[24bb003525] Bijlage 1 behorende bij 24bb003523 - Vastgesteld bestemmingsplan Kern en Plassen
Tekst van het document
Een belanghebbende met bouwvoornemens in een keurstrook (zoals aangegeven op de verbeelding met 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie') wordt geadviseerd om contact op te nemen met genoemd hoogheemraadschap over antwoord op de vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing verleend kan worden van het bouwverbod in de Keur. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zorgt voor een bescherming van de waterkering. Het geeft aan voor welke werkzaamheden absoluut een vergunning nodig is van het hoogheemraadschap. 4.5.19 Wijzigingsgebieden In het nieuwe bestemmingsplan Kern en Plassen is gekozen om geen gebruik meer te maken van wijzigingsgebieden, zoals in het bestemmingsplan 2009/2012 nog wel het geval was. Als ontwikkelingen nog niet geheel duidelijk zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan kan gekozen worden voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. Zo'n wijzigingsbevoegdheid mag geen structurele wijziging van het bestemmingsplan mogelijk maken. De onderliggende bestemmingen blijven gelden tot van de wijziging gebruik is gemaakt. De haalbaarheid van zo'n wijzigingsbevoegdheid moet in het bestemmingsplan aangetoond worden. Een wijzigingsbevoegdheid zelf is een compleet bestemmingsplan waarop (omgevings)vergunningen kunnen worden verleend. Daarnaast is het een bevoegdheid en niet een verplichting.
Burgemeester en wethouders mogen de bevoegdheid gebruiken, maar zijn het niet verplicht.
60
Een wijzigingsbevoegdheid wordt via het bestemmingsplan (het 'moederplan') aan burgemeester en wethouders gegeven. Voor het opstellen van een wijzigingsplan geldt de uniforme voorbereidingsprocedure van de Awb, met dien verstande dat Burgemeester en Wethouders binnen 8 weken na afloop van de terinzagelegging een besluit moeten nemen. Daarna volgt de mogelijkheid voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een wijzigingsplan gaat deel uit maken van het bestemmingsplan. Met zo'n wijziging van de bestemming vervalt de onderliggende bestemming uit het moederplan. 4.5.20 Wonen, Woongebied en werken aan huis Het bestemmingsplan staat woningen toe in de gedetailleerde bestemming 'Wonen', maar ook in de meer globale bestemming 'Woongebied'. In 'Woongebied' van de regels is een bebouwingsregeling opgenomen voor de lintbebouwing langs de Straatweg. Deze regeling is opgenomen om het kenmerkende karakter van de lintbebouwing, zowel vanaf de straatzijde als vanaf de waterzijde, te beschermen en geldt voor percelen van 65 meter en dieper. De voorgevel bouwgrens bevindt zich op vijf meter afstand tot de weggrens. De strook voortuinen, gelegen voor de voorgevel van de bouwgrens, garandeert het groene aanzicht vanaf de weg. Parallel aan de voorgevel bouwgrens ligt op een afstand van 30 meter de achtergevel bouwgrens.
In deze 30 meter tellende zone dienen alle gebouwen gerealiseerd te worden, dus zowel het hoofdgebouw als eventuele aanbouwen en bijgebouwen. Bovendien moeten gebouwen een afstand van ten minste 30 meter tot de plasoever aanhouden. Voor percelen die minder diep zijn dan 65 meter geldt deze regeling niet. Percelen die minder diep zijn dan 65 meter zijn gedetailleerd bestemd overeenkomstig de bestaande situatie. De bestemming 'Woongebied is gelegd op die percelen langs de Straatweg die rechtstreeks ontsloten worden via de Straatweg en die in het vorige bestemmingsplan als ‘Woningen III' bestemd zijn. De bestemming 'Wonen' is een gedetailleerde bestemming. In deze bestemming zijn de maximale gooten bouwhoogte steeds op de verbeelding gegeven. De bestemming is gebruikt voor zowel appartementen als laagbouwwoningen met verschillende hoogtematen en in diverse typologieën. In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat.
De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten. Voor woningen geldt de werken-aan-huisregeling. Voor bepaalde werkzaamheden is met een functieaanduiding aangegeven dat deze tevens op een bepaald adres binnen de bestemming 'Wonen' zijn toegestaan. De bestemming 'Wonen - Berging' is gebruikt voor bergingen of bijgebouwen bij woningen die groter zijn dan toegestaan volgens de regeling voor uitbreiding van bebouwing, al dan niet vergunningvrij.
61
Hoofdstuk 5
Water
Voor het bestemmingsplan heeft het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam een wateronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Het wateronderzoek geeft een beeld van de effecten van het plan op de waterhuishouding en vormt daarmee een advies voor de waterparagraaf.
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3
Regionaal beleid
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is beheerder stedelijk water (riolering en oppervlaktewateren zijnde geen rijkswater en geen hoofdwatergang). Op
62
basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Vrijwel het gehele plangebied ligt binnen een peilgebied met vast peil van -2,85 m NAP. Aan de noordzijde van het plangebied ligt dit voor een klein deel in een peilgebied dat een vast peil heeft van -6,20 m NAP. De oostelijke begrenzing van het plangebied ligt in peilgebied van de Rotteboezem. Dit peilgebied heeft een flexibel peil van NAP- 1,20/ -0,90m. Bij watertekort ontvangen de Bergse plassen water uit de Bleiswijkse vaart (Grindweg). Dit is schoner dan water direct uit de Rotte te betrekken. Het peilgebied met de Bergse plassen loost overtollig water via het, aan de zuidzijde van het plangebied gelegen, gemaal Berg en Broekse Verlaat op de Rotte. De Rotte is onderdeel van het boezemsysteem. Binnen het plangebied ligt één zwemwaterlocatie; Natuurzwembad ’t Zwarte Plasje. Dit zwemwater is gelegen aan de Oude Raadhuislaan en staat via een duiker (KDU-3517) in open verbinding met het singelsysteem van de naastgelegen woonwijk.
Figuur met overzicht van het oppervlaktewatersysteem in en rondom het bestemmingsplangebied 5.3.2
Grondwater
Voor grondwater zijn er veel peilbuizen in het plangebied. De ligging van de peilbuizen met de gemiddelde ontwateringsdiepte (afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil) zijn weergegeven de bijlage. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied overal groter dan de vereiste 0,80 meter. Toch wordt op enkele plaatsen in het plangebied wateroverlast ervaren door verzakking van niet onderheide gebouwen en door het steeds lager worden van de eilandjes in de Bergse Achterplas door veenklink. In het plangebied staan overwegend huizen met houten paalfunderingen, grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten.
63
5.3.3
Waterkering
In en langs het plangebied ligt twee boezemkaden (langs de Rotteboezem en langs Streksingel). De ligging van de keringen is in onderstaande figuur weergegeven. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd.
Figuur met ligging waterkeringen De waterkeringen en de beschermingszones aan weerszijden daarvan hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen. 5.3.4
Riolering
Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 1 (Hillegersberg, bemalingsdistrict Burgemeester van Kempensingel) en rioleringsdistrict 13 (Schiebroek, bemalingsdistrict Molenplein). Een klein gedeelte in het zuiden van het plangebied maakt deel uit van riooldistrict 6 (Noorden). In het plangebied ligt overwegend een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Zowel districten 1 en 13 als district 6 voeren hun afvalwater via persleidingen af naar AWZI Kralingse Veer. Binnen het plangebied zijn een viertal vuilwateroverstorten aanwezig. In de in riooldistrict 1 gelegen straten Kerkstraat, Hilleniussingel, Kerstant van den Bergelaan, Willem Nagellaan en Nieuwe Kerkstraat is een rioolvervanging in voorbereiding. Hierbij wordt het huidige gemengde stelsel vervangen door een vuilwaterstelsel en met DI-leiding en wordt 1,72 hectare verhard oppervlak in het openbaar gebied 'afgekoppeld'. Dit betekent dat het wordt voorzien van waterpasserende verharding of dat de historische bestrating behouden blijft. Gestreefd wordt naar afkoppeling van de hemelwaterafvoer van de woningen.
In de in riooldistrict 13 gelegen Plaswijcklaan, Heer Vrankenlaan (gedeeltelijk), Jan van Ghestellaan, Berglustlaan (west) en Hoyledesingel is een rioolvervanging in voorbereiding, Bij deze vervanging wordt het bestaande gemengde stelsel vervangen door een nieuw gemengd stelsel met een DI-leiding ten behoeve van het grondwaterniveau. In de nieuwe situatie wordt 1,52 ha verhard oppervlak voorzien van
64
waterpasserende verharding. Gestreefd wordt naar afkoppeling van de hemelwaterafvoer van de woningen. Het doel van de stelselwijziging is om 'droge voeten en natte palen' te bereiken. Hierbij wordt zo veel mogelijk hemelwater in de bodem opgeslagen en daar gezuiverd (waterpasserende verharding en afkoppeling hemelwater van de daken). Op deze wijze wordt de zuivering van het rioolwater ontlast. De DI-leiding staat in verbinding met het oppervlaktewater en houdt het grondwater in het openbare gebied op een constant peil. Dit is van belang voor de houten paalfunderingen in dit gebied.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
De ontwikkelingen in het gebied bestaan voornamelijk uit het optoppen van bestaande gebouwen en het transformeren van winkelfunctie naar woonfunctie. Het bebouwd oppervlak verandert dus niet. Watercompensatie is dus niet nodig. Van het Rijndamgebouw (Ringdijk 84) is de ontwikkeling naar een woonfunctie nog in studie. Nog onduidelijk is of er gekozen zal worden voor sloop en nieuwbouw of voor het herontwikkelen van de bestaande gebouwen. Er is van uitgegaan dat het bebouwde oppervlak op deze locatie niet toeneemt. Het gedeelte van de locatie met de bestemming 'Verkeer - Erf' bestaat grotendeels uit tuinaanleg en is voor ongeveer 35% verhard. Er wordt van uitgegaan het verhardingspercentage niet toeneemt. Indien bij eventuele toekomstige herontwikkeling het verhard oppervlak wel toeneemt moet nog berekend worden of de aanleg van compensatiewater nodig is. Watercompensatie zal overigens op deze locatie technisch eenvoudig te realiseren zijn. Voor het plangebied als geheel wordt geen toename van het verhard oppervlak verwacht. Ook is er geen nieuw oppervlaktewater voorzien. 5.4.2
Grondwater
Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden door de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen effecten op de grondwaterstand verwacht. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Waterkeringen De polderwaterkeringen in het bestemmingsplangebied worden conform provinciaal beleid bestemd met de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. De beschermingszone is bestemd als ‘vrijwaringszone-dijk’. Invloed op de waterkering wordt niet verwacht. In de zones van de waterkering worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Waterveiligheid De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe. 5.4.4
Riolering
De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van vooral het aantal woningen en een afname van kantoren. Op basis van het aantal woningen en het aantal vierkante meters kantoren is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. De inschatting van de verandering van de afvalwaterbelasting is gebaseerd op het maximale programma dat extra mogelijk gemaakt wordt binnen het bestemmingsplan. Dit zijn vooral kleinschalige detailhandel-functies en wat kantoren en dienstverlening. Momenteel zijn er nog geen concrete plannen bekend.
65
Bij het omzetten van winkels, dienstverlening, school, BSO en revalidatie naar woningen neemt de gemiddelde rioolbelasting met ongeveer 5 m3/u toe. Van deze toename vindt ruim 4 m3/u plaats in riooldistrict 1 en ongeveer 1 m3/u in riooldistrict 13. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals eventuele nieuwbouw op de Rijndamlocatie, is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 50 mm regenwater in een uur. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan.
Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding. De meeste van de mogelijk gemaakte ontwikkelingen betreffen functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken. Opstellen rioolplan Voor het bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater dient bij grote ontwikkelingen, zoals nieuwbouw op de locatie Ringdijk 84, een rioolplan te worden opgesteld. Geadviseerd wordt om hiervoor tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder (HHSK afdeling AWK) en de rioolbeheerder.
66
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Plangebied Kern en Plassen Het bestemmingsplan maakt de volgende ontwikkeling mogelijk: op 27 locaties transformatie van gebouwen en delen van gebouwen tot woningen (in orde van grootte tot circa 221 woningen). Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde ontwikkeling moet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit m.e.r.
kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit geval het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het college neemt, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie hieronder), vanwege het bestemmingsplan Kern en Plassen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het
67
ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1. Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën). Motivering: Het bestemmingsplan maakt nieuwbouw van woningen mogelijk. Het aantal nieuwe woningen dat wordt toegevoegd is beperkt (in orde van grootte tot circa 221 woningen op 27 meest kleine locaties). Momenteel vinden in de omgeving alleen vergelijkbare kleine woningbouwontwikkelingen plaats. Omdat in het plangebied en de omgeving sprake is van een beperkte toename van verkeersbewegingen verdeeld over een groot aantal wegen is van een significante cumulatie geen sprake. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen is niet aan de orde bij de nieuwe woningen, evenmin is er sprake van grootschalige verontreiniging. Andere vormen van hinder zijn niet aan de orde en ook van een toename van risico op ongevallen is geen sprake. 2. Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het milieu in het gebied waarop het project effect kan hebben), bijvoorbeeld een natuurgebied.
Motivering: De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de 'Oude Maas' en 'Boezems Kinderdijk', beide op circa 12 km afstand tot het bestemmingsplangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van ten minste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreffen de gebieden 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', 'Biesbosch' en 'Solleveld & Kapittelduinen'). De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Dit blijkt uit de berekening van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, vanwege de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Het resultaat van de berekening is dat er een bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden is van (afgerond) 0,00 mol per hectare per jaar (oftewel geen significante bijdrage). De meest nabijgelegen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de Nieuwe Maas, op circa 4 kilometer ten zuiden van het bestemmingsplangebied en de Ackerdijkse Plassen op circa 4 kilometer ten noordwesten van het bestemmingsplangebied. Negatieve invloeden op de Natuurnetwerk Nederland gebieden en belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn uitgesloten.
Daarvoor zijn deze ontwikkelingen te beperkt van omvang en liggen ze op te grote afstand van deze gebieden. 3. Kenmerken van het potentiele effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid). Motivering: Er worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Het bestemmingsplan zorgt niet voor een significante toename van verkeer, en draagt daarmee ook niet in betekenende mate bij aan een toename van geluid en luchtverontreiniging. Het bestemmingsplan leidt niet tot een verandering ten opzichte van de huidige situatie bij bodemverontreiniging en externe veiligheid. Ook zijn op voorhand geen significante effecten op beschermde soorten te verwachten. Conclusie Uit de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet noodzakelijk.
68
6.3
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1
Bedrijven in of nabij het plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als woongebied en voor delen aan de Ringdijk en Straatweg als overgangsgebied. In een overgangsgebied mag de afstand tussen woningen en bedrijven wat kleiner zijn dan tussen een woonwijk en een bedrijventerrein. De gewenste afstand tussen bedrijven en woningen is afhankelijk van de categorie van het bedrijf. In een overgangsgebied kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Een bedrijf in milieucategorie 3.1 is toegestaan op minimaal 30 meter van woningen, deze bedrijven komen thans in het woongebied niet voor. n het overgangs- en woongebied worden doorgaans bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond. In de praktijk laten deze functies zich in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. De gewenste afstand tussen bedrijven en woningen is afhankelijk van de categorie van het bedrijf: Categorie bedrijven
indicatieve afstand tussen indicatieve afstand in woningen en bedrijven een overgangsgebied
1
0 - 10 meter
2
30 meter
0 - 10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
4.1
200 meter
100 meter
4.2
300 meter
200 meter
69
Figuur met uitsnede van de kaart Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam Overige activiteiten in of nabij het plangebied Het plangebied kent enkele activiteiten die in te delen zijn in milieucategorie 3.1 en 3.2 en zelfs een in de categorie 4.1. In de laatste categorie valt het openluchtzwembad 't Zwarte Plasje. De nieuwe woningen zijn op voldoende afstand van de verschillende activiteiten gelegen. Garagebedrijf A. van Beuningen Adriaen van der Doeslaan 27 (officieel milieucategorie 3.2) is naar aard en omvang passend binnen de omgeving. Datzelfde geldt voor garagebedrijf Hillegersberg Adriaen van de Doeslaan 19. Lommerrijk b.v. met Dok 99 is een horecalocatie (milieucategorie 3.1) en is passend binnen het overgangsgebied. De jachthavens aan Emmalaan, Molenwerf, Prinsemolenpad, Rotte, Straatweg en Weissenbruchlaan (milieucategorie 3.1 en 3.2) zijn passend in hun omgeving. Ook de beide tennisparken (milieucategorie 3.1) zijn passen in hun omgeving. Kinderboerderij De Wilgenhof (milieucategorie 3.2) is passend in het overgangsgebied. De combinatie horeca en wonen In het gebied zijn voornamelijk ochtendhoreca en daghoreca gevestigd. Het horeca-aanbod is in balans met de overige functies in de wijk. De woonfunctie is fysiek hoger gelegen.
Afwijken Het bevoegd gezag kan gebruikmaken van de bevoegdheid tot afwijken van het bestemmingsplan om bedrijven uit een hogere categorie toe te staan. De aangewezen Milieudeskundige kan bepalen dat deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn, bijvoorbeeld als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze. 6.3.2
Conclusie
In het plangebied van bestemmingsplan 'Kern en Plassen' en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.
70
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Kern en Plassen biedt de planologische mogelijkheden om op 27 locaties nieuwe woningen te realiseren, door middel van transformatie en/of functieverandering naar de functie 'Wonen' binnen de bestaande bebouwing. Op één locatie (in dit onderzoek als locatie W09 aangeduid en in de onderstaande figuur in groen weergegeven) wordt tevens een extra bouwlaag bovenop de bestaande bebouwing toegelaten. In onderstaande figuur is de ligging van de ontwikkellocaties weergegeven.
71
Figuur ingezoomd op de globale ligging van 26 ontwikkellocaties. Locatie 27 ligt aan de Ringdijk 84.
Het cluster Stadsontwikkeling (SO) heeft in het kader van het bestemmingsplan "Kern en Plassen" aan het Ingenieursbureau van gemeente Rotterdam opdracht gegeven voor een akoestisch onderzoek
72
(Bijlage 4). Wettelijke geluidbronnen Voor dit plan is de wettelijke geluidbron wegverkeer relevant. De aspecten luchtvaartlawaai, industrielawaai en railverkeerslawaai zijn voor dit bestemmingsplan niet van belang. De ontwikkellocaties liggen namelijk niet binnen de geluidzone van een luchtvaartterrein, een industrieterrein of een spoorweg. 6.4.1
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied
Stedelijk- -gebied
Aantal rijstroken
1 of 2
3 of meer
1 of 2
3 of 4
5 of meer
200 meter
350 meter
250 meter
400 meter
600 meter
Zonebreedte
Buiten-
-stedelijk-
-gebied
Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen. Dat kan tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. Als sprake is van vervangende nieuwbouwwoningen kan dit tot maximaal 68 dB. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn aangegeven in de onderstaande tabel. In onderstaande tabel is de maximaal berekende geluidbelasting voor de onderzochte locaties weergegeven als gevolg van de zoneplichtige wegen. De gepresenteerde resultaten zijn inclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh. Tabel: Hoogst berekende geluidbelasting op onderzochte locaties per zoneplichtige weg/tramspoorweg (incl. aftrek art. 110g Wgh)
73
74
Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op locaties W11 en W15 t/m W24 vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen en tramsporen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Op de overige 16 onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) dan wel voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (68 dB) worden daarbij niet overschreden. 6.4.2
Conclusie
Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: de hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); de hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); de gecumuleerde geluidbelasting; maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidbelaste locatie; de regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB). 6.4.2.1 Wegverkeerslawaai De geluidbelasting voldoet op 11 locaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen (en tramsporen aan de voorkeurswaarde (48 dB). Het betreft hierbij locaties W11 en W15 t/m W24. Op de overige 16 onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere zoneplichtige wegen (en tramsporen).
De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) dan wel voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (68 dB) worden daarbij niet overschreden. Maatregelen zijn gewenst.
75
De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege alle onderzochte zoneplichtige wegen is bij 16 ontwikkellocaties hoger dan 53 dB. De plandrempel van 53 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2019-2023, wordt bij deze locaties overschreden. Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen (kunnen) worden getroffen om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde voor de geluidbelasting te verlagen, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van Burgemeester en Wethouders. 6.4.2.2 Ontheffingsbeleid Rotterdam De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de onderzochte locaties per bouwlaag berekend. Uit het akoestisch rapport blijkt dat locatie W25 niet beschikt over een geluidluwe zijde. Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locatie vraagt aandacht. De overige locaties beschikken wel over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen.
Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidkwaliteit hebben, ook als de geluidbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai. 6.4.2.3 Aanbevelingen uit het akoestisch onderzoek Locatie W25 beschikt niet over een geluidluwe zijde. Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locatie is niet mogelijk. Daarom wordt voor deze locatie geen ontheffing aangevraagd en hogere waarde procedure gevolgd. De overige locaties beschikken over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam. 6.4.2.4 Hogere waarden Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai tot de voorkeurswaarde te beperken.
In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in tabel 7.1 weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan Kern en Plassen als hogere waarden te worden aangevraagd. Tabel: Aan te vragen hogere waarden voor het bestemmingsplan Kern en Plassen
76
77
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. Nieuwe bestemmingen plangebied In het nieuwe bestemmingsplan worden onder meer de volgende nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt:
78
Detailhandel concentreren. Bestaande winkels worden niet actief gesaneerd. Wel zal op locaties waar de detailhandel verdwijnt de mogelijkheid voor winkels vervallen binnen gemengde bestemming. Horeca: ontwikkelrichting consolideren. Meer algemene aanpassingen voor het bestemmingsplan: Meer gedetailleerd bestemmen gerealiseerde projecten. Milieutechnische onderbouwing leveren voor te transformeren locaties naar wonen. De mogelijk gemaakte woonbestemming betreft vooral transformatie van bestaande gebouwen. Er wordt vrijwel geen nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan. Eigenlijk alleen het optoppen van de flats aan de Weissenbruchlaan. Dat is nu al mogelijk door een bestaande wijzigingsbevoegdheid. Voor het gebouw van Rijndam Revalidatie aan de Ringdijk 84 is nog onduidelijk of het huidige gebouw zal worden getransformeerd of zal worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw. Op een aantal locaties (zie lijst in bijlage) wordt transformatie naar woningen mogelijk gemaakt. Het betreft in totaal circa 220 woningen. Toetsing en conclusie In en rondom dit plangebied wordt in de huidige situatie (2018) aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (peiljaren 2020 en 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. De ontwikkelingen omvatten gezamenlijk het realiseren circa 220 woningen als gevolg van transformatie van bestaande panden, zie bijlage.
Dit genereert minder wegverkeer dan het aantal van 3.000 woningen dat bij een tweezijdige ontsluiting mag worden gebouwd onder de NIBM regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). In de gemaakte analyse voor het bestemmingsplan (Bijlage 5 Notitie Luchtkwaliteit NIBM 20200921) is aangetoond dat het plan Kern en Plassen een niet in betekenende mate bijdrage geeft aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid.
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Uit de beschikbare bodeminformatie blijkt dat in het plangebied een groot aantal locaties aanwezig is waar bodemonderzoek is uitgevoerd van wege bodemsanering. Vaak vanwege voormalige ondergrondse tanks voor huisbrandolie. Waar binnen het plangebied sprake is van herontwikkeling dient beoordeeld te worden of de huidige bodemkwaliteit volstaat voor de toekomstige bestemming en het gewenste gebruik.
Beoordeling vindt plaats op basis van recente onderzoeksresultaten (in principe niet ouder dan 5 jaar).
79
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). De volgende, voor dit plangebied, relevante risicobronnen komen in het onderzoek naar de externe veiligheid aan bod: het risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A20; het risico van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (Rotterdam-Gouda).
Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone (het groepsrisicoaandachtsgebied) van de A13 en de (in aanleg zijnde) A16 Rotterdam. Voor deze risicobronnen wordt het groepsrisico daarom niet behandeld in het onderzoek risico externe veiligheid en verantwoording groepsrisico (bijlage) 6.7.1
Conclusie per risicobron
Transport van gevaarlijke stoffen over de A20 Plaatsgebonden risico Het plafond van het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) blijft binnen het profiel van de autosnelweg en levert
80
daardoor geen belemmering op voor dit bestemmingsplan. Groepsrisico De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden en bedraagt 50% (0,5 maal) van de oriënterende waarde. De realisatie van de ontwikkelingen uit dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied Aangezien er geen nieuwe ontwikkelingen binnen een zone van 30 meter naast de A20 plaatsvinden heeft het plasbrandaandachtsgebied geen betekenis voor dit plan. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Plaatsgebonden risico De norm van 7 meter (gemeten uit het hart van het spoor) van het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) ligt direct naast het spoor en buiten het plangebied. De norm van het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmering op. Groepsrisico De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden en bedraagt 0,2 maal de oriënterende waarde. De realisatie van de ontwikkelingen uit dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied Aangezien er geen nieuwe ontwikkelingen binnen een zone van 30 meter naast de A20 plaatsvinden heeft het plasbrandaandachtsgebied geen betekenis voor dit plan. 6.7.2
Verantwoording groepsrisico
Advies ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico De ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt hebben geen invloed op de groepsrisico's van de A20 en het spoor. Dit komt door de grote afstand van de ontwikkellocaties tot deze risicobronnen. De groepsrisico's blijven onder de oriënterende waarde en bedragen: 0,2 maal de oriënterende waarde voor het spoor; 0,5 maal de oriënterende waarde voor de A20. De ontwikkellocaties zijn van meerdere kanten goed bereikbaar voor voertuigen van de hulpverleningsdiensten. Volgens het gemeentelijke beleid zal de bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico van het spoor volgens de categorie 'licht' plaatsvinden. Bij de categorie 'lichte' verantwoording gelden uitsluitend generieke maatregelen ten aanzien van de veiligheidsaspecten hulpverlening en zelfredzaamheid. Volgens het gemeentelijke beleid zal de bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico van de A20 volgens de categorie 'middel' plaatsvinden. Bij een categorie 'middel' verantwoording geldt naast de voorwaarden van de categorie 'licht' (generieke maatregelen ten aanzien van de veiligheidsaspecten hulpverlening en zelfredzaamheid en opname van de verantwoording in de toelichting van het bestemmingsplan), een maatwerkadvies van de Veiligheidsregio, inzicht in mogelijke ongevalscenario's en afweging van alternatieve locaties.
De verantwoording vraagt een belangenafweging. De uitkomst van het verantwoordingsproces wordt in de toelichting van de agendapost bij het besluit opgenomen. Het bestuur wordt, in het kader van de besluitvorming, expliciet op de hoogte gebracht van het groepsrisico. Doordat het groepsrisico van de A20 kleiner is dan de oriëntatiewaarde wordt aan het belang van de provincie Zuid-Holland, zoals verwoord in de Beleidsvisie en structuurvisie, voldaan. Dit groepsrisico verandert door dit nieuwe bestemmingsplan niet, alternatieve locaties zijn daarmee niet aan de orde. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Omdat de ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk vallen binnnen het invloedsgebied van het transport van
81
gevaarlijke stoffen over wegen (A13, A20 en de A16 Rotterdam) en het spoor dient advies te worden ingewonnen bij de VRR. Conclusie Op basis van de hiervoor genoemde overwegingen en het VRR maatadvies (pm) wordt het college van B&W van de gemeente Rotterdam, bij de vaststelling van het bestemmingsplan Kern en Plassen geadviseerd de hiervoor genoemde groepsrisico's bestuurlijk te verantwoorden.
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1
Flora- en faunatoets
Voor het bestemmingsplan is in opdracht van de gemeente een flora- en faunatoets uitgevoerd (zie Bijlage 8). Voor het bestemmingsplan Kern en Plassen zijn de Omgevingsvisie Zuid-Holland, voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en de gebiedsbescherming en soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied (Oude Maas) ligt buiten de invloedssfeer van mogelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland of Beschermde Weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn vanwege de afstand uitgesloten. Op de Rotterdamse natuurkaart is te zien dat het overgrote deel van het bestemmingsplangebied is aangewezen als een kerngebied met uitzondering van de bebouwingskernen. De grotere plassen zijn aangewezen als "Plas", de groene zones langs de plassen zijn aangewezen als 'Parkbos" afgewisseld met kleine plekken "Groene Wijkdooradering". De Rotte is aangewezen als 'Waternetwerk" Het Berg- en Broekpark is aangewezen als Natuurparel. Het park is een klein stukje authentieke polder midden in de stad. In de natte veenweiden groeien soorten als ratelaar, knoopkruid, echte valeriaan en