[24bb003761] Bijlage behorende bij 24bb003756 - WODC onderzoek richten op de regenboog. Een onderzoek naar daders en prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen
Tekst van het document
Richten op de regenboog Een onderzoek naar daders en prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen
Y. Seidler R. Wolff E. ter Woord K. van der Schans
Januari 2024
Risbo
R es ea rth-Tra i n i n g-Ċo n e u Ita n cy
Colofon
Richten op de regenboog. Een onderzoek naar daders en prevalentie van geweld tegen LHBTQpersonen Y. Seidler, R. Wolff, E. ter Woord ä K. van der Schans Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) Rotterdam, januari 2024
Erasmus Universiteit Rotterdam/Risbo Postbus 1738 3000 DR Rotterdam tel.: 010-4082124
© Copyright Risbo BV. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van de Directie van het Instituut.
Voorwoord De afgelopen jaren is de aandacht voor diversiteit en inclusie in brede zin gegroeid. Er is meer aandacht gekomen voor hoe met elkaar omgegaan wordt en op welke wijze de samenleving vormgegeven kan worden op een manier waarbinnen iedereen zich thuis voelt. Daarbij is ook aandacht voor de positie van LHBTQ-personen. In het maatschappelijk debat gaat het bijvoorbeeld over hoe iemand aangeduid wenst te worden, wat er op je paspoort staat, maar ook ontstaan er discussies over sportdeelname van transpersonen. Daarbij wordt er steeds vaker onderscheid gemaakt tussen het biologische geslacht en hoe iemand zichzelf identificeert in combinatie met de seksuele gerichtheid van personen. In dat kader heeft Nederland zich lang als voorloper op het gebied van LHBTQ-rechten gepresenteerd. Een deel van de LHBTQ-personen die binnen dit onderzoek gesproken is, vindt dat Nederland al lang niet meer die voortrekkersrol heeft. Zij maken zich zorgen om het klimaat tegen LHBTQ-personen en de vrijheid waarin zij kunnen leven. Zij hebben het gevoel steeds vaker negatief bejegend te worden en ervaren ook geweld. Daarbij lijkt het erop dat in combinatie met COVID-19 en het gevoel van toenemende polarisatie in de samenleving, een groeiende tweedeling is ontstaan tussen voor- en tegenstanders rondom LHBTQ-rechten.
Uit de LHBT-monitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Huijnk et al., 2022) komt naar voren dat LHBT-personen bovengemiddeld vaak geweld ervaren. Echter, is er weinig bekend over wie precies de plegers zijn. Met dit onderzoek voeren we een eerste verkenning uit naar de plegers van dit soort geweld en trachten we deze in een aantal profielen te vangen. Dit onderzoek had niet uitgevoerd kunnen worden zonder de medewerking van het Openbaar Ministerie en de afzonderlijke parketten waar de strafdossiers zijn ingezien. In het bijzonder bedanken het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) voor hun hulp bij het meedenken en opstellen van de zoekopdracht die gebruikt is om tot een selectie van strafzaken te komen. Ook danken wij Jeanine Reidnied voor de hulp bij het verkrijgen van toestemming tot het inzien van de dossiers. Tot slot een woord van dank aan de slachtoffers die zo moedig waren hun verhaal aan ons te vertellen en de medewerkers van de belangenverenigingen die ons te woord wilden staan. De onderzoekers zijn gedurende het onderzoek vakkundig begeleid door de begeleidingscommissie, bestaande uit prof. dr. Henny Bos (Universiteit van Amsterdam, voorzitter), dr. Willem Huijnk (SCP), drs. Jean Luc Lu ijs (Ministerie van Justitie en Veiligheid, tot maart 2023), mr. Astrid Matthijssen (Ministerie van Justitie en Veiligheid, vanaf maart 2023), dr.
Jasper van der Kemp (Vrije Universiteit) en dr. Saskia Baas (Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum). Youri Seidler (projectleider) Januari 2024
3
Samenvatting Aanleiding De laatste jaren is er toenemende aandacht voor (geweld tegen) LHBTQ-personen, maar is er tegelijkertijd niet veel actuele kennis over de prevalentie en daders van geweld tegen deze groepen in Nederland. Naar aanleiding van Kamervragen van Kamerlid Bergkamp over het aanpakken van homofobie tijdens het Mondelinge Vragenuur van 19 mei 2020, heeft de Minister van Justitie en Veiligheid toegezegd dat er een onderzoek komt naar geweld tegen LHBTQ-personen en de daders die hierbij betrokken zijn. Dit onderzoek is het resultaat van die toezegging.
Onderzoekopzet In dit onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, hebben wij ons beziggehouden met de vraag wie de daders van geweld tegen LHBTQ-personen zijn. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Welke kenmerken en motieven hebben daders van geweld gericht tegen LHBTQ-personen en wat is de aard en omvang van dit geweld? De kern van dit onderzoek bestaat uit de analyse van 88 strafdossiers uit de periode 2017-2021 waarbij seksuele gerichtheid, genderexpressie of genderidentiteit een rol speelt. Het gaat hier om zaken waarbij personen door de rechter zijn veroordeeld. Om die reden wordt gesproken over daders in plaats verdachten. De resultaten uit de strafdossiers zijn aangevuld en geduid met bevindingen uit de literatuur, een enquête onder 146 LHBTQ-personen, interviews met zeven slachtoffers en tien personen die spraken namens zes LHBTQ-belangenverenigingen. Om inzicht in de omvang te krijgen zijn politieregistraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht geanalyseerd. Hierna worden eerst de hoofdbevindingen benoemd, daarna wordt per een antwoord per onderzoeksvraag geformuleerd. De samenvatting wordt afgesloten met een reflectie op de resultaten.
Hoofdbevindingen Wat onderscheidt daders van LHBTQ-gerelateerd geweld? Daders van LHBTQ-gerelateerd geweld die in de onderzochte strafdossiers naar voren komen, zijn bovengemiddeld vaak man en hebben bovengemiddeld vaak antecedenten in vergelijking met geweldplegers in het algemeen. Behalve deze kenmerken zijn er met name veel overeenkomsten tussen daders van LHBTQ-gerelateerd geweld en verdachten van criminaliteit in het algemeen. Er zijn geen grote verschillen gevonden voor wat betreft de nationaliteit, leeftijd en kwetsbare sociaaleconomische positie van de daders. Waarom plegen zij geweld? Een groot deel van het geweld lijkt zijn aanleiding te vinden in fysieke uitingen en gedragingen op straat waarbij het specifiek gaat om gedragingen en uitingen die afwijken van de heteroseksuele en gendernormen. De grootste onderscheiden dadergroep pleegt geweld omdat zij een afkeer hebben van LHBTQ-uitingen. Dit is zorgelijk omdat zij tolerantie ten opzichte van LHBTQ-personen afwijzen en vinden dat daar geen plaats voor is in de maatschappij. Behalve dat er een groep is met afkeer van
5
Richten op de regenboog LHBTQ-personen en -uitingen, wijzen de resultaten erop dat het voor een deel van de bevolking normaal is geworden om te schelden met LHBTQ-gerelateerde termen of om zich op andere manieren te verzetten tegen LHBTQ-uitingen. Met name een grote groep heteroseksuele mannen lijkt het grappig of normaal te vinden om met dit soort termen te schelden. Wat weten we nog niet? Een andere bevinding is dat een analyse van strafdossiers vooral een beeld oplevert van daders van geweld tegen homoseksuele mannen dat plaatsvindt in de openbare ruimte. Daders van geweld tegen lesbische, biseksuele, trans-, intersekse, aseksuele en queerpersonen zijn nauwelijks aangetroffen in de strafdossiers en daarom grotendeels buiten beeld gebleven. Dit leidt tot verschillende vragen voor vervolgonderzoek. Is er bijvoorbeeld sprake van een registratiekwestie? Wordt geweld tegen bepaalde groepen anders of slechter geregistreerd? Doen sommige groepen minder snel aangifte dan anderen? En waarom blijft geweld in de huiselijke sfeer buiten beeld, ondanks dat dit volgens de andere onderzoeken en respondenten relatief vaak zou voorkomen? Wat zijn beleidsimplicaties voortkomend uit dit rapport? Ten eerste dienen er inspanningen geleverd te worden om de aangiftebereidheid onder LBHTQgemeenschappen te vergroten.
Dit kan door het aangifteproces meer laagdrempelig te maken voor slachtoffers door agenten van meer informatie te voorzien over de verschillende LHBTQgemeenschappen en via trainingen meer sensitief te maken in de omgang met LHBTQ-personen. Aan de kant van LHBTQ-gemeenschappen dient de voorlichting over het aangifteproces (en wat je er wel en niet van kunt verwachten) vergroot te worden. Ten tweede dient anti-LHBTQ geweld beter geregistreerd te worden in het aangifteproces en via aanpassing van de wetgeving, zodat duidelijker wordt dat bij geweldsincidenten anti-LHBTQ gerelateerd motieven hebben meegespeeld. Ten derde dient bij mogelijk vervolgonderzoek naast strafdossiers waarbij expliciet sprake is van tegen LHBTQpersonen gericht geweld, ook gezocht te worden in strafdossiers waarin anti-LHBTQ-geweld verdekt naar voren komt, bijvoorbeeld door dossiers te scannen waarin sprake is van huiselijk geweld. Hieronder wordt uitgebreider antwoord gegeven op de onderzoeksvragen.
1) Wat is er bekend over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland? Uit de onderzoeksliteratuur komt naar voren dat LHBTQ-personen meer geweld ervaren dan heteroseksuele personen: zij voelen zich vaker onveilig en worden vaker slachtoffer van geweld. In grote lijnen zijn LHBTQ-personen en heteroseksuele personen slachtoffer van hetzelfde type geweld. In het merendeel van gevallen gaat het om verbaal geweld (zoals bedreigingen) en komt fysiek geweld (zoals mishandeling) minder voor. Een verschil is dat LHBTQ-personen relatief vaak slachtoffer worden van online geweld. Uit de politieregistraties blijkt dat er met name veel registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid plaatsvinden. In 2021 waren er 2.113 registraties met betrekking tot discriminatie van seksuele gerichtheid en 53 met betrekking tot geslacht. In de periode 2017-2021 neemt zowel het aantal registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid als van geslacht (fors) toe. Duiding Het is niet duidelijk in hoeverre politieregistraties betrekking hebben op LHBTQ-personen als daadwerkelijk slachtoffer. Analyse van de registraties toont aan dat een groot deel gaat over politieagenten in functie of mensen waartegen met 'homo' wordt gescholden. Voor wat betreft de
6
Samenvatting toename van het aantal registraties tussen 2017-2021 is het de vraag of dit betekent dat deze vormen van discriminatie vaker voorkomen of dat dit andere oorzaken heeft die samenhangen met beleid en registratie.
2) Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? Vanuit de literatuur zijn vier vormen van geweld tegen LHBTQ-personen te onderscheiden: verbaal (online) geweld, fysiek geweld, seksueel geweld en materieel geweld. Deze vormen van geweld komen zowel voor in de openbare ruimte als in de privésfeer. Uit de literatuur komen twee specifieke soorten van geweld in de privésfeer naar voren: huiselijk geweld en eergerelateerd geweld. Uit de politieregistraties valt op te maken dat discriminatie op grond van seksuele gerichtheid grotendeels uitlatingen betreft (60,7 procent in 2021), veelal belediging op grond van (vermeende) homoseksuele gerichtheid. Hiervan heeft een groot deel betrekking op politieagenten in functie of op mensen waartegen met 'homo' wordt gescholden. Dit duidt op normalisering in de samenleving voor het schelden met 'homo'. Een deel van de incidenten betreft andere geweldsvormen, zoals bedreiging (15,3 procent in 2021) en fysiek geweld in combinatie met een uitlating (14,5 procent in 2021). In de strafdossiers is gekeken naar 70 unieke casussen (die samen 88 strafdossiers omvatten) waarbij sprake was van LHBTQ-gerelateerd geweld. De meeste van deze casussen gaan over verbale geweldincidenten (31 casussen), gevolgd door fysiek geweld (26 casussen).
Huiselijk geweld (5 casussen), online geweld (5 casussen) en materieel geweld (3 casussen) komen aanzienlijk minder vaak voor in de dossiers. De verschillen tussen de vormen van geweld in de politieregistraties en de strafdossiers worden mogelijk veroorzaakt doordat bij fysiek geweld makkelijker vervolging plaats kan vinden dan bij verbaal geweld. Dit heeft er bijvoorbeeld mee te maken of er een verdachte in beeld is zodat tot vervolging overgegaan kan worden. De meeste daders uit de strafdossiers worden vervolgd voor eenvoudige belediging (Art. 266 WvSr, 39 procent van de vervolgingen). Hier is sprake van verbaal geweld (schelden) soms in combinatie met fysiek geweld. In iets meer dan een kwart van de gevallen is er sprake van mishandeling (Art. 300 WvSr), waarbij het veelal gaat om mishandeling van mensen in de openbare ruimte, bijvoorbeeld voor een supermarkt, op straat na het uitgaan of in een park. Modus operandi van daders van LHBTQ-gerelateerd geweld zoals afgeleid uit de strafdossiers Uit de dossiers ontstaat een beeld van de context waarbinnen deze daders handelen. Geweld vindt veelal plaats in de openbare ruimte, bijvoorbeeld op straat of in parken (37 van de 70 casussen) en in mindere mate in de huiselijke sfeer (12 casussen), in het verkeer (8 casussen) of online (7 casussen). Ongeveer de helft van de 88 daders handelde binnen een groep.
In bijna vier op de vijf strafzaken kennen de dader(s) en slachtoffer(s) elkaar niet. Iets minder dan een derde van de daders is (vermoedelijk) onder invloed wanneer zij het misdrijf plegen. In de meeste van deze gevallen gaat het om alcoholgebruik. Duiding De locaties waar het geweld in de strafdossiers plaatsvindt komt slechts gedeeltelijk overeen met ander onderzoek. Met name geweld dat in de privésfeer plaatsvindt, komt niet terug in de strafdossiers. Mogelijk komt dit vanwege de selectie van dossiers en/of omdat huiselijk geweld
7
Richten op de regenboog zodanig geregistreerd wordt dat dit niet in de gehanteerde zoekopdrachten terugkomt. Een andere context die wel uit de literatuur naar voren komt maar niet veelvuldig in de strafdossiers is aangetroffen, betreft geweld tegen LHBTQ-uitgaanspubliek rondom plaatsen waar LHBTQ-personen samenkomen. De constatering op basis van de strafdossiers dat daders en slachtoffers elkaar vaak niet kennen, wijkt eveneens af van wat er uit ander onderzoek naar LHBTQ-geweld en geweld in het algemeen naar voren komt. Mogelijk dat dit een registratiekwestie is. Een andere mogelijkheid is dat er makkelijker aangifte wordt gedaan van geweld begaan door onbekenden of dat geweld in de openbare ruimte vaker tot een veroordeling leidt. Bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van getuigen bij geweld in de openbare ruimte.
3) Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld? Op basis van de literatuur worden vier kwetsbare LHBTQ-groepen onderscheiden. -
Jongeren
-
Transpersonen
-
Biseksuele vrouwen LHBTQ-uitgaanspubliek
De politieregistraties geven geen duidelijk inzicht in kwetsbare groepen. Enkel kan geconcludeerd worden dat discriminatie vanwege geslacht vaak betrekking heeft op transpersonen. Het is echter de vraag of dit komt doordat zij vaak slachtoffer zijn, of dat dit beeld ontstaat vanwege het bestaan van de discriminatiegrond 'geslacht' waarbinnen discriminatie tegen transpersonen vaak wordt ondergebracht. Zo zal discriminatie tegen homoseksuele, lesbische en biseksuele personen samengevoegd worden binnen de discriminatiegrond 'seksuele gerichtheid'. De kwetsbare groepen die uit de literatuur naar voren komen zien we, los van de jongeren, weinig terug in de dossiers. Twee derde van de aangetroffen dossiers heeft betrekking op slachtoffers met een homoseksuele gerichtheid, namelijk 78 van de in totaal 119 slachtoffers. Dit is zeer opvallend aangezien andere onderzoeken aantonen dat lesbische en biseksuele vrouwen en transpersonen relatief vaak geweldsslachtoffer zijn. Slachtoffers in de strafdossiers naar leeftijd Ruim een derde van de slachtoffers in de strafdossiers is een jongvolwassene in de leeftijd van 18-25 jaar. Dit strookt met wat er bekend is uit ander onderzoek. De slachtoffergroepen bestaande uit 26 35 en 36-55-jarigen zijn eveneens groot (respectievelijk 28 procent en 25 procent).
Duiding Het grote aantal dossiers met homoseksuele mannen als slachtoffer, is opvallend te noemen omdat onderzoek laat zien dat ook andere groepen vaak slachtoffer zijn van geweld. Het is daarom aannemelijk dat de strafdossiers een vertekend beeld geven. Een mogelijke verklaring ligt in de registratie van geweldsdelicten. Bijvoorbeeld omdat binnen de politie minder bekendheid is over trans-, biseksuele en queerpersonen of omdat binnen de LHBTQ-gemeenschap bepaalde groepen te maken krijgen met geweld dat minder snel geregistreerd wordt als LHBTQ-gerelateerd geweld. Een andere mogelijkheid is de aangiftebereidheid onder slachtoffers (zie vraag 4). Een derde mogelijkheid is de opzet van deze studie, waardoor een deel van de dossiers met LHBTQ-slachtoffers buiten het
8
Samenvatting zicht zijn gebleven. Wellicht wordt het vertekende beeld veroorzaakt door een combinatie van genoemde factoren.
4) In hoeverre doen LHBTQ-personen aangifte van verschillende geweldsincidenten en welke factoren zijn hierop van invloed? Uit verschillende onderzoeken blijkt een lage bereidheid onder LHBTQ-personen om aangifte te doen (of melding te maken) van een geweldsincident. Dit is een algemeen verschijnsel: ook heteroseksuele personen zijn weinig geneigd om aangifte te doen. Ondanks dat, is er een opvallend lage aangiftebereidheid bij groepen zoals biseksuele en lesbische vrouwen, LHBTQ-personen met een migratieachtergrond, LHBTQ-sekswerkers en transpersonen die slachtoffer zijn van fysiek geweld (mishandeling). In de literatuur en onder door ons geïnterviewde belangenverenigingen en slachtofferrespondenten worden verschillende verklaringen gegeven voor de lage aangiftebereidheid onder LHBTQ-personen: -
-
Zelfinschatting van de ernst van het geweld ('is het erg genoeg om aangifte van te doen?'). Slachtoffers beschouwen voorvallen of incidenten inmiddels als 'normaal' gedrag waarmee je hebt om te gaan en/of maken een afweging of het doen van aangifte de inspanning waard is. De dader is een bekende van het slachtoffer. Slachtoffers doen in dit geval mogelijk geen aangifte, omdat zij na één of meerdere geweldsvoorvallen nog altijd in contact staan met de dader.
-
Het handelen van de politie. Slachtoffers hebben negatieve ervaringen met de politie bij het afhandelen van aangiftes (onbekendheid met doelgroepen, niet sensitief interacteren) en/of wantrouwen de politie, ingegeven door bijvoorbeeld politieoptreden tijdens demonstraties en andere bijeenkomsten of door een algemeen wantrouwen tegenover overheidsinstanties.
-
Hobbels in de rechtsgang waardoor slechts weinig aangiftes leiden tot een daadwerkelijke veroordeling (gebrek aan afhandelingservaring bij de politie, te weinig rechtserkenning van de LHBTQ-achtergrond voor geweldsdaden).
-
Registratie van incidenten. Het doen van aangifte op grond van bepaalde vormen van seksuele gerichtheid is moeilijk of zelfs niet mogelijk. Een voorbeeld is artikel 137c WvSr dat betrekking heeft op aanzetten tot haat en groepsbelediging. Transpersonen en biseksuele personen kunnen zich niet op dit artikel beroepen omdat seksuele voorkeur wel als grond wordt genoemd (met uitzondering van biseksualiteit), maar gender niet.
Degene die aangifte hebben gedaan in de strafdossiers, geven relatief vaak aan dat zij het zat zijn om beledigd te worden vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit of -expressie. Duiding Zoals eerder gezegd, hebben de door ons geanalyseerde strafdossiers voornamelijk betrekking op incidenten tegen homoseksuele mannen, die zich afpelen in de openbare ruimte. Dit is een vertekend beeld, dat mogelijk samenhangt met de lage aangiftebereidheid onder lesbische, biseksuele, trans- en queerpersonen. De hierboven genoemde verklaringen spelen daarbij een rol.
5) Welke regionale verschillen bestaan er met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen? In het onderzoek is weinig inzicht verkregen in regionale verschillen met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen. Alleen op basis van politieregistraties kan iets gezegd worden over verschillen in aantal registraties naar politie-eenheid. Met name bij eenheden binnen de Randstad en Oost-
9
Richten op de regenboog Nederland zijn meer registraties dan bij andere eenheden. Ook is het opvallend te noemen dat het aantal registraties bij een aantal eenheden fors toeneemt in de periode 2017-2021, terwijl in andere eenheden een veel wisselender beeld zichtbaar is. Wanneer gekeken wordt naar het aantal registraties per eenheid gerelateerd aan het inwoneraantal, dan valt op dat het aantal registraties in Amsterdam en de andere Randstedelijke gebieden het grootst is. Het blijft echter lastig om de verschillen tussen eenheden te duiden omdat er ook verschillen zijn in capaciteit van de eenheden en de omvang van de aldaar woonachtige LHBTQ-gemeenschap.
6) Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? In de literatuur en uit politieregistraties komt naar voren dat plegers van geweld tegen LHBTQpersonen veelal minderjarige of jongvolwassen mannen zijn. In de literatuur wordt soms verwezen naar de (niet-Westerse) migratieachtergrond van daders, zijn er indicaties dat een hogere mate van religiositeit gepaard gaat met een grotere kans op daderschap en zijn daders vaak bekenden van slachtoffers. In de politieregistraties valt op dat in 2021 ruim driekwart van de verdachten antecedenten heeft. Uit de analyse van strafdossiers komt op een aantal punten een vergelijkbaar beeld naar voren als uit de literatuur en de politieregistraties. Daders zijn bijna allen man, vaak minderjarigen of jongvolwassene waarvan een deel bij de ouders woont. Een klein deel van de daders (twaalf van de 88) geeft expliciet aan een religie te belijden (christelijk, moslim, religie niet bekend). Daders met een christelijke achtergrond behoren relatief vaak tot een oudere leeftijdsgroep. Bij veel van de daders waarvan bekend is dat zij een religie aanhangen, spelen religieuze overtuigingen een rol bij het incident. In deze gevallen geven daders openlijk toe dat zij niet-heteroseksualiteit afwijzen.
Omdat in eerder onderzoek aandacht is besteed aan de migratieachtergrond van plegers hebben ook wij hier naar gekeken in de strafdossiers. Hiervoor is nationaliteit als indicator gebruikt omdat migratieachtergrond (op basis van geboorteland persoon/ouders) niet wordt geregistreerd binnen de strafdossiers. De helft van de plegers heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn hiermee veruit de grootste groep. Iets minder dan een op de vijf plegers heeft de (Nederlands-)Marokkaanse nationaliteit. Deze groep is relatief jong: zes van de zestien daders zijn minderjarig en vier zijn tussen de 18 en 25 jaar. Driekwart van de 88 daders heeft al antecedenten voordat zij veroordeeld worden voor LHBTQgerelateerd geweld. Daders bezitten vaak risicokenmerken waarvan bekend is dat deze de kans vergroten om in aanraking te komen met de politie. Het gaat bijvoorbeeld om het hebben van een (gedrags)stoornis, een moeilijke jeugd/opvoeding, en het rondhangen in groepen op straat (vooral onder jongeren). Hoewel niet met zekerheid de sociaaleconomische positie vastgesteld kan worden op basis van de dossiers, wijzen de verhalen van de verdachten en contextuele factoren erop dat zij relatief vaak een kwetsbare sociaaleconomische positie hebben. Een groot deel van de daders heeft geen vaste baan, kan moeilijk rondkomen en/of leeft van een uitkering.
Verder is in de strafdossiers gekeken naar de seksuele gerichtheid van daders. Bij een kwart van de daders komt naar voren dat zij zelf heteroseksueel zijn. In een groot deel van de gevallen blijft dit onduidelijk, maar op basis van uitlatingen tijdens het verhoor kan worden aangenomen dat het overgrote deel van deze daders zichzelf als heteroseksueel identificeert. Tot slot is er een groep van veertien daders, die relatief vaak betrokken is bij incidenten met verbaal geweld, die aangeeft geen probleem te hebben met LHBTQ-personen.
10
Samenvatting Duiding Het is de vraag in hoeverre het beeld van daders van geweld tegen LHBTQ-personen zich onderscheid van geweldsplegers in het algemeen. Vergeleken met de totale groep geweldplegers in Nederland is het percentage mannelijke plegers van LHBTQ-geweld bovengemiddeld. Verder lijken daders van LHBTQ-gerelateerd geweld in vergelijking met verdachten van criminaliteit in het algemeen bovengemiddeld vaak antecedenten te hebben (vanwege het kleine aantal onderzochte dossiers dient deze bevinding met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd). Naast verschillen zijn er ook overeenkomsten: wat betreft het kenmerk nationaliteit komt het percentage Nederlandse daders en daders met een niet-Nederlandse nationaliteit grotendeels overeen met verdachtencijfers van alle criminaliteit in Nederland. Ook is bekend dat jongeren over het algemeen vaker verdacht zijn van misdrijven dan ouderen. Dat met name jongeren als dader uit de strafdossiers komen is in die zin niet verrassend. Ook de kwetsbare sociaal-emotionele en sociaal maatschappelijke positie van daders van LHBTQ-geweld geldt meer algemeen voor geweldsplegers.
7) Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven? In de literatuur worden verschillende verklaringen genoemd voor gewelddadig gedrag tegen LHBTQpersonen. Zo kan het zijn oorsprong hebben in opvattingen over het onderscheid en de machtsverhouding tussen mannen en vrouwen en/of gebaseerd zijn op a) een traditioneel normen en waardenpatroon, ingegeven door een bepaalde (religieuze) levensovertuiging b) de behoefte aan erkenning/goedkeuring van vrienden of familieleden of c) op eigen gevoelens van angst en ongemak bij daders. Deze opvattingen komen tot uiting in gedrag wanneer iemand afwijkt van de gendernorm (lees: heteronorm), wat een 'trigger' kan zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen. Hoe meer of hoe zichtbaarder iemand afwijkt van deze norm, hoe meer plegers 'getriggerd' worden om over te gaan tot 'actie'. Bij 38 van de 70 daders in de strafdossiers is onduidelijk wat hun motief was. Het grootste deel van de daders waarbij het motief wel duidelijk is, geeft aan dat zij een afkeer hebben van LHBTQ-uitingen. Bijvoorbeeld vanuit hun religieuze overtuiging of ideeën over gender in de samenleving. Voor het grootste deel van de daders geldt echter dat zij achteraf niet precies weten waarom ze geweld hebben gepleegd. Veel van deze daders geven aan niks te hebben tegen LHBTQ-personen. Zij geven bijvoorbeeld aan impulsief te hebben gescholden.
Dit is vaak het geval bij incidenten waarbij een opstootje ontstaat dat aanvankelijk niet gerelateerd is aan een LHBTQ-uiting. Behalve het motief, kan ook gekeken worden naar welke situatie aanleiding gaf tot het geweldsincident. De meest voorkomende aanleidingen van geweld in de strafdossiers zijn fysieke uitingen (10 van de 70 casussen) of het gedrag of de kleding van de slachtoffers die (in de ogen van de dader) een uiting zijn van een seksuele gerichtheid of genderexpressie die afwijkt van de (hetero)norm (14 van de 70 casussen). Duiding De motieven en aanleiding van LHBTQ-gerelateerd lijken specifiek te gelden voor dit type daders in plaats voor daders in het algemeen. Een groot deel van het geweld lijkt zijn aanleiding te vinden in fysieke uitingen en gedragingen op straat waarbij het specifiek gaat om gedragingen en uitingen die afwijken van de heteroseksuele en gendernormen. De bevindingen uit de strafdossiers sluiten daarmee aan bij uitkomsten uit de literatuur. Afkeer van LHBTQ-uitingen, zowel fysiek als gedragingen, speelt blijkbaar een belangrijke rol bij een deel van het geweld.
11
Richten op de regenboog De beperkte mate waarin religie een rol speelt bij LHBTQ-gerelateerd geweld in de onderzochte strafdossiers, is moeilijk te duiden. In sommige onderzoeken wordt religiositeit in verband gebracht met een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit. In de strafdossiers is het aandeel gelovige daders kleiner dan het percentage gelovigen in Nederland. Echter zijn er alleen uitspraken gedaan over iemands religiositeit wanneer dit in de verhoren duidelijk ter sprake kwam. Het is dus mogelijk dat een groter deel van de daders zich als gelovig identificeert dan uit de dossiers naar voren komt. Dit neemt echter niet weg dat het aantal incidenten dat expliciet religieus gemotiveerd is, relatief beperkt is.
Daderprofielen Om de verschillen in motieven en aanleidingen te structureren zijn op basis van de strafdossiers vier daderprofielen opgesteld. Daarbij is gekeken naar verschillende aspecten (zoals zelfverklaard motief, contextuele factoren en achtergrondkenmerken). Het gaat om de profielen 'afkeer van LHBTQ', 'schelden als reflex', 'groepsagressie' en 'grappen ten koste van'. De profielen vormen archetypen die gebaseerd zijn op kwalitatieve onderzoeksmethoden. In de praktijk zal er vaak sprake zijn van een combinatie van kenmerken en kunnen daders ook afwijken van deze archetypen. Daderprofiel: Afkeer van LHBTQ De grootste groep bestaat uit daders (26 personen) die vanuit afkeer tegen LHBTQ-uitingen geweld tegen LHBTQ-personen begaan. Bij deze daders lijken uitingen van LHBTQ, opgevat te worden als een 'aanval' op traditionele normen en waarden en de inrichting van de samenleving. Hierna volgt een overzicht van de persoons- en sociale kenmerken en incidentkenmerken behorende tot dit daderprofiel.
Persoons- en sociale kenmerken ^ Man ^ 25-36 jaar ^ Vermoedelijk heteroseksueel ^ Relatief vaak religieus (katholiek/protestants/islamitisch) • Traditionele opvattingen over seksualiteit ^ Een deel is een verward persoon en/of dakloze • Heeft een lage sociaaleconomische positie (uitkeringsafhankelijk/ laagbetaald) ^ Verleden met zorgdiensten • Heeft antecedenten (soms voor vergelijkbare discriminatiefeiten) ^ Weinig beschermende factoren aanwezig
Incidentkenmerken • Ziet LHBTQ als (impliciete) aanval op de heteronormatieve waarden ^ Neemt aanstoot aan uitingen van LHBTQ (fysiek en gedrag) ^ Keurt gedrag openlijk af (geen controle over eigen handelen) ^ Handelt solo • Fysiek en verbaal geweld • In de openbare ruimte
Daderprofiel: Schelden als reflex De op een na grootste groep betreft daders waarbij het geweld zich uit door te schelden met discriminerende woorden tegen LHBTQ-personen (20 personen). Binnen dit heeft in veel gevallen de aanleiding niets te maken met de seksuele gerichtheid, en is het onduidelijk waarom er bijvoorbeeld met 'homo' wordt gescholden. Hieronder volgt een overzicht van de persoons- en sociale kenmerken en incidentkenmerken behorende tot dit daderprofiel.
12
Samenvatting Persoons- en sociale kenmerken ^ Man ^ 18-35 jaar ^ Nederlandse nationaliteit/ (Nederlands-)Marokkaanse nationaliteit ^ Heeft antecedenten (voor ander soort feiten) ^ Laag opgeleid, kwetsbare sociaaleconomische positie ^ Vindt schelden tegen/met LHBTQ normaal
Incidentkenmerken ^ Aanvankelijk aanleiding conflict is niet gerelateerd aan LHBTQ-uiting ^ LHBTQ wordt erbij gehaald na escalatie ^ Verbaal geweld, soms escalerend in fysiek geweld ^ Slachtoffer kan zowel een bekende als onbekende van dader zijn ^ Vindt plaats in de openbare ruimte of in de privésfeer
Daderprofiel: Groepsagressie Daders die tot dit profiel behoren, plegen geweld tegen LHBTQ-personen als onderdeel van een groep (18 personen), vaak een groep 'hangjongeren'. Er is hierbij vaak sprake van meerdere geweldplegers. De aanleiding voor geweld heeft binnen deze dadergroep veelal te maken met het zichtbaar zijn als (vermeend) LHBTQ-persoon. Hieronder een overzicht van de persoons- en sociale kenmerken en incidentkenmerken. Persoons- en sociale kenmerken ^ Man ^ Jonge daders (minderjarig en ^5 jaar) ^ Nederlandse nationaliteit/ (Nederlands-)Marokkaanse nationaliteit ^ Relatief vaak eerder in beeld geweest bij politie ^ Schoolgaand/studerend • Lid van groep hangjongeren/problematische jongerengroep
Incidentkenmerken ^ Fysiek geweld ^ Pestgedrag • Geweld zonder aanleiding • In het openbaar en het OV ^ Reactie op heteronorm afwijkend gedrag
Daderprofiel: Grappen 'ten koste van' Het laatste profiel heeft betrekking op personen die denken een grap te kunnen maken ten koste van LHBTQ-personen (9 personen). Daders binnen dit profiel denken zelf een leuke 'grap' te maken, maar hebben niet door dat dit ten koste gaat van LHBTQ-personen en dat dit als kwetsend kan worden ervaren. Hieronder een overzicht van de persoons- en sociale kenmerken en incidentkenmerken.
Persoons- en sociale kenmerken ^ Man ^ Heteroseksueel ^ Nederlandse nationaliteit • Geen strafblad ^ Hoger opgeleid/stabiel leven ^ Spijt van incident • Weinig risico- veel beschermende factoren aanwezig
Incidentkenmerken • Materieel/verbaal geweld • In groepsverband ^ Tegen LHBTQ in algemeen ^ Niet sensitief voor LHBTQ ^ Vastgelegd op sociale media ^ Maken van een statement/voor een publiek ^ Daders kennen slachtoffer niet persoonlijk
In hoeverre zijn de vier opgestelde daderprofielen ook van toepassing op geweld tegen LBTIQpersonen? (N.B.: de H is weggelaten) Omdat de strafdossiers met name betrekking hebben op homoseksuele slachtoffers, is het de vraag in hoeverre deze ook herkenbaar zijn voor andere groepen. Vanuit die gedachten zijn er gesprekken gevoerd met zeven slachtoffers en tien personen van zes LBTIQ-belangenverenigingen. Deze
13
Richten op de regenboog organisaties en slachtofferrespondenten herkennen zich in de vier geschetste daderprofielen. Daarbij hebben zij de daderprofielen verder aangescherpt en uitgebreid. Zo zijn zij van mening dat door de politiek ingegeven opvattingen een rol kunnen spelen bij het daderprofiel 'Afkeer van LHBTQ' en kunnen ook jongeren uit hoger opgeleide milieus daders zijn. Daarnaast is naar voren gekomen dat daders, meer dan uit de vier door ons geschetste daderprofielen blijkt, bekenden kunnen zijn van slachtoffers (familie, collega's, verenigingsleden, dates). Als verklaring voor het grotendeels uitblijven van dossiers waarbij sprake was van (verbaal en fysiek) geweld in de privésfeer, wordt benoemd dat het kennen van de dader een sterk drempelverhogend effect kan hebben op het doen van aangifte. Duiding In de literatuur over geweldplegers in het algemeen zijn verschillende overeenkomsten te zien met de profielen 'afkeer van LHBTQ', 'schelden als reflex' en 'groepsagressie'. Met name voor het profiel 'groepsagressie' valt op dat het veel overeenkomsten vertoont met al bestaande profielen van geweldsplegers. In die zin lijkt dit profiel breder te gelden dan alleen voor geweld tegen LHBTQpersonen.
Overeenkomstige aspecten die uit de andere profielen naar voren komen zijn de voorgeschiedenis met zorgverlening, zwakke sociaaleconomische positie, mentale gezondheidsproblematiek en het impulsief handelen.
Conclusie De strafdossiers geven waardevolle maar tegelijkertijd beperkte inzichten in de kenmerken van daders, slachtoffers en vormen van LHBTQ-gerelateerd geweld. De informatie is waardevol omdat het betrekking heeft op bewezen feiten waarbij een gerechtelijke uitspraak heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is het lastig om de uitkomsten op waarde te schatten vanwege het beperkte aantal dossiers en zijn er aanwijzingen dat de dossiers een onvolledig beeld schetsen. De strafdossiers geven vooral inzicht in het geweld dat zich afspeelt in de openbare ruimte waarbij de daders veelal onbekenden zijn. Het geweld dat zich afspeelt in de privésfeer en gericht is tegen andere groepen dan mannen met een homoseksuele gerichtheid, blijft grotendeels onbelicht. De uitkomsten van dit onderzoek wekken de indruk dat voor een deel van de bevolking het normaal is geworden om te schelden met LHBTQ-gerelateerde termen of om zich op andere manieren te verzetten tegen LHBTQ-uitingen, bijvoorbeeld via vernieling of fysiek geweld. Bij drie van de vier geformuleerde daderprofielen lijkt dit het geval. De groep daders die geweld pleegt omdat zij een afkeer hebben van LHBTQ-uitingen, is het grootst van de onderscheiden groepen. Dit is extra zorgelijk omdat zij tolerantie ten opzichte van LHBTQ-personen afwijzen en vinden dat daar geen plaats voor is in de maatschappij.
Waar geweld vanuit groepsgedrag of afkeer van LHBTQ-personen, gezien kan worden als criminaliteit die helaas altijd zal bestaan binnen een samenleving, wijzen de profielen waarbij wordt gescholden uit reflex of grappen worden gemaakt ten koste van LHBTQ-personen op een veel breder maatschappelijk probleem. Het lijkt erop dat een grote groep, met name heteroseksuele mannen, het grappig of normaal vindt om met dit soort termen te schelden. Een deel van hen heeft zelf vaak het idee dat hun uitingen onschuldige kleedkamerpraat betreft. Ook komt veel geweld tegen LHBTQpersonen voort uit een gebrek aan respect en uit onbegrip voor mensen die afwijken van de heteroen gendernormen in de samenleving. Hier is sprake van tekortschietende sensitiviteit waardoor vaak onnodig, en mogelijk ook onbedoeld, LHBTQ-personen kwetsend worden bejegend.
14
Samenvatting Welke maatregelen zouden mogelijk effectief kunnen zijn in het voorkomen en bestrijden van geweld tegen LHBTQ-personen? De uitkomsten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om toekomstig beleid te vormen. Voor het prioriteren van beleid nemen we vier knelpunten rondom LHBTQ-gerelateerd geweld waarop het beleid ingezet kan worden. 1. Een deel van het LHBTQ-gerelateerd geweld komt voort uit intolerantie en afkeer van LHBTQpersonen en/of -uitingen Het daderprofiel 'afkeer van LHBTQ' is de grootste van de onderscheiden daderprofielen. Deze daders lijken LHBTQ-uitingen niet te tolereren in de openbare ruimte en plegen vaak bewust geweld tegen LHBTQ-personen. Om die reden dient er beleid te gemaakt te worden waarmee een sterk signaal wordt afgegeven tegen daders van LHBTQ-gerelateerd geweld. Om dit te verwezenlijken dient er in zijn algemeenheid genoeg capaciteit en middelen bij betrokken instanties beschikbaar te zijn. 2. Een deel van het geweld duidt op een normalisatie in de samenleving om te schelden met LHBTQgerelateerde termen De profielen 'groepsagressie', 'schelden uit reflex' en 'grappen ten koste van' duiden op een bepaalde mate van normalisatie in de samenleving rondom het schelden met LHBTQ-gerelateerde termen. Om dit tegen te gaan zal vooral ingezet moeten worden op brede maatschappelijke voorlichting en educatie op verschillende niveaus. 3.
LHBTQ-personen doen weinig aangifte van geweldsincidenten Uit zowel de literatuur als de gesprekken met belangenverenigingen en slachtoffers komt naar voren dat vanwege verschillende redenen weinig aangifte wordt gedaan van geweldsincidenten. Dit heeft deels te maken met het beperkte vertrouwen in het handelen van de politie, een gebrek aan kennis over de mogelijkheden onder de doelgroepen en wetgeving die niet inclusief is voor alle groepen. In de toekomst dient daarom ingezet te worden op voorlichting en sensitiviteitstrainingen voor handhavende instanties, voorlichting over rechten en mogelijkheden over aangifte onder LHBTIQpersonen. Tot slot dient ervoor gezorgd te worden dat wet- en regelgeving inclusief ingericht is zodat alle groepen zich gehoord voelen.
4. Er is nog veel onduidelijk over geweld tegen specifiek groepen zoals intersekse en aseksuele personen Uit de literatuur en gesprekken met belangenverenigingen voor intersekse en aseksuele personen, komt het beeld naar voren dat groepen met verschillende vormen van geweld te maken krijgen. Zij benoemen vaak gelijk te worden gesteld met LHBT-groepen maar dat dit vaak niet terecht is. Om die reden is toekomstig onderzoek nodig. Bijvoorbeeld naar de registratie van geweld om meer inzicht te krijgen in andersoortige daders, slachtoffergroepen en de prevalentie.
15
Inhoudsopgave Voorwoord............................................................................................................................................................3 Samenvatting....................................................................................................................................................... 5 1.
Inleiding...................................................................................................................................................19 1.1
De centrale onderzoeksvraag.........................................................................................................20
1.2
LHBTQ als gehanteerde afkorting.................................................................................................. 21
1.3
Opbouw van het rapport.................................................................................................................22
2.
Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld?................................................................... 23 2.1
Vormen van geweld tegen LHBTQ-personen............................................................................... 23
2.2
Prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland................................................ 25
2.3
Plegers van LHBTQ-gerelateerd geweld....................................................................................... 27
2.4
Aangiftebereidheid.......................................................................................................................... 29
2.5
Bevindingen aan de hand van onderzoeksvragen ...................................................................... 30
3.
Onderzoeksmethoden en -verantwoording .....................................................................................33 3.1
Literatuuronderzoek ........................................................................................................................ 33
3.2
Enquête onder LHBTQ-personen................................................................................................... 34
3.3
Heranalyse van politieregistraties................................................................................................. 34
3.4
Analyse van strafdossiers................................................................................................................ 36
3.5
Interviews met slachtoffers en belangenverenigingen..............................................................38
3.6
Beperkingen van dit onderzoek..................................................................................................... 39
4.
LHBTQ-discriminatie in politieregistraties........................................................................................ 41 4.1
Meldingen van discriminatie vanwege geslacht of seksuele gerichtheid................................41
4.2
Verdachten in de politieregistraties 2017-2021..........................................................................43
4.3
Registraties naar regio 2017-2021.................................................................................................44
4.4
Bevindingen aan de hand van de onderzoeksvragen.................................................................46
5.
17
Over de slachtoffers en context van de geweldsincidenten.......................................................... 49 5.1
Slachtoffers........................................................................................................................................49
5.2
Soort geweld en locatie...................................................................................................................50
5.3
Bevindingen aan de hand van de onderzoekvragen................................................................... 52
Richten op de regenboog 6.
Over de daders...................................................................................................................................... 55 6.1
Persoonskenmerken........................................................................................................................ 55
6.2
Incidentkenmerken.......................................................................................................................... 57
6.3
Sociale context van de daders........................................................................................................59
6.4
Bevindingen aan de hand van deonderzoeksvragen.................................................................. 62
7.
Daderprofielen...................................................................................................................................... 69 7.1
Afkeer van LHBTQ.............................................................................................................................70
7.2
Schelden als 'reflex'......................................................................................................................... 73
7.3
Groepsagressie.................................................................................................................................. 75
7.4
Grappen 'ten koste van'...................................................................................................................76
7.5
Conclusie............................................................................................................................................ 78
8.
Reflectie van LBTIQ-belangenverenigingen en slachtoffers.......................................................... 83 8.1
Inleiding.............................................................................................................................................. 83
8.2
Herkenbaarheid daderprofielen .................................................................................................... 84
8.3
Aangiftebereid, -afhandeling en -registratie............................................................................... 87
8.4
Bevindingen aan de hand van onderzoeksvragen...................................................................... 91
9.
Conclusie................................................................................................................................................ 93 9.1
Reflectie op de uitkomsten............................................................................................................. 93
9.2
Beleidsimplicaties.............................................................................................................................99
Literatuur ......................................................................................................................................................... 103 Bijlage 1: Uitkomsten enquête onder LHBTQ-personen............................................................................ 109 Bijlage 2: Selectie van strafdossiers .............................................................................................................. 111 Bijlage 3: Analyse template strafdossiers.................................................................................................... 113 Bijlage 4: Uitleg wetsartikelen....................................................................................................................... 115 Bijlage 5: Aanvullingen hoofdstuk 5.............................................................................................................. 117 Bijlage 6: Aanvullingen hoofdstuk 6.............................................................................................................. 119 Bijlage 7: Aanvullingen hoofdstuk 7.............................................................................................................. 121
18
1.
Inleiding In september 2023 verscheen een artikel in de Groene Amsterdammer over sterk toenemende online vijandigheden tegen LHBTQ-personen, met name tegen transpersonen. Het artikel schetst hoe online intolerantie en haat hand in hand gaan met steeds luider klinkende anti-LHBTQ geluiden op straat en in het uitgaansleven. Dit is ook terug te zien in politiecijfers. De politie registreerde in 2018 1.505 discriminatie-incidenten op grond van seksuele gerichtheid (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties et al., 2022). In 2021 waren dit 2.114 incidenten, een toename van ruim 40 procent. Seksuele gerichtheid is, na herkomst, de discriminatiegrond waarop de meeste incidenten betrekking hebben (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2022). In het rapport dat voor u ligt zal onder meer naar voren komen dat een deel van de personen die tot slachtoffergroepen behoren, zich zorgen maken over het klimaat van intolerantie en over de (on)vrijheid waarin zij kunnen leven. Dit beeld wordt bevestigd door onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat lesbische, homoseksuele en biseksuele personen zich vaker onveilig voelen. Bovendien zijn zij vaker slachtoffer van geweld dan heteroseksuele personen (Huijnk et al., 2022).
Maar wat betreft de daders van dit geweld? Wie zijn deze personen? Waarom richten zij hun pijlen op de Regenboog en gedragen zij zich gewelddadig? Hier is nog weinig over bekend. Deze kennis is echter van groot belang, omdat inzichten in wat daders drijft om geweld te plegen, ook sleutels bevatten om dit geweld terug te dringen. In dit onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, hebben wij ons beziggehouden met de vraag wie de daders van geweld tegen LHBTQ-personen zijn. Wat zijn hun motieven? Wat zijn achtergrondkenmerken van daders? En binnen welke context vinden geweldsincidenten plaats? Centraal stond een analyse van strafdossiers uit de periode 2017-2021 waarbij seksuele gerichtheid, genderexpressie of genderidentiteit een rol speelde. Het gaat hier om zaken waarbij plegers door de rechter schuldig zijn bevonden. Op basis hiervan, ondersteund door materiaal uit een literatuur- en een vragenlijstonderzoek, zijn vier daderprofielen opgesteld.
Omdat veel strafdossiers betrekking hadden op slachtoffers met een homoseksuele gerichtheid, zijn aanvullende data verzameld via interviews met belangenverenigingen zoals de Nederlandse organisatie voor seksediversiteit (NNID), Transnetwerk Nederland, de Nederlandse Organisatie Aseksualiteit, regionale COC-afdelingen, BĪ+ en via gesprekken met LBTQ-personen die geweld hebben ervaren (N.B.: dus geen homoseksuele mannen).
19
Richten op de regenboog
Seksuele gerichtheid, genderidentiteit en genderexpressie In dit rapport komen enkele termen naar voren die voor de lezer wellicht nadere toelichting behoeven: Seksuele gerichtheid heeft betrekking op het vermogen van personen om zich seksueel en affectief aangetrokken te voelen en om intieme en seksuele relaties aan te gaan met individuen van hetzelfde geslacht of meer dan één geslacht (European Union Agency for Fundamental Rights, 2009). Seksuele gerichtheid is sinds 22 februari 2023 in artikel 1 van de Grondwet opgenomen als non-discriminatiegrond. Genderidentiteit verwijst naar de interne en individuele ervaring van elke persoon zijn geslacht, dat al dan niet overeenkomt met het bij de geboorte toegewezen geslacht, inclusief het persoonlijk gevoel over het lichaam en andere uitingen van geslacht, inclusief kleding, spraak en manieren (European Union Agency for Fundamental Rights, 2009). Genderidentiteit is niet hetzelfde als seksuele gerichtheid. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat homoseksuele mannen een geweldsincident ervaren vanwege hun seksuele gerichtheid, terwijl een transpersoon zichzelf als heteroseksueel kan beschouwen maar geweld ervaart vanwege de genderidentiteit.
Genderexpressie kan worden beschouwd als de manier waarop personen zich uitdrukken binnen de verschillende mogelijkheden die het genderspectrum biedt - zoals mannelijkheid, vrouwelijkheid, androgynie, etc. Genderexpressie verwijst naar het zichtbare aspecten (zoals uiterlijk, kleding, spraak en gedrag) van iemands genderidentiteit (European Union Agency for Fundamental Rights, 2009).
1.1
De centrale onderzoeksvraag Dit onderzoek heeft als doel om een beeld te krijgen van a) de daders van geweld tegen LHBTQpersonen en b) de context waarbinnen deze incidenten plaatsvinden. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke kenmerken en motieven hebben daders van geweld gericht tegen LHBTQ-personen en wat is de aard en omvang van dit geweld? Om deze vraag te beantwoorden hebben wij ons gericht op de volgende deelvragen: Over de aard, prevalentie en slachtoffers van geweld tegen LHBTQ-personen: 1) Wat is er bekend over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland? 2) Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? 3) Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld? 4)
In hoeverre doen LHBTQ-personen aangifte van verschillende geweldsincidenten en welke factoren zijn hierop van invloed?
5) Welke regionale verschillen bestaan er met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen?
20
Inleiding
Over de daders: 6) Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? 7) Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven?
Voor verdere beleidsontwikkeling ter bevordering van de veiligheid van LHBTQ-personen: 8) Welke maatregelen zouden mogelijk effectief kunnen zijn in het voorkomen en bestrijden van geweld tegen LHBTQ-personen?
1.2
LHBTQ als gehanteerde afkorting Er kunnen verschillende afkortingen gebruikt worden om de grotere gemeenschap te benoemen waartoe bijvoorbeeld lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele, intersekse en transpersonen behoren, zoals LHBTI, LHBTI+ of LHBTIQ. De Europese Commissie hanteert de afkorting LHBTIQ, gebaseerd op een onderscheid naar de volgende vier groepen (Europese Commissie, 2020). 1. 2. 3. 4.
Personen die zich aangetrokken voelen tot personen van hetzelfde geslacht (lesbiennes, homoseksuelen) of beide geslachten (biseksuelen); Personen waarvan de genderidentiteit en/of genderexpressie niet overeenkomt met het geslacht dat hen bij de geboorte is toegewezen (transpersonen); Personen die geboren zijn met geslachtskenmerken die niet passen bij de typische definitie van mannelijk of vrouwelijk (interseksuelen); Personen waarvan de identiteit niet past in een binaire classificatie van seksualiteit of geslacht (queers). Queers verzetten zich tegen het man-vrouw onderscheid en elke identiteitsvorm in het algemeen.
De afkorting die de Europese Commissie hanteert is voor ons leidend, echter wel in combinatie met bevindingen uit de analyse van de strafdossiers. Uit deze analyse bleek namelijk dat geen van de strafdossiers betrekking had op intersekse personen. Om deze reden is besloten om de 'i' niet op te nemen in de door ons gehanteerde afkorting. Wij zullen in dit rapport dus de afkorting 'LHBTQ' gebruiken wanneer wordt verwezen naar de gemeenschap als geheel. Wij geven een toelichting wanneer van deze term wordt afgeweken, bijvoorbeeld bij verwijzing naar bestaand onderzoek naar specifieke groepen. Zo is de LHBT-monitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Huijnk et al., 2022) gericht op lesbische, homoseksuele, biseksuele en transpersonen. Hoewel de groepen intersekse en aseksuele personen niet in de afkorting zijn opgenomen, hebben we wel getracht om recht te doen aan hun ervaringen met geweld via gesprekken met het NNID, de Nederlandse organisatie voor seksediversiteit die zich in het bijzonder inzet voor intersekse en de Nederlandse Organisatie Aseksualiteit (NOA)1. Hiervan wordt verslag gedaan in hoofdstuk 8. Tot slot wijzen wij de lezer erop dat, hoewel in dit rapport wordt gesproken over 'de LHBTQgemeenschap', wij ons realiseren dat er binnen deze gemeenschap veel diversiteit is, ook met betrekking tot geweld. Zo is de aanleiding voor geweld niet bij alle groepen hetzelfde.
Bij de ene groep speelt bijvoorbeeld de seksuele gerichtheid een rol, maar bij andere groepen wordt geweld ervaren
1 Aseksualiteit wordt op de NOA-website omschreven als: 'het ervaren van geen of weinig seksuele aantrekking naar andere personen'.
21
Richten op de regenboog vanwege de genderidentiteit, genderexpressie of geslachtkenmerken. Daarbij is er een groot verschil in de mate van zichtbaarheid van gedrag en uitingen en in hoeverre dit zichtbaar is als afwijkend van de (hetero)norm.
1.3 Opbouw van het rapport In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op wat er vanuit de literatuur al bekend is met betrekking tot (daders van) geweld tegen LHBTQ-personen. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksopzet van de studie beschreven. Daarin worden de gehanteerde onderzoeksmethodes en gemaakte keuzes met betrekking tot het onderzoek toegelicht. In hoofdstuk 4 worden gegevens uit de politieregistraties besproken. In hoofdstuk 5 gaan wij in op de slachtoffers en de context waarbinnen de onderzochte geweldsincidenten plaatsvinden, afgeleid uit een analyse van strafdossiers. Hoofdstuk 6 is gewijd aan (achtergrond)kenmerken van daders van geweld tegen LHBTQ-personen, eveneens gebaseerd op strafdossiers, aangevuld met cijfers uit politieregistraties en data uit de enquête. In hoofdstuk 7 schetsen wij de daderprofielen, gebaseerd op de bevindingen uit de twee daaraan voorafgaande hoofdstukken. Hoofdstuk 8 betreft de reflectie op de daderprofielen en een beschouwing op aangiftebereidheid vanuit het perspectief van LBTIQ-belangenverenigingen en -slachtoffers. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en daaruit afgeleide beleidsimplicaties (hoofdstuk 9).
22
2.
Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld? In dit hoofdstuk besteden wij aandacht aan de onderzoeksliteratuur met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen. Eerst kijken we in welke verschijningsvormen geweld voorkomt. Vervolgens gaan wij in op de prevalentie van geweld (de mate waarin geweld voorkomt) en wat we tot nu toe weten van daders. Tot slot besteden we aandacht aan de aangiftebereidheid omdat dit van grote invloed is op het in het vizier krijgen van daders. We sluiten dit hoofdstuk af met enkele bevindingen.
2.1 Vormen van geweld tegen LHBTQ-personen Geweld tegen LHBTQ-personen wordt in diverse onderzoeken vanuit verschillende invalshoeken belicht. Zo kan een bepaalde groep centraal staan, bijvoorbeeld transslachtoffers (Motmans et al., 2015) en/of is de aandacht gericht op een categorisering van geweld (D'haese et al., 2014). Ook de breedte van de definitie kan variëren. Zo hanteren Chakraborti et al. (2014) de term 'hate crime', die zij omschrijven als 'acts of violence, hostility and intimidation directed towards people because of their identity or perceived 'difference". Daden van geweld ('acts of violence) worden in deze omschrijving losgekoppeld van intimidatie, terwijl in andere onderzoeken intimidatie weer wel tot daden van geweld worden gerekend (Huijnk et al., 2022). Verder kan de focus gericht zijn op de zwaarte van het geweld. Motmans et al. (2015) stellen dat de tijdsduur, frequentie en het soort geweld gezamenlijk bepalen of een incident als 'licht' dan wel 'zwaar' wordt bevonden. Omdat de subjectieve belevenis van een incident afhankelijk is van persoonlijke kenmerken en context, kunnen volgens de auteurs moeilijk uitspraken worden gedaan over of het ene incident 'zwaarder' is dan een ander incident. Binnen dit onderzoek sluiten we aan bij de definitie van LHBTQ-geweld van Motmans et al. (2015).
Zij definiëren LHBTQ-geweld als: geweld dat gemotiveerd wordt door de vooroordelen of afkeer van de dader ten aanzien van LHBTQ-personen of door de (veronderstelde) LHBTQ-identiteit van een persoon. In deze omschrijving staat het perspectief van de dader centraal en kan ook een heteroseksueel persoon gezien worden als slachtoffer van LHBTQ-gerelateerd geweld, bijvoorbeeld wanneer een dader een heteroseksuele man aanziet voor homoseksuele man. Zoals gezegd komt geweld tegen LBHTQ-personen voor in diverse verschijningsvormen. D'haese et al. (2014) en Motmans et al. (2015) onderscheiden vier categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen: verbaal, fysiek, seksueel en materieel geweld. Deze indeling komt grotendeels met andere onderzoeken. In tabel 2.1, waarin ook wordt verwezen naar andere literatuurbronnen, worden deze categorieën beschreven en geïllustreerd met een aantal voorbeelden.
23
Richten op de regenboog Tabel 2.1: Vormen van geweld tegen LHBTQ-personen (D'haese et al., 2014; Motmans et al, 2015) en bijbehorende voorbeelden