[24bb003421] Bijlage 1 behorende bij 24bb003420 - Voortgangsrapportage armoede en schulden 2024
Tekst van het document
5
Goedgeven010 (Over ons (goedgeven010.nl)) maakt sociale initiatieven zichtbaar voor financiële donateurs en bedrijven.
23
2. Minima Effect Rapportage 2024 Het Nibud heeft de Minima Effect Rapportage (MER) 2024 voor Rotterdam opgesteld. Als onderdeel van deze voortgangsrapportage bieden we ook deze MER aan. Dit is eerder aan uw raad toegezegd in het afdoeningsvoorstel 24bb000295 over het AJT en Vervoersarmoede. De MER biedt inzicht in de financiële positie van diverse huishoudtypen met een laag inkomen. Naast landelijke regelingen wordt ook het effect van gemeentelijke inkomensondersteunende regelingen doorgerekend. Hierbij is op basis van de berekeningen en het prijsniveau onderzocht hoe de maatregelen in 2024 doorwerken voor mensen met lage inkomens. De gemeente Rotterdam baseert de hoogte van de aanvullende inkomensondersteuning op de MER. In onderstaande tabel staat wat een minimahuishouden overhoudt na alle benodigde uitgaven per maand.
Bevindingen De MER laat een min of meer positief beeld zien van de inkomenspositie van huishoudens met een laag inkomen. Bijna alle onderzochte huishoudtypen gaan er in 2024 in meer of mindere mate op vooruit ten opzichte van 2023. Vooral de huishoudens met kinderen, en met name huishoudens met oudere kinderen, gaan er in 2024 sterk op vooruit. Dit komt onder andere door de verhoging van het kindgebonden budget, verhoging van de huurtoeslag, verhoging van de arbeidskorting en de verhoging van het Jeugdtegoed. Ook huishoudens vanaf de AOW-leeftijd gaan er volgens de MER op vooruit. Echtparen zonder kinderen en alleenstaanden tot de AOW-leeftijd komen maar net rond. Op bijstandsniveau houden deze huishoudtypen respectievelijk € 40 en € 87 per maand over. Daarnaast laten de resultaten van deze rapportage zien dat alleenstaande ouders een hogere bestedingsruimte hebben dan echtparen. Dit komt doordat echtparen met kinderen de kosten van twee volwassenen moeten dragen, terwijl het bijbehorende inkomen in verhouding lager ligt. De enige groep die op basis van de MER niet voldoende rond kan komen, zijn zelfstandig wonende jongeren tot 21 jaar die niet op de onderhoudsplicht van hun ouders kunnen terugvallen (deze groep is niet in bovenstaande tabel opgenomen). Ook afgelopen jaren kon deze groep niet rondkomen.
Het is belangrijk op te merken dat alleen het Rijk dit tekort kan aanpakken, omdat het Rijk gaat over inkomensbeleid. Ook blijkt uit de MER dat er op verschillende inkomensniveaus een armoedeval zichtbaar is. De gele blokjes in bovenstaande tabel geven dit aan. Met name de armoedeval bij het paar met twee oudere kinderen op 140% van het wettelijk sociaal minimum is opvallend. Een dergelijk gezin houdt aan het eind van de maand maar 15 euro meer over dan hetzelfde type gezin op bijstandsniveau.
24
Toch schetst de MER voor 2024 een voorzichtig positief beeld. Onze Rotterdamse inzet, in combinatie met het landelijk beleid, lijkt een positieve impact te hebben op huishoudens met een laag inkomen. Kanttekening Een belangrijke kanttekening bij het lezen van de MER, is dat de rapportage een ‘papieren’ werkelijkheid weergeeft. Bij het opstellen van de MER wordt ervan uitgegaan dat huishoudens zeer goed met geld kunnen omgaan, ze alle inkomensondersteuning aanvragen waar ze recht op hebben en niet of zeer beperkt te maken te hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. De rapportage gaat daarmee uit van een ideale situatie. De praktijk kan in individuele situaties anders uitpakken.
25
3. De cijfers 1: Omvang van de doelgroep met een laag inkomen In 20226 hadden rond 53.000 huishoudens en rond 82.000 personen in Rotterdam een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Rond 17.000 minderjarige kinderen leven in een huishouden met een dergelijk inkomen. Het sociaal minimum is het minimale bedrag dat volgens de Nederlandse overheid nodig is om in je levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit bedrag wordt elke 6 maanden aangepast en is meestal gelijk aan het bedrag van een bijstandsuitkering. Deze bedragen kunnen variëren afhankelijk van de leefsituatie. Vanaf 1 januari 2024 zijn de bedragen voor het wettelijk sociaal minimum als volgt vastgesteld (brutobedragen)7: • • • • • •
Gehuwden of gelijkgestelden: €2.069,30 per maand Alleenstaande van 21 jaar en ouder: €1.473,56 per maand Alleenstaand-woningdeler van 21 jaar en ouder: €934,16 per maand Alleenstaande van 20 jaar: €1.137,53 per maand Alleenstaande van 19 jaar: €827,81 per maand Alleenstaande van 18 jaar: €684,26 per maand
In de periode 2021-2022 daalde het aantal huishoudens met een inkomen tot 110% WSM met 1.100; het percentage huishoudens met een dergelijk inkomen daalde naar 17,6%. Het aantal personen in deze huishoudens daalde met 2.900. Daarmee daalde het percentage Rotterdammers met een inkomen tot 110% WSM licht, van 14,3% naar 13,7%. Het aantal minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM daalde met 1.300; in 2022 leefde 15% van alle minderjarige kinderen in Rotterdam in een huishouden met een dergelijk inkomen. Daarmee daalde het percentage minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM met ruim 1 procentpunt. In het algemeen zien we dus een daling van de doelgroep met een inkomen tot 110% WSM.
Particuliere huishoudens en personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam
Aantal huishoudens tot 110% Aantal personen tot 110% Aantal kinderen tot 110%
Minimaal 1 jaar Aantal Procent 52.700 17,6% 82.100 13,7% 16.800 15,0%
Bron van inkomsten tot 110% Werk Uitkering/pensioen
13% 87%
Bron: CBS/bewerking OBI
6
De meest recente beschikbare informatie van CBS loopt tot 2022.
7
Premies en bedragen voor werkgevers | UWV | Werkgevers
26
Vier jaar of langer Aantal Procent 31.900 12,1% 46.600 8,6% 8.800 8,6%
In de onderstaande tabel staat een overzicht van aantal en percentage lage inkomens vanaf 2015. Tegelijkertijd is de ontwikkeling op de korte termijn (2021-2022) en op de lange termijn (2015-2022) weergegeven. Particuliere huishoudens en personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam 2015-2022 2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
Aantal huishoudens Procent
57.000
57.90 0 20,4 %
57.40 0 20,0 %
55.60 0 19,2%
54.20 0 18,5%
54.60 0 18,5%
53.80 0 18,2%
52.70 0 17,6%
Aantal personen
96.00 0 16,9%
97.00 0 16,9%
94.40 0 16,3%
90.40 0 15,4%
87.40 0 14,8%
87.00 0 14,6%
85.00 0 14,3%
23.100
23.20 0 20,6 %
22.00 0 19,4%
20.50 0 18,1%
19.60 0 17,3%
18.80 0 16,5%
18.10 0 16,1%
Procent Aantal mj. kinderen Procent
20,4%
20,7%
20212022 -1.100
20152022 -4.300
-0,6
-2,8
82.10 0 13,7%
2.900 -0,6
13.900 -3,2
16.80 0 15,0%
-1.300
-6.300
-1,1
-5,7
Bron: CBS, bewerking OBI In de onderstaande tabel staat een vergelijking van de kerncijfers over de G4 en Nederland.
Huishoudens, personen en kinderen in huishoudens met een inkomen tot 110% WSM in de G4 (1 januari 2022)
Amsterda m Den Haag Rotterdam Utrecht Nederland
Huishoudens
Personen
Aantal 69.100 37.900 52.700 16.800 739.600
Bron: CBS/bewerking OBI
Huishoudens
Personen
Aantal 102.800
Minderjarige kinderen Aantal 18.100
% 15,8
% 12,5
Minderjarige kinderen % 13,0
59.700 82.100 26.200 1.136.300
12.400 16.800 5.400 222.500
15,4 17,6 10,6 9,6
11,8 13,7 8,0 6,8
12,4 15,0 7,9 7
Huishoudens met een inkomen tot 150% van het wettelijk sociaal minimum In de onderstaande figuur staat het huishoudinkomen van alle Rotterdamse huishoudens, ingedeeld in groepen van percentages ten opzichte van het sociaal minimum. Aantal huishoudens met een inkomen tot 150% van het sociaal minimum 2015-2022 in zes klassen (aantallen x 1.000)
96
87
96
95
88
87
93
91
91
90
87
85
82
83
82
79
78
79
79
76
74
74
73
71
69
70
69
67
65
65
64
63
57
58
57
56
54
55
54
53
41
42
41
40
40
40
40
39
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
tot 120%
tot 130%
tot 140%
tot 150%
tot 101%
tot 110%
bron: CBS/bewerking OBI
Werknemers met een baan met een huishoudensinkomen tot 150% van het sociaal minimum, naar aantal contractuele arbeidsuren Alleenstaand
Eenoudergezin
Paar zonder kinderen
Paar met kinderen
Overig
Totaal <150%
Aantal
Procent
Aantal
Procent
Aantal
Procent
Aantal
Procent
Aantal
Procent
Deeltijd (tot 35 uur)
5.330
88%
3.105
90%
910
82%
1.701
81%
226
87%
11.290
87%
Voltijd (35 uur+)
730
12%
345
10%
200
18%
399
19%
34
13%
1.690
13%
Totaal
6.060
100%
3.450
100%
1.110
100%
2.100
100%
260
100%
12.980
100%
Bron: CBS/bewerking OBI
Huishoudens met langdurig een inkomen tot 110% van het sociaal minimum Ook het aantal huishoudens met langdurig (4 jaar of langer) een laag inkomen, laat in de periode 20212022 een daling zien. Het percentage langdurig lage inkomens bleef nagenoeg gelijk op 12,1%. Na een relatief sterke stijging in de periode 2015-2017, is dit percentage al enkele jaren stabiel. Het aantal personen in deze huishoudens daalde de periode 2021-2022 met 2.000. Het percentage Rotterdammers met een langdurig laag inkomen ligt nu op 8,6%. 8.800 minderjarige kinderen leven in een huishouden dat langdurig op een laag inkomen is aangewezen; dat is 8,6% van alle minderjarige kinderen in de stad. Dat betekent een daling van aantal en percentage ten opzichte van het voorgaande jaar. 61% van alle huishoudens met een laag inkomen heeft dit inkomen al 4 jaar of langer;
het aandeel steeg daarmee met 9 procentpunt sinds 2015. Dat betekent dat het deel huishoudens met een langdurig laag inkomen in de totale groep huishoudens met een laag inkomen in deze periode substantieel is gestegen. Datzelfde geldt voor de personen en kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Particuliere huishoudens en personen met langdurig een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam 2015-2022 2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2021 2022 -700
Aantal huishoudens
29.800
31.700
Procent alle huishoudens % huishoudens <110%
11,2%
31.10 0 12,2%
12,4%
32.00 0 12,5%
32.40 0 12,5%
32.80 0 12,5%
32.60 0 12,4%
31.90 0 12,1%
52%
54%
55%
58%
60%
60%
60%
Aantal personen
48.20 0
49.60 0
49.90 0
49.60 0
49.60 0
49.60 0
Procent alle personen % personen <110%
9,2%
9,5%
9,5%
9,4%
9,3%
50%
51%
53%
55%
Aantal kinderen 0-18 jr % alle kinderen
11.200
11.200
10,8%
11.40 0 11,0%
% kinderen <110%
49%
49%
+2.100
-0,3
+0,9
61%
1,0
+9,0
48.60 0
46.60 0
-1.600
9,2%
9,0%
8,6%
2.00 0 -0,4
57%
57%
57%
57%
0,0
+7,0
10.50 0 10,1%
10.100
9.600
8.800
-800
-2.400
10,8%
10.80 0 10,5%
9,7%
9,3%
8,6%
-0,7
-2,2
51%
53%
54%
54%
53%
52%
-1,0
+3,0
Bron: CBS/bewerking OBI
Bron van inkomsten De groep huishoudens met een inkomen tot 110% WSM bestaat voor bijna de helft uit bijstandsgerechtigden of ontvangers van een andere sociale voorziening. 8 Nog eens 32% heeft een AOW en/of een pensioen. Het overige deel heeft hoofdzakelijk inkomen uit werk (11%) of een werkloosheids-of arbeidsongeschiktheidsuitkering (7%). Onder de langdurig lage inkomens zijn de bijstandsgerechtigden en gepensioneerden nog wat sterker vertegenwoordigd: 86% van de langdurig lage inkomens bestaat uit deze twee categorieën. Bij de werkenden zien we dat van de werknemers 2% minstens een jaar een inkomen tot 110% WSM heeft, en van de zelfstandigen 12%. De percentages langdurig ‘werkende armen’ zijn met respectievelijk 1% bij de werknemers en 2% bij de zelfstandigen relatief laag.
8
De bron van inkomen is gebaseerd op het hoogste inkomen bezien over het hele jaar.
20152022
-0,6
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar bron van inkomen (Rotterdam, 1 januari 2022)
Aantal
Loon Winst zelfstandig ondernemer Werkloosheidsuitkering Bijstandsuitkering Uitkering sociale voorziening overig9 Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Pensioenuitkering Overig (stufi/vermogen)
3.360 3.640 320 20.880 3.940
Totaal
Ten minste 1 jaar Procent % doelgro ep 6% 2% 7% 12% 1% 25% 40% 86% 8% 70%
Aantal
740 480 50 14.100 2.500
4 jaar en langer Procent % doelgro ep 2% 1% 2% 2% 0% 2% 46% 67% 8% 43%
2.840
5%
27%
1.500
5%
14%
17.370 350
33% 1%
27% 29%
13.200 100
40% 0%
21% 10%
52.700
100%
18%
32.600
100%
12%
Bron: CBS/bewerking OBI
9
Het betreft hier onder meer de uitkering voor oudere werklozen, voor jonggehandicapten en uitkeringen in het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen en de Toeslagenwet.
30
2: Schuldenaanpak Vanaf 2022 is de definitie van problematische schulden gewijzigd, waardoor het aantal en aandeel huishoudens met problematische schulden steeg. In de tabel zijn de cijfers volgens de nieuwe definitie10 opgenomen. Rotterdamse huishoudens met een geregistreerde problematische schuld, 2015-2021 Aantal huishoudens
Percentage Rotterdam
2015
50.830
16,1%
Percentag e Nederland 8,6%
2016
51.910
16,3%
8,6%
2017
48.380
15,1%
7,8%
2018
50.840
15,8%
8,3%
2019
50.360
16,1%
8,1%
2020-01
51.340
15,6%
7,9%
2020-10
50.990
15,5%
7,6%
2021-01
48.630
14,8%
7,4%
2021-10
49.650
14,9%
7,6%
2022-1
52.780
15,8%
8,1%
2023-1
56.020
16,6%
8,8%
Bron: CBS.
In onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal en percentage huishoudens met een geregistreerde problematische schuld per gebied. In de laatste kolom staat het aandeel huishoudens met een problematische schuld in het betreffende gebied. In Charlois, Feijenoord, IJsselmonde en Delfshaven zien we een bovengemiddeld aandeel huishoudens met een problematische schuld. Rotterdamse huishoudens met een geregistreerde problematische schuld per gebied, januari 2023
Rotterdam Centrum Delfshaven Overschie Noord Hillegersberg-Schiebroek Kralingen-Crooswijk Feijenoord Ijsselmonde Pernis Prins Alexander Charlois Hoogvliet Hoek van Holland Rozenburg
Aantal huishoudens 2.570 7.540 1.290 3.920 2.270 3.860 8.700 6.220 250 6.310 9.030 2.810 420 740
Procent
Procent per gebied
4,6% 13,5% 2,3% 7,0% 4,1% 6,9% 15,5% 11,1% 0,4% 11,3% 16,1% 5,0% 0,7% 1,3%
10,5% 18,8% 14,8% 13,0% 11,0% 12,1% 22,4% 21,2% 11,1% 13,4% 24,9% 17,1% 8,4% 13,1%
10
Op Schuldenproblematiek in beeld (cbs.nl) is onder het kopje “Definitie geregistreerde problematische schulden” uitgebreid terug te vinden wat de definitie is en wat het verschil is tussen de nieuwe en oude definitie. Volgens de oude definitie had op 1-12022 15,3% van de huishoudens een problematische schuld, en op 1-1-2023 16,1%. Het verschil in percentage tussen de oude en de nieuwe definitie bedraagt in beide jaren dus 0,5 procentpunt
31
Totaal Rotterdam
56.020
100,0%
16,6%
Bron: CBS
Een andere indicator die wordt gebruikt om problematische schuldproblematiek in kaart te brengen, is het aantal Rotterdammers met meer dan 6 maanden betalingsachterstand van de premie ziektekostenverzekering. Dit cijfer laat in de afgelopen 5jaar een constante daling zien11. In onderstaande tabel staat hiervan een overzicht. Aantal Rotterdammers met >6 maanden achterstand in betaling ziektekostenpremie met en zonder betalingsregeling Indicator Aantal Rotterdammers met >6 maanden achterstand in betaling ziektekostenpremie met en zonder betalingsregeling
2018
2019
2020
2021
27.786
26.624
25.486
23.088
2022 2023 22.462
22.354
Aantal aanmeldingen, intakegesprekken en gerealiseerde ondersteuningsplannen Indicator
2018
2019
2020
2021
2022
2023
Aantal Rotterdammers die zich hebben gemeld (al dan niet via een begeleider) bij het ETF 12 Aantal intakegesprekken bij ETF
3.782
4. 168
3.978
4.870
5.109
6.096
nvt
1.413
3.780
4.257
4.459
5.340
Aantal aanvragen, gestarte, afgehandelde en geslaagde schuldregelingen Indicator
2020
2021
2022
2023
Aantal aanvragen schuldregeling (bij Kredietbank)
2.421
2.345
2.194
2.256
Aantal gestarte schuldregelingen 13
2.254
2.193
2.031
1.929
Aantal afgehandelde schuldregelingen14
2.212
2.256
1.886
1.644
Aantal geslaagde schuldregelingen (% geslaagd)
1.924 (87%)
2.055 (89%)
1.758 (93%)
1.535 (93%)
11
Het cijfer wordt beïnvloed doordat wanbetalers die direct een betalingsregeling met hun verzekeraar overeenkomen in sommige gevallen niet in de registratie worden opgenomen. Daarnaast kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bepaalde groepen aanwijzen die onder voorwaarden kunnen uitstromen. Dit laatste betreft met name personen met een bijstandsuitkering. 12 ETF = Expertiseteam Financiën 13 Er is geen directe relatie tussen het aantal afgehandelde en opgestarte schuldregelingen. Immers, een in december opgestarte schuldregeling kan in het volgende verslagjaar worden afgehandeld. Zo ook zijn in begin 2023 schuldregelingen afgehandeld, die in 2022 zijn gestart. 14 In onder andere de begroting 2024 staat een ander aantal vermeld, namelijk 1.886 dit is een fout die we hierbij rechtzetten. Per abuis was namelijk in plaats van het aantal gestarte schuldregelingen het aantal afgehandelde schuldregelingen opgenomen.
32