CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003507] Bijlage 1 behorende bij 24bb004932 - Ontwerpbestemmingsplan De Kaai

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Advisering subcommissie bestemmingsplannen34.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

5.7.2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.8

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden

76

bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 5.8.1

Relatie tot het plangebied

De Kop van Feijenoord geldt in het Rotterdamse beleid als een gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Activiteiten in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied is sprake van woon- en gemengde gebieden waarbinnen dezelfde functies mogelijk zijn al waar voorliggend bestemmingsplan in voorziet. Het gaat daarbij om activiteiten met maximaal een milieucategorie 2. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid tot ten hoogste categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen.

Voor horeca is een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan opgenomen, waardoor horeca (en terrassen) uitsluitend worden toegestaan indien uit een akoestisch onderzoek volgt dat ter plaatse van bestaande en geprojecteerde woningen - rekening houdend met stemgeluid - voldaan wordt aan de van toepassing zijnde grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel de van toepassing zijnde maatwerkvoorschriften. Zodoende is geborgd dat woningen niet worden belemmerd door horeca in het plangebied. 5.8.2

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.9

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: « » » »

het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.

77

De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en de algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: « »

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening te houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. 5.9.1

Relatie tot het plangebied

Gebiedsbescherming Voor de beoogde herontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd om te beoordelen of toestemming voor de herontwikkeling kan worden verkregen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het stikstofonderzoek is als Bijlage 12 Stikstofdepositieonderzoek opgenomen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de Biesbosch ligt op ongeveer 21,5 kilometer afstand van het plangebied. Mogelijk veroorzaken de beoogde activiteiten bij de aanleg en het gebruik een stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. In dit onderzoek is daarom beoordeeld of de bouw of het gebruik van de herontwikkeling van de Nassaukade, een significant effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Uit de resultaten volgt dat de stikstofdepositie voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van dit onderzoek zijn daarom significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege aanleg- en gebruiksfase van de Nassaukade op voorhand uit te sluiten. Soortenbescherming

78

Ten behoeve van de herontwikkeling is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, om aan te tonen in hoeverre de bestaande bebouwing en de nieuw te bebouwen ondergrond een geschikte verblijfplaats vormt voor dier- en/of plantensoorten. De quickscan is toegevoegd als Bijlage 13 Quickscan flora en fauna bij deze toelichting. Uit de quickscan volgt dat in het monumentale deel huismussen niet met absolute zekerheid uit te sluiten. Verder is er een kleine kans op gierzwaluwen in het deel van de fabriek dat naast het monumentale deel staat en kan de aanwezigheid van vleermuizen niet worden uitgesloten. Gezien voorgaande is een nader onderzoek naar vleermuizen en gierzwaluwen uitgevoerd. Het nader onderzoek is toegevoegd als Bijlage 14 Afdoend onderzoek vleermuizen en gierzwaluwen. Het onderzoek naar vleermuizen is conform de van toepassing zijnde protocollen en andere handleidingen voor dergelijke inventarisaties uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat binnen de invloedssfeer van het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Daarnaast zijn binnen en in de direct omgeving van het plangebied geen gierzwaluwen waargenomen. Gezien voorgaande is voor deze soorten geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Tevens is een nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd.

Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 15 Nader ecologisch onderzoek - huismussen Uit dit onderzoek volgt dat de aanwezigheid van huismussen in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied vervult geen functie voor de huismus. Dit betekent dat ook voor deze soort geen ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.9.2

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Verkeer en parkeren Het plan omvat het realiseren woningen, kantoren, commerciële - en maatschappelijke functies. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in het locatietype 'centrum'. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. In de planregels is een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: » »

Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.

5.10.1 Relatie tot het plangebied Door Royal Haskoning DHV is een verkeersonderzoek uitgevoerd (zie ook bijlage 16 behorend bij de toelichting). In dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van het plan inzichtelijk gemaakt, beoordeeld en is tevens inzicht gegeven in de parkeerbalans. Verkeersaantrekkende werking De totale verkeersproductie van de gebiedsontwikkeling De Kaai, bedraagt naar verwachting maximaal 2.950 voertuigen/etmaal voor een gemiddelde werkdag. Voor de bepaling van de verkeerseffecten is beoordeeld hoe de verkeersaantrekkende werking zich verhoudt ten opzichte van de bestaande vergunde (en planologisch toegestane) situatie, dus waar het gebied nog bestaat (bestond) uit een volwaardig operationeel fabrieksterrein. Het fabrieksterrein in de 'oude situatie' leverde circa 1.480 voertuigen/etmaal voor een gemiddelde werkdag in het model op. De grootste toenames van het wegverkeer ten gevolge van de nieuwe gebiedsontwikkeling treden logischerwijs op vlak bij de ontwikkellocatie De Kaai. Naarmate je verder weg van de locatie gaat,

79

spreidt het verkeer zich en 'dooft het effect' uit. De toenames van het verkeer bedragen maximaal circa 800 voertuigen/etmaal op wegvakniveau, op de Oranjeboomstraat, dicht bij de ontwikkellocatie. Het verkeer van en naar De Kaai verdeelt zich redelijk gelijk over de noordelijke richting (Noordereiland en Willemsbrug) en de zuidelijke richting (stukje Oranjeboomstraat - Roentgenstraat - Rosestraat). De toenames op genoemde wegen zijn relatief klein; zo is de verkeerstoename op de Willemsbrug ten gevolge van de gebiedsontwikkeling De Kaai 10/0 (24.860 voertuigen/etmaal in 2030 ten opzichte van 24.490 in de referentiesituatie) en op de Rosestraat nabij de Laan op Zuid is deze 1,3/ (23.490 ten opzichte van 23.170 voertuigen/etmaal). De inschatting is dat de verkeersproductie van De Kaai zich al volgt verdeelt: » « »

De 50/ die richting noorden gaat neemt logischerwijs de Nassaukade (duidelijk kortste route); De 50/ die richting zuiden kan zich verdelen over beide straten; Uitgaande van een evenwichtige verdeling van het verkeer van/naar het zuiden is de verkeersbelasting op de Nassaukade ten gevolge van De Kaai circa 2.200 voertuigen/etmaal en de verkeersbelasting op de Nassaustraat ten gevolge van De Kaai circa 750 voertuigen/etmaal.

Meest kritisch voor de verkeersafwikkeling op het Rotterdamse wegennet zijn de kruispunten Nassaukade - Oranjeboomstraat en Roentgenstraat - Oranjeboomstraat. Op basis van de voorspelde verkeersintensiteiten op deze kruispunten voor het planjaar 2030 is getoetst of deze kruispunten de verwachte stromen nog kunnen verwerken. Daarvoor zijn kruispuntanalyses uitgevoerd met behulp van de methode Harders, uitgaande van de bestaande voorrangskruispunten op deze locaties. »

»

Kruispunt Nassaukade - Oranjeboomstraat: In de planvariant worden de wachttijden op dit kruispunt in de avondspitsperiode lang (meer dan 20 sec.) en daarmee niet meer acceptabel. Ook in de referentiesituatie zijn de wachttijden in de avondspitsperiode echter al onacceptabel lang (meer dan 20 sec.). Voor de ochtendspitsperiode zijn zowel voor de referentiesituatie als de plansituatie geen afwikkelingsproblemen voorzien. Dit kruispunt is dus naar verwachting in 2030 al kritisch, hetgeen nog wordt versterkt door de verkeersgeneratie van de gebiedsontwikkeling De Kaai. Anders gezegd, los van de gebiedsontwikkeling De Kaai, is aanpassing van dit kruispunt noodzakelijk om de verwachte verkeersvraag goed te kunnen verwerken. In samenspraak met de gemeente moet bezien worden welke aanpassingen nodig of mogelijk zijn. In het kader van het verkeerskundig onderzoek is getoetst of een aanpassing van dit kruispunt naar een kruispunt met verkeerslichten de verwachte vraag kan verwerken. Een COCON-berekening laat zien dat de cyclustijden dan ruim binnen de acceptabele marges blijven: in de ochtendspits is een cyclustijd van 47 seconden nodig en in de avondspits een cyclustijd van 55 seconden, waar het criterium is dat de cyclustijden wenselijk onder de 90 seconden blijven.

Met andere woorden: er is een oplossing haalbaar binnen de bestaande verkeersruimte voor een goede verkeersafwikkeling op dit kruispunt, met realisatie van De Kaai. Kruispunt Roentgenstraat - Oranjeboomstraat: In zowel de referentiesituatie als de planvariant blijven de wachttijden op dit kruispunt volgens de berekeningen beperkt en acceptabel (gem. 15 sec. of lager). Dit kruispunt heeft dus voldoende capaciteit om de verwachte verkeersstromen af te wikkelen in het planjaar 2030, zonder en met de gebiedsontwikkeling De Kaai. Aangezien de gebiedsontwikkeling De Kaai aansluit op beide kruispunten, kan het mogelijk zijn dat vanwege de wachttijden op het kruispunt Nassaukade - Oranjeboomstraat in de praktijk meer de andere route gaat gebruiken, via de Nassaustraat - Roentgenstraat, zodat er een ander ‘evenwicht’ ontstaat, zeker indien het kruispunt Nassaukade - Oranjeboomstraat niet wordt aangepast.

Ontsluiting en bereikbaarheid Los van de invulling op het te ontwikkelen terrein van De Kaai blijft het infrastructureel netwerk voor auto, openbaar vervoer en fiets ongewijzigd ten opzichte van de referentiesituatie. Voor autoverkeer en fietsverkeer betekent dat in essentie dat er goede, directe ontsluitingsroutes zijn van en naar het gebied, naar de noordzijde (via de Nassaukade) en naar de zuidzijde (via de Nassaustraat). Fietsers kunnen vanaf hier aantakken op de bestaande fietsvoorzieningen langs de hoofdwegen en door de wijk Feijenoord rijden, indien dit past voor hun gewenste route. De bereikbaarheid voor deze beide modaliteiten is daarmee goed te noemen. De wijze waarop de parkeervoorzieningen gerealiseerd gaan worden, in de bestaande parkeergarage (scenario A) of op alternatieve locaties binnen het gebied (scenario B) heeft hierop geen invloed.

80

Het ontwikkelgebied wordt nadrukkelijk autoluw, zo is in het ambitiedocument aangegeven. Zoals in het document staat geschreven 'Voetgangers staan centraal, fietsers zijn te gast en de kade is autovrij.' Parkeren van zowel auto's als fietsen vindt zo veel als mogelijk aan de rand van het gebied plaats (bij voorkeur in de 'mobiliteitshub', de bestaande parkeergarage van Unilever - parkeerscenario A). In het binnengebied krijgt de verblijfskwaliteit en de kwaliteit van de voetgangersverbindingen prioriteit. Indien toch teruggegrepen moet worden op scenario B voor autoparkeren (met ook parkeerlocaties elders op de locatie) is het met name een kwestie van goed (stedenbouwkundig) ontwerp, om te waarborgen dat de bereikbaarheid en kwaliteit voor langzaam verkeer optimaal geborgd wordt.

Figuur 5.9: Ambitiekaart Mobiliteit De Kaai (bron: Ambitiedocument november 2022)

De bereikbaarheid van het gebied met het openbaar vervoer is redelijk. In de omgeving zijn bus-, tram-, metro- en treindiensten beschikbaar, maar de dichtstbijzijnde haltes zijn op enige afstand. Bushaltes zijn vlakbij gelegen (aan de Roentgenstraat en op de Rosestraat). De afstand tot een hoogwaardige OV-halte is groter; zo ligt het NS-station Rotterdam-Zuid op circa 1 kilometer loopafstand en het metrostation Rijnhaven op circa 1,5 kilometer. De looproutes ernaartoe zijn niet aantrekkelijk en niet zonder obstakels. Op basis van de plannen, zoals opgenomen in het ambitiedocument, zijn de te verwachten effecten voor de verkeersveiligheid positief. Er ligt een ambitie en intentie om de wijk een autoluw karakter te geven, waarbij autoverkeer en ook fietsverkeer (zo veel als mogelijk) aan de rand van het gebied wordt opgevangen. Daarmee zullen de interacties met voetgangers (en dus mogelijke conflicten) in het gebied minimaal zijn. Ook is de verwachting dat deze ambitie zal leiden tot een beperking van het autogebruik en meer gebruik van alternatieve vervoermiddelen, hetgeen gunstig is voor de verkeersveiligheid. Parkeren In het verkeersonderzoek is een parkeerbalans opgesteld. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke capaciteit benodigd en beschikbaar is.

Gebruikmakend van het geldende parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam is berekend hoe veel parkeerplaatsen moeten worden voorzien en is beoordeeld of het scenario A, met parkeren in de parkeergarage op basis van dubbelgebruik, haalbaar is of dat extra parkeerplaatsen voorzien moeten worden op het terrein (scenario B). In de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' zijn de parkeernormen van de gemeente Rotterdam opgenomen. De gemeente heeft de stad onderverdeeld in 3 stedelijke zones. De wijk Feijenoord ligt in gebied A - hoogstedelijk. De parkeernomen uit onderstaande tabel gelden voor de verschillende functies die zijn voorzien.

81

Tabel 5.10: Parkeernormen gemeente Rotterdam voor gebied A, hoogstedelijk (bron: Verkeersonderzoek De Kaai)

In de beleidsregeling heeft de gemeente Rotterdam mogelijkheden opgenomen voor reducties op het aantal benodigde parkeerplaatsen bij een ontwikkeling. De verschillende reducties mogen bij elkaar opgeteld worden. De reductiemogelijkheden die voor De Kaai van toepassing zijn, in afstemming met de gemeente, zijn de volgende: »

«

»

«

Nabijheid OV-halte: op basis van het type OV-halte en de hemelsbrede afstand van de ontwikkeling tot aan de entree van de OV-halte is er een reductie mogelijk. NS-station Rotterdam Blaak ligt hemelsbreed binnen 1.200 meter van de ontwikkeling vandaan, waarvoor een reductie van 200Zo geldt Inzet extra fietsparkeerplaatsen: indien een ontwikkeling in betaald parkeren gebied voorziet in extra fietsparkeerplaatsen op eigen terrein, dan kan de autoparkeereis met ten hoogste 100Zo worden verlaagd in een verhouding 2 fietsplekken in plaats van 1 autoplek. Inzet deelauto's: indien bij een woningontwikkeling in betaald parkeergebied voor ten minste 10 jaar, commercieel aangeboden deelauto's beschikbaar worden gesteld op geoormerkte deelautoparkeerplaatsen in de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening, dan kan de autoparkeereis met ten hoogste 200Zo verlaagd worden in de verhouding één deelautoparkeerplaats in plaats van vijf gewone autoparkeerplaatsen. Inzet MaaS (Mobility as a Service): indien bij een ontwikkeling in betaald parkeergebied gebied voor alle toekomstige gebruikers van MaaS, voor ten minste 10 jaar beschikbaar wordt gesteld, dan kan de autoparkeereis met ten hoogste 200Zo worden verlaagd.

Bij het berekenen van de parkeerbalans is uitgegaan van volledig dubbelgebruik van de parkeerplaatsen en zijn ook expliciet de reducties inbegrepen. Vanuit deze berekening heeft de avondperiode voor de ontwikkeling de grootste parkeerbehoefte, met een totaal van 299 plaatsen. Dat is het zogenaamde maatgevende moment, zie ook figuur 5.8.

82

worst case scenario

40-65 sociale huur middensegment 65-85 vrije sector 65-85 topsegment M20 totaal woningen kantoor arbeid intensief Z bezoek extensief bedrijven (cat 2) commerc dienstverl horeca restaurant horeca cafetaria 7 snackbar onderwijs creche, peuterspeelzaal, kdv sociaaf-cult centrum, wijkgebouw Je lijns gezondheidscentrum (per behandelkamer) zorgwonen (50 units a SOmĩ BVO) verpieeghuts/hospice (ca 38 eenheden) totaal commercieel

aantal 110 550 292 149 1.101

p-norm

vraag

0,4 0,6 10 1,2

44,0 330,0 292,0 178,8 844,8

1.000 m2 1 500 m2

0,7 6 0,67 1,2 1,6 0,4 0,8 0,1 0,53 0,4 0,4

7,6 JO.J

1.000 m2 700 m2 700 m2 600 m2 500 m2 4 000 m2 4.000 m2 3 000 m2

TOTAAL PARKEERBEHOEFTE ONTWIKKELING

reductie nabijheid treinstation (NS-station Blaak) reductie extra fietsparkeerpfekken reductie agv inzet deelauto's (wonen) reductie agv aanbieden MaaS

20‘A ÍÖ9ó 20ŪÁ 20oA

'

12,0 32,0 2,8 5,6 0,5 13,8 20,0 15,2

middag 22,0 165,0 146,0 89,4 422,4

avond 39,6 297,0 262,8 160,9

koopav 35,2 264,0 233,6 143,0

760,3

675,8

7,6 10,1 12,0 12,8 1,4

0.4 0,5 0,6 28.8 2,2 4.5 0,5 1,4 20,0 15,2

0,4 0,5 9,0 30,4 2,2 4,5 0,5 14

2,8 0,2 10,3 10.0 7.6

20,0 15,2

nacht 44,0 330,0 292,0 178,8 844,8

zat mid 26,4 198,0 175,2 107,3

zat avond 35,2 264,0 233,6 143,0

506,9

675,8

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 5,0 3,8

0,0 0,0 0,0 22,4 1.4 2,8 0,3 1,4

0,0 0,0 0,0 32,0 2,8 5,6 0,5 14 16.0 13,7 72,0

'

119,5

74,8

74,1

84,1

8,8

12,0 9,1 49,4

964,3

497,2

834,4

759,9

853,6

556,3

747,8

192,9 96,4

166,9 83,4

169,0 192,9

99,4 49,7 84,5 99,4

152,1 166,9

152,0 76,0 135,2 152,0

170,7 85,4 169.0 170,7

111,3 55,6 101.4 111,3

149,6 74,8 135,2 149,6 509,1

TOTAAL REDUCTIE

651,1

333,1

569,3

515,1

595,8

379,5

toevoeging deelauto's (1 op 5)

34,0

34,0

34,0

34,0

34,0

34,0

34,0

TOTAAL BEHOEFTE NA REDUCTIE

347,2

198,1

299,1

278,8

291,8

210,8

272,7

Figuur 5.11: Parkeerbalans De Kaai (bron: Verkeersonderzoek De Kaai)

Op basis van het geldende parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam (de parkeernormen 2022) zijn voor het berekende programma van de gebiedsontwikkeling De Kaai minimaal 299 autoparkeerplaatsen nodig, na aftrek van alle reducties die mogelijk zijn. In onderstaande figuur is de balans van de parkeerbehoefte en beschikbare capaciteit in de parkeergarage aangegeven voor iedere tijdsperiode.

Figuur 5.12: Beoordeling parkeersituatie gebied De Kaai (bron: Verkeersonderzoek De Kaai)

Uit deze tabel is te zien dat voor alle verschillende tijdsperioden de bestaande parkeergarage volledig kan voorzien in de parkeerbehoefte voor De Kaai (het 'worst case' programma, inclusief de reductiefactoren) en die van het bruggebouw en kadegebouw gezamenlijk. Indien de reductiefactor voor nabijheid van NSstation op 100Zo (in plaats van 2007o) wordt toegepast, blijft de conclusie dezelfde: voor iedere tijdsperiode is de balans nog positief. Anders gezegd: door middel van dubbelgebruik (parkeerscenario A) is met de bestaande garage voldoende parkeercapaciteit aanwezig voor de ontwikkeling van De Kaai en is het niet nodig parkeerplaatsen op het terrein van De Kaai zelf te voorzien (parkeerscenario B). Voorwaarde is wel dat daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de duurzame mobiliteitsmaatregelen, die de reductie van de parkeerbehoefte aanzienlijk verminderen. Uiteraard is het realiseren van een extra gebouwde parkeervoorziening (parkeerscenario C) ook mogelijk om te voorzien in de parkeerbehoefte. 5.10.2 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

83

5.11

Windhinder

Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties winhinderonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een nokhoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht. 5.11.1 Relatie tot het plangebied Het voornemen bestaat om een gemengd programma te realiseren ten behoeve van maximaal 1.100 woningen en 17.000 m2 aan voorzieningen, in de vorm van horeca aan de kade, werk- en bedrijfsruimte voor lokale ondernemers, culturele of maatschappelijke invulling als stedelijke trekker, wijkgerichte winkels en/of dienstverlening en kantoorruimte in de bestaande bebouwing. De nieuwbouw bestaat onder andere uit één woontoren met een maximale hoogte van 73 meter. Gezien het beoogde bouwvolume is het effect van deze nieuwbouw op de omliggende bebouwing inzichtelijk gemaakt (zie ook bijlage 17 Windhinderstudie). Het doel van het onderzoek is om het windklimaat rond de nieuwbouw op maaiveld te bepalen. Daarbij is onderscheid gemaakt tusen windhinder en windgevaar. Huidige situatie Uit het windhinderonderzoek volgt dat er in de huidige situatie geen sprake is van windgevaar of beperkt risico.

Uitgaande van "doorlopen" is aan de noordwestkant, langs de Maas, is er sprake van een matig windgebied met windklasse D. De overige gebieden langs de Maas hebben een goed windklimaat (windklasse A, B en C). Op de Nassaustraat is er sprake van een goed windklimaat met maximaal windklasse C voor doorlopen. Op de Roentgenstraat is er sprake van een goed windklimaat, met maximaal windklasse B voor doorlopen. Op het terrein zelf is er sprake van voornamelijk windklasse A en B, en op twee plaatsen windklasse C. Voor doorlopen een goed windklimaat.

84

M.2022.0341.04: /data'upfield/mOľ/upfieldOľA 01 kans op windhinder Upfield Rotterdam, huidige situatie, december 2022

windhinder klasse doorlopen slenteren langdur zitten HH+ +H++ ++ ++

Figuur 5.13: Kans op windhinder in de huidige situatie (Bron: DGMR)

Toekomstige situatie Uit de resultaten volgt dat na realisatie van de maximale volumes tevens geen sprake is van windgevaar of een beperkt risico. Uitgaande van "doorlopen" ontstaat aan de noordwestkant, langs de Maas, een matig windgebied met windklasse D. De overige gebieden langs de Maas hebben een goed windklimaat (windklasse A, B en C) voor doorlopen. Het windklimaat langs de Maas is vergelijkbaar met de huidige situatie. In de Nassaustraat is, net als in de huidige situatie, het windklimaat goed voor doorlopen met maximaal klasse C. In de Roentgenstraat ontstaat er een gebiedje met windklasse D aan de oostzijde. Het windklimaat is hier matig voor doorlopen. Ook ontstaan er gebieden met windklasse C in de Roentgenstraat die maximaal klasse C. Op het terrein zelf ontstaan een paar kleine gebieden met klasse C.

85

Figuur 5.14: Kans op windhinder in de toekomstige situatie (Bron: DGMR)

De nieuwbouw zorgt ervoor dat het windklimaat op de Roentgenstraat iets verslechtert: er ontstaat een klein gebied met klasse D. Dit is geen probleem voor doorloopgebieden. Ook in het plangebied zelf ontstaat er door de nieuwbouw een aantal gebieden met windklasse C. Deze gebieden zijn zonder maatregelen geschikt als doorloopgebied. Voor terrassen en horeca geldt dat maatregelen gewenst zijn, zodat kan worden gestreefd naar een windklasse A. 5.11.2 Conclusie Het aspect windhinder vormt in de onderzochte situatie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.12

Duurzaamheid

De wettelijke eisen die worden gesteld aan nieuwbouw, zijn opgenomen in het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt onder andere eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen. De Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC), een maat voor energieuzuinigheid, is per 1 januari 2021 vervallen. Alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, moet vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Gemeente Rotterdam Het Duurzaamheidskompas zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij, en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. In het Duurzaamheidskompas is te lezen 1. 2.

Welke doelstellingen Rotterdam deze collegeperiode, in 2030 en in 2050 nastreeft op het gebied van duurzaamheid; Hoe de gemeente de transities op het gebied van duurzaamheid dichter bij elkaar kan brengen, zodat ze elkaar versterken;

86

3. Op welke manier de gemeente met welk thema aan de slag gaan en in welke documenten dit wordt toegelicht. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een levend document. De gemeente zal regelmatig extra speerpunten toevoegen. Voor de lange termijn zijn een aantal doelstellingen geformuleerd voor vier verschillende thema's: energietransitie, circuliair, klimaatbestendig en gezonde leefomgeving. 5.12.1

Relatie tot het plangebied

Het creëren van een duurzame leefomgeving is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam. Duurzaam bouwen is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave voor De Kaai. Dit vindt plaats aan de hand van een aantal speerpunten: « » » »

de leefbare stad. buurtgevoel thuisgevoel ruimte voor iniatieven

Het aspect duurzaamheid speelt samen met de belevingswaarde en leefkwaliteit een belangrijke rol bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling. Ten aanzien van duurzaamheid zal er een ontwikkeling gerealiseerd gaan worden die een zo klein mogelijke impact heeft op de omgeving en het milieu en anderzijds met name voor de nieuwbouw minimaal voldoet aan toekomstige regelgeving op het gebied van energiezuinigheid. Dit laat zich vertalen in de vijf thema's, waarvoor de gemeente Rotterdam op de lange termijn doelstellingen voor het geformuleerd. Het gaat om de volgende vijf onderdelen: »

»

»

»

»

Energiezuinig: de structurele reductie van energiegebruik wordt bereikt door een hoogwaardige bouwfysische schil. Binnen de ontwikkelign wordt voorzien in zonnepanelen, zodat wordt voorzien in duurzame energieopwekking. Het solardak wordt eventueel gecombineerd met een waterverraging of waterberging. Circulair en flexibel bouwen: met deze ontwikkeling wordt de stap gezet naar een circulaire bouw­ en vastgoedsector door waar mogelijk circulaiir te bouwen. Zo wordt het Hof bijvoorbeeld een circulaire plek met de mogelijkheid van hergebruik van materialen uit de fabrieksgebouwen (vloer en muur). Daarnaast wordt gestreefd naar het voorzien in een circulair watersysteem. Klimaatadaptief ontwerp: er wordt met het ontwerp geanticipeerd op toenemende piekbuien, hittestress, langere droge perioden en verlies van biodiversiteit. Er wordt ingezet op duurzame verstedelijking, waarbij er groene verblijfsruimten gecreëerd worden en de daken ook worden voorzien van groen (zie ook paragraaf 3.3 Stedenbouwkundige uitgangspunten). Gezond en prettig leefklimaat: de ambitie is om de levenskwaliteit van de toekomstige bewoners te verbeteren. Binnen de ontwikkeling is veel aandacht voor groen, zowel in het openbaar gebied als op de daken, balkons en in de openbare ruimte.

Sociale duurzaamheid: er is veel aandacht voor het creëren van zichtlijnen en groen, aangezien beide zorgen voor een sociale, veilige en bruisend gebied.

5.12.2 Conclusie Bij de ontwikkeling van De Kaai Rotterdam speelt duurzaamheid, zoals vastgelegd in het Duurzaamheidskompas, een belangrijke rol. Voor alle vier de thema's vanuit de gemeente Rotterdam worden maatregelen genomen en daarnaast wordt er voor wat betreft wonen nog extra aandacht besteed aan sociale duurzaamheid. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen wordt nader uitgewerkt op welke wijze met deze aspecten wordt omgegaan.

87

5.13

Milieueffectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. 5.13.1

Relatie tot het plangebied

Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal 1.100 woningen en maximaal 17.000 m2 aan niet-woonfuncties mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling (activiteit categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. De ontwikkelmogelijkheden blijven echter ruim onder de drempelwaarde van deze activiteit. Daarom kan (met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij het NNN of stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de onderzochte (ruimtelijke- en) milieuaspecten, waarvan de resultaten beschreven zijn in voorliggend Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten. In bijlage 18 is een aanmeldnotitie opgenomen. Hieruit volgt dat er geen nadelige milieu effecten naar aanleiding van de ontwikkeling verwacht worden. Het bevoegd gezag wordt zodoende verzocht te besluiten dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit besluit dient genomen te worden, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. 5.13.2 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

88

Hoofdstuk 6

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017-2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

89

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. De initiatiefnemer houdt bij de verdere uitwerking van de plannen rekening met de uitgangspunten van een sluitende exploitatie, waarin alle kosten inclusief de inrichting van het openbaar gebied en opbrengsten zijn opgenomen voor de planvorming en de realisatie. Onderdeel hiervan is dat de ontwikkeling gefaseerd wordt uitgevoerd. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Participatie

Over de gebiedsontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is al vooruitlopend op de voorbereiding van dit bestemmingsplan en de bijbehorende bestemmingsplanprocedure een participatietraject gestart. In bijlage 1 is het participatieverslag toegevoegd waarin is omschreven welke activiteiten zijn georganiseerd, en op welke wijze de ontvangen reacties zijn verwerkt in het plan. Daaruit volgt dat gedurende het participatieproces steeds 4 thema's centraal stonden, namelijk: werk & voorzieningen, wonen & gebouwen, mobiliteit en openbare ruimte. Naar aanleiding daarvan worden met voorliggend bestemmingsplan expliciete bedrijvigheid toegestaan alsmede sportvoorziening. Ook wordt expliciet de mogelijkheid geboden om te voorzien in ontmoetingsruimte voor buurtbewoners. De bebouwing zal een industriële uitstraling krijgen. Dit wordt echter nader uitgewerkt in de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen. Wel is dit meegenomen bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan dat is opgenomen in bijlage 2. Binnen het plan is ruimte om te voorzien in groen en met name ook groene daken. 7.2.2

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg gevoerd met diverse instanties. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in dat verband toegestuurd aan de betreffende instanties. De overlegreacties hebben ertoe geleid dat het onderzoek externe veiligheid is aangepast en nadrukkelijk geen nieuwe bebouwing en horeca in de vrijwaringszone wordt toegestaan. Daarnaast is de paragraaf 2.2.2 aangevuld naar aanleiding van de reactie van de provincie. 7.2.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage komen te liggen. Tijdens deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend door eenieder. Ontvangen zienswijzen worden daarna behandeld en beantwoord. Eventuele aanpassingen aan het bestemmingsplan naar aanleiding van zienswijzen, zullen bij de vaststelling worden doorgevoerd wat in dat geval een gewijzigde vaststelling tot gevolg heeft.

90

De Kaai Rotterdam

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstukl

INLEIDENDEREGELS

4

Artikel 1

Van toepassing verklaring

4

Artikel 2

Begrippen

5

Artikel 3

Wijze van meten

9

Hoofdstuk2

BESTEMMINGSREGELS

10

Artikel 4

Bedrijf

10

Artikel 5

Gemengd

11

Artikel 6

Verkeer - Verblijfsgebied

14

Artikel 7

Waarde - Archeologie 2

16

Artikel 8

Waarde - Archeologie 3

18

Artikel 9

Waarde - Cultuurhistorie

20

Hoofdstuk3

ALGEMENEREGELS

21

Artikel 10

Anti-dubbeltelregel

21

Artikel 11

Algemene bouwregels

22

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

23

Artikel 13

Overige regels

24

Hoofdstuk4

OVERGANGS-EN SLOTREGELS

25

Artikel 14

Overgangsrecht

25

Artikel 15

Slotregel

26

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

INLEIDENDE REGELS

Van toepassing verklaring

De regels van het bestemmingsplan "Parapluherziening evenementen", zoals vastgesteld op 3 februari 2022, blijven onverminderd van toepassing. Voorliggend bestemmingsplan "De Kaai Rotterdam" laat de regels uit de parapluherziening ongewijzigd.

4

Artikel 2 2.1

Begrippen

Plan

Het bestemmingsplan De Kaai Rotterdam met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2229DeKaaiRdam-on01 van de gemeente Rotterdam. 2.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 2.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 2.5

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 2.6

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 2.7

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 2.8

Bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 2.9

Bedrijven

De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 2.10

Begeleid wonen

Een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging behoeven; verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan afzonderlijke ruimte ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn. 2.11

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond

Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als bijlage 2 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader. 2.12

Belwinkel

Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 2.13

Bestaand bouwwerk

Bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

5

2.14

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 2.15

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 2.16

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 2.17

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 2.18

Bouwgrens

De grens van een Bouwvlak. 2.19

Bouwlaag

Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. 2.20

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 2.21

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 2.22

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 2.23

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 2.24

Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

De bruto oppervlakte als bedoeld in de NEN 2580. 2.25

Cultuur en ontspanning

Voorzieningen op het gebied van cultuur, spel en ontspanning, zoals een atelier, creativiteitscentrum, dansschool, kookstudio, muziekschool en museum. 2.26

Dakterras

Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit (of de rechtsopvolger daarvan).

6

2.27

Daktuin

Een voorziening op het platte dak van een gebouw ten behoeve van de aanleg van groen, dat in overwegende mate niet voor verharding in aanmerking komt. 2.28

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2.29

Dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 2.30

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 2.31

Hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 2.32

Hoog-risicobiologisch laborarorium

Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". 2.33

Horeca

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank. 2.34

Horeca 1 (daghoreca)

Horecainrichtingen die tussen 07.00 uur en 23.00 uur geopend mogen zijn, die achtergrondmuziek ten gehore brengen en die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden. 2.35

Horeca 2 (avond- en nachthoreca zonder geluid)

Horecainrichtingen die 24 uur per dag geopend mogen zijn, die achtergrondmuziek ten gehore brengen en die al dan niet een terras exploiteren gedurende beperkte openingstijden. 2.36

Horeca 3 (avond- en nachthoreca met geluid)

Horecainrichtingen die 24 uur per dag geopend mogen zijn, die inpandig meer dan achtergrondmuziek mogen produceren en die al dan niet een terras exploiteren gedurende beperkte openingstijden waar alleen achtergrondmuziek ten gehore mag worden gebracht. 2.37

Kap

Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 2.38

Kantoren

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

7

2.39

Maaiveld

De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 2.40

Maatschappelijke voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, kinderopvang, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening waaronder begeleid wonen en zorgwoningen. 2.41

Milieudeskundige

De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 2.42

NAP

Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 2.43

Openbaar nutsvoorzieningen

Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 2.44

Peil (straat-)

4,0 meter + NAP. 2.45

Seksinrichting

De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 2.46

Sportvoorziening

Gebouwde en/of ongebouwde voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie. 2.47

Straatmeubilair

Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 2.48

Uitstekende delen aan gebouwen

Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 2.49

Zorgwoning

Vormen van wonen waarbij de begeleiding door externen plaatsvindt, zodat zelfstandig wonen mogelijk wordt of blijft, met dien verstande dat de externen niet voortdurend of nagenoeg voortdurend aanwezig zijn en in de woning geen afzonderlijke ruimte voor de begeleiding aanwezig is.

8

Artikel 3

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 3.1

de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3.2

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 3.3

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 3.4

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.5

de breedte van een gebouw

Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 3.6

de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens

Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.

9

Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1

BESTEMMINGSREGELS

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

c. d. e.

bedrijven; met het daarbij behorende erf en opslag- en werkterrein, met inbegrip van de tot deze bedrijven behorende kantoren (bedrijfsgebonden), met de daarbij behorende onsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens voor zelfstandige kantoren; (gebouwde) parkeervoorzieningen; dakterrassen.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op de voor 'Bedrijf bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde functies. 4.2.2 a.

b.

de bouwhoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' dan wel de aanduiding 'maximum bouwhoogte onderliggende bebouwing (m)' is aangegeven; in afwijkinng van sub a is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkraging 1' tevens de bestaande overkragende bebouwing toegestaan.

4.2.3 a. b.

c.

Gebouwen

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan; voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van dakterrassen mag worden afgeweken van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.

4.2.4

Bebouwingspercentage

Het maximum bebouwingspercentage voor gebouwen bedraagt 100oZo. 4.3

Specifieke gebruiksregels

4.3.1

Toegestane bedrijven

Uitsluitend bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels zijn toegestaan. 4.3.2

Biologisch laboratorium

Een nieuw hoog-risico biologisch laboratorium is niet toegestaan. 4.4

Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het bepaalde in lid 4.3.1 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de Milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b0f832bf-679b-4d66-94ed-78049beb5330