedaan en is de zaak gesloten vanwege onvoldoende bewijs (hoewel er beeldmateriaal was). Een slachtofferrespondent heeft als COC-

Reflectie van LHBTQ-belangenverenigingen en slachtoffers vertegenwoordiger aangifte gedaan namens een persoon een kreeg te horen om dit niet te doen omdat het incident 'toch geen kans van slagen zou hebben en niet eens bij het OM terecht zou komen'. Hoewel deze slachtofferrespondent zich niet serieus genomen voelde, heeft zij toch doorgezet en aangifte gedaan. Dat deze ervaringen en verhalen invloed hebben op de beeldvorming rondom de aangifteafhandeling, merken ook organisaties: als er met aangiftes weinig tot niets wordt gedaan en mensen het gevoel hebben niet serieus genomen te worden, dan zijn anderen ook minder geneigd om naar de politie te stappen als hen iets overkomt. Een ander element van de aangifteafhandeling dat een negatieve invloed kan hebben op de aangiftebereidheid, is onbekendheid en een gebrek aan sensitiviteit bij de politie. Organisaties als NNID, NOA en TNN constateren dat slachtoffers die aangifte doen vaak stuiten op onbegrip of onwetendheid wat betreft hun seksuele geaardheid/gerichtheid en op een ongemakkelijke, onhandige manier worden bejegend (een aseksueel persoon kreeg bijvoorbeeld de vraag: "Maar je bent toch heteroseksueel, of kun je dat niet zeggen?"). Dit heeft tot gevolg dat slachtoffers het gevoel hebben dat zij tijdens de aangifte (nogmaals) uit de kast moeten komen, een verhaal waarvoor zij niet naar de politie zijn gestapt.

De politie heeft weliswaar Roze in Blauw in het leven geroepen om deze situatie te verbeteren, maar organisaties laten weten dat Roze in Blauw op veel plaatsen onvoldoende bemenst is om goed te kunnen functioneren en dat bij Roze in Blauw ook niet altijd kennis aanwezig is over bepaalde groepen, zoals trans-, intersekse en aseksuele personen.

89

6.

Kennistekort over het doen van aangifte. Het niet weten hoe je aangifte kunt doen, wat je ervan kunt verwachten en waar je terecht kunt, is een andere genoemde belemmering om aangifte te doen. Zo laat een van de lesbische slachtofferrespondenten weten dat zij niet weet waar zij zou moeten beginnen om aangifte doen, zeker niet als ze -zoals in haar geval- door meerdere onbekende mannen vervelend is bejegend (zelfs in zo'n mate dat zij en haar vriendin nu bepaalde plekken mijden). Eén van de geïnterviewde COC-vertegenwoordigers ziet dat binnen de gemeenschappen nog lang niet altijd duidelijk is waar je terecht kunt als slachtoffer. Zo is Roze in Blauw niet bij iedereen bekend als plek om aangifte te doen. Als goed voorbeeld van informatievoorziening noemt deze geïnterviewde de website van de gemeente Amersfoort, waar een onlinepagina is besteed aan het verstrekken van informatie over waar je terecht zou kunnen als je iets overkomt als LHBTIQ-persoon. TNN vult aan dat bij slachtoffers het verschil tussen het doen van aangifte en het maken van een melding niet altijd helder is. Zo komt het voor dat iemand naar de politie stapt, maar dat daar wordt aangeraden om een melding te doen, bijvoorbeeld omdat de politie bij voorbaat het gevoel heeft dat bij een zaak geen dader gevonden kan worden.

Vervolgens vragen slachtoffers zich af hoe het komt dat ze geen terugkoppeling over hun zaak krijgen als zij hiervan melding hebben gemaakt.

7.

Schaamte binnen gemeenschappen. COC, NNID en TNN geven aan dat een groep slachtoffers geen aangifte durft te doen omdat zij zich schamen voor wie ze zijn. Wat hierbij een rol kan spelen is dat personen een bepaald schuldgevoel hebben over hun slachtofferschap, omdat ze het gevoel hebben dat zij zelf degene zijn waar iets aan mankeert.

8.

De dader is een bekende. NOA en TNN geven aan dat aseksuele en transslachtoffers vaak te maken hebben met daders die bekende van hen zijn, bijvoorbeeld in geval van huiselijk geweld of van geweld op plekken als school of vereniging. De drempel om aangifte te doen is

Richten op de regenboog in deze gevallen heel hoog omdat de dader iemand uit de directe omgeving is, waar vaak ook nog contact mee is na de geweldsdaad. 9.

Registratie van incidenten. Een laatste belemmering die wordt genoemd met betrekking tot aangiftebereidheid heeft te maken met de registratie en juridische erkenning van incidenten. Zo zien TNN en BĪ+ als belangrijke verklaring voor het feit dat er (bijna) geen trans- of biseksuele personen terug te vinden zijn in de door ons geanalyseerde strafzaken, dat registraties op basis van genderidentiteit nog niet mogelijk zijn, zoals bij artikel 137c WvSr bijvoorbeeld het geval is. Dit artikel gaat over aanzetten tot haat en groepsbelediging, maar daarbij wordt als grond seksuele voorkeur wel, maar gender niet genoemd. Bovendien gaat dit artikel over homo- en heteroseksuele gerichtheid, waardoor ook bk personen worden uitgesloten. Verder registreert de landelijke politie volgens TNN geen data op basis van genderidentiteit en kan hier dus ook geen onderzoek naar worden gedaan. De landelijke politie registreert wel op grond van geslacht. Volgens BĪ+ kunnen er in de registratie ook dingen verkeerd gaan vanwege een verkeerde interpretatie: als er bijvoorbeeld een voorval is met twee mannen als slachtoffer, dan wordt ervan uitgegaan dat het om twee homomannen gaat, terwijl een van hen of beiden ook biseksueel kunnen zijn.

Bevorderen van aangiftebereidheid Organisaties en slachtofferrespondenten doen enkele aanbevelingen om de aangiftebereidheid binnen de LBTIQ-gemeenschappen te bevorderen. Een eerste aanbeveling heeft betrekking op de voorlichting en educatie bij de politie. Alle organisaties zijn voorstander van voorlichting aan (aankomende) agenten en sensitiviteitstrainingen over hoe om te gaan met slachtoffers. Zo constateert BĪ+ dat er momenteel handelsverlegenheid heerst. Daarom moet er aandacht zijn voor tools die de politie nodig heeft om mensen goed te kunnen helpen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om taalgebruik: welke vragen moet je iemand stellen, welke vragen moet je absoluut uit de weg gaan en hoe moet je die vragen stellen? NNID vult aan dat als de politie deze kennis in huis heeft en beschikt over de gewenste sensitiviteit, er hier campagne op moet worden gevoerd, vanwege het slechte imago van de politie wat betreft de omgang met LHBTIQ-personen. Ten tweede zijn er aanbevelingen met betrekking tot Roze in Blauw. Zo zou één van de slachtofferrespondenten het een goede ontwikkeling vinden als Roze in Blauw meer zichtbaar is voor publiek. In een stad als Rotterdam zou Roze in Blauw bijvoorbeeld nauwelijks zichtbaar zijn.

Volgens een andere slachtofferrespondent, die tevens verbonden is aan een regionale COC-afdeling, is de geringe zichtbaarheid te verklaren door een groot capaciteitstekort. Haar aanbeveling is dan ook om meer middelen beschikbaar te stellen om Roze in Blauw goed te laten functioneren. NOA pleit ervoor dat bij Roze en Blauw meer kennis wordt gedeeld over aseksualiteit. Ten derde bevelen TNN en COC aan dat educatie en sensitiviteitstrainingen verbreed worden naar zorgverleners (bijvoorbeeld kinderbescherming) en scholen, zodat signalen van geweld vanwege seksuele geaardheid/gerichtheid sneller worden opgepikt en sneller kunnen leiden tot een aangifte. Een vierde aanbeveling richt zich op de gemeenschappen zelf. TNN en COC denken dat het de aangiftebereidheid ten goede komt als er voor slachtoffers meer duidelijkheid komt over het verloop van het aangifteproces. Zo zouden de opvolging van aangiftes en het bijbehorende proces beter gecommuniceerd moeten worden zodat slachtoffers het gevoel hebben dat hun aangifte daadwerkelijk nut heeft gehad.

90

Reflectie van LHBTQ-belangenverenigingen en slachtoffers

Een vijfde aanbeveling betreft het strafrecht. Bİ+ zou graag zien dat de wetgeving zodanig wordt aangepast dat biseksualiteit ook juridisch wordt erkend. Ook TNN beveelt wettelijke aanpassingen aan. Zo moet gender opgenomen worden in strafrechtelijke artikelen, zodat geweld tegen trans- en non-binaire personen ook als zodanig bestraft wordt. NNID voegt hieraan toe dat duidelijk strafrecht een belangrijke rol speelt in het stellen van een norm. De politiek kan hiermee aangeven dat deze norm er is en dat daarnaar gehandeld moet worden.

8.4

Bevindingen aan de hand van onderzoeksvragen De meeste van de bestudeerde strafdossiers blijkt betrekking te hebben op geweld tegen homoseksuele mannen. Dit roept de vraag op hoe dat bij de andere gemeenschappen zit. In dit hoofdstuk zijn wij hierop ingegaan aan de hand van twee onderzoeksvragen. Verder is op basis van de gesprekken met organisaties en slachtofferrespondenten een derde vraag toegevoegd, die betrekking heeft op beleidsimplicaties (een van de deelvragen uit hoofdstuk 1). 1.

In hoeverre zijn de vier opgestelde daderprofielen ook van toepassing op geweld tegen LBTIQpersonen? 18 (N.B.: de H is weggelaten)

Organisaties en slachtofferrespondenten herkennen zich in de vier geschetste daderprofielen. Daarbij hebben zij de daderprofielen verder aangescherpt en uitgebreid. Zo kunnen door de politiek ingegeven opvattingen een rol spelen bij het daderprofiel 'afkeer van LHBTQ', en kunnen ook jongeren uit hoger opgeleide milieus daders zijn. Daarnaast is naar voren gekomen dat daders, meer dan uit de vier door ons geschetste daderprofielen blijkt, bekenden kunnen zijn van slachtoffers (familie, collega's, verenigingsleden, dates). Dit geweld in de privésfeer kan een sterk drempelverhogend effect hebben op het doen van aangifte. 2.

Waarom komt geweld tegen LBTIQ-personen zo weinig terug in de geanalyseerde strafdossiers?19

Deze vraag hebben wij verbonden met de aangiftebereidheid van LBTIQ-slachtoffers, omdat deze bereidheid van weerslag is op wat uiteindelijk wordt vastgelegd in strafdossiers. Er wordt door organisaties en slachtofferrespondenten een aantal factoren genoemd waardoor LBTIQ-personen zich belemmerd kunnen voelen om aangifte te doen: -

De dader is een bekende van het slachtoffer. Slachtoffers doen in dit geval geen aangifte, omdat zij na een of meerdere geweldsvoorvallen nog altijd in contact staan met de dader.

18 Deze vraag correspondeert met de volgende deelvragen uit hoofdstuk 1: Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? - Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven? 19 Deze vraag correspondeert met de volgende deelvraag uit hoofdstuk 1: In hoeverre doen LHBTQ-personen aangifte van verschillende geweldsincidenten en welke factoren zijn hierop van invloed?

91

Richten op de regenboog -

Zelfinschatting van de ernst van het geweld. Slachtoffers beschouwen voorvallen of incidenten inmiddels als 'normaal' gedrag waarmee je hebt om te gaan en/of maken een afweging of het doen van aangifte de inspanning waard is.

-

Het handelen van de politie. Slachtoffers hebben negatieve ervaringen met de politie bij het afhandelen van aangiftes (onbekendheid met doelgroepen, niet sensitief interacteren) en/of wantrouwen de politie, ingegeven door bijvoorbeeld politieoptreden tijdens demonstraties en andere bijeenkomsten of door een algemeen wantrouwen tegenover overheidsinstanties.

-

De registratie van incidenten. Het doen van aangifte op grond van bepaalde vormen van seksuele gerichtheid is moeilijk of zelfs niet mogelijk. Een voorbeeld is artikel 137c WvSr dat betrekking heeft op groepsbelediging. Transpersonen en biseksuele personen kunnen zich niet op dit artikel beroepen omdat seksuele voorkeur wel als grond wordt genoemd (met uitzondering van biseksualiteit), maar gender niet.

-

Kennistekort bij slachtoffers over het aangifteproces.

3.

Voor verdere beleidsontwikkeling ter bevordering van de veiligheid van LHBTIQ-personen: Welke maatregelen zouden mogelijk effectief kunnen zijn in het voorkomen en bestrijden van geweld tegen LHBTIQ-personen?

Om geweld tegen LHBTIQ-personen terug te dringen zou volgens organisaties en slachtofferrespondenten moeten worden ingezet op meer voorlichting, bijvoorbeeld via scholen en (sport)verenigingen, en het vergroten van de aangiftebereidheid. Wat betreft het vergroten van de aangiftebereidheid is het volgens respondenten belangrijk dat a) er meer kennis en sensitiviteit komt bij de politie, b) de politiecapaciteit wordt vergroot om aangiftes van tegen LHBTIQ-personen gericht geweld beter af te handelen en c) LHBTIQ-personen meer kennis hebben (en krijgen) over het aangifteproces.

92

9.

Conclusie In dit hoofdstuk wordt eerst gereflecteerd op de uitkomsten van het onderzoek. Vervolgens wordt in paragraaf 9.2 een aantal beleidsimplicaties naar aanleiding van de resultaten benoemd.

9.1 Reflectie op de uitkomsten Alle resultaten bij elkaar genomen is het van belang om de resultaten in de juiste context te plaatsen. Centraal daarbij staat de vraag welke aspecten van geweld in dit onderzoek specifiek van toepassing zijn op geweld tegen LHBTQ-personen en wat er meer in zijn algemeenheid geldt voor geweldsdelicten.

Over prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen en verschillen tussen regio's Op basis van dit onderzoek kunnen er weinig conclusies getrokken worden over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen. Uit zowel de literatuur als gesprekken met de belangenverenigingen komt naar voren dat veel LHBTQ-groepen bovengemiddeld veel geweld meemaken. De strafdossiers geven echter alleen maar inzicht in zaken waarbij het is gekomen tot een veroordeling en zijn niet representatief te noemen. Hetzelfde geldt voor het doen van uitspraken over verschillen in LHBTQgerelateerd geweld tussen regio's. Ook hiervoor is het aantal aanwezige en onderzochte strafdossiers te klein. Vanuit dit onderzoek kan enkel op basis van de politieregistraties een aantal dingen over de prevalentie en verschillen tussen regio's vastgesteld worden, namelijk: ^

Er zijn veel meer registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid dan van geslacht, namelijk 2.113 tegenover 53 registraties (in 2021);

^

Registraties van discriminatie vanwege geslacht hebben vooral betrekking op transpersonen;

^

Er vindt een forse toename plaats van de registraties van seksuele gerichtheid en geslacht in de periode 2017-2021;

^

Bij eenheden in de Randstad en Oost-Nederland worden in 2021 veel meer registraties gedaan dan bij andere politie-eenheden.

Het is echter niet eenvoudig om de uitkomsten uit de analyse van politieregistraties te duiden. De politieregistraties geven geen duidelijk inzicht in waarom registraties van seksuele gerichtheid vaker voorkomen dan vanwege geslacht. Enkel kan geconcludeerd worden dat discriminatie vanwege geslacht vaak betrekking heeft op transpersonen. Het is echter de vraag of dit komt doordat zij vaak slachtoffer zijn, of dat dit beeld ontstaat vanwege het bestaan van de discriminatiegrond 'geslacht' waarbinnen discriminatie tegen transpersonen vaak wordt ondergebracht. Zo zal discriminatie tegen homoseksuele, lesbische en biseksuele personen samengevoegd worden binnen de discriminatiegrond 'seksuele gerichtheid'. Wanneer het aantal registraties per eenheid gerelateerd wordt aan het inwoneraantal, dan valt op dat het aantal registraties in Amsterdam en de andere Randstedelijke gebieden het grootst is. Het blijft echter lastig om de verschillen tussen eenheden te duiden omdat er ook verschillen zijn in capaciteit van de eenheden en de omvang van de aldaar woonachtige LHBTQ-gemeenschap. Eveneens is het onduidelijk in hoeverre de registraties betrekking hebben op LHBTQ-personen en daarmee op wat voor vormen van geweld zij meemaken. Analyse van de registraties geeft de indruk dat een groot deel van de registraties betrekking heeft op politieagenten in functie of op mensen

93

Richten op de regenboog waartegen met 'homo' wordt gescholden. Het wordt lang niet altijd duidelijk of de registraties betrekking hebben op LHBTQ-personen. In die zin tonen de registraties een bepaalde mate van normalisering in de samenleving voor het schelden met 'homo'. Voor wat betreft de toename van het aantal registraties tussen 2017-2021, is het de vraag of dit betekent dat deze vormen van discriminatie vaker voorkomen of dat dit andere oorzaken heeft. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er meer aandacht is gekomen voor deze vormen van discriminatie of dat er beleidsmatig meer aandacht aan wordt besteed (binnen bepaalde eenheden). Aansluitend is het ook onduidelijk wat de verschillen tussen de eenheden precies betekenen. Zo zijn er verschillen in het aantal inwoners die de eenheden bedienen, in de capaciteit van de eenheden maar ook in de omvang van de in het gebied woonachtige LHBTQ-gemeenschap.

Over de slachtoffers De slachtoffers in de dossiers worden als volgt gekenmerkt: ^

78 van de 119 slachtoffers (66 procent) zijn mannen met een homoseksuele gerichtheid;

^

De meeste slachtoffers zijn tussen de 18-25 jaar (34 procent).

De sterke oververtegenwoordiging van dossiers die betrekking hebben op homoseksuele mannen is opvallend te noemen omdat onderzoek van Huijnk et al. (2022) laat zien dat lesbische en biseksuele vrouwen relatief vaak slachtoffer zijn van geweld. Ook zijn transpersonen relatief vaak slachtoffers van geweld (Movisie, 2021b). Onder de deelnemers aan de enquête wordt eveneens vaak geweld ervaren. Deze groep bestaat voor slechts een kwart uit homoseksuele mannen. Het is daarom aannemelijk dat de strafdossiers een vertekend beeld geven. Er kunnen verschillende mogelijke redenen genoemd worden als verklaring. De eerste reden kan samenhangen met het soort geweld dat ervaren wordt. Mogelijk dat de ondervertegenwoordigde groepen te maken krijgen met geweld dat minder snel geregistreerd wordt als LHBTQ-gerelateerd geweld, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van huiselijk geweld. Een andere factor die zou kunnen meespelen, is dat er minder bekendheid zou kunnen zijn binnen de politie over trans-, biseksuele en queerpersonen dan over homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Tot slot zou het kunnen dat kwetsbare groepen, geweld minder vaak melden, bijvoorbeeld rondom partnergeweld vanwege de relatie met de pleger(s). Volgens onderzoek van Movisie (2011) geldt in het bijzonder dat lesbische en biseksuele vrouwen vaak geen aangifte doen van wat zij meemaken.

Uit ander onderzoek blijkt daarentegen dat ook onder homoseksuele mannen en LHBTQ-personen met een migratieachtergrond de aangiftebereidheid zeer laag is (European Union Agency for Fundamental Rights, 2020). Andere verklaringen voor een lage aangiftebereidheid onder LHBTQ-personen is het gebrek aan vertrouwen in de politie (Van Oostroom, 2019; Universiteit Tilburg, 2009). De bevinding dat slachtoffers relatief jong zijn komt overeen met wat er bekend is uit ander onderzoek waarin jongeren als kwetsbaar worden benoemd (Huijnk et al., 2022; Act4Respect, 2019).

94

Samenvatting

Over de vorm en locatie van het geweld De analyse van strafdossiers leidt tot onderstaande inzichten over de context waarbinnen geweldsincidenten tegen LHBTQ-personen plaatsvinden. ^ ^

Verbaal (44 procent) en fysiek geweld in combinatie met uitlatingen (37 procent) komen het vaakst voor in de strafdossiers; Zes op de tien de politieregistraties hebben betrekking op uitlatingen, gevolgd door bedreiging en een uitlating i.c.m. fysiek geweld (beide circa 15 procent);

^

De meeste geweldsincidenten in de strafdossiers vinden plaats in de openbare ruimte en in de middag;

^

De daders en slachtoffers kennen elkaar meestal niet (78 procent);

^

Daders handelen even vaak solo als in een groep.

De locaties waar het geweld in de strafdossiers plaatsvindt komt slechts deels overeen met ander onderzoek. In andere onderzoeken wordt eveneens geconstateerd dat het meeste geweld plaatsvindt in de openbare ruimte (Huijnk et al., 2022). Maar ook thuis vindt geweld tegen LHBTI-personen plaats, bijvoorbeeld in de vorm van partnergeweld of eergerelateerd geweld (Movisie, 2021a). Die bevinding komt veel minder terug in dit onderzoek. Mogelijk komt dit vanwege de selectie van dossiers of omdat huiselijk geweld op zodanige manier geregistreerd wordt dat dit niet in de query van dit onderzoek terugkomt. Een andere groep die wel uit de literatuur naar voren komt (Waldner & Berg, 2008; Van Lisdonk, 2018; Huijnk et al., 2022) maar niet veelvuldig in de strafdossiers is aangetroffen, betreft geweld tegen LHBTQ-uitgaanspubliek rondom plaatsen waar LHBTQ-personen samenkomen. Hoewel er een aantal incidenten is gevonden dat na het uitgaan plaatsvond, vonden deze niet specifiek plaats in de nabijheid van een LHBTQ-uitgaansgelegenheid. De constatering op basis van de strafdossiers dat daders en slachtoffers elkaar vaak niet kennen, wijkt eveneens af van wat er uit ander onderzoek naar voren komt. In de LHBT-monitor (Huijnk et al., 2022) wordt benoemd dat plegers die bij geweldsincidenten betrokken zijn, in veel gevallen een bekende van het slachtoffer zijn.

Het gaat vaak om bekenden uit de buurt of bekenden van werk of studie. Dit geldt in ook voor geweldpleging in het algemeen. Ruim vier op de tien slachtoffers van geweldsdelicten in het algemeen kent de dader (Akkermans et al., 2022). Een mogelijke verklaring voor de verschillen tussen dit onderzoek en de bevindingen in de literatuur kan zijn dat dit een registratiekwestie is. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of bij huiselijk geweld waarbij LHBTQ-personen betrokken zijn, de seksuele gerichtheid of genderidentiteit een rol speelt en zo ja, of dit in de ten laste legging terugkomt. Een andere mogelijkheid is dat er vaker aangifte wordt gedaan van geweld begaan door onbekenden of dat geweld in de openbare ruimte vaker tot een veroordeling leidt. Concluderend kan gesteld worden dat voor wat betreft de vormen en locaties van het LHBTQgerelateerde geweld, de strafdossiers vooral inzicht geven in het geweld dat zich afspeelt in de openbare ruimte waarbij de daders veelal onbekenden zijn. Het geweld dat zich afspeelt in de privésfeer blijft grotendeels onbelicht en zou op andere wijze onderzocht dienen te worden. Daarbij zou eerst verkend moeten worden op welke wijze dit soort geweld geregistreerd wordt. Mogelijk dat huiselijk geweld vaak niet als LHBTQ-gerelateerd geweld wordt geregistreerd.

95

Richten op de regenboog

Over de kenmerken van daders van LHBTQ-gerelateerd geweld Dit onderzoek levert de volgende inzichten over daders op: ^

Bijna alle daders van geweld tegen LHBTQ-personen in dit onderzoek zijn man (95 procent);

^

Daders zijn veelal tussen de 18-25 jaar (32 procent) of tussen de 26-35 jaar (30 procent);

^ ^

De helft van de daders heeft de Nederlandse nationaliteit; Daders zijn (vermoedelijk) vaak heteroseksueel;

^

Een groot deel van de daders heeft antecedenten (66 van de 88 daders);

^

Een relatief groot deel van de daders heeft een kwetsbare positie.

De vraag is in hoeverre bovenstaande daderkenmerken zich onderscheiden van geweldsplegers in het algemeen. Uit ander onderzoek blijkt dat verdachten van geweld in het algemeen ook vaker man zijn dan vrouw. Echter, wanneer gekeken wordt naar alle criminaliteit in Nederland dan is het percentage mannelijke plegers van LHBTQ-geweld hoger dan gemiddeld. Daders van LHBTQ-gerelateerd geweld lijken dus, in vergelijking met criminaliteit in het algemeen, bovengemiddeld vaak mannen te zijn. Aan de factor nationaliteit kan niet te veel waarde gehecht worden bij de verklaring voor geweld tegen LHBTQ-personen. Het percentage Nederlandse daders en daders met een niet-Nederlandse nationaliteit komt grotendeels overeen met verdachtencijfers van alle criminaliteit in Nederland. Ook is bekend dat jongeren over het algemeen vaker verdacht zijn van misdrijven dan ouderen en dat de demografische opbouw van migrantengroepen vaak een relatief groot percentage jongeren kent (Bovenkerk & Fokkema, 2015; Junger-Tas, 2001). Dat met name jongeren als dader uit de strafdossiers komen is in die zin niet verrassend. Ook de kwetsbare positie van daders van LHBTQ-geweld geldt meer in het algemeen voor geweldsplegers.

Om iets te kunnen zeggen over de mate waarin daders van LHBTQ-gerelateerd geweld antecedenten hebben, kan een vergelijking gemaakt worden met wat bekend is over verdachten van misdrijven in het algemeen. Cijfers uit 2014 (de meest recente beschikbare data) tonen aan dat 63 procent van de verdachten antecedenten heeft (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2014). Daders van LHBTQgerelateerd geweld lijken bovengemiddeld vaak al antecedenten te hebben. Vanwege het kleine aantal onderzochte dossiers kan dit echter niet zo hard gesteld worden. Ook kan het zijn dat het percentage veroordeelde daders van geweldsmisdrijven dat antecedenten heeft hoger is dan onder verdachten van dezelfde soort misdrijven. Op basis van de analyse van strafdossiers kan daarom niet geconstateerd worden dat LHBTQ-gerelateerd geweld vaker gepleegd wordt door jongeren, kwetsbaren, personen met antecedenten of personen met de niet-Nederlandse nationaliteit dan bij geweld in het algemeen.

Over de motieven en aanleiding van LHBTQ-gerelateerd geweld De strafdossiers geven in beperkte mate inzicht in de motieven van daders. Vaak doen zij geen uitspraken over de reden voor hun handelen. Uit de dossiers wordt wel vaak duidelijk wat de aanleiding is voor een geweldsincident.

96

^

Het vaakst voorkomende motief vormt afwijzing van LHBTQ-gerelateerde uitingen of gedragingen;

•

Een klein deel van de daders benoemt religieuze motieven;

^

Een fysieke gedraging of het uiterlijk vormt vaak de aanleiding voor daders.

Samenvatting Voor veel van de aspecten van geweld tegen LHBTQ-personen zijn er veel overeenkomsten met geweld en criminaliteit in het algemeen. Een aspect dat specifiek lijkt te gelden voor daders van LHBTQ-gerelateerd geweld zijn de motieven en aanleiding van het geweld. Een groot deel van het geweld lijkt zijn aanleiding te vinden in fysieke uitingen en gedragingen op straat waarbij het specifiek gaat om gedragingen en uitingen die afwijken van de heteroseksuele en gendernormen. De bevindingen uit de strafdossiers lijken daarmee aan te sluiten bij de uitkomsten uit de literatuur (Van Lisdonk, 2018; Jewell & Morrison, 2021). Afkeer van LHBTQ-uitingen, zowel fysiek als gedragingen, lijken een belangrijke rol te spelen bij een deel van het geweld. De beperkte mate waarin religie een rol lijkt te spelen bij LHBTQ-gerelateerd geweld is moeilijk te duiden. In sommige onderzoeken wordt religiositeit in verband gebracht met een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit (Keuzenkamp & Kuyper, 2013). In de strafdossiers komt naar voren dat dit beperkt het geval lijkt te zijn. In 10 van de 70 casussen speelde religie een rol. Afgezet tegenover de religiositeit in Nederland, kan gesteld worden dat religieuze personen niet oververtegenwoordigd zijn in geweld tegen LHBTQ-personen.

In 2019 was 46 procent van de Nederlanders van 15 jaar of ouder gelovig (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). Dit percentage is onder verdachten van LHBTQ-gerelateerd geweld veel kleiner. Echter zijn er alleen uitspraken gedaan over iemands religiositeit wanneer dit in de verhoren duidelijk ter sprake kwam. Het is dus mogelijk dat een groter deel van de daders zich als gelovig identificeert dan uit de dossiers naar voren komt. Dit neemt echter niet weg dat het aantal incidenten dat expliciet religieus gemotiveerd is, relatief beperkt is. Zoals eerder is benoemd, geven de strafdossiers met name inzicht in geweld tegen LHBTQ-personen dat in het openbaar plaatsvindt. De benoemde aanleidingen gelden dan ook in het bijzonder voor dit soort geweld en geven zodoende weinig inzicht in vormen van geweld die zich niet in het openbaar afspelen.

Over de daderprofielen Op basis van de strafdossiers zijn vier daderprofielen opgesteld. Bij het optellen van de profielen is gebruik gemaakt van een kwalitatieve methode. Daarbij is gelet op verschillende aspecten zoals (primair) het motief en indien dit niet duidelijk was, is gekeken naar contextuele factoren en achtergrondkenmerken). Dit heeft geresulteerd in onderstaande profielen: 1) 2) 3) 4)

Afkeer tegen LHBTQ (26 daders) Schelden als reflex (21 daders) Groepsagressie (20 daders) Grappen 'ten koste van' (9 daders)

Het is de vraag in hoeverre de geformuleerde profielen afwijken van (profielen van) geweldplegers in het algemeen. In de literatuur over geweldplegers zijn verschillende overeenkomsten te zien voor de profielen 'afkeer van LHBTQ', 'schelden als reflex' en 'groepsagressie'. Met name voor het profiel 'groepsagressie' valt op dat het veel overeenkomsten toont met al bestaande profielen van geweldsplegers. In die zin lijkt dit profiel breder te gelden dan voor geweld tegen LHBTQ-personen, ook omdat uit de strafdossiers het beeld ontstaat dat de aanleiding soms ondergeschikt lijkt aan het veroorzaken van een geweldsincident. Overeenkomstige aspecten die uit de andere profielen naar voren komen zijn de voorgeschiedenis met zorgverlening, kwetsbare sociaaleconomische positie en psychische problematiek ('Afkeer tegen LHBTQ'), diversiteit in leeftijd

97

Richten op de regenboog en het impulsief handelen ('schelden als reflex'). In de literatuur zijn er geen profielen gevonden die overeenkomsten vertonen met het profiel 'grappen ten koste van'.

Reflectie op de uitkomsten van het onderzoek De strafdossiers geven waardevolle maar tegelijkertijd beperkte inzichten in de daders, slachtoffers en vormen van LHBTQ-gerelateerd geweld. De informatie is waardevol omdat het betrekking heeft op bewezen feiten waarbij een gerechtelijke uitspraak heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is het lastig om de uitkomsten op waarde te schatten vanwege het beperkte aantal dossiers en zijn er aanwijzingen dat de dossiers een onvolledig beeld schetsen. Zo zijn er met name geweldsincidenten in de openbare ruimte aangetroffen die vaak betrekking hebben op mannen met een homoseksuele gerichtheid. Hoewel tijdens de gesprekken met belangenverenigingen en slachtoffers de bevindingen uit de strafdossiers worden herkend, is er meer onderzoek nodig naar geweld tegen specifieke groepen. Zo is er met name veel onbekend over geweld tegen personen die intersekse of aseksueel zijn. Uit de gesprekken met belangenverenigingen valt op te maken dat zij (ook) andere soorten geweld meemaken dan personen behorend tot de LHBT-groepen. De uitkomsten van dit onderzoek wekken de indruk dat het voor een deel van de bevolking normaal is geworden om te schelden met LHBTQ-gerelateerde termen of om zich op andere manieren te verzetten tegen LHBTQ-uitingen, bijvoorbeeld via vernieling of fysiek geweld. Dit is zorgwekkend te noemen.

Bij drie van de vier geformuleerde daderprofielen lijkt dit het geval. De groep daders die geweld pleegt omdat zij een afkeer hebben van LHBTQ-uitingen, is het grootst van de onderscheiden groepen. Dit is extra zorgelijk omdat zij tolerantie ten opzichte van LHBTQ-personen afwijzen en vinden dat daar geen plaats voor is in de maatschappij. Deze vormen van geweld kunnen als targeted/hate crimes worden gezien. Ook de andere profielen wijzen op een maatschappelijk probleem. Waar de groepen die vanuit groepsagressie of afkeer van LHBTQ-personen geweld plegen, weggezet kunnen worden als criminaliteit die helaas altijd zal bestaan binnen een samenleving, wijzen de profielen waarbij wordt gescholden uit reflex of grappen ten koste van LHBTQ-personen worden gemaakt op een veel breder maatschappelijk probleem. Het lijkt erop dat een grote groep, met name heteroseksuele mannen, het grappig of normaal vindt om met dit soort termen te schelden. Dat betekent overigens niet dat anti-LHBTQ sentimenten onder vrouwen niet voorkomen. Zij zijn echter niet vaak daders van LHBTQ-gerelateerd geweld. Een deel van de daders heeft zelf vaak het idee dat hun uitingen onschuldige kleedkamerpraat betreffen. Ook uit de politieregistraties blijkt dat er veelvuldig gescholden wordt met LHBTQgerelateerde termen bijvoorbeeld tegen politieagenten.

Veel geweld tegen LHBTQ-personen komt uit de eerste plaats voort uit een gebrek aan respect en onbegrip voor mensen die afwijken van de heteroen gendernormen in de samenleving. Vanuit delen van de samenleving is er sprake van een gebrek aan sensitiviteit waardoor vaak onnodig, en mogelijk ook onbedoeld, kwetsend wordt gehandeld tegen LHBTQ-personen.

98

Samenvatting

9.2

Beleidsi mplicaties De uitkomsten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om toekomstig beleid te vormen. Voor het prioriteren van beleid nemen we vier knelpunten rondom LHBTIQ-gerelateerd20 geweld waarop het beleid ingezet kan worden. ^

Een deel van het LHBTIQ-gerelateerd geweld komt voort uit intolerantie en afkeer van LHBTIQ-personen en/of -uitingen;

^

Een deel van het geweld duidt op een normalisatie in de samenleving om te schelden met LHBTIQ-gerelateerde termen;

^ ^

LHBTIQ-personen doen weinig aangifte van geweldsincidenten; Er is nog veel onduidelijk over geweld tegen specifieke groepen zoals intersekse en aseksuele personen.

In het vervolg wordt een aantal suggesties gedaan voor manieren waarop deze knelpunten in beleid kunnen worden aangekaart. ^

Een deel van het LHBTIQ-gerelateerd geweld komt voort uit intolerantie en afkeer van LHBTIQ-personen en/of -uitingen

Het daderprofiel 'afkeer van LHBTIQ' is de grootste van de onderscheiden daderprofielen. Deze daders lijken LHBTIQ-uitingen niet te tolereren in de openbare ruimte en plegen vaak bewust geweld tegen LHBTIQ-personen.

Stel een norm tegen personen die LHBTIQ-uitingen en -personen niet tolereren Om een norm te stellen tegen personen die zich intolerant opstellen ten opzichte van LHBTIQ-uitingen en -personen dient een sterk signaal afgegeven te worden. Dit in combinatie met het inzetten op gedragsverandering. De Nederlandse Staat dient uit te dragen dat dit soort geweld niet getolereerd wordt. Hoewel de Rechtspraak natuurlijk gaat over de strafmaat, zou onderzocht moeten worden op welke manier een sterk signaal afgegeven kan worden waarmee de Nederlandse staat zijn solidariteit toont met LHBTIQ-personen en tolerantie rondom LHBTIQ-gemeenschappen uitdraagt. Overigens ligt er een initiatiefwetsvoorstel ter stemming bij de Tweede Kamer waarmee wordt beoogd om een wijziging aan te brengen in het Wetboek van Strafrecht (Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2021). Wanneer de wet wordt aangenomen, wordt het discriminatoir oogmerk als strafverzwarend opgenomen. Dit is ook van belang voor betere registratie van discriminatoire feiten. Dit lijkt een goede eerste stap. In het verlengde van deze aanbeveling kan eraan gedacht worden om over succesvolle vervolgingen te communiceren, bijvoorbeeld door het OM.

Zorg voor genoeg capaciteit en middelen bij betrokken instanties Om een signaal af te geven en geweld tegen LHBTIQ-personen beter aan te kunnen pakken dienen de uitvoerende instanties over genoeg capaciteit te beschikken. De indruk bestaat dat de strafdossiers slechts het topje van de ijsberg vormen. Zo is het aantal politieregistraties vele malen groter dan het aantal zaken waarbij door het OM vervolgd is. Het vergroten van de capaciteit helpt ook bij het vergroten van vertrouwen in de politie en daarmee het verhogen van de aangiftebereidheid. Zo benoemen verschillende slachtoffers dat zij lang moesten wachten om een afspraak te maken op het

20 Omdat de bevindingen in deze paragraaf deels gebaseerd zijn op gesprekken met de belangenverenigingen, wordt in dit hoofdstuk ook de 'I' van intersekse in de afkorting benoemd.

99

Richten op de regenboog moment dat zij aangifte wilden doen. Dit wordt als een grote drempel voor het doen van aangifte ervaren. Hoewel het tekort aan capaciteit niet eenvoudig opgelost kan worden, dient het hier wel benoemd te worden als een factor die meespeelt. Bij een heroverweging van (beperkte) middelen, bevelen wij aan om na te denken over het uitbreiden van middelen voor Roze in Blauw. ^

Een deel van het geweld duidt op een normalisatie in de samenleving om te schelden met LHBTIQ-gerelateerde termen

De profielen 'groepsagressie', 'schelden uit reflex' en 'grappen ten koste van' duiden op een bepaalde mate van normalisatie in de samenleving rondom het schelden met LHBTIQ-gerelateerde termen. Om hier iets aan te doen zal vooral ingezet moeten worden op voorlichting op verschillende niveaus.

Brede maatschappelijke voorlichting Het is van belang dat er maatschappij breed wordt ingezet op het tegengaan van de normalisatie van het discrimineren van LHBTIQ-personen. Veel geweldsincidenten houden ermee verband dat een deel van de (mannelijke) bevolking het normaal vindt om te schelden met LHBTIQ-gerelateerde termen. Dit zien we behalve in de strafdossiers ook terug in de politieregistraties waarbij met name opvalt hoe vaak politieagenten en handhavers uitgescholden worden voor 'homo'. Voorlichting en educatie dienen vanuit alle richtingen te worden ingezet. We zien dat het bijvoorbeeld niet alleen om jongeren of laagopgeleiden gaat. Er is ook een aantal oudere en hoogopgeleide daders. De verscheidenheid aan daders is inmiddels terug te zien in de meeste profielen. Het lijkt gezien deze verscheidenheid logisch om in te zetten op zowel voorlichting en educatie via scholen als bijvoorbeeld via sportverenigingen en/of andere plaatsen waar veel mannen samenkomen. In sommige gevallen lijken de incidenten op uit de hand gelopen 'kleedkamerpraat' waarbij daders onvoldoende, of geen enkel, oog hebben voor de effecten die hun woorden hebben op slachtoffers en personen behorende tot één van de LHBTIQgemeenschappen.

Dat zou dan ook het doel moeten zijn van dit soort voorlichting: duidelijk maken dat dit soort geweld sterk doorwerkt in de positie van LHBTIQ-personen in Nederland, hun gezondheid en hun veiligheidsgevoelens. Een tweede punt dat binnen deze voorlichting aan bod zou moeten komen is om de verscheidenheid tussen de LHBTIQ-groepen duidelijk te maken. Hoewel LHBTIQ vaak als een afkorting gebruikt wordt, zijn er grote verschillen tussen deze groepen. Dit geldt voor de ervaren vormen van geweld, maar ook voor standpunten bijvoorbeeld ten opzichte van medische ingrepen. Daarbij is er sprake van verschillen waarbij seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslacht een rol spelen. Tussen deze begrippen zitten belangrijke verschillen in de oorzaken van ervaren discriminatie en geweld, maar ook in begrip over de groepen. Binnen de maatschappij en instanties lijkt er weinig kennis te zijn over de verschillen tussen deze groepen en worden zij vooral als een eenheid gezien omdat zij afwijken van wat 'normaal' wordt gevonden. Een grote uitdaging bij het bieden van dit soort voorlichting is dat het plaatsvindt in een tijd waarin sprake is van polarisatie en LHBITQ-ideologie gepolitiseerd is.

Zo zijn er partijen die afkeurend staan tegenover LHBTIQ-rechten en horen we in de gesprekken met slachtoffers en LHBTIQbelangenverenigingen terug dat er steeds vaker wordt gesproken over complottheorieën waarin LHBTIQ-ideologie opgedrongen zou worden aan kinderen. Het bieden van voorlichting tegen deze achtergrond is complex en vormt een grote uitdaging.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7c4c6a1e-8d81-4960-b6fb-63b691d174bd