CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003742] Bijlage 1 behorende bij 24bb003750 over ontwerpbestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan40.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Door middel van individuele afspraken is de slagschaduwduur op bedrijven zonder meer acceptabel en is er ook geen aanleiding om een algemeen aanvaardbare norm vast te leggen. De afspraken worden in overeenkomsten vastgelegd.

49

5.3.3

Conclusie

Bij meerdere toetspunten op woningen treedt meer dan 6 uur per jaar aan slagschaduw op. Daarmee is overschrijding mogelijk van de norm uit de Activiteitenregeling (niet meer dan gemiddeld 17 dagen per jaar met meer dan 20 minuten slagschaduw). Door een automatische stilstandvoorziening in te regelen kan normoverschrijding worden voorkomen. De stilstandsregeling leidt enigszins tot een productieverlies van de windturbines maar dit leidt niet tot een onuitvoerbaar plan. Vanuit cumulatie van slagschaduw zijn geen extra maatregelen noodzakelijk. Slagschaduw op bedrijven is in beeld gebracht. Er is geen aanleiding om hier dezelfde norm te stellen als bij woningen. Er zijn afspraken gemaakt met individuele bedrijven over de mate van acceptabelheid van slagschaduwduur en eventuele te nemen maatregelen daarmee is de slagschaduw bij bedrijven aanvaardbaar. Er is geen aanleiding een specifieke norm te stellen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.4

Veiligheid

5.4.1

Toetsingskader

Voor de ruimtelijke inpassing van een windturbine speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het effect van de windturbines op de omgeving is beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Deze toetsingscriteria hebben zowel betrekking op externe veiligheid als op leveringszekerheid. Daarnaast bestaat ook nog de interne veiligheid van windturbines (zie ook Kader 5.1). De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. Interne veiligheid is verder niet ruimtelijk relevant en derhalve niet meegenomen in deze toelichting. Kader 5.11nterne veiligheid De interne en constructieve veiligheid van de windturbine is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving, deze veiligheidseisen zijn opgenomen in de internationale normen: *

NEN-EN-IEC 01400-1;

*

NEN-EN-IEC 01400-2;

*

NEN-EN-IEC 01400-3,

Deze normen bevatten criteria voor veiligheid, geluidemissie en rendement. De keuring volgens deze normen is gericht op een veilige en betrouwbare werking van een windturbine en wordt verricht door een erkend keuringsinstituut. Het windturbineontwerp wordt gecontroleerd op sterkte van de constructie, elektrische veiligheid, bliksemafleiding en beveiliging tegen te harde wind. De windturbine wordt ook getest. Zo worden er bijvoorbeeld onder verschillende omstandigheden remproeven uitgevoerd. Ook wordt de brandveiligheid van de constructie in de normen behandeld. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn. Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden in het geval van ijsafzetting en de rotoren in dusdanige positie worden geplaatst dat bij ijsafglijding de kans op het raken van personen (passanten) zeer klein is.

50

Voor externe veiligheid is per 1 januari 2011 het Besluit wijziging milieuregels windturbines21 in werking getreden. Daarin wordt onder meer geregeld dat met betrekking tot veiligheidsafstanden in grote lijnen wordt aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)22 en dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-06-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-05-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico. Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-05 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000 en PR 10-06 een kans van 1 op 1.000.000. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar het De 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1,20 mei 2020) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014).

Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).23 Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. Tabel 5.8 Beoordelingskader veiligheid Beoordelingacrtteri urn

Bebouwing Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Effectbeoordeling Kwetsbare en becerki kivetsba'e ocjecten binnen de maximale ligging van de plaatsgebonden risicocortour

Verkeer -

Rijksweger binnen

[Waterjwegen

toetsafstanden

Verkeer - Spoor,veger

Spoorwegen dinner toetsafstanden

Industrieën risico volle inrichtingen

Onder- er dover gnondse transpodleid rgen

Hcogscanningslijner

Rsico-in richtingen en instal aties dinner toetsafstanden en lOÍ-b toets vcor significantie van effect

Toetewaarde van risico

rrax PR 1C-İ

Activiteitenbes uit

rrax IPR= 1 rrax MR r:2x1 O5 en

Bij o aatsing op of dover gronden

invloed cp gevaarlijke stoffen

van Rijkswaterstaat

rrax IPR= rrax MRzz2x1O5 en invloed cp gevaarlijke stoffen

11 meier vanaf het had van het spoor

1014venvaarloosbaar

bijbehorend risico voor cmgevrg

trefkans var busleiding

D jk ichamen en

Toetsing aan elect

Trefkans van

o" vvaterkerrg

waterkeringen

Rijkswaterstaat

Beleidsregels deheerder{ProRai)

Adviesafstard uit de hand eiding en handreiking risicozorering windturbines 2C2Ū; Adviesafstard uit de hand eiding en handreiking risicozorering windturbines 2C2Ū;

Trefkans van hcogspann rgsnetwerk

waterkeringen

Beleidsregels van

n.v.t

toets en kwalitatieve effectbeoordeling

R sicotoevoeging voor omgeving en

os hccgssanning

Afkomstig uit

rrax PR IC^en

Toetsing aan elect oc cjsle ding er

Toetsing aan elect

Vergunnīngsafstand

Bij o aatsing op of dover gronden van Rijkswaterstaat of Waterschap

Waterschap1' Rijkswaterstaat

51

In het Handboek wordt ook verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002)24 voor de beoordeling van effecten op (vaar)wegen. Deze beleidsregel geldt enkel voor rijks(vaar)wegen, voor provinciale en lokale wegen gelden geen (beleids)regels. In juli 2020 is 'Richtlijnen Vaarwegen 2020' uitgekomen voor de beoordeling voor vaarwegen. De richtlijn is van toepassing op provinciale en lokale vaarwegen, eerder was er enkel een toetsafstand voor Rijksvaarwegen. Nu is dezelfde toetsafstand van toepassing voor alle vaarwegen (dus ook recreatievaart et cetera).25 In de beleidsregel "Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen: beoordeling van veiligheidsrisico's"26 staan de richtlijnen gegeven ten aanzien van de beoordeling van het individueel passentenrisico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) om het effect op overige wegen te beoordelen. In Tabel 5.8 staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat. 5.4.2

Onderzoek

Om alle relevante objecten en infrastructuren in de omgeving in kaart te brengen, wordt gebruik gemaakt van de identificatieafstand. Deze identificatieafstand is de maximale effectzone van een windturbine. Objecten buiten deze afstand kunnen geen veiligheidsrisico ondervinden van de windturbine. Conform het handboek is de maximale effectzone van een windturbine gelijk aan de werpafstand bij 2x nominaal toerental. Deze afstand is voor de voorbeeldwindturbine 520 meter (zie Figuur 5.4). De volgende relevante objecten en infrastructuren zijn geïdentificeerd binnen de identificatieafstand: » bedrijfsgebouwen en panden; » lokale wegen; » waterweg; » spoorweg; » risicovolle inrichting; » buisleiding; » hoogspanningsinfrastructuur; » waterkeringen. De effectafstanden van de windturbines zijn hieronder weergegeven in Figuur 5.4. In deze paragraaf wordt de ligging van voorgenoemde objecten en infrastructuren ten opzichte van de windturbines en effectafstanden nader besproken. Figuur 5.4 Overzichtskaart windturbines en effectafstanden

52

Bebouwing Voor beperkt kwetsbare objecten wordt een grenswaarde van het Plaatsgebonden Risico (PR)27 gehanteerd van maximaal 10-05 per jaar ^ gelijk aan notatie 1,0*10-05 óf 1,0E-05). Het maximale PR voor kwetsbare objecten is 10-06 per jaar ^ gelijk aan notatie 1,0*10-06 óf 1,0E-06). Op basis van generieke gegevens uit het handboek kan de (generieke) afstand van een halve rotordiameter tot beperkt kwetsbare objecten worden gehanteerd en een afstand van de tiphoogte tot aan kwetsbare objecten. Deze generieke maximale afstanden zijn weergegeven in Tabel 5.9. Tabel 5.9 Generieke PR 10 05 en 10-06 contouren op basis van een maximaal gedimensioneerde windturbine binnen de bandbreedte

Indien aan deze afstanden wordt voldaan zal er zeker geen hoger PR optreden dan respectievelijk 10­ 05 en 10-06. De definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, scholen en kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak groter dan 1.500 m2. Beperkt kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld restaurants, hotels, winkels en kleinere kantoorgebouwen. Voor de bepaling van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten staat de kans op langdurige aanwezigheid van een grote hoeveelheid personen centraal. Huidige bebouwing De maximale generieke PR10-05 en PR10-06 contour en de gebouwen die binnen de respectievelijke contouren liggen rondom beide windturbines zijn gegeven in respectievelijk Figuur 5.5 en Figuur 5.6. Een aantal gebouwen in de omgeving van de windturbines zijn niet toegestaan binnen de generieke PR-contouren. Voor deze situaties zijn de specifieke worst-case PR-contouren berekend. De generieke PR-contouren zijn gebruikt als eerste indicatie, terwijl de specifieke PR-contouren een realistischer beeld geven van de daadwerkelijke PR-contouren die met deze windturbines gerealiseerd gaan worden. De worst-case specifieke PR-contouren zijn bepaald op basis van beschikbare windturbines binnen de bandbreedte.

De worst-case specifieke PR10-05 bedraagt 75 meter en de worst-case specifieke PR10-06 contour bedraagt 204 meter. De volgende gebouwen (met letter aangegeven in Figuur 5.5 en Figuur 5.6) bevinden zich binnen de maximale PR10-05 contour: »

Kras Recycling (gebouw G): het betreft een gebouw met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2 volgens het geldende bestemmingsplan en heeft op basis Google Streetview geen kantoordelen waar mensen langdurig aanwezig kunnen zijn. Het betreft hiermee een beperkt kwetsbaar object welke niet binnen de PR10-05 contour is toegestaan. De afstand vanaf WT02 tot de rand van het pand bedraagt 72 meter. De generieke PR10-05 contour ligt op 95 meter, de specifieke PR10-05 contour ligt op 75 meter. Dit betekent dat het pand ook binnen de specifieke worst-case PR10-05 contour ligt. Om te voorkomen dat het pand binnen de daadwerkelijke PR10-05 zal liggen, moet de specifieke PR10-05 contour of de rotordiameter van de windturbine worden beperkt tot maximaal 72 meter. » Gebouwen U, V en W (gelegen op het terrein van Hoogheemraadschap van Delfland): deze gebouwen betreffen een terreinwatergemaal, laagspanningsruimte en beluchtingscompressorenruimte. Het zijn gebouwen voor de behuizing van installaties. Dagelijks is hier 1 persoon kortstondig aanwezig. De gebouwen zijn daarmee geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en zijn derhalve toegestaan binnen de PR10-05 contour. Indien de bovengenoemde gebouwen onderdeel worden van de inrichting waar ook de windturbine aanwezig is, kan dit een reden zijn de betrokken gebouw niet te beschermen onder het aspect externe veiligheid.

53

Figuur 5.5 Gebouwen ten opzichte van de PR contouren, windturbine 2 (WT02) gedetailleerd

Figuur 5.6 Gebouwen ten opzichte van de PR contouren, windturbine 1 (WT01) gedetailleerd

De volgende gebouwen (tevens met letter of kleur aangegeven in Figuur 5.5 en Figuur 5.6) bevinden zich binnen de maximale PR10-06 contour: » kassen: ten noorden en noordoosten van windturbine 2 liggen enkele kassen. Kassen zijn beperkt kwetsbare objecten en zijn daarmee toegestaan in de PR10-06 contour; » DS Smith Fresh Produce Packaging (A): het pand ligt net binnen de maximale PR10-06 contour van windturbine 2. Het betreft een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2. Er zijn geen kantoren in het deel van het pand dat binnen de PR10-06 contour ligt. Het object kan worden beschouwd als beperkt kwetsbaar en mag daarmee binnen PR10-06 contour liggen;

54

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

Synres Almoco B.V. (B, C): betreft een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2 en 5.2, maar bevat wel een kantoordeel. Het bruto vloeroppervlak van het kantoor bedraagt circa 1.000 m2. Het betreft een beperkt kwetsbaar object welke is toegestaan binnen de PR10-06 contour. Aangrenzend aan gebouw C ligt het kleine pand B. Er wordt hier geen langdurig verblijf van personen verwacht en derhalve is dit geen kwetsbaar object; bandenservice Klaas van der Eijk (D): het betreft een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2 en heeft een klein kantoordeel. Een zeer klein deel van het kantoordeel valt binnen de PR10-06 contour. Het bruto vloeroppervlak van het kantoordeel (geschat op maximaal 500 m2) is zeker niet meer dan 1.500 m2. Daarmee is dit pand toegestaan binnen de PR10-06 contour; gebouw E (A.G. van den Berg, Zuidergors 50): het betreft een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2 bestaande uit een loods en klein deel kantoorfunctie. De bebouwing beslaat in totaal een oppervlakte van 500 m2. Het pand is een beperkt kwetsbaar object en daarmee toegestaan binnen de PR10-06 contour; Kras Recycling (F, G): beide gebouwen betreffen een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2, waarbij gebouw F op in zijn geheel een kantoorpand lijkt waar personen langdurig kunnen verblijven.

Het bruto vloeroppervlak van het kantoordeel wordt geschat op 400 m2 en is daarmee zeker niet meer dan 1.500 m2. Het object kan worden beschouwd als beperkt kwetsbaar object. Beide panden zijn toegestaan binnen de PR10-06 contour; Bom Group (H): het betreft een pand met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2, maar wordt in zijn volledigheid als kantoorpand gebruikt. Het totale vloeroppervlak is circa 1.200 m2 wordt daarmee net gecategoriseerd als beperkt kwetsbaar object ^1.500 m2). Het object is toegestaan binnen PR10-06 contour. Als er eventuele uitbreidingsplannen zijn voor dit pand kan het zijn dat het vloeroppervlak toeneemt tot meer dan 1.500 m2 en vervolgens een kwetsbaar object wordt. Deze zou dan niet meer toegestaan zijn in de PR10-06 contour; Hecmar BV (I, J): beide gebouwen betreffen een pand met industriefunctie. Gebouw I bestaat uit een industrieloods en betreft ten hoogste een beperkt kwetsbaar object. Het gebouw is toegestaan binnen de PR10-06 contour. Voor gebouw J geldt de status bouwvergunning verleend, deze is nog niet gebouwd. Het is mogelijk dat deze ondanks de bedrijfsbestemming kan worden ingericht als kantoordeel.

Het bruto vloeroppervlak bedraagt circa 730 m2, waarmee dit ten hoogste een beperkt kwetsbaar object zal zijn en daarmee binnen de PR10-06 contour is toegestaan; gebouw K: in dit gehele pand zijn meerdere bedrijven gevestigd (bedrijfsverzamelgebouw) waarvan allen met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2 in het geldende bestemmingsplan. Er zijn een aantal kantoordelen zichtbaar waar personen langer kunnen verblijven op een plek. Er wordt geschat dat maximaal de helft van het bruto vloeroppervlak in gebruik is als kantoordeel en het volledige gebouw met ten minste 5 verschillende bedrijven wordt gedeeld. Het bruto vloeroppervlak van het gehele gebouw dat fungeert als kantoor is daarmee geschat op maximaal 2.000 m2, en het bruto vloeroppervlak per bedrijf in het pand op 400 m2. De individuele bedrijfspanden zijn daarmee een beperkt kwetsbaar object en daarmee toegestaan in de PR10-06 contour; gebouw L: net als bij gebouw K betreft dit een gebouw waarin meerdere bedrijven zijn gevestigd waarvan een aantal een kantoorfunctie heeft. De gehele eerste verdieping lijkt in gebruik te zijn als kantoor. Er wordt verondersteld dat de helft van het totale bruto vloeroppervlak behoort tot kantoordeel, uitkomend op maximaal 2.100 m2 dat kan fungeren als kantoor.

Ook hier wordt verwacht dat er minimaal 5 bedrijven zijn die het gebouw delen, uitkomend op een bruto vloeroppervlak van 420 m2 per bedrijf dat kan fungeren als kantoordeel. Het betreffen hiermee beperkt kwetsbare objecten welke zijn toegestaan in de PR10-06 contour; Van Heyningen Transport BV (M): het betreft een gebouw met industriefunctie volgens BAG (bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2) met een klein kantoordeel. Het vloeroppervlak van het kantoordeel is zeker minder dan 1.500 m2. Het betreft hiermee een beperkt kwetsbaar object welke is toegestaan in de PR10-06 contour; Boers Lasconstructies en Montage BV (N): het betreft een gebouw met een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 4.2. Het gebouw heeft een klein kantoordeel (circa 350 m2) welke buiten de PR10-06 contour ligt. Het gebouw is ten hoogste beperkt kwetsbaar en is daarmee binnen de PR10-06 contour toegestaan; gebouw O: het betreft een gebouw met onbekende gebruiksfunctie op het terrein van Synres B.V. De rand van het gebouw ligt net binnen de generieke PR10-06 contour. Als het een kwetsbaar object is, is deze niet toegestaan in de PR10-06 contour. Het gebouw ligt buiten de specifieke maximale PR10-06 contour. Daarmee wordt verondersteld dat het gebouw buiten de

55

daadwerkelijke PR10-06 contour zal vallen en de windturbines geen onaanvaardbaar risico vormen op het object; » gebouw P: betreft een klein gebouw met onbekende functie waar geen personen langdurig verblijven. Het gebouw kan worden gezien als een beperkt kwetsbaar object. Het object is daarmee toegestaan in de PR10-06 contour; » gebouwen op terrein van Hoogheemraadschap van Delfland (gebouwen Q t/m W): zoals eerder aangegeven betreffen de gebouwen U t/m W gebouwen met installaties waar kortstondig een enkele persoon aanwezig kan zijn. De gebouwen zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en daarmee toegestaan in de PR10-06 contour. Het gebouw Q omvat een werkplaats, slibontwatering, magazijn en motorruimte met dagelijks de aanwezigheid van 4 personen. Het betreft ten hoogste een beperkt kwetsbaar object. Gebouw R is een ontvangstruimte voor personen met gemiddeld maandelijks 20 personen en een aanwezigheidsduur van circa 3 uur per dag. Het heeft een bruto vloeroppervlak van circa 75 m2. Ten hoogste is dit een beperkt kwetsbaar object. Gebouw S is een opslagloods en gebouw T een effluentgemaal. In beide gebouwen is sporadisch een enkele persoon kortstondig aanwezig.

Met deze analyse kan worden geconcludeerd dat de gebouwen op het terrein van het Hoogheemraadschap van Delfland geen kwetsbare objecten zijn en daarmee zijn toegestaan in de PR10-06 contour; » Renewi (X): het betreft een grote werkloods. Er zijn geen kantoordelen aanwezig waar personen langdurig aanwezig kunnen zijn. Daarmee is het hoogstens een beperkt kwetsbaar object welke is toegestaan in de PR10-06 contour; » gebouwen aan Maeslantkeringweg (Y, Z, AA): van de beheerder van de Maeslantkering (Rijkswaterstaat) is informatie verkregen betreft de functies van deze gebouwen. Gebouw Y (Keet) is in gebruik als kantoor en heeft een bruto vloeroppervlak van circa 450 m2. Het betreft hiermee een beperkt kwetsbaar object dat is toegestaan in de PR10-06 contour. Gebouw Z is een transformatorhuis en gebouw AA een opslagloods. Het betreffen geen kwetsbare objecten en dus zijn deze objecten toegestaan in de PR10-06 contour. De beheerder heeft een aantal overige gebouwen op het terrein van de Maeslantkering aangekaart: het Bedieningsgebouw en het Keringhuis. Deze gebouwen liggen buiten de generieke PR contouren waarmee de windturbines geen onaanvaardbaar risico op deze gebouwen vormen. Toekomstige bebouwing De windturbines en effectafstanden van de windturbines beslaan de gebieden van een aantal geldende bestemmingsplannen (zie ook paragraaf 1.3 en Bijlage 2).

Op basis van de geldende bestemmingsplannen is geanalyseerd in hoeverre toekomstige geprojecteerde bebouwing (die er nu niet is maar wel is toegestaan op basis van een geldend bestemmingsplan) een belemmering kan betekenen voor de windturbines. Windturbine 2 Op het terrein van het Hoogheemraadschap van Delfland (HHD), waar windturbine 2 gepland is, is op basis van de geldende bestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf de bouw van voorzieningen ten behoeve van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toegestaan. Daarmee is het hier in beginsel op basis van het geldende bestemmingsplan mogelijk dat hier kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten kunnen worden gerealiseerd. De initiatiefnemers zijn voornemens met HHD een Recht van Opstal overeenkomst af te sluiten waarbij wordt overeengekomen dat HHD voor de exploitatie van de windturbine geen belemmerende activiteiten opstart. HHD mag onder deze overeenkomst dus geen (beperkt) kwetsbare objecten realiseren binnen de PR10-05 contour en geen kwetsbare objecten realiseren binnen de PR10-06 contour. Daarnaast worden in de planregels van dit bestemmingsplan kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten uitgesloten binnen de PR10-05 en PR10-06, tenzij de objecten deel uitmaken van de inrichting tot waar de windturbine behoord. De bedrijfsgronden ten westen en ten oosten van windturbine 2 hebben de bestemming 'Bedrijf - 2' met een bouwvlak.

Ten westen van de windturbine gaat een deel van de PR10-05 contour, wanneer uitgegaan wordt van het terugbrengen van deze PR contour naar 72 meter vanwege bestaande bebouwing bij Kras recycling, over de bestemde bouwvlakken. Daardoor kan er uitgaande van een PR10-05 contour van 72 meter nog steeds (delen van) beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de contour. Om toekomstige ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan kan in onderhavig bestemmingsplan juridisch worden geregeld dat er geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen deze PR10-05 contour kunnen vestigen. Om echter geen onnodige beperking voor bestaande bedrijven te veroorzaken is echter besloten de PR10-05 contour van de

56

windturbines verder te beperken tot 55 meter, waardoor deze in zeer beperkende mate nog over het bouwvlak gaat (circa 1-2 meter) en er toch nog voldoende keuzemogelijkheden voor een passende windturbine voor de initiatiefnemers overblijft. Een verdere beperking zodat de PR10-05 volledig buiten het bouwvlak blijft is niet wenselijk vanuit de businesscase van het windproject. Op de verbeelding wordt een specifieke PR10-05 contour vastgelegd van maximaal 55 meter waaraan de te realiseren winturbine moet voldoen. In de planregels is daarnaast als bouwregel opgenomen dat te bouwen windturbine geen grotere PR10-05 mag hebben dan 55 meter. Figuur 5.7 Illustratie overlap PR10-05 contour van 55 meter met het bouwvlak (in oranje de overlap)

Realisatie van beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten (specifiek kantoren met maximaal bruto vloeroppervlak van 3.000 m2) is toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijf - 2' in het geldende bestemmingsplan. De mogelijke toekomstige realisatie van dergelijke objecten in de PR10-05 contour kan een belemmering vormen. De toekomstige vestiging van kantoren met een oppervlak van meer dan 1.500 m2 is onwaarschijnlijk gezien de aard van het bedrijventerrein (middelzware tot zware bedrijvigheid, geen zelfstandige kantoren toegestaan en in huidige situatie ook geen kantoren van die omvang aanwezig) maar dient wel uitgesloten te worden. Daarvoor wordt een maximale specifieke PR10-06 contour van 204 meter opgenomen op de verbeelding. In de planregels worden kwetsbare objecten binnen de contour uitgesloten tenzij ze deel uitmaken van de inrichting waar ook de windturbine deel van uitmaakt. Om niet onnodig een beperkingen op te leggen voor bedrijven wordt in de planregels geregeld dat, wanneer er windturbines worden gerealiseerd met een kleinere PR10-06 contour dan vastgelegd op de verbeelding, er door middel van een binnenplanse afwijking alsnog een kwetsbaar object kan worden gerealiseerd (binnen de contour op de verbeelding van dit bestemmingsplan maar buiten de PR10-06 contour van de gerealiseerde windturbine).

Overige aanwezige bestemmingen laten de realisatie van kwetsbare en/of beperkte kwetsbare objecten niet toe. Windturbine 1 Op het terrein van Renewi, waar winturbine 1 is gepland, geldt de bestemming 'Bedrijf - 4'. Op gronden met die bestemming is de bouw van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan, mits deze worden gebouwd binnen het aangewezen bouwvlak én ten behoeve van de functie van de werkzaamheden van Renewi. De PR10-05 gaat niet over het bouwvlak waardoor realisatie van toekomstige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de PR10-05 contour kunnen worden uitgesloten. De PR10-06 contour gaat beperkt over het bouwvlak. Ook binnen het bouwvlak van de bestemming 'Bedrijf - 4' wordt een kantoor toegestaan met een oppervlakte van maximaal 3.000 m2, daarmee wordt in beginsel een kwetsbaar object toegestaan. Het is zeer onwaarschijnlijk dat op die locatie werkelijk een toekomstig kwetsbaar object komt, doordat de specifieke PR10-06 contour over

57

een uiterste punt van het bouwvlak gaat dat meer midden op het bedrijfsterrein van Renewi gelegen is en niet aan de openbare weg. Kantoren worden gangbaar meer aan de openbare weg gerealiseerd vanuit de bedrijfsvoering. Bovendien heeft Renewi al een kantoorpand staan ruim buiten de PR10-06 contour van 204 meter. Door het opnemen van een gelijke regeling als bij windturbine 2 worden ook hier ook toekomstige ongewenste kwetsbare objecten te voorkomen. Overige aanwezige bestemmingen laten de realisatie van kwetsbare en/of beperkte kwetsbare objecten niet toe. Groepsrisico Het Groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Er geldt voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht. In de motivering dienen de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst meegenomen te worden. Het groepsrisico is geen beoordelingskader voor windturbines, maar er kan wel op dit aspect ingegaan worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De gevolgen van een ongeval voor een groep zijn wezenlijk anders voor een ongeval met gevaarlijke stoffen dan met een ongeval met een windturbine. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen slachtoffers vallen verspreid over een groot gebied afhankelijk van de wijze waarop de gevaarlijke stof zich verspreidt in de omgeving.

Tevens zijn ook de elementen zelfredzaamheid en hulpverlening wezenlijk anders. Bij een ongeval met een windturbine zullen alleen slachtoffers vallen op de plekken waar eventueel afgebroken onderdelen van een windturbine terecht komen, hetgeen een beperkt gebied is. Om bij een ongeval met een windturbine een groep slachtoffers te krijgen moet er dus een grote personendichtheid zijn ter plaatse waar een onderdeel terecht kan komen. Indien er geen aanleiding is om een continue grote personendichtheid te verwachten binnen de contouren van een windturbine (PR10-0^PR10-06), dan valt een beoordeling van het groepsrisico van windturbines altijd positief uit. Voor objecten en gebouwen wordt al getoetst aan de PR-contouren. Er lijken in de nabije omgeving geen aanleidingen te zijn om een hoge personendichtheid te verwachten buiten de wegen en gebouwen. Er is daarom geen aanleiding aanwezig om toetsing aan het groepsrisico voor dit project uit te laten voeren. Indien het bevoegd gezag eist dat het groepsrisico toch berekend moet worden, zal afgestemd moeten worden op welke wijze het groepsrisico berekend dient te worden. Wegen Lokale wegen Windturbines kunnen een veiligheidsrisico vormen voor wegen indien deze binnen bepaalde effectafstanden liggen. De effectafstanden en de relevante wegen zijn weergegeven in Figuur 5.8. Er liggen geen rijkswegen binnen de maximale effectafstanden.

Voor lokale wegen (anders dan rijkswegen) zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. In het volledige externe veiligheidsrapport (Bijlage 2) worden de relevante lokale-, 'overige' wegen en straten benoemd. Waterwegen Ook voor waterwegen geldt dat er enkel algemene beleidsregels beschikbaar zijn voor rijkswaterwegen. Voor overige waterwegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. De Nieuwe Waterweg ligt binnen de maximale effectafstand van de windturbines. De kortste afstand tussen de dichtstbijzijnde windturbine tot de rand van de vaarweg bedraagt 430 meter. De windturbines staan hiermee ten minste 50 meter uit de rand van de vaarweg, waarmee wordt voldaan aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat. De windturbines vormen daarmee geen significant risico op vaartuigen over de Nieuwe Waterweg. Spoorwegen De spoorweg ten zuidoosten van de windturbines ligt bij windturbine 2 binnen de tiphoogteafstand van 250 meter en buiten de nominale bladworpafstand van 203,5 meter. Bij windturbine 1 ligt de spoorweg binnen de nominale bladworpafstand van 203,5 meter en buiten de halve rotordiameter afstand van 90 meter. Dit is afgebeeld in Figuur 5.9. De rotoroverdraai ligt in ieder geval niet binnen 11 meter van het hart van het buitenste spoor waardoor er geen vergunning benodigd is.

Daarnaast staan de windturbines ook buiten de minimaal 7,85 + halve rotordiameter (97,85 meter) afstand wat

58

het plaatsingsadvies van ProRail is. Er zal dus geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersdeelnemers optreden als gevolg van de windturbines. Figuur 5.8 De relevante wegen ten opzichte van de effectafstanden PONDERA « lîlviS

Legenda Rotan oom ld V^Htond nc-n*fiHl -

H

nr,

RpNIļ

ī.lrŵJl ÜNWŪ Ù

Ŭ, I Ů.J

Figuur 5.9 De toetsafstand en nabijgelegen spoorweg

Ter informatie is het maximaal aantal passerende treinen welke binnen de MR van 2*10-03 past

59

berekend:28 ruim 41.400 treinen per jaar (ruim 100 treinen per dag). Dit aantal treinen gaat op deze spoorweg niet worden bereikt. Tevens is het IPR bepaald van een meest kritieke passant op deze spoorweg (500 passages per jaar). Het IPR bedraagt 1,21*10-07, welke lager is dan de normstelling van een IPR van 10-06 die ProRail hanteert voor passanten over spoorwegen. Op basis van het MR en IPR wordt verondersteld dat de windturbines geen onaanvaardbaar risico vormen op de passanten over deze spoorweg. Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart29 ligt er een BRZO-bedrijf binnen de maximale effectafstand van windturbine 2, namelijk Synres B.V. aan de Slachthuisweg. Op basis van de PR10-06 contouren van het terrein en de luchtfoto (zie Figuur 5.10.) is de meest nabijgelegen risicovolle installatie van Synres B.V. bepaald. Deze is weergegeven in Tabel 5.10. Op de installatie is een trefkansanalyse verricht om de risico's in kaart te brengen. De hoogte van de installatie is geschat op 13 meter, bepaald op basis van Algemeen Hoogteprofiel Nederland (AHN). De trefkans per faalscenario en totale trefkans zijn gegeven in Tabel 5.10. De installatie kan alleen worden getroffen in het faalscenario bladworp bij overtoeren. De totale trefkans is 9,86*10-08 (1 keer in de ~10 miljoen jaar).

De trefkans is dusdanig laag dat wordt verwacht dat de windturbines niet substantieel bijdragen aan een hoger risico van de installatie (minder dan 1007o toegevoegd risico op de installatie). Figuur 5.10 Ligging installatie Synres B.V. ten opzichte van windturbine 2

Tabel 5.10 Trefkansen installatie Synres per faalscenario en totaal

Installatie Synres

Gondelfalen

Mastfalen

Bladworp nominaal

Bladworp overtoeren

T otaal

0

0

0

9,86^1 O'01

9.06*10^

Buisleidingen Binnen de identificatieafstand van windturbine 1 bevindt zich één buisleiding van de NAM. Het HRW geeft aan dat voor ondergrondse buisleidingen een adviesafstand geldt die gelijk is aan de tiphoogte van de windturbines óf indien deze groter is de werpafstand bij nominaal toerental van de windturbines. Op basis hiervan wordt 250 meter (tiphoogte) aangehouden als toetsafstand. De toetsafstand ten opzichte van de nabijgelegen buisleidingen is weergegeven in Figuur 5.11. Hieruit volgt dat er geen buisleidingen binnen de toetsafstand liggen. De eerste buisleiding ligt op 340 meter

60

afstand van de windturbines en kan alleen getroffen worden in het scenario bladworp bij overtoeren. Figuur 5.11 De toetsafstand en nabijgelegen buisleidingen

Hoogspanningsinfrastructuren Binnen de maximale effectafstand van windturbine 1 bevindt zich één hoogspanningsleiding en een hoogspanningsstation van TenneT. Deze zijn weergegeven in Figuur 5.12. Figuur 5.12 De effectafstanden en nabijgelegen hoogspanningsinfrastructuur

61

Het HRW geeft aan dat voor hoogspanningsinfrastructuur een adviesafstand geldt die gelijk is aan de tiphoogte van de windturbines óf, indien deze groter is, de werpafstand bij nominaal toerental van de windturbines. Op basis van Figuur 5.12 wordt 250 meter (tiphoogte) aangehouden als toetsafstand. Zowel de hoogspanningsleiding als het hoogspanningsstation liggen buiten de toetsafstand en kunnen alleen worden getroffen in het faalscenario bladworp bij overtoeren. Het toegevoegde risico wordt hiermee aanvaardbaar geacht. Ter informatie is de trefkans op het terrein van het hoogspanningsstation bepaald, de resultaten zijn gegeven in Tabel 5.11. De totale trefkans op het terrein van het hoogspanningsstation is 8,40*19-08 (1 keer in de ~12 miljoen jaar). Tabel 5.11 Totale trefkansen terrein hoogspanningsstation TenneTper faalscenario en totaal

Terrein TenneT

Gondelfalen

Mastîalen

Bladworp nominaal

Bladworp overtoeren

T otaal

0

0

0

8.40*10'o:

8.40*10'0'

Waterkeringen Langs de Nieuwe Waterweg ten zuidwesten van de windturbines loopt de primaire waterkering Delflandsedijk (beheerder: Hoogheemraadschap van Delfland). Ten zuidwesten van windturbine 1 ligt de Maeslantkering en Europoortkering I (beheerder: Rijkswaterstaat). De waterkeringen liggen binnen de maximale effectafstand van de windturbines daarom is een trefkansanalyse uitgevoerd. Primaire waterkering Delflandsedijk De primaire waterkering Delflandsedijk is opgedeeld in drie onderdelen: de primaire waterkering zelf, de beschermingszone binnenzijde en beschermingszone buitenzijde (Figuur 5.13). De totale trefkans per faalscenario per onderdeel is gegeven in Tabel 5.12. De primaire waterkering ondervindt een totale trefkans van 9,06*10-05 (1 keer in de ~11.000 jaar). Beschermingszone binnenzijde ondervindt een totale trefkans van 1,27*10-04 (1 keer in de ~8.000 jaar) en beschermingszone buitenzijde een totale trefkans van 1,12*10-07 (1 keer in de ~890.000 jaar). In Tabel 5.13 zijn de trefkansen per faalscenario, windturbine en onderdeel gegeven. Figuur 5.13 Ligging primaire waterkering ten opzichte van de windturbines

62

Tabel 5 19 Totale trefkana nar faalscenario on de onderdelen

Gondelfalen

Mestfalen

Gondel gewicht

Blad gewicht

Mast gewicht

Blad gewicht

Primaire waterkertig

0

0

0

Beschermingszone binnerzide

0

0

Beschermingszone buiterzi.de

0

0

Object

Bladworp nominaal

Bladworp overtoere n

Totaal

4.5SE-Ū5

4.44E-Ū5

3.44E-Ū7

9.06E-ŪS

3.27E-Ū5

6.63E-Ū5

6.04E-Ū5

2.S0E-Ū7

1.27E-Ū4

0

0

0

1.12E-06

1,12 E-06

Tabel 5.13 Trefkansen per faalscenario en windturbine op de onderdelen Gondelfalen

Mastfalen

Object

WT

Gondel gewicht

Blad gewicht

Mast gewicht

Blad gewicht

Primaire waterkering

1

0

0

0

Primaire waterkering

2

0

0

Beschermingszone binnenzijde

1

0

Beschermingszone binnenzijde

2

Beschermingszone buitenzijde Beschermingszone buitenzijde

Bladworp nominaal

Bladworp overtoeren

T otaal

2.5ŪE-05

2.64E-05

1.69E-07

5.16E-05

0

2.08E-05

1.S0E-05

1.74E-07

3.90E-05

0

1.S8E-05

3.47 E-05

3.10E-05

1.25E-07

S.59E-05

0

0

1.39E-05

3.19E-05

2.94E-05

1.26E-07

Ē.13E-05

1

0

0

0

0

0

5.69E-07

5.69E-07

2

0

0

0

0

0

5.55E-07

5.55E-07

De windturbines zijn op zodanige afstand van de primaire waterkering en buiten de beschermingszone van de dijk gelegen dat er géén sprake is van een formele watervergunningplicht voor het bouwen nabij de primaire waterkering. Deze watervergunningplicht is ter bescherming van de primaire waterkering. Omdat gebouwd wordt buiten de beschermingszone van de dijk wordt er van uit gegaan dat er sprake is van een acceptabele situatie en een goede ruimtelijke ordening op dit punt. De faalfrequenties zijn wel ter beoordeling aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd. Het Hoogheemraadschap heeft op 23 juni 2023 een aanwijzingsbesluit afgegeven met betrekking tot de mogelijke invloed van de windmolens op de primaire waterkering. Met dit besluit beoogt Delfland de werking van de waterkering te garanderen met betrekking tot de windmolens in de aanlegfase. Voor de gebruiksfase wil het Hoogheemraadschap nog tot een apart aanwijzingsbesluit komen. Primaire kering Europoort I De Europoortkering I is een primaire waterkering en is onderdeel van dijktraject 208. Rijkswaterstaat is eigenaar en beheerder van de Europoortkering I. De Europoortkering I is daarmee ook een rijkswaterstaatwerk. Voor het bouwen binnen beheergebied van rijkswaterstaatwerken is een vergunning Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) noodzakelijk.

De windturbines zijn buiten dit gebied gepland waardoor er geen vergunningplicht geldt. De effecten worden desondanks wel in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beeld gebracht. De Europoortkering I ligt alleen binnen effectafstand van bladworp met overtoeren van windturbine 1 (zie Figuur 13a en trefkans per faalscenario in Bijlage 2). De trefkansen op de onderdelen van de Europoortkering I binnen de effectafstand van de windturbines zijn allen in de ordegrootte 10-09 en voldoen derhalve ruimschoots aan een maximale toelaatbare effectafstand van 10-06. Verdere effecten hoeven niet onderzoecht te worden vanwege het zeer kleine trefrisico.

63

Figuur 5.13a Ligging Europoortkering I ^PONDERA Date ChS EPSG 28992

Legenda Windt uibine »

ri». i

wmdnrmneţ

J Rotoromdraai - 90m I

j WprţMÍstand nominaal - 203, Sm

L.j Tlpĥoogtíitstard

250m

~J Wertwlaand overt oe ren - 520m

Europoortkering I Onderdelen turopooröoertng I

...

200 m

Maeslantkering De Maeslantkering is een beweegbare stormvloedkering bij de Nieuwe Waterweg. De noordelijke kering ligt binnen de maximale effectafstand van windturbine 1 zie Figuur 5.14. De kritieke onderdelen van de Maeslantkering zijn de kering zelf en de bolscharnier. Aan weerszijden van de kering liggen Waterstand Meet Opstellingen (WMO), buiten de maximale effectafstand van de windturbines (niet zichtbaar op kaart). Doordat deze buiten de maximale effectafstand liggen, vormen de windturbines geen toegevoegd risico op deze onderdelen. Tot slot ligt er op het terrein ondergrondse bekabeling, waarvan de kritieke onderdelen bestaan uit de voedings- en besturingskabel, zinkerkabel en glasvezelkabel. Er is een trefkansanalyse gedaan op de Maeslantkering, bolscharnier en ondergrondse bekabeling. Rijkswaterstaat is eigenaar en beheerder van de Maeslantkering. De Maeslantkering is daarmee ook een rijkswaterstaatwerk. Voor het bouwen binnen beheergebied van rijkswaterstaatwerken is een vergunning Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) noodzakelijk. De windturbines zijn buiten dit gebied gepland waardoor er geen vergunningplicht geldt. De effecten worden desondanks wel in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beeld gebracht.

64

Figuur 5.14 Ligging Maeslantkering ten opzichte van windturbine 1 PONDERA Cm CBiVh'ltm Legenda Windţurblilt:

ľíHNAV* wrrMnHľKiĶ

rtjhf iiïķįŗríafntţŗī

'Cm

1řēffľJflSGōnd nōmn&ãl ţaereMul

11 Tfe*«Ht«alUan4

I '/«wpjaītīrrf evcrftMffln m »

Mí

Lantkeirlng IknEi eke ondcrdftkii

feiKHiithi* Omttergrond&f befcalMlñg

---- V cKdrnajtKi uutv+r-ai 2 lūū

2ŪŪ

jlO-íti

Trefkans Maeslantkering en bolscharnier Conform het HRW wordt voor de bolscharnier en de Maeslantkering uitgegaan dat het onderdeel kan falen bij elke vorm van treffen door een windturbineonderdeel. Voor de Maeslantkering en de bolscharnier is uitgegaan van een hoogte van de objecten van 13 meter op basis van Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN). De trefkans van deze objecten zijn gegeven in Tabel 5.14. De berekeningsmethode is op voorhand met Rijkswaterstaat afgestemd. De Maeslantkering heeft een totale trefkans van 2,20*10-05 (1 keer in de ~45.000 jaar) en de bolscharnier een totale trefkans van 1,80*10-08 (1 keer in de ~55 miljoen jaar). Tabel 5.14 Trefkansen bolscharnier en Maeslantkering per faalscenario en totaal Gondelfalen

Mastfalen

Bladworp nominaal

Bladworp overtoeren

Totaal

Bolscfamier

0

0

0

1 .SOE-Ū8

1 .SOE-Ū8

Maeslanl kering

0

2.19E-05

0

1.53E-Ū7

2.20E-Ū5

De trefkans van de Maeslantkering wordt voornamelijk bepaald door de trefkans als gevolg van mastfalen. Op verzoek van de beheerder Rijkswaterstaat is in meer detail gekeken naar het faalscenario mastfalen om duidelijker beeld te krijgen van daadwerkelijke trefkansen en de gewichten van turbineonderdelen die voor impact kunnen zorgen. Bij het faalscenario mastfalen kan een object binnen tiphoogteafstand van de windturbine worden getroffen. In Figuur 5.14 is zichtbaar dat slechts een klein deel van de Maeslantkering binnen de tiphoogteafstand ligt en daarmee enkel dit kleine deel van de kering kan worden getroffen bij het faalscenario mastfalen. In Figuur 5.14 is de ligging van de Maeslantkering ten opzichte van de effectafstand van mastfalen ^ tiphoogteafstand) beter weergegeven. Daarbij moet het blad bij mastfalen dusdanig georiënteerd zijn dat deze de Maeslantkering kan treffen. Het blad kan namelijk in een oriëntatie van 360 graden (cirkel) vallen, maar slechts in een klein deel van deze cirkel kan de kering worden getroffen. Simpel gezegd kan het blad alleen de Maeslantkering treffen bij mastfalen wanneer het blad op moment dat de mast zou omvallen naar boven is gericht in een bepaalde range van hoeken.

65

Figuur 5.15 Ligging Maeslantkering ten opzichte van effectafstand mastfalen ^ tiphoogte van 250 meter)

Om de kans te bepalen dat het blad dusdanig georiënteerd is dat de Maeslantkering kan worden getroffen bij mastfalen, is de grootste hoek bepaald van mogelijke bladoriëntatie waarbinnen het blad de kering kan treffen. Deze hoek bedraagt 15 graden, oftewel een kans van 15 graden Z 360 graden * 100 s 4,2/ dat het blad dusdanig is georiënteerd dat de Maeslantkering kan worden getroffen. Aangezien de windturbine 3 bladen heeft, bedraagt de kans 3 * 4,2/ s 12,5 /. Door de kans van kritieke bladoriëntatie te vermenigvuldigen met de trefkans bij mastfalen (Tabel 5.14), wordt een realistische kans voor het daadwerkelijk treffen van de kering bij mastfalen verkregen. In Tabel 5.15 zijn de oude en nieuwe resultaten gegeven van de trefkansen per faalscenario en totalen. Bij mastfalen zijn nu de trefkansen zonder en met correctie voor kans op kritieke bladoriëntatie gegeven. Ook bij de totalen is dit onderscheid gemaakt. Door de kans op bladoriëntatie waarmee de Maeslantkering kan worden geraakt mee te nemen, neemt de totale trefkans af van 2,20*10-05 (1 keer in de ~45.000 jaar) naar 2,89*10-06 (1 keer in de ~350.000 jaar). Tabel 5.15 Trefkansen Maeslantkering per faalscenario en totaal: zonder en met correctie voor kans op kritieke bladoriëntatie bij mastfalen.

Maeslant­ kering

Gondelfalen

Mastfalen zonder correctie bladorìën talie

Mastfalen vermenigvuldigd met kans op kritieke bladoriëntatie

Bladworp nominaal

Bladworp overtoeren

Totaal zonder correctie bladoriëntatie

Totaal met correctie bladoriëntatie

0

2.19E-05

2.73E-Ū6

0

1,53-E-Ūľ

2.2ŪE-Ū5

2.S9E-Ū6

In Figuur 5.16 is de kans van kritieke bladoriëntatie waarbij de kering kan worden getroffen bij mastfalen uitgezet tegenover de jaarlijkse resulterende totale trefkans van de Maeslantkering. Bij een kans op kritieke bladoriëntatie van 12,5/ zoals hierboven aangenomen, bedraagt de totale trefkans dus 2,89*10-06. In de grafiek kan ter indicatie worden afgelezen dat, indien de totale trefkans van de Maeslantkering in de ordergrootte 10-05 zou moeten komen (wanneer alleen de variabele kans op kritieke bladoriëntatie wordt beschouwd), dit zou betekenen dat de kans van kritieke bladoriëntatie voor het treffen van de Maeslantkering gelijk moet zijn aan 45/. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er

66

een dusdanig grote kans is dat het blad in een kritieke oriëntatie ligt, gezien de kleine hoek waarin het blad de kering kan treffen bij mastfalen en daarmee een relatief kleine kans op een kritieke bladoriëntatie. Daarmee is het aannemelijk dat de totale trefkans van de Maeslantkering in de ordergrootte 10-06 blijft. Figuur 5.16 Kans van kritieke bladoriëntatie waarbij de Maeslantkering kan worden getroffen bij mastfalen uitgezet tegenover de jaarlijkse resulterende totale trefkans van de Maeslantkering

g re HŮì L

l,00E-05

05

Ui ÌĽ

ro

l,00E-06

M

ffl

o i-

094

2094

4094

6094

8094

10094

Kans bladoriëntatie voor treffen kering

Bladgewicht bij treffen Maeslantkering mastfalen Rijkswaterstaat heeft verzocht meer inzicht te verkrijgen in de gewichten van het turbineblad welke de Maeslantkering kan treffen bij mastfalen. Bij het faalscenario mastfalen met de worst-case effectafstand wordt uitgegaan van een windturbine met maximale tiphoogte (250 meter) en ashoogte (170 meter) binnen de bandbreedte. Op basis van deze aanname wordt dan uitgegaan van een rotordiameter van 160 meter. Op basis van bestaande windturbines met vergelijkbare rotordiameter is een worst-case gewicht bepaald van 27 ton (27.000 kg)30 van één turbineblad. Op basis van de effectafstand en ligging van de Maeslantkering is vastgesteld dat alleen de tip van het blad de kering zou kunnen treffen bij mastfalen (slechts 16 meter van de bladtip). De kering kan bij mastfalen dus niet door het volledige gewicht van 27 ton worden getroffen. De kortste afstand waar het zwaartepunt van het blad kan landen tot de kering is op circa 37 meter van de kering. Om een indicatie te geven van het gewicht van 16 meter van de bladtip, is een verdeling van bladsegmenten en maximale breedte per bladsegment gebruikt van een bestaande windturbine31 met vergelijkbare rotordiameter. Door de bladlengte per segmentlengte te vermenigvuldigen met maximale breedte per segment is een oppervlakte met bladsegment verkregen.

Vervolgens is het bladgewicht per m2 bepaald (totaal bladgewicht Z totaal bladoppervlak) en is het gewicht per bladsegment bepaald door het segmentoppervlak te vermenigvuldigen met bladgewicht per m2. Als resultaat is het gewicht van 16 meter van de bladtip verkregen. Uit de berekening is gekomen dat de bladtip van 16 meter circa 1007o van het totale bladgewicht bevat. Op basis van het worst-case bladgewicht van 27 ton bedraagt de bladtip van 16 meter die de Maeslantkering kan treffen bij mastfalen 2,7 ton. De resultaten zijn een indicatie van het gewicht dat de kering kan treffen en dienen dusdanig geïnterpreteerd te worden. De verdeling van het gewicht over de bladlengte is nu eenvoudig bepaald op basis van bladoppervlak per bladsegment. In werkelijkheid zal de verdeling van het bladgewicht afhankelijk zijn van andere factoren (bijvoorbeeld dikte van materiaal en inhoud per segment en ligging van kleine turbineonderdelen binnen het blad). Trefkans ondergrondse bekabeling Voor de ondergrondse bekabeling worden conform het HRW de trefkansen bepaald op basis van het treffen van het zwaartepunt van de windturbineonderdelen. De ondergrondse bekabeling ligt op 700­ 900 mm diepte onder de grond. Er bestaan geen formules om voor ondergrondse bekabeling de kritische afstand32 te bepalen. Derhalve is een aanname gedaan voor de kritische afstand van de windturbine onderdelen.

De gehanteerde afstanden zijn gegeven in Tabel 5.16. Voor het bepalen van

67

de trefkansen van de glasvezelkabel is deze opgesplitst in twee delen, namelijk het deel wat binnen het terrein van de Maeslantkering ligt (glasvezel 1) en een deel wat buiten het terrein van de Maeslantkering ligt (glasvezel 2). Dit onderscheid is tevens afgebeeld in Figuur 5.14. Tabel 5.16 Kritische afstanden voor ondergrondse bekabeling per windturbineonderdeel

Kritische afstand [m]

Gondel

Mast

Blad

10

5

3

De trefkansen voor de ondergrondse bekabeling zijn gegeven in Tabel 5.17. Alle kabels kunnen worden getroffen in het faalscenario bladworp bij overtoeren. Alleen glasvezel 2 (het deel van de glasvezelkabel dat buiten het terrein van de Maeslantkering loopt) kan tevens worden getroffen bij mastfalen en bladworp bij nominaal toerental. Tabel 5.17 Totale trefkansen ondergrondse bekabeling Maeslantkering per faalscenario en totaal

Communicatie met Rijkswaterstaat Er is meerdere malen contact geweest met de beheerder van de Maeslantkering Rijkswaterstaat waarin het project en de beoogde windturbinelocatie is toegelicht en de trefkansen zijn besproken. Rijkswaterstaat heeft in de communicatie toelichting gegeven op de Maeslantkering en het belang van het inzichtelijk maken van het toegevoegde risico van de windturbines op de faalkans van de Maeslantkering. Tijdens het onderzoek is een conceptversie van de trefkansanalyse en de resultaten met Rijkswaterstaat gedeeld en is tevens in een overleg de rekenmethodiek van de trefkansen gedemonstreerd. Naar aanleiding van de opmerkingen en aanvullingen van Rijkswaterstaat is de trefkansanalyse in meer detail uitgevoerd (onder andere analyse van kans op kritieke bladoriëntatie bij mastfalen en beschouwing van bladgewicht bij treffen, zoals hiervoor beschreven). Rijkswaterstaat heeft aangegeven de gekozen aanpak van de gedetailleerde trefkansanalyse te onderschrijven. Een uiteindelijk oordeel over de aanvaardbaarheid zullen ze geven in het kader van Bro-overleg met instanties, dit zal vervolgens verwerkt worden. De windturbines zijn op zodanige afstand van de Maeslantkering en het beheergebied van Rijkswaterstaat gelegen dat er géén sprake is van een formele vergunningplicht op basis van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr).

Omdat gebouwd wordt buiten het beheergebied wordt er van uit gegaan dat er sprake is van een acceptabele situatie en een goede ruimtelijke ordening op dit punt. De faalfrequenties zijn ter beoordeling aan Rijkswaterstaat worden voorgelegd in het kader van Bro overleg met instanties. Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat zij gezien de uitkomsten van berekende trefkansen bezwaar hebben tegen de plaatsing van windturbine 1. Er geldt een nietbeschikbaarheidseis van 1,0*10-06 (Rijkswaterstaat hanteert zelf de notatie 1,0*E-06). De toets op niet-beschikbaarheid wordt uitgevoerd door trefkans (berekend door Pondera) te vermenigvuldigen met hersteltijd (bepaald door Rijkswaterstaat). Hieruit blijkt dat niet wordt voldaan aan de gesteld eis. Er is vervolgens een nadere analyse uitgevoerd voor optimalisatie (zie paragraaf 7.2.3 van Bijlage 2). Er is daarbij kritisch gekeken naar de aannames in de rekenmethodiek van de trefkansen en geconstateerd dat conservatisme in de benadering op bepaalde vlakken kan worden verlaagd. Optimalisatie effect Maeslantkering In 2021 heeft het RIVM een rapport gepubliceerd waarin nieuwe, geactualiseerde faalfrequenties van windturbineonderdelen zijn bepaald. De geactualiseerde faalfrequenties vallen lager uit dan de faalfrequenties die in 2012 zijn bepaald (en waar in de huidige voorgeschreven rekenmethodiek nog mee gerekend wordt).

Ook wordt momenteel gewerkt aan actualisatie van het Rekenvoorschrift. De

68

verwachting is dat de nieuwe rekenmethodiek minder conservatief ingestoken wordt dan de huidige rekenmethodiek. In de nieuwe rekenmethodiek wordt wel uitgegaan van de geactualiseerde faalfrequenties uit het rapport van 2021. De verwachting is dat een nieuwe Rekenvoorschrift in het tweede of derde kwartaal van 2024 wordt gepubliceerd. Om een indicatie te krijgen van de trefkansen wanneer wordt uitgegaan van de geactualiseerde faalfrequenties, is een berekening gedaan met de huidige rekenmethodiek waarin de geactualiseerde faalfrequenties zijn meegenomen (in plaats van de nu geldende, verouderde faalfrequenties). De totale niet-beschikbaarheid op basis van de geactualiseerde faalfrequenties bedraagt 8,87*10-07 per jaar. Hiermee wordt voldaan aan de niet-beschikbaarheidseis van Rijkswaterstaat van 1,0*10-06. Dus met huidige rekenmethodiek en nieuwe faalfrequenties wordt al voldaan aan de nietbeschikbaarheidseis. De verwachting is (expert judgement) dat de nieuwe rekenmethodiek ook minder conservatief gaat worden dan de huidige waardoor de nieuwe faalrequenties in combinatie met de nieuwe rekenmethodiek ook gaat voldoen aan de beschikbaarheidseis van Rijkswaterstaat. Hiermee wordt de plaatsing van windturbine 1 ten opzichte van de Maeslantkering aanvaardbaar geacht.

Mocht onverhoopt blijken dat de rekenmethodiek toch conservatiever uitpakt of niet (tijdig) in werking treedt en dat de nieuwe faalfrequenties daarmee ook niet toegepast kunnen worden dan kan met realisatie van een windturbine met een kleinere rotorlengte dan maximaal is toegestaan alsnog aan de niet-beschikbaarheidseis worden voldaan en daarmee is er nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening. Om te garanderen dat windturbine 1 aan de niet-beschikbaarheidseis van Rijkswaterstaat voor de Maeslantkering gaat voldoen is hiervoor een specifieke bouwregel opgenomen in de planregels. Hiermee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. De optimalisatie is tevens besproken met Rijkswaterstaat. Kwalitatieve analyse ijsworp scenario Op 1 tot 2 dagen per jaar kunnen de weeromstandigheden in Nederland zodanig zijn dat er sprake is van significante ijs aangroei aan de windturbinebladen. Bij het loskomen van deze ijsblokken kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor onbeschermde personen of door schrikreacties tijdens transport. Moderne windturbines zijn veelal voorzien van systemen die kunnen detecteren of er sprake is van aangroeiend ijs en/of weersomstandigheden waarbij ijsaangroei kan worden verwacht.

Bij het merendeel van de aanwezige windturbines in Nederland hoeven geen specifieke maatregelen te worden genomen om ijsaangroei te voorkomen of het vallen van ijs te voorkomen doordat de meeste windturbines worden geplaatst in open agrarische gebieden waar weinig aanwezigheid van personen worden verwacht. Om ijsworp te voorkomen dient de windturbine te worden stilgezet indien significante ijsaangroei aanwezig is. Het voorkomen van gevaarlijke situaties en het verplicht moeten stilzetten van windturbines is reeds geregeld in de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval wordt gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte. Er zijn binnen dat gebied terreinen en objecten aanwezig die gevoelig zijn voor ijsworp of ijsval (zoals bedrijfspanden en enkele wegen/straten). Er wordt daarom geadviseerd de windturbines te voorzien van een goed ijsdetectiesysteem wat ijsaanvorming aan de bladen detecteert en de windturbine stilzet bij significante ijsaangroei aan de windturbines. Daarmee worden de risico's van ijsworp verkleind. In de planregels is voor de volledigheid hierover een regel opgenomen. Indien de rotor niet draait wordt ijsval verwacht tot een zone van circa een halve rotordiameter plus 11 meter als afglij- Z dwarrelzone.

Vanwege de nabijgelegen wegen wordt geadviseerd om een ijsprotocol op te stellen. Hierin kan dan onder andere worden geregeld hoe de windturbine gepositioneerd moeten worden bij ijsaangroei zodat het afdwarrelende ijs geen gevaar voor de omgeving vormt. Van windturbine 2 kan het rotorvlak dusdanig gepositioneerd worden dat deze parallel loopt aan de weg Noordergros en van windturbine 1 dusdanig dat deze parallel loopt aan de onverharde weg (op het terrein behorende bij de inrichting) aan de zuidoostkant van de turbine. Ook het gecontroleerd afwerpen en weer opstarten kan daarin worden beschreven.

69

5.4.3

Conclusie

Binnen de specifieke maximale PR10-05 contour ligt een beperkt kwetsbaar object. De PR10-05 contour van windturbine 2 moet derhalve worden beperkt tot 72 meter om te voldoen aan de norm. Om ook eventuele toekomstige ontwikkeling op basis van het geldende bestemmingsplan zo min mogelijk te beperken wordt de specifieke PR10-05 contour verder beperkt tot 55 meter door de contour op te nemen op de verbeelding en bijbehorende planregels op te nemen. Er blijven daarmee ook nog voldoende turbinekeuzemogelijkheden over voor de initiatiefnemers waardoor er sprake blijft van een uitvoerbaar plan. Binnen de specifieke maximale PR10-06 contour liggen geen kwetsbare objecten. De geldende bestemmingsplannen maken echter realisatie van kwetsbare objecten (specifiek: niet zelfstandige kantoren tot een oppervlakte van 3.000 m2) theoretisch mogelijk. Om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan wordt de specifieke PR10-06 contour van 204 meter vastgelegd op de verbeelding en in bijbehorende planregels. Nieuwe kwetsbare objecten zijn daarmee niet toegestaan binnen deze contour. Indien de te realiseren windturbine een kleinere PR10-06 contour heeft dan wat maximaal is vastgelegd kan alsnog door middel van een binnenplanse afwijking een kwetsbaar object dichter bij de windturbine (maar buiten de nieuwe PR10-06 contour) worden gerealiseerd.

Het vastleggen van een beperking voor kwetsbare objecten zorgt voor relatief weinig beperking van de gebruiksmogelijkheden van onderliggende gronden en is noodzakelijk ten einde de windturbines te kunnen realiseren en is derhalve aanvaardbaar. De risico's op lokale wegen, waterwegen en spoorwegen zijn beschouwd: er wordt niet verwacht dat de windturbines een onaanvaardbaar risico vormen op passanten over deze infrastructuren. Binnen de maximale effectafstand van de windturbines ligt een Brzo-bedrijf met een risicovolle installatie. Op basis van de bepaalde trefkansen wordt niet verwacht dat de windturbines een onaanvaardbaar toegevoegd risico hebben op de installatie. Binnen de effectafstand maar buiten tiphoogteafstand (en buiten nominale bladworpafstand) ligt een buisleiding en ligt hoogspanningsinfrastructuur. Doordat deze infrastructuren alleen in het faalscenario van bladworp met overtoeren kunnen worden getroffen, is het risico op deze infrastructuren dusdanig laag dat deze aanvaardbaar wordt geacht. Tot slot zijn er trefkansanalyses verricht op de primaire waterkering Delflandsedijk, de Europoort Ikering en op de Maeslantkering (en bijbehorende kritieke onderdelen). Er geldt geen vergunningplicht op basis van de Waterwet en Wbr voor het bouwen nabij deze keringen door ligging buiten beheergebied.

De aanvaardbaarheid van de trefkansen door het Hoogheemraadshap van Delfland en Rijkswaterstaat zijn afgestemd en voor de Maeslantkering heeft een optimalisatie plaatsgevonden. De trefkansen zijn aanvaardbaar met dien verstande dat om te kunnen voldoen aan de nietbeschikbaarheidseis van de Maeslantkering aanvullend een planregel is opgenomen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect externe veiligheid.

5.5

Natuur

5.5.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming is in de Wnb beschreven in 'Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden'. Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (kortweg: IHD's) van deze gebieden, is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen nodig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=bd1594e1-1616-4e5d-8f19-be071e895b7e