CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003437] Bijlage 3 behorende bij 24bb003420 - Rapport Update Minima-effectrapportage 2024

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Voortgangsrapportage armoede en schulden 2024.7.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Update Minima-effectrapportage 2024 Gemeente Rotterdam Corinne van Gaalen, Marcel Warnaar

Update Minima-effectrapportage 2024 Gemeente Rotterdam

Auteurs Corinne van Gaaien, Marcel Warnaar

Nibud, februari 2024 In opdracht van gemeente Rotterdam

ínhoud

1.

Inleiding.....................................................................................................3

2. 2.1 2.2 2.3

Belangrijkste verwachte wijzigingen voor 2024.........................................5 Beleid........................................................................................................... 5 Prijzen.......................................................................................................... 6 Lonen........................................................................................................... 6

3. 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.5 3.6

Resultaten..................................................................................................7 Inleiding....................................................................................................... 7 Bestedingsruimte per huishoudtype.................................................................. 8 Armoedeval................................................................................................. 10 Uitstroomval............................................................................................... 11 Doorstroomval............................................................................................. 11 Huishoudens met langdurig een laag inkomen................................................. 11 Verschil 2023 en 2024................................................................................. 12 Situatie zelfstandig wonende 18-jarige........................................................... 13

4.

Resultaten bij 140 procent........................................................................ 15

5. 5.1 5.2

Conclusies................................................................................................. 17 Bestedingsruimte en armoedeval .................................................................. 17 Aannames en aanbevelingen ........................................................................ 18

1. Inleiding Eind 2022 heeft het Nibud het effect in kaart gebracht van het minimabeleid op het huishoudbudget van inwoners van de gemeente Rotterdam met een laag inkomen. Het uitgangspunt was een inschatting van de situatie zoals die er in 2023 uit zou komen te zien. Ondertussen is er veel gebeurd dat de koopkracht van huishoudens beïnvloedt. De prijzen van met name voeding zijn aanhoudend sterk blijven stijgen en op Prinsjesdag is een miljardenpakket aan lastenverlichting aangekondigd voor 2024. Het Nibud heeft de koopkrachtveranderingen van dit pakket doorgerekend voor ruim 100 voorbeeldsituaties1. De gemeente Rotterdam wenst gedetailleerd inzicht in de effecten van de lastenverlichtingen voor 2024 om hier vroegtijdig op in te kunnen spelen. Daarom hebben we de huishoudbudgetten die we eerder dit jaar voor de gemeente Rotterdam hebben opgesteld geactualiseerd met de plannen voor volgend jaar. We hebben het volgende gedaan: De huishoudbudgetten opnieuw opgesteld met de definitieve inkomsten- en uitgavencijfers per 1 juli 2023. Hierin zijn de aanpassingen n.a.v.

het advies voor de Commissie sociaal minimum verwerkt (zie hieronder); Vervolgens hebben we die huishoudbudgetten geïndexeerd met de verwachte prijsstijging voor 2024; De hoogte van de uitkeringen geïndexeerd naar het verwachte niveau 2024; Rekening gehouden met hogere heffingskortingen; Rekening gehouden met aangepaste parameters voor de landelijke toeslagen; De tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid van de gemeente Rotterdam gehandhaafd op het niveau van 2023; Het Jeugdtegoed van de gemeente Rotterdam voor kinderen van 12 tot en met 17 jaar verhoogd met C 350. Een uitgebreide beschrijving van de veranderingen voor 2024 staat in hoofdstuk 2.

Aanpassingen in het pakket met minimale uitgaven n.a.v. het advies van de Commissie sociaal minimum De huishoudbudgetten die zijn opgesteld per 1 juli 2023 verschillen in een aantal opzichten van de huishoudbudgetten die eerder zijn opgesteld voor de gemeente Rotterdam. Die verschillen zijn met name het gevolg van het advies van de Commissie sociaal minimum, waarvoor we de budgetten in het voorjaar van 2023 hebben herijkt.2 3 De belangrijkste verschillen zijn: We houden geen rekening meer met iets lagere energielasten voor huishoudens met een minimuminkomen. Er wordt nu uitgegaan van het gemiddelde gasverbruik in plaats van 90 procent daarvan; Het schaalvoordeel voor voeding voor driepersoonshuishoudens is verlaagd van 20 procent naar 15 procent; De vervoerskosten voor sociale participatie voor kinderen zijn verhoogd.

1 https://www.nibud.nl/nieuws/koopkracht-2023-2024-dit-verandert-er/ 2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/een-zeker-bestaan-rapport-i-commissiesociaal-minimum 3 https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/06/30/op-weg-naar-een-nieuwe-armoedegrens

Update Minima-effectrapportage 2024| 3

De saldi van de huishoudbudgetten zoals deze eruit zien op basis van de voornemens van Prinsjesdag staan weergegeven in hoofdstuk 3. Er is een vergelijking gemaakt met de situatie zoals die was in 2023. Omdat de plannen niet de definitieve situatie voor 2024 weergeven, is het beeld dat we schetsen met de nodige onzekerheden omgeven.

4 | Update Minima-effectrapportage 2024

2.

Belangrijkste verwachte wijzigingen voor 2024

Een hogere huurtoeslag, een hoger minimumloon en een hogere bijstandsuitkering en AOW. Maar de energietoeslag voor financieel kwetsbare huishoudens verdwijnt. Daarnaast verandert de hoogte van de meeste belastingschijven. De plannen uit de Miljoenennota, hebben effect op de koopkracht en de huishoudportemonnee van miljoenen Nederlanders. Op deze pagina zetten we op een rij wat er in 2024 verandert in beleid, prijzen en lonen.

2.1

Beleid

Heffingskortingen stijgen Door de hoge inflatie worden de heffingskortingen met 10 procent geïndexeerd (verhoogd). De maximale arbeidskorting bij het tweede afbouwpunt gaat extra omhoog en de zelfstandigenaftrek gaat omlaag. Vanaf januari 2024 wordt het wettelijk minimumloon gebaseerd op een 36-urige werkweek in plaats van 40 uur. Dat kan een forse vooruitgang zijn voor werknemers die meer dan 36 uur werken en het minimumloon verdienen. Deze maatregelen zijn per januari 2024 direct terug te zien op de loonstrook of op het betaaloverzicht van de uitkering of aanvullende pensioen.

Kindgebonden budget en huurtoeslag omhoog, zorgtoeslag omlaag. Energietoeslag afgeschaft Het kindgebonden budget gaat voor de meeste huishoudens omhoog. Het maximale bedrag gaat voor het eerste kind met C 65 omhoog naar C 203 per maand en vanaf het tweede kind met C 75 omhoog naar eveneens C 203 per maand. Daarnaast gaat het extra bedrag voor kinderen van 12 t/m 15 jaar met C 35 omhoog naar C 57 per maand en voor kinderen van 16 t/m 17 jaar met C 37 omhoog naar C 77 per maand. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat C 30 omlaag naar C 290 per maand. De maximale huurtoeslag bij een laag inkomen gaat C 30 tot C 50 per maand omhoog. Dit is afhankelijk van de hoogte van de huur en de samenstelling van je huishouden. Bij een hoger inkomen zal de stijging lager uitvallen. De maximale zorgtoeslag bij een laag inkomen gaat C 20 tot C 30 per maand omlaag. Bij hogere inkomens kan de daling lager uitvallen. De energietoeslag van C 1.300 voor 2023 voor financieel kwetsbare huishoudens vervalt in 2024. Veel gemeenten hebben een deel van die C 1.300 al in 2022 uitgekeerd of keren nog een deel uit in 2024. De gemeente Rotterdam is in oktober 2023 begonnen met het verstrekken van de energietoeslag. Tot 30 juni 2024 is de energietoeslag aan te vragen.

Aangezien er pas in het najaar is begonnen met het uitkeren van de energietoeslag en deze ook nog in 2024 aangevraagd en uitgekeerd kan worden, nemen we het grootste deel van de toeslag (te weten driekwart, wat neerkomt op C 975) mee in de begrotingen voor 2024. Dit is gedaan tot en met een inkomensniveau van 120 procent

Update Minima-effectrapportage 2024| 5

Minimumloon en uitkeringen stijgen Het bruto minimumloon gaat omhoog. De uitkeringen die aan het minimumloon zijn gekoppeld, zoals de bijstand, de Wajong en de AOW, stijgen daardoor ook. Voor de netto bijstandsuitkering betekent dat een stijging van circa C 130 per maand voor gehuwden/samenwonenden en circa C 90 per maand voor alleenstaanden. De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen geïndexeerd (verhoogd) met 2,1 procent.

2.2 Prijzen Het overheidsbeleid is niet het enige dat verandert. In de koopkracht wordt ook rekening gehouden met prijsstijgingen. Dit zijn verwachtingen. Het is immers vooraf niet zeker hoe hoog de prijzen zullen stijgen. De laatste inschatting van het Centraal Planbureau is dat de prijzen in 2024 met gemiddeld 3,6 procent zullen stijgen. Daarnaast stijgt de premie voor de basiszorgverzekering naar verwachting gemiddeld met C 12 per maand.

2.3 Lonen De meeste mensen die in loondienst werken, profiteren volgend jaar waarschijnlijk van de verhoging van het cao-loon. De verwachting is dat de lonen volgend jaar gemiddeld met 5,2 procent zullen stijgen. Net als de prijsstijgingen is dit een gemiddelde. Niet iedereen krijgt evenveel, en ook niet direct vanaf de maand januari. Er zijn ook groepen waar het cao-loon niet stijgt. Zelfstandigen moeten zelf een tarief vaststellen.

6 | Update Minima-effectrapportage 2024

3.

Resultaten

3.1 Inleiding Op basis van de in het vorige hoofdstuk beschreven voornemens voor 2024 kan bekeken worden wat dit betekent voor de onderzochte huishoudtypen in de gemeente Rotterdam. Hierbij nemen wij aan dat de inkomensgrenzen van het minimabeleid meestijgen met hogere grenzen van het sociaal minimum door de verhoging minimumloon en dat de bedragen van de tegemoetkomingen uit het minimabeleid het niveau van 2023 hebben. Voor de uitgaven gaan we uit van de gemiddelde prijsstijging van 3,6 procent. Hierop zijn enkele uitzonderingen: ^ Voor de huren gaan we uit van een stijging van 2,6 procent4. ^ De premie van het VGZ Rotterdampakket over 2024 is inmiddels bekend, we rekenen met het bedrag van C 215,10. ^ Voor het tarief voor de afvalstoffenheffing 2024 is een voorstel aan de Raad gedaan; in deze doorkijk naar 2024 rekenen we met dit tarief. ^ We houden rekening met een verhoging van het Jeugdtegoed met C 350 voor kinderen vanaf 12 jaar; dit is verrekend met de posten 'vervoer' en 'sociale participatie'. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen, uitgaande van de voornemens voor 2024. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. In de gemeente Rotterdam is dit bij geen van de onderzochte huishoudtypen aan de orde.

Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering C 87 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 1: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand. Inschatting voor 2024.

Huishoudtype

100

110

120

130

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

87

110

239

288

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

383

402

508

517

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

40

102

229

214

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

385

416

498

534

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

470

470

534

583

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

358

386

492

541

07. paar met 2 jonge kinderen

233

293

394

372

08. paar met 2 oudere kinderen

144

204

331

316

09. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zorg

86

109

172

203

10. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

395

414

455

374

4 Inschatting van CPB. Verhoging telt voor de helft mee, omdat deze per 1 juli ingaat.

Update Minima-effectrapportage 2024| 7

3.2

Bestedingsruimte per huishoudtype

1. Alleenstaande In de gemeente Rotterdam heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van C 87 nadat alle uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie zijn voldaan. Bij 110 procent van de norm resteert C 110. Op 120 procent is het saldo een stuk hoger, namelijk C 239 per maand, en op 130 procent resteert C 288 per maand. 2. Alleenstaande oudere Een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van C 383 per maand. Dit loopt op naar C 517 bij 130 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstand waardoor deze huishoudens meer bestedingsruimte hebben. 3. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van C 40 per maand. Bij een inkomen van 110 procent is de bestedingsruimte C 102 per maand, bij 120 procent is de bestedingsruimte C 229 per maand en op 130 procent daalt de bestedingsruimte iets naar C 214. Een belangrijke oorzaak van de lage bestedingsruimte bij een inkomen op bijstandsniveau ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding.

Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). 4. Ouder paar Een ouder paar met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van C 385 per maand. Bij 110 procent is het saldo C 416 en op 120 procent resteert C 498 per maand. Bij 130 procent stijgt het saldo door naar C 583 per maand. Ook hier zien we het effect van de hogere AOW-uitkering ten opzichte van de bijstand. 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin C 470 vrij te besteden over. Op 110 procent neemt de bestedingsruimte niet toe, maar blijft op C 470; bij de inkomensniveaus boven 110 procent loopt de bestedingsruimte op tot C 583 op 130 procent. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter het feit dat de bestedingsruimte op 110 procent niet toeneemt ten opzichte van de bijstandsnorm. 6. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: C 358 op bijstandsniveau. Dit bedrag loopt op tot C 541 op 130 procent.

De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer.

8 | Update Minima-effectrapportage 2024

De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de hogere tegemoetkoming voor oudere kinderen vanuit het Jeugdtegoed en de Stichting Meedoen. Met name door de ophoging van het vervoerstegoed voor oudere kinderen met C 350 in 2024, is het verschil met het eenoudergezin met jonge kinderen kleiner dan in 2023. 7. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van C 233 per maand. Dit loopt op naar C 394 bij 120 procent, om vervolgens bij 130 procent lager uit te komen op C 372 (zie paragraaf 4.2). Dat het paar met jonge kinderen meer ruimte heeft dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. 8. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van C 144. Op 110 procent is het saldo C 204 en bij 120 procent loopt dit op naar C 331. Bij 130 procent vallen er tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid weg en daalt het saldo naar C 316. In paragraaf 4.2 gaan we dieper in op de oorzaak van deze daling.

Evenals bij alleenstaande ouders is bestedingsruimte van een paar met oudere kinderen op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan van het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen aan onder meer onderwijs, voeding en kleding. Ook de vergoedingen voor kinderen uit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren. 10. Alleenstaande onder de AOW-leeftijd met chronische ziekte of beperking De alleenstaande met een chronische ziekte of beperking heeft op bijstandsniveau een saldo van C 86 per maand. Op 110 procent bedraagt het saldo C 109. Vanaf 120 procent is er sprake van meer bestedingsruimte: C 172 op 120 procent en C 203 op 130 procent. Het verschil in bestedingsruimte met de alleenstaande zonder zorgkosten is op bijstandsniveau en 110 procent van de norm minimaal. De extra zorgkosten die niet vergoed worden vanuit de zorgverzekering, de bijzondere bijstand of de wmo, worden grotendeels gecompenseerd door de belastingteruggave. Vanaf 120 procent wordt het verschil groter. Dit komt voornamelijk door de hogere draagkracht voor de bijzondere bijstand. 13.

Alleenstaande oudere met chronische ziekte of beperking De alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft op AOW-niveau en op 110 procent van de norm iets meer bestedingsruimte dan zonder zorgvraag. Dit komt, omdat vrijwel alle meerkosten worden vergoed (via zorgverzekering of bijzondere bijstand) en de alleenstaande daarnaast nog belastingteruggave kan aanvragen. Vanaf 120 procent van de norm is de bestedingsruimte van de oudere met zorgkosten juist lager dan van de oudere zonder zorgkosten. Het verschil in bestedingsruimte neemt toe naarmate het inkomen stijgt. Net als bij de alleenstaande onder de AOW-leeftijd wordt dit voornamelijk veroorzaakt door de hogere draagkracht voor de bijzondere bijstand.

Update Minima-effectrapportage 2024| 9

3.3 Armoedeval Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120 en 130 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In tabel 1 zijn armoedevallen oranje gearceerd. Daarnaast is in onderstaande figuur in één oogopslag te zien welke huishoudtypen te maken hebben met een uit- of doorstroomval. Idealiter zie je over de hele linie een stijgende lijn. Dat betekent dat een hoger inkomen ook leidt tot een hoger besteedbaar inkomen. Figuur 1: Grafische weergave van saldo inkomsten en uitgaven

10 Update Minima-effectrapportage 2024 |

3.3.1 Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Rotterdam zien we dat de bestedingsruimte bij de alleenstaande met twee jonge kinderen op 110 procent van de norm gelijk is aan de bestedingsruimte op bijstandsniveau. De uitstroomval bij de alleenstaande met jonge kinderen wordt vooral veroorzaakt door de kosten voor kinderopvang en de werkgerelateerde kosten. De eigen betaling aan kinderopvang bedraagt C 39 per maand en voor de werkgerelateerde kosten rekenen we een bedrag van C 69 per maand. Verder daalt de kwijtschelding van lokale belastingen met C 33 per maand, wat bijdraagt aan de uitstroomval. Bij de alleenstaanden met oudere kinderen spelen dezelfde factoren, behalve de kosten voor kinderopvang. Hierdoor is de bestedingsruimte op 110 procent niet lager dan op bijstandsniveau, maar ook nauwelijks hoger; het scheelt C 28 per maand. Overigens zien we ook bij de andere onderzochte huishoudtypen dat de bestedingsruimte op 110 procent niet evenredig toeneemt met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak.

3.3.2 Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Rotterdam is bij alle paren onder de AOW-gerechtigde leeftijd een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van een inkomen van 120 naar 130 procent van het minimum. Deze doorstroomval wordt voornamelijk veroorzaakt door het wegvallen van de energietoeslag in combinatie met de afbouw van de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Daarnaast is ook bij de alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd met een zorgvraag een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van een inkomen van 120 naar 130 procent van het minimum. De oorzaak van deze doorstroomval moet voornamelijk gezocht worden in de zorgkosten, of nauwkeuriger geformuleerd in de lagere vergoedingen voor de zorgkosten.

3.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen Huishoudens in de gemeente Rotterdam, die gedurende een jaar of langer een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon hebben gehad, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de IIT is C 120 per jaar per huishouden. In tabel 2 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT.

Update Minima-effectrapportage 2024| 11

Tabel 2: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief IIT

Huishoudtype

100

110

120

130

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

97

120

249

298

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

383

402

508

517

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

50

112

239

224

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

385

416

498

534

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

480

480

544

593

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

368

396

502

551

07. paar met 2 jonge kinderen

243

303

404

382

08. paar met 2 oudere kinderen

154

214

341

326

09. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zorg

96

119

182

213

10. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

395

414

455

374

De IIT heeft een licht positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens, het saldo stijgt voor alle onderzochte huishoudtypen met C 10 per maand. Huishoudens vanaf de AOW-leeftijd komen niet voor de IIT in aanmerking. Dit is ook niet nodig, de bestedingsruimte van huishoudens met alleen een AOW-uitkering is voor alleenstaanden C 383 en voor paren C 385 per maand.

3.5 Verschil 2023 en 2024 In tabel 3 zijn de verschillen in bestedingsruimte tussen 2023 en 2024 weergegeven. Alle onderzochte huishoudtypen gaan er in meer of mindere mate op vooruit. Vooral de huishoudens met kinderen, en met name huishoudens met oudere kinderen, gaan er in 2024 sterk op vooruit. Deze huishoudens profiteren van de forse verhoging van het kindgebonden budget. Ook de huurtoeslag en de arbeidskorting worden verhoogd. Ook de verhoging van het Jeugdtegoed van de gemeente Rotterdam speelt een rol. Daar staat tegenover dat de zorgtoeslag wordt verlaagd en dat de uitgaven met gemiddeld 3,6 procent zullen toenemen. Op Prinsjesdag 2023 heeft het Nibud de koopkrachtberekeningen voor 2024 gepubliceerd.5 In die berekeningen is het gemeentelijk beleid niet meegenomen. Ook is in de landelijke berekeningen uitgegaan van een energietoeslag van C 1.300 in 2023 en géén energietoeslag in 2024. In deze rapportage voor de gemeente Rotterdam wordt gerekend met een energietoeslag van C 325 in 2023 en C 975 in 2024. Hierdoor neemt de bestedingsruimte van huishoudens in Rotterdam in 2024 (in ieder geval op papier) méér toe dan het landelijk beeld laat zien. Wat niet in deze tabel is opgenomen, is dat de verwachte gemiddelde cao-loonstijging hoger is dan de verwachte inflatie voor 2024. In deze tabel is alleen gekeken naar het inkomen als percentage van de bijstandsnorm.

5 https://www.nibud.nl/nieuws/nibud-verdwijnen-energietoeslag-aderlating-voor-laagste-inkomens/

12 Update Minima-effectrapportage 2024 |

Tabel 3: Overzicht verschil saldo inkomsten min uitgaven per maand 2023-2024

Huishoudtype

100

110

120

130

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

90

94

101

60

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

103

106

119

76

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

108

112

130

70

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

127

113

127

82

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

188

215

233

187

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

303

306

312

266

07. paar met 2 jonge kinderen

240

244

260

199

08. paar met 2 oudere kinderen

355

359

377

316

09. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zorg

90

94

97

57

10. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

102

106

114

66

3.6 Situatie zelfstandig wonende 18-jarige In deze rapportage is gekeken naar de bestedingsruimte van een tiental huishoudtypen op diverse inkomensniveaus. De gemeente Rotterdam wenst ook inzicht in het huishoudbudget van een zelfstandig wonende 18-jarige. Hierbij kijken we naar de bestedingsruimte van een 18-jarige in de volgende drie situaties: * * »

Situatie waarin hij/zij niet werkt of studeert en bijstand ontvangt; Situatie waarin hij/zij werkt tegen het minimumloon dat geldt voor een 18-jarige; Situatie waarin hij/zij een mbo-opleiding (BOL) volgt en studiefinanciering ontvangt.

Hier wordt dus niet wordt doorgerekend met een percentage van de bijstandsnorm, zoals dat bij de andere onderzochte huishoudtypen wel is gedaan. Voor de 18-jarige die studeert gaan we uit van MBO via de Beroeps Opleidende Leerweg, met het maximale bedrag aan studiefinanciering (basisbeurs en aanvullende beurs). Dit komt neer op 925 euro. Daarnaast zijn studiekosten opgenomen (collegegeld plus schoolkosten) van 196 euro per maand. Voor vervoer zijn we voor de student uitgegaan van een studentenreisproduct en hebben we alleen rekening gehouden met een fiets en hebben we de vervoerskosten voor sociale participatie gehalveerd. De huur van de 18-jarige is in deze rapportage lager dan voor de overige eenpersoonshuishoudens, waarvoor we een huur van C 664 hanteren. Voor een 18-jarige is dit waarschijnlijk geen reëel bedrag, zeker gezien het feit dat voor jongeren tot 23 jaar geen huurtoeslag mogelijk is bij een huur boven C 454,47 per maand. Daarom wordt in deze rapportage gerekend met een huur van C 454, iets hoger dan in 2022 toen met een huur van C 400 werd gerekend. Ten slotte gaan we uit van een minder uitgebreide zorgverzekering, namelijk het VGZ Rotterdampakket Compact. De premie hiervan bedraagt C 173,95 per maand.

Update Minima-effectrapportage 2024| 13

Evenals bij de andere huishoudens rekenen we voor 2024 met een energietoeslag van C 975 op jaarbasis. Alleen voor studenten ligt dit anders; uitwonende studenten met een aanvullende beurs hebben in 2023 eenmalig een tegemoetkoming in de energiekosten van 400 euro van DUO ontvangen. Tabel 4: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, zelfstandig wonende 18-jarige

18-jarige

bijstand

minimumloon

studiefinanciering 1314

Netto besteedbaar inkomen6

787

1585

Totaal uitgaven

1574

1643

1750

Saldo inkomsten min uitgaven

-787

-58

-436

Uit tabel 4 is af te lezen dat de bijstandsuitkering van een zelfstandig wonende 18-jarige te laag is om alle minimale uitgaven, die het voeren van een zelfstandig huishouden met zich meebrengt, te kunnen dragen. Het tekort bedraagt C 787 per maand. Ook het minimumjeugdloon is hiervoor te laag. Al ontstaat er in die situatie wel meer bestedingsruimte, ook als we rekening houden met beperkte werkgerelateerde kosten. Het tekort bedraagt C 58 per maand. De basis- en aanvullende beurs waar een zelfstandig wonende 18-jarige die een MBO-BOL opleiding volgt is eveneens onvoldoende om naast de studiekosten de minimale kosten van het voeren van een zelfstandig huishouden te kunnen dragen. Het tekort bedraagt C 436 per maand. In het laatste geval heeft de student nog de mogelijkheid om bij te lenen (dit kan tot een bedrag van maximaal C 217,72 per maand) of om een bijbaantje te nemen. Voor kinderen tot 21 jaar geldt in zijn algemeenheid een onderhoudsplicht van de ouders. Dit betekent dat ouders verantwoordelijk zijn voor onderdak, kleding, voeding, scholing en medische hulp voor hun kinderen. Niet alle jongeren tot 21 jaar kunnen op de onderhoudsplicht van hun ouders terugvallen. Deze jongeren kunnen in de gemeente Rotterdam in aanmerking komen voor een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand voor levensonderhoud: 'De Aanvullende Bijstand', ofwel 'DAB'.

Uitgangspunt van DAB is dat de hoogte van totale inkomen van deze jongvolwassen (waaronder inbegrepen de DAB-uitkering) niet het netto minimumjeugdloon van de respectievelijke leeftijd overstijgt, en ook nooit meer mag bedragen dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige. De hoogte van DAB bedraagt voor 18-jarigen C 640,66. Dat betekent dat zelfstandig wonende 18-jarigen, die niet kunnen terugvallen op de onderhoudsplicht van hun ouders, nog steeds de begroting niet helemaal rond kunnen krijgen.

6 Inclusief huur-, zorg- en energietoeslag

14 Update Minima-effectrapportage 2024 |

4.

Resultaten bij 140 procent

De gemeente Rotterdam kent een breed palet aan inkomensondersteunende maatregelen voor inwoners met een laag inkomen. Dat beleid kent een bepaalde inkomensgrens, waarboven er geen recht meer is op financiële ondersteuning. Soms leidt dat ertoe dat er bij een inkomensniveau net boven die inkomensgrens zich een armoedeval voordoet. Die armoedeval verschilt per huishouden en hangt af van het gebruik van inkomensondersteuning. In de gemeente Rotterdam loopt een aantal regelingen door tot een inkomensniveau van 130 procent. Dit geldt voor het Jeugdtegoed vanaf 12 jaar en voor de vergoedingen vanuit de Stichting Meedoen en het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Bovendien zijn de kosten voor de Rotterdampas hoger bij een inkomen vanaf 130 procent.7 Daarom is gekeken wat dit betekent voor de bestedingsruimte bij een inkomensniveau van 140 procent. Een en ander is weergegeven in tabel 10. Tabel 1: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief 140 procent

Huishoudtype

100

110

120

130

140

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

87

110

239

288

385

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

383

402

508

517

594

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

40

102

229

214

282

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

385

416

498

534

641

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

470

470

534

583

670

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

358

386

492

541

449

07. paar met 2 jonge kinderen

233

293

394

372

407

08. paar met 2 oudere kinderen

144

204

331

316

159

09. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zorg

86

109

172

203

279

10. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

395

414

455

374

378

Uit de tabel valt af te lezen dat zowel bij het eenoudergezin met oudere kinderen als bij het paar met oudere kinderen een armoedeval (specifieker: een doorstroomval) zichtbaar wordt op 140 procent van de geldende bijstandsnorm. Dat huishoudens met oudere kinderen te maken krijgen met een doorstroomval op 140 procent en de andere huishoudens niet, heeft vooral te maken met het wegvallen van het Jeugdtegoed: vanaf 12 jaar is het bedrag hoger én ligt de inkomensgrens hoger, namelijk op 130 procent. Dit komt bovenop het wegvallen van de vergoedingen vanuit de particuliere fondsen. Daarnaast valt op dat de doorstroomval bij paren met oudere kinderen groter is dan bij eenoudergezinnen met oudere kinderen. Het eenoudergezin heeft op 140 procent van de norm een lagere bestedingsruimte dan op 130 procent en ook lager dan op 120 procent, terwijl paren op 140 procent ook minder bestedingsruimte hebben dan op 110 procent.

7 Omdat zowel het Jeugdtegoed als het AOW-tegoed op de Rotterdampas wordt gezet, rekenen we bij de betreffende huishoudens de aanschafkosten van de Rotterdampas mee.

Update Minima-effectrapportage 2024| 15

Dit komt omdat bij paren bij een inkomensniveau van 140 procent niet alleen gemeentelijke regelingen wegvallen, maar ook landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) worden afgebouwd. Dit vergroot de doorstroomval. Bij paren begint de afbouw al op 120 procent, bij eenoudergezinnen zijn de huurtoeslag en de zorgtoeslag op 140 procent nog even hoog als op bijstandsniveau. Een en ander is grafisch weergegeven in figuur 2. Figuur 2: Grafische weergave van saldo inkomsten en uitgaven, inclusief 140 procent

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

100

110

120

130

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

140 100

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

110

120

130

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

140 100

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

110

120

130

140

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

300-

200-

o-

100

110

120

130

140 100

07. paar met 2 jonge kinderen

130

10

08. paar met 2 oudere kinderen

140 100

110

30

40

0. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zor

200-

100

110

120

130

140 100

110

120

130

1. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zor

600-

400-

200-

100

110

120

130

140

inkomensniveau

16 Update Minima-effectrapportage 2024 |

140 100

110

120

130

140

5. Conclusies Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Deze voorgaande hoofdstukken zijn gebaseerd op de voornemens zoals deze met Prinsjesdag naar buiten zijn gebracht. Omdat de plannen niet de definitieve situatie voor 2024 weergeven, is het beeld dat we schetsen met de nodige onzekerheden omgeven.

5.1

Bestedingsruimte en armoedeval

In de gemeente Rotterdam kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen, ook als sprake is van extra zorgkosten. Dit is opvallend gelet op de sterke inflatie in de afgelopen jaren. De koopkrachtreparaties van 2023 en van dit jaar doen hier duidelijk hun werk. Vooral huishoudens met kinderen hebben hier veel baat bij. Echter, er blijft er grote onzekerheid over het verloop van alle prijzen in de komende jaren. Weten waar je financieel aan toe bent, is nodig om te kunnen begroten en uit te kunnen rekenen hoeveel budget er is voor andere uitgavenposten. Hogere inkomens hebben meer ruimte in hun begroting om te kunnen schuiven met uitgavenposten en hebben vaker een buffer om op terug te vallen. Iets wat huishoudens met een laag inkomen meestal niet hebben. Daarnaast laten de resultaten van deze rapportage zien dat alleenstaande ouders een (veel) hogere bestedingsruimte hebben dan paren. Dit komt doordat paren de kosten van twee volwassenen moeten dragen, terwijl het bijbehorende inkomen in verhouding lager ligt: een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. Paren ontvangen 100 procent van de norm.

De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Op bijstandsniveau houden alleenstaande ouders met oudere kinderen per maand C 385 euro over tegenover C 144 per maand voor paren met oudere kinderen. Paren zonder kinderen houden nog minder over, C 40 per maand. Ook het saldo van alleenstaanden is niet bijzonder hoog, te weten C 87. Het Nibud adviseert om hier bij de vormgeving van het minimabeleid rekening mee te houden. Armoedeval In de gemeente Rotterdam hebben enkele huishoudtypen te maken met een armoedeval. Hierbij maken we onderscheid tussen een uitstroomval en een doorstroomval. Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Rotterdam is een uitstroomval zichtbaar bij de alleenstaande ouder met jonge kinderen op 110 procent, in die zin dat de bestedingsruimte op 110 procent gelijk is aan de bestedingsruimte op bijstandsniveau. Deze uitstroomval wordt vooral veroorzaakt door werkgerelateerde kosten (reiskosten en kinderopvang).

Update Minima-effectrapportage 2024| 17

Daarnaast hebben paren onder de AOW-leeftijd (zowel met als zonder kinderen) te maken met een doorstroomval bij de overgang van een inkomen van 120 procent naar 130 procent van het minimum. Deze doorstroomval wordt voornamelijk veroorzaakt door het wegvallen van de energietoeslag in combinatie met de afbouw van de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Ten slotte wordt bij de alleenstaande oudere met een zorgvraag en doorstroomval zichtbaar op 130 procent. De belangrijkste oorzaak hiervan is het wegvallen van de vergoedingen voor zorgkosten.

5.2

Aannames en aanbevelingen

Uit deze rapportage blijkt dat in de gemeente Rotterdam alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond kunnen krijgen. Hierbij moet men goed in het oog houden dat de berekening van de bestedingsruimte van de voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek is gebaseerd op een drietal voorwaarden. 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Men moet alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft; 3. Men moet niet of zeer beperkt te maken hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Dit geldt voor bijvoorbeeld huishoudens met een hogere huur dan hier opgenomen, en voor mensen met een noodgedwongen hogere energierekening, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een slecht geïsoleerde woning. De conclusies van dit rapport moeten met die voorwaarden in het achterhoofd geïnterpreteerd worden. Kijkend naar de voorwaarden kan gesteld worden dat er heel veel verwacht wordt van huishoudens met een laag inkomen. Het gaat dus eigenlijk om de meest ideale situatie. De daadwerkelijke situatie van huishoudens kan hiervan afwijken. Om hoeveel huishoudens het gaat en in welke mate is niet bekend, hierover zijn geen gemiddelden gepubliceerd. Het Nibud adviseert de gemeente Rotterdam om actief de betreffende huishoudens te (blijven) helpen aan deze voorwaarden te kunnen voldoen.

Om het voor huishoudens makkelijker te maken om aan de drie voorwaarden van dit onderzoek te kunnen voldoen volgen hieronder een aantal aanbevelingen.

Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van de inboedel. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod.

18 Update Minima-effectrapportage 2024 |

Verminder niet-gebruik regelingen In deze rapportage wordt ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen worden aangevraagd! Uit diverse onderzoeken8 blijkt echter dat dit niet altijd gebeurt en dat er een behoorlijke mate van niet-gebruik is. Voor de groep die niet alle regelingen gebruikt waarop recht is, geldt dat de bestedingsruimte in deze rapportage lager is. Het Nibud adviseert dan ook in het beleid sterk de nadruk te leggen op het verminderen van niet-gebruik. Bijvoorbeeld door gerichte communicatie te stimuleren met hulp van verschillende lokale organisaties, waaronder die in de gezondheidzorg. En zorg voor eenvoudige procedures met betrekking tot toekenning, bijvoorbeeld door aanvragen te combineren. Het niet-gebruik is vooral groot onder werkenden. Dat versterkt de armoedeval. In de handreiking Het beter bereiken van werkende armen (Platform31, 2022)9 staan suggesties om het niet-gebruik van voorzieningen door werkenden tegen te gaan. Help energielasten verlagen Wonen in een huis met een slecht energielabel veroorzaakt persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Ten aanzien van energieverbruik en isolatie, blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen en daardoor een hoger dan gemiddeld verbruik hebben.

De energielasten zullen een groter deel van de woonlasten, en daarmee ook van de totale begroting, gaan innemen. De toekomstige energietransitie zal ook de nodige kosten met zich meebrengen. Daarbij is het voor bewoners van een huurwoning niet duidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders. Het Nibud adviseert de gemeente om hierin samen op te trekken met de verhuurders en ook samen middelen in te zetten om de energieverbetering van woningen door te voeren. Huishoudens met een laag inkomen kunnen mogelijk hulp van energieadviseurs of gratis en goedkope energieboxen aangeboden krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn maar met een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief. Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering onder de aandacht De gemeente Rotterdam biedt inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullend pakket waarin ook de tandartskosten worden meegenomen. Deelnemers zijn met deze verzekering uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde verzekering. Door deze uitgebreide verzekering zal het beroep op de bijzondere bijstand lager zijn, wat gunstig uitpakt voor de (uitvoerings)kosten van de gemeente.

Ook deelnemers aan de collectieve verzekering zijn beter af: zij krijgen een uitgebreid pakket aan medische kosten vergoed.

8 Nationale Ombudsman: Met te weinig genoegen nemen (2022). Waaruit bijvoorbeeld blijkt dat ouderen oververtegenwoordigd zijn in de groep niet-gebruikers. SCP: Voorzieningen in 3D (2021). Waaruit bijvoorbeeld blijkt dat een grote potentiële gebruikers moeilijk zichtbaar is te krijgen en dat deze groep groter wordt. CPB: Gebruik (en niet-gebruik) van toeslagen in Nederland (2019). Waaruit bijvoorbeeld blijkt dat 15 procent van de rechthebbenden het kindgebondenbudget niet aanvraagt. Nibud: Geldzaken in de praktijk (2019). Waaruit bijvoorbeeld blijkt dat een kwart van de Nederlandse huishoudens niet weet of ze recht hebben op toeslagen. SEO: Niet-gebruik inkomensondersteunende maatregelen (2011). Waarin bijvoorbeeld het verschil in nietgebruik van landelijke regelingen en gemeentelijke regelingen duidelijk wordt. 9 Het beter bereiken van werkende armen, Platform31 dec. 2022 https://www.platform31.nl/articles/het-beterbereiken-van-werkende-armen.

Update Minima-effectrapportage 2024| 19

Het Nibud adviseert de collectieve zorgverzekering actief te promoten zodat iedereen die er recht op heeft van dit dekkingsvoordeel gebruik kan maken. Overweeg een ongedeeld budget voor de kosten van kinderen De gemeente Rotterdam zet sterk in op vergoeding van kosten van kinderen. Via de gemeente of via particuliere fondsen kunnen diverse kosten vergoed worden. Het Jeugdtegoed op de Rotterdampas biedt al veel vrijheid: kinderen kunnen zelf bepalen waaraan zij dit bedrag besteden(hoewel dit gebonden is aan specifieke winkels). Via het Jeugdfonds Sport en Cultuur kan de contributie van een vereniging plus eventuele clubkleding vergoed worden. Daarnaast vergoedt de Stichting Meedoen onder andere een chromebook en een fiets en kinderen die jarig zijn kunnen een Jarige Job verjaardagsdoos ontvangen. Om huishoudens wat flexibeler te maken, zou de gemeente kunnen werken met een ongedeeld budget voor schoolkosten, kosten voor sport en cultuur, vervoer en kleding. In een dergelijke situatie zijn huishoudens vrij in de keuze in welke mate zij de tegemoetkoming willen besteden aan schoolkosten en in welke mate aan maatschappelijke participatie. Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het nietgebruik tegengaan.

Te veel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van de mogelijkheden die er zijn. Onderzoek de mogelijkheid om sociale participatie voor volwassenen te vergoeden Zoals hierboven aangegeven, kent de gemeente Rotterdam diverse regelingen voor de ondersteuning van kinderen: het Jeugdtegoed, de Stichting Meedoen en het Jeugdfonds Sport & Cultuur bieden diverse voorzieningen die kinderen stimuleren om deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Voor volwassenen kent de gemeente geen tegemoetkoming voor sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen. Daarom adviseert het Nibud om ook aan inwoners vanaf 18 jaar een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken. Van de in dit rapport onderzochte huishoudtypen hebben alleenstaanden en paren zonder kinderen de minste bestedingsruimte.

Wanneer de gemeente Rotterdam voor volwassenen met een inkomen tot en met 110 procent bijvoorbeeld het lidmaatschap van een (sport)vereniging zou vergoeden, dan zou dit bovenstaande huishoudens meer ruimte geven bij het opvangen van (onverwachte) uitgaven. Verstrek de individuele inkomenstoeslag per persoon in plaats van per huishouden In de gemeente Rotterdam kunnen huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal een jaar een inkomen ontvangen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon, in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Huishoudens met een laag inkomen zullen, als dat nodig is, in eerste instantie bezuinigen op de reserveringsuitgaven, omdat deze niet elke maand terugkomen. Wanneer dit huishouden dan plotseling voor een grote uitgave komt te staan, zal het schulden moeten gaan maken. De IIT biedt dan een goed vangnet. Het Nibud adviseert deze regeling in stand te houden.

20 Update Minima-effectrapportage 2024 |

De hoogte van de IIT bedraagt C 120 per huishouden per jaar. In vergelijking met andere gemeenten is dit bedrag aan de lage kant. Omdat uit dit onderzoek naar voren komt dat paren een lagere bestedingsruimte hebben dan alleenstaanden, zou de gemeente ervoor kunnen kiezen om het bedrag niet per huishouden, maar per (volwassen) persoon toe te kennen. Eventueel zou de gemeente de kosten van deze verhoging kunnen compenseren door de inkomensgrens voor de IIT te verlagen. Deze ligt nu op 130 procent van het wettelijk minimumloon en is daarmee juist hoger dan in veel andere gemeenten. Laat (meer) werken lonend zijn Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Rotterdam doet zich alleen bij de alleenstaande met jonge kinderen een uitstroomval voor. Bij de overige huishoudtypen zien we dat de bestedingsruimte op 110 procent vaak niet evenredig toeneemt met het inkomen. Naast het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale heffingen, spelen vooral werkgerelateerde kosten hierbij een rol. Bij een inkomen boven het minimum wordt er in deze rapportage van uitgegaan dat er sprake is van een (parttime) baan die extra (vervoers)kosten met zich meebrengt. Deze kosten zijn in de begrotingen boven bijstandsniveau opgenomen. Het gaat om een gemiddeld bedrag.

In de praktijk kunnen deze kosten hoger liggen of juist lager, bijvoorbeeld als deze kosten door de werkgever vergoed worden of als er geen reiskosten zijn omdat het werk op loop- of fietsafstand gesitueerd is. Het Nibud adviseert per situatie te bekijken of werkgerelateerde kosten tot financiële problemen kunnen leiden en zo nodig een vergoeding te verstrekken.

Update Minima-effectrapportage 2024| 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=33a67fe1-9715-4687-be9e-1d66e5c1a05c