CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003319] Bijlage behorende bij 24bb003317 - DCMR rapportage 'Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Commissie Mobiliteit, Haven, Economie en Klimaat (2022-2026) 5 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Duurzaam13.231 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024 Beoordeling CO2-effect van maatregelen

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024 Beoordeling CO2-effect van maatregelen

Kwaliteitstoets Paraaf

Naam

Roger Hakke

Auteur(s) Afdeling Documentnummer Datum

DCMR Milieudienst Rijnmond Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T

010 - 246 80 00

F

010 - 246 82 83

E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl

Autorisatie

Paraaf

Naam

Andries Snijder

Functie

Teammanager LLE

: Koldo Verheij : Reguleren, Advies & Omgeving 22360688 : 18-03-2024

Inhoudsopgave Samenvatting ............................................................................................................... 4 1

Inleiding ............................................................................................................... 6 Doelstelling ................................................................................................. 6 1.2 Aanpak ....................................................................................................... 6 1.3 Scopes Greenhouse Gas Protocol .......................................................... 6 Status van de maatregelen........................................................................ 8 Opzet rapportage ....................................................................................... 8

2

Totaal effect van de maatregelen ...................................................................... 9 2.1 Inleiding ..................................................................................................... 9 Collegetarget 2025..................................................................................... 9 2.3 Doel 2030 .................................................................................................. 11

3

Effect per sector ............................................................................................... 13 Gebouwde Omgeving .............................................................................. 13 Mobiliteit ................................................................................................... 14 Haven en Industrie ................................................................................... 16 Schone Energie ........................................................................................ 19 Effect voor lucht ...................................................................................... 20

Bijlage I. Maatregelen KAR per sector. .................................................................... 24 I.1

Sector Gebouwde omgeving ........................................................................... 24

I.2

Sector Mobiliteit ................................................................................................ 25

I.3

Sector Haven & industrie ................................................................................. 27

I.4

Sector Schone energie ..................................................................................... 30

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 5 van 35

Samenvatting Rotterdam wil met de uitvoering van het Klimaat Actieplan Rotterdam (hierna: KAR) de CO2-uitstoot in de gemeente zodanig terugdringen dat de klimaatdoelen bereikt worden. Het gaat om de volgende doelen: - De collegetarget: in het stedelijk gebied 25% CO2-reductie in 2025 ten opzichte van 1990. - Het doel voor 2030, voor de gehele gemeente een CO2-reductie van 55% ten opzichte van 1990. Het KAR bestaat uit maatregelen waarmee deze CO2-doelen gerealiseerd moeten worden. Ze zijn geclusterd in vier thema’s: Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Haven & industrie en Schone energie. Dit rapport beschrijft het verwachte effect van het huidige (januari 2024) KAR- maatregelpakket en van landelijke autonome ontwikkelingen in de gasmix en elektriciteitsmix op de Rotterdamse CO2-uitstoot en geeft aan in hoeverre de doelen hiermee bereikt worden. Ook het effect hiervan voor de luchtkwaliteit is bepaald. Collegetarget 2025 stedelijk gebied De uitvoering van het huidige KAR in combinatie met de verduurzaming van het landelijke elektriciteitsnet en van de landelijk gasmix levert voor het stedelijk gebied in 2025 een totale reductie van 493 kton op ten opzichte van de huidige CO 2-uitstoot (deze is 2.816 kton in 2022).

Als alle verwachte en beoogde plannen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd - wat onder andere afhankelijk is van verdere invulling, besluitvorming en financiering - daalt de uitstoot in het stedelijk gebied daarmee tot 2.323 kton. Daarmee wordt de collegetarget voor 2025 gehaald (doelwaarde is maximaal 2.578 kton CO2). Doel 2030 stad én haven Het KAR leidt in 2030 voor het totale grondgebied van Rotterdam (dus incl. haven en industrie) tot een daling van de CO2-uitstoot met 11.662 kton ten opzichte van de huidige uitstoot (24.905 kton in 2022). De omvang van het effect is vergelijkbaar met de vorige doorrekening, maar doordat de huidige uitstoot lager is, is ook de resterende uitstoot in 2030 lager (namelijk 13.243 kton). De doelwaarde voor 2030 is 10.440 kton. Het doel voor 2030 wordt met het huidige maatregelenpakket van het KAR dus nog niet bereikt. De restopgave voor 2030 bedraagt 2.803 kton CO2. Dat is minder dan de 4.449 kton uit de vorige doorrekening maar de opgave blijft hetzelfde: om het doel voor 2030 te bereiken zijn aanvullende maatregelen nodig. Vooral bij Haven & Industrie is nog het nodige potentieel. Beschrijving maatregelen per sector De maatregelen bij de Gebouwde omgeving betreffen hoofdzakelijk een voortzetting van de aanpak die op het terugdringen van de scope 1-emissies (gasstook) gericht is.

De maatregel met het grootste CO2-effect blijft het afkoppelen van woningen van het gas en aansluiten op het warmtenet. Dat levert per woning een reductie van 70% maar betekent door het groter warmtegebruik wel een toename van de scope 2emissies op. De bijdragen van de maatregelen zijn min of meer gelijk verdeeld over ‘zeker’, ‘verwacht’ en ‘beoogd’. Voor de sector Mobiliteit betreft het een mix van EU-, landelijke en lokale maatregelen. Lokale maatregelen zoals de invoering van de ZE-zone, de modal split-aanpak en de werkgeversaanpak duurzame mobiliteit dragen fors bij aan een reductie van de uitstoot van deze sector in scope 1. Een deel van de maatregelen zorgt voor echter ook voor een toename van het elektriciteitsgebruik en daarmee voor extra scope 2-emissies. De meeste maatregelen zijn inmiddels zeker of verwacht. Bij Haven & Industrie is het effect van de maatregelen toegenomen ten opzichte van

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 4 van 35

de vorige doorrekening door een grote toename van het vermogen van de geplande elektrolysers. Daar- naast is van belang - zeker omdat het bij Haven & Industrie om projecten met een groot CO2-effect gaat - dat de status van enkele grote maatregelen is ‘opgeschoven’: er is nu meer zekerheid over de uitvoering ervan. Door de inzet van de sector Schone energie wijzigt de vermeden uitstoot van geplande windparken en grote zon-pv projecten. Doordat inmiddels enkele projecten gerealiseerd zijn, is het verwachte effect in 2030 van de nog uit te voeren projecten lager dan vorig jaar. De inzet van Rotterdam voor wind en zon zorgen ervoor dat minder fossiele elektriciteitsproductie nodig is en draagt zodoende bij aan de vergroening van de landelijke elektriciteitsmix. Bijna alle maatregelen hebben de status zeker of verwacht. Effect voor de luchtkwaliteit Door uitvoering van het KAR daalt de uitstoot van NO x met 2443 ton en die van fijnstof met 75 ton. Daarvan is een deel het gevolg van de verduurzaming van de Rotterdamse mobiliteit: 814 ton minder NOx-uitstoot en 43 ton minder emissie va fijnstof. Vooral reductie bij het wegverkeer is relevant in de stad omdat die veelal plaatsvindt op korte afstand van waar mensen zich bevinden.

De grotere emissiereducties bij de kolencentrales en de industrie hebben door de verspreiding op grote hoogte (hoge schoorstenen) en de afstand tot de gebouwde omgeving verhoudingsgewijs weinig effect op de luchtkwaliteit in de stad.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 5 van 35

1

Inleiding Doelstelling

CO2-doelen Rotterdam De gemeente Rotterdam heeft voor CO2 twee doelen: • de collegetarget voor 2025: CO2-reductie in het stedelijk gebied van ten minste 25% ten opzichte van de uitstoot in 1990. • In 2030 moet minimaal een reductie van 55% worden behaald ten opzicht van 1990. Dit betreft de Rotterdamse bijdrage aan, en komt overeen met, de nationale doelstelling. Klimaat Actieplan Rotterdam Het Klimaat Actieplan Rotterdam (KAR) is een voortzetting van de eerdere Rotterdamse klimaataanpak en bedoeld om de uitstoot van CO2 zodanig te reduceren dat beide doelen gerealiseerd worden. Het KAR omvat vele maatregelen die geclusterd zijn in vier thema’s: Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Haven & Industrie en Schone energie. Doel rapport Rotterdam heeft DCMR gevraagd om de maatregelen van de Rotterdamse Klimaataanpak te beoordelen op het CO2-effect. Dit rapport wil daarom inzicht geven in het effect van het uitvoeren van het KAR op de Rotterdamse CO2-uitstoot. Daarnaast geeft het aan of het (huidige) KAR leidt tot het bereiken van de twee hierboven genoemde CO2-doelen.

1.2

Aanpak

DCMR heeft de maatregelen van het KAR beoordeeld op het effect voor de CO2-uitstoot in met name de doeljaren 2025 en 2030. Dat effect is bepaald ten opzichte van de huidige situatie (2022)1 en. Zichtjaren Voor het bepalen van het effect zijn de volgende jaartallen relevant: • 1990: referentiejaar voor CO2-doelen • 2022: huidige situatie • 2023: Tussenjaar/meetmoment • 2024: Tussenjaar/meetmoment • 2025: doeljaar voor collegetarget • 2030: doeljaar Rotterdam en Nederland

1.3

Scopes Greenhouse Gas Protocol

Het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol) is de internationale standaard voor het categoriseren en kwantificeren van de uitstoot van broeikasgassen. Er worden verschillende emissies2 onderscheiden. Deze worden ingedeeld in drie categorieën, ofwel scopes: •

Scope 1 betreft de ‘directe’ uitstoot van CO2. Het gaat om alle uitstoot die door verbranding van fossiele brandstoffen bij de industrie, door voertuigen of in gebouwen plaatsvindt. Als dit binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam gebeurt, worden de emissies aan Rotterdam toegekend. Conform het landelijk Klimaatakkoord zijn de emissies van internationale scheepvaart en de luchtvaart niet in deze doorrekening meegenomen. Ook de sector landbouw (het betreft in Rotterdam met name enkele glastuinbouwbedrijven in Hoek van Holland) blijft buiten beschouwing in dit rapport3.

1

Zie de CO2-monitor 2022: https://www.dcmr.nl/verminderen-co2-uitstoot In deze rapportage wordt enkel CO2 beschouwd; de overige broeikasgassen (methaan, lachgas en fluorgassen) blijven buiten beschouwing. 3 In de jaarlijkse CO2 monitor die DCMR opstelt in opdracht van Rotterdam worden emissies van scheepvaart, luchtvaart en de landbouw wel meegenomen. 2

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 6 van 35

•

Scope 2 omvat de ‘indirecte’ uitstoot van CO2 door het gebruik van elektriciteit, stoom, warmte en koude. Het gebruik wordt dan vertaald naar de uitstoot die noodzakelijk was om bijvoorbeeld elektriciteit4 of warmte te produceren. Waar die productie heeft plaats- gevonden, is niet relevant.

•

Scope 3 emissies zijn de zogenaamde keteneffecten. Deze omvatten alle (wereldwijde) emissies die vrijkomen bij productie, transport en gebruik van goederen bij activiteiten door personen of organisaties.

Figuur 1. De drie scopes van het GHG protocol

Relatie scopes en doelen Rotterdam Voor de collegetarget (en daarmee ook voor de stedelijke emissies in 2023, 2024 en 2025) gaat het om de som van de scope 1 en scope 2 emissies. Dit wordt ook wel de gebruikersbenadering genoemd. Voor het doel in 2030 zijn enkel de scope 1 emissies relevant. Dit is de bronbenadering. Deze wordt ook voor internationale berekeningen gehanteerd. De scope 2 emissies zijn voor 2030 voor de volledigheid wel berekend maar zijn niet relevant voor de twee klimaatdoelen. Scope 3 blijft in dit rapport verder buiten beschouwing. Overigens zijn veruit de meeste maatregelen gericht op de reductie van scope 1-emissies. Als een maatregel gericht is op een transitie naar elektriciteit of warmte, zoals de elektrificatie van voertuigen of het aansluiten van woningen op het warmtenet, heeft zo’n maatregel ook (een negatief) effect op scope 2-emissies. Effect schone energie Voor schone energie (wind en zon) geldt dat er niet zozeer doelstellingen zijn voor de te bereiken CO2-effecten maar wel voor het totaal opgesteld vermogen. Dit opgesteld vermogen zorgt vervolgens voor een elektriciteitsproductie door zon en wind en dit vertaalt zich naar vermeden CO2-uitstoot in scope 1, doordat zodoende minder productie van ‘fossiele elektriciteit’ nodig is geweest. Het opgesteld vermogen in Rotterdam draagt bij aan de vergroening van de landelijke elektriciteitsmix.

Emissiefactoren elektriciteit en warmte De emissiefactor voor elektriciteit van het landelijke net is de afgelopen jaren flink gedaald en zal naar verwachting in de toekomst verder dalen. Deze was in 2005 gelijk aan 0,51 kg CO2 per kWh en is in 2022 afgenomen tot 0,27 kg per kWh. De verwachting in de Klimaaten Energieverkenning (KEV) 2022 is dat de emissiefactor in 2025 zal zijn gedaald tot 0,19 kg per kWh en in 2030 tot 0,07 kg per kWh. Ook de emissiefactor voor warmte daalt. In 2018 werd volgens het warmte-etiket van Eneco 22,3 kg CO2 per geleverde GJ uitgestoten, in 2022 was dat 17,6 kg per GJ. De verwachting 4

Voor het bepalen van de uitstoot door elektriciteitsgebruik, wordt gerekend met de landelijke factor van het elektriciteitsnet. Deze is gebaseerd op de mix van elektriciteitsbronnen die in een bepaald jaar gebruikt is of, voor toekomstige jaren, op de verwachte mix van bronnen. Door verduurzaming van de elektriciteitsproductie wordt deze factor steeds kleiner.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 7 van 35 35

is echter dat de emissiefactor voor warmte in de toekomst niet veel zal veranderen, omdat er nog geen concrete plannen zijn bij de leveranciers (enkele bedrijven in het HIC) om de warmtenetten te verduurzamen. Warmte afkomstig uit een warmtenet levert nu een CO2reductie op van bijna 70% ten opzichte van warmte opgewekt met aardgas (CV-ketel).

Status van de maatregelen DCMR heeft de KAR-maatregelen beoordeeld op het effect voor de CO2-uitstoot. Die maatregelen zijn daarbij onderscheiden naar hun status: zeker, verwacht en beoogd. Binnen de thema’s is een groot aantal maatregelen benoemd. Sommige daarvan zijn al gestart, andere zijn voorzien over vijf tot tien jaar. Het verwachte effect hangt daarom af van de om- vang en verwachte impact van een maatregel, maar ook van de mate van (on)zekerheid of deze uitgevoerd gaat worden. Maatregelen zijn daarom ingedeeld in vier categorieën die aangeven in welke fase een maatregel zit en daarmee ook hoe ‘hard’ het geschatte CO2-effect is. • Zeker. De maatregel is al gestart of gaat zeker starten. Er is een besluit over de maatregel genomen, de financiering is geregeld en/of de maatregel is wettelijk verplicht. • Verwacht. Er is overeenstemming over de maatregel, maar het definitieve besluit over de uitvoering van de maatregel is nog niet genomen. • Beoogd. Er zijn plannen voor de maatregel, de uitvoering is op hoofdlijnen bekend, een schatting van het verwachte effect is gemaakt, maar partijen zijn het nog niet volledig eens over de exacte invulling ervan. Ook de financiering moet nog geregeld worden. • Onvoldoende concreet: Voor deze maatregelen is nog veel onduidelijk. Soms is wel een geschat CO2-effect benoemd maar is niet duidelijk waar dat op gebaseerd is.

Voor dergelijke maatregelen is het effect (vooralsnog) op ‘nul’ gesteld.

Opzet rapportage Deze rapportage beschrijft het verwachte CO2 -effect van alle maatregelen. Hoofdstuk 2 biedt een totaaloverzicht van dat effect met een toetsing aan beide Rotterdamse klimaatdoelen. Hoofdstuk 3 geeft een uitwerking per sector met daarin een omschrijving van de sector, de belangrijkste verschillen met de vorige doorrekening en het effect van de maatregelen daarop. In de bijlage is per thema en per maatregel het resultaat van de berekeningen opgenomen en toegelicht.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 8 van 35

2

Totaal effect van de maatregelen

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het effect van alle maatregelen gesommeerd en getoetst aan de doelen voor 2025 en 2030. Ook wordt de verwachte uitstoot voor de ‘tussenjaren’ 2023 en 2024 weergegeven. Voor 2023 betreft het een inschatting van het effect van maatregelen die inmiddels uitgevoerd zijn, maar waarvoor nog geen cijfers over dat effect beschikbaar zijn.

Collegetarget 2025 De gemeente Rotterdam heeft als collegedoel een CO2-reductie in het stedelijk gebied van minimaal 25% in 2025 ten opzichte van 1990. Het betreft hier de gebruikersbenadering, dat is de som van scope 1 en scope 2. Scope 1-emissies in de stedelijke omgeving ontstaan vooral door verbranding van aardgas voor verwarming van gebouwen (woningen en utiliteitsbouw) en van fossiele brandstoffen (benzine en diesel) door stedelijk verkeer. Scope 2-emissies zijn afkomstig van stadsverwarming voor gebouwen en elektriciteit voor gebouwen, openbare voorzieningen en stedelijke mobiliteit. In 1990 bedroeg de uitstoot 3.437 kton CO2. In 2022 (‘huidige situatie’)1 is de uitstoot gedaald tot 2.816 kton. Om de collegetarget te behalen mag de uitstoot in 2025 hooguit (75% van 3.437=) 2.578 kton bedragen. Dat is 240 kton minder dan de huidige uitstoot. Tabel 1. CO2 uitstoot in kton en de resultaten voor de zichtjaren van de collegetarget CO2-uitstoot [kton]

1990

2022

2023

2024

2025

2030

effect gebouwde omgeving scope 1 effect gebouwde omgeving scope 2 effect mobiliteit stad scope 1 effect mobiliteit stad scope 2 Totaal effect KAR stad

1.088 1.268 987 94

763 914 1038 101

13 -1 127 -11 128

23 -2 158 -12 167

35 -5 197 -15 213

102 -20 419 -16 485

Autonome reductie door groen gas

2

5

10

92

Autonome reductie door verduurzaming elektriciteitsnet Resterende uitstoot Stad scope 1 + scope 2 collegetarget stad 2025

85

152

271

677

2.601

2.492

2.323 2.578

1.559

3.437

2.816

Toetsing aan collegetarget De tabel toont het verwachte effect van uitvoering van het KAR voor de zichtjaren 2023, 2024, 2025 en ook voor 2030. Het autonome effect van de (landelijke) verduurzaming van de gasmix en elektriciteitsmix telt daar bij op. Voor doeljaar 2025 is het berekend effect van het KAR in de stedelijke omgeving 213 kton; dat van de landelijke ontwikkelingen voor gas en elektriciteit samen (10+271=) 281 kton. In totaal is de verwachte reductie in 2025 dan, na afronding, 493 kton. De huidige uitstoot (2.816 kton) daalt daardoor tot 2.323 kton. Dat is lager dan de collegetarget van 2.578 kton en deze lijkt dus door uitvoering van het huidige KAR-pakket haalbaar. N.B. Door uitvoering van het KAR daalt de uitstoot in scope 1 maar is er een toename van de uitstoot in scope 2. Zoals door het aansluiten van woningen op het warmtenet of de overstap van fossiele naar elektrische voertuigen. Voor mobiliteit betreft hier enkel de reducties in de stad. De reductie in de haven blijft hier dus buiten beschouwing. Voor meer details, zie 3.2.3.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 9 van 35 35

effect KAR op uitstoot CO2 stad

4.000 3.500

uitstoot CO2 [kton]

3.000 2.500

Zeker Verwacht

2.000

Beoogd

1.500

CO2-uitstoot huidig CO2-uitstoot na reductie collegetarget 2025

1.000 500

0 1990

2022

2023

2024

2025

2030

Bron: DCMR

Figuur 1. CO2 uitstoot in kton en de resultaten (status van de maatregelen) voor de zichtjaren.

De figuur toont het CO2-effect per status van de maatregelen voor de tussenjaren 2023 en 2024, voor doeljaar 2025 en biedt een doorkijk voor 2030. Die effecten zijn deels het gevolg van Europees en nationaal beleid, zoals de verschoning van het wagenpark op basis van Europese normen en het (landelijk) verduurzamen van het elektriciteitsnet. De verduurzaming van het elektriciteitsnet (status ‘verwacht’) levert in 2025 een grote bijdrage aan het reduceren van de scope 2 emissies en daarmee aan het halen van de collegetarget. In 2030 is deze bijdrage verder toegenomen. Ook het (landelijk) bijmengen van groengas (ook status ‘verwacht’) zorgt voor een reductie van de (scope 1) emissies in 2030. In 2025 is deze bijdrage nog beperkt. De aanname is geweest dat groengas alleen in de gebouwde omgeving wordt ingezet. Al met al zorgt uitvoering van het KAR voor een reductie van de stedelijke emissies maar is het landelijk beleid van belang voor het halen van de collegetarget in 2025.

Figuur 2. Aandeel voor de verschillende maatregelen in het effect voor de stedelijke uitstoot in 2025.

De figuur toont het aandeel van het scope 1-effect van de maatregelen voor gebouwde omgeving en mobiliteit voor 2025. De (relatief kleine) negatieve scope 2effecten zijn achterwege gelaten. Voor meer details, zie 3.1.3 en 3.2.3.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 10 van 35

2.3

Doel 2030

De doelstelling van 2030 is minimaal 55% CO2-reductie te realiseren ten opzichte van 1990. In 1990 was de uitstoot 23.200 kton CO2. Voor de scope 1 emissies op Rotterdams grondgebied betekent deze doelstelling een maximale uitstoot van 10.440 kton CO2 in 2030. De huidige CO2-uitstoot betreft de situatie in 2022. Omdat in het KAR de internationale sectoren zeescheepvaart en luchtvaart en ook de landbouw buiten beschouwing blijven, moeten de totaalcijfers uit de CO2-monitor1 voor die uitstoot gecorrigeerd worden. De huidige uitstoot wordt dan 24.905 kton. Omdat geen CO2verkenning is uitgevoerd voor 2030, is dat ook de uitstoot die voor 2030 is aangehouden. De reductieopgave voor 2030 bedraagt dan (24.905 – 10.440=) 14.465 kton CO2. Tabel 2. CO2 uitstoot in kton en de resultaten voor 2025 en doeljaar 2030

Jaar

1990

2022

Gebouwde omgeving

1.088

763

Doel 2030

Basispad 2030

Opgave 2030

Groen gas

Effect 2025

Effect 2030

35

102

10

92

Mobiliteit

1.166

1.352

223

489

Haven en industrie

13.146

13.214

172

4.971

Energiesector

7.800

9.577

0

6.008

Totaal

23.200

24.905

440

11.662

10.440

24.905

14.465

Restopgave 2030

2.803

Met de uitvoering van het huidige KAR, aangevuld met de vergroening van de Nederlandse gasmix, wordt in 2030 een reductie van 11.662 kton CO 2 gerealiseerd. De (huidige) opgave is 14.465 kton reductie en dus is het effect van het huidige KAR onvoldoende om het doel voor 2030 te halen. De resterende uitstoot in 2030 is (24.905 – 11.662 =) 13.243 kton; de restopgave bedraagt dan 2.803 kton CO2. Het effect van de maatregelen is qua omvang en planning vergelijkbaar met het effect van de vorige doorrekening, maar doordat de huidige uitstoot is afgenomen is de restopgave kleiner geworden: vorig jaar was die nog 4.449 kton. De opgave blijft: om het doel voor 2030 te bereiken zijn aanvullende maatregelen nodig of moeten de maatregelen die nu als onvoldoende concreet zijn beoordeeld, worden uitgewerkt en uitgevoerd. Dat kan onder meer door het faciliteren en versnellen van innovaties die uiteindelijk bij kunnen dragen aan het halen van het klimaatdoel voor 2030. Het grootste potentieel zit bij Haven & industrie. Zie 3.3.3.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 11 van 35 35

30.000

effect KAR op uitstoot CO2 stad + haven

uitstoot CO2 [kton]

25.000

20.000 Zeker Verwacht 15.000

Beoogd

CO2-uitstoot huidig 10.000

Restopgave CO2-uitstoot na reductie doel 2030

5.000

0 1990

2022

2023

2024

2025

2030

Bron: DCMR

Figuur 3. CO2 uitstoot in kton stad en haven door uitvoering KAR.

Overschatting van effect Het totale effect van uitvoering van het huidige KAR-pakket aan maatregelen plus de verduurzaming van de landelijke gasmix zal in 2030 een reductie opleveren van 11.662 kton CO2. Alle maatregelen zijn daarbij meegenomen, ongeacht de status (zeker, verwacht of beoogd). Dat levert hoogstwaarschijnlijk een overschatting van het effect op omdat, vooral voor beoogde maar ook voor verwachte maatregelen geldt dat, niet zeker is of die ook uitgevoerd worden. Bij de gebouwde omgeving hebben de maatregelen een mix van de status zeker, verwacht of beoogd, bij mobiliteit én bij haven & industrie is dit meestal zeker of verwacht. De energiesector betreft uitsluitend de sluiting5 van de kolencentrales (in 2030) en dat is een zekere maatregel. Schone energie uit wind en zon heeft geen direct effect op de scope 1-emissies; wel indirect omdat minder fossiele elektriciteitsproductie nodig is.

Figuur 4. Bijdrage van de sectoren aan het behalen van het doel voor 2030.

5

Strikt genomen is er geen verplichte sluiting van de kolencentrales. In 2030 mag er geen kolen meer in gestookt worden, maar mogelijk krijgen ze nog wel een andere functie.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 12 van 35

3

Effect per sector Gebouwde Omgeving

3.1.1 Omschrijving sector en maatregelen De sector Gebouwde omgeving bestaat uit woningen en utiliteitsbouw. Utiliteitsbouw betreft panden zonder woonfunctie, zoals ziekenhuizen, bedrijfspanden, kantoren en scholen. Woningen worden onderverdeeld in huur- en koopwoningen. Omdat we in deze rapportage niet naar verwachte, autonome ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving kijken6, blijft de nieuwbouwopgave hier buiten beschouwing. De Gebouwde Omgeving omvat maatregelen zoals het aardgasvrij maken van woningen, het isoleren van woningen en de renovatie van woningen door woningcorporaties. Een deel van deze maatregelen is inmiddels in uitvoering. Dit betekent dat de effecten van die maatregelen al voor deels ‘verrekend’ zijn in de huidige cijfers (t/m 2022) waarover jaarlijks gerapporteerd wordt in de CO2 monitor. Omdat de gebouwde omgeving onderdeel is van het stedelijk gebied en daarmee van de collegetarget, zijn voor alle maatregelen ook de effecten voor scope 2 bepaald. Bij de berekeningen zijn de volgende afwegingen gemaakt en aannames gehanteerd: • Bij de maatregelen die betrekking hebben op het aardgasvrij maken van gebouwen is een andere vorm van verwarming nodig. Er is uitgegaan van verwarming door stads- warmte, tenzij er informatie is aangeleverd waaruit blijkt dat er een andere warmtebron is (zoals elektrische verwarming).

Voor woningen is aangenomen dat de inductiekookplaat als vervangende techniek wordt gebruikt voor gasfornuis. • Een verbetering van het energielabel betekent in de meeste gevallen isolatiemaatregelen en aanpassen van ventilatiesystemen, omdat die maatregelen de grootste invloed hebben op het label. Dit heeft overwegend (het zou ook woningen met stadsverwarming kunnen betreffen) effect op het gasverbruik en dus op de scope 1-emissies. • Het installeren van zonnepanelen door eindgebruikers (woningen, utiliteit) zorgt er voor dat per saldo minder elektriciteit van het openbare net wordt afgenomen. We rekenen voor de reducties in scope 2 met de landelijke elektriciteitsmix. • De maatregelen worden gefaseerd uitgevoerd. Bij het berekenen van de effecten in scope 2 is daarom rekening gehouden met de veranderende elektriciteitsmix en de warmtemix. Voor de elektriciteitsmix in 2025 en 2030 zijn de factoren uit de KEV 2022 aangehouden (in de KEV 2023 is hier geen update voor gegeven); voor de warmtemix zijn de gegevens uit het warmte-etiket van Eneco (2022) gehanteerd7. • In de toekomst zal het aandeel fossiele bronnen in de energiemix afnemen. Voor besparingsmaatregelen gericht op elektriciteit wordt het CO2-reducerend effect in de toekomst kleiner. • De landelijke maatregel bijmengen groengas uit de KEV8 heeft gevolgen voor de emissies in scope 1 van de Gebouwde Omgeving. Groengas 6

Een uitzondering hierop vormen het aantal voertuigkilometers voor 2030. Daarbij is aangesloten bij het Rotterdamse verkeers- model om verschillen met luchtemissies voor het Schone Lucht Akkoord (SLA) te voorkomen. 7 We rekenen voor scope 2 emissies met een uitstoot van 30% ten opzichte van aardgas geleverd door een cv ketel. Dit is al een flinke emissiereductie en de verwachting is dat dit richting 2030 vrijwel ongewijzigd blijft. 8 Bijmengen van groengas komt ter sprake in de KEV 2021 en de bijmengverplichting in de KEV 2022 maar is nog niet vastgelegd in wetgeving. Inmiddels is blijkt de toename van groengas beperkt en is de verwachting naar beneden bijgesteld

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 13 van 35 35

mag, rekenkundig, als emissievrij worden beschouwd. 3.1.2 •

•

•

3.1.3

Belangrijkste verschillen t.o.v. eerdere doorrekening Het referentiejaar (2022, de huidige situatie) kent een veel lagere uitstoot dan 2021. Voor een deel is dat te verklaren door het klimaat (in 2022 was het warmer, veroorzaakt ongeveer de helft van de afname). Door de hoge energieprijs staat in veel huishoudens de thermostaat nu lager, dat verklaart de andere helft. De uitstoot door woningen is daardoor met 25% afgenomen. Het effect van maatregelen aan woningen die gericht zijn op het terugdringen van het gasgebruik is daarom ook 25% kleiner dan bij referentiejaar 2021. Het aantal woningen dat van het aardgas af gaat is kleiner dan in de vorige doorrekening. Destijds betrof het 47.000 woningen; nu zijn dat er zo’n 33.000. Een deel is inmiddels gerealiseerd, een ander deel wordt niet (voor 2030) uitgevoerd. Er is opnieuw een berekening uitgevoerd voor effecten in scope 2. De verbetering van de emissiefactor voor de landelijke elektriciteitsproductie levert door de toename van energie uit zon-pv en wind het grootste CO2 effect in de scope 2-emissies op. Effect maatregelen

Tabel 3. Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO2-reductie scope 1 (kton) Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

11

17

20

30

Verwacht

2

6

14

39

Beoogd

0

0

1

33

Totaal

13

23

35

102

Tabel 4. Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO2-reductie scope 2 (kton) Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

-1

-2

-2

Verwacht

0

-1

-2

-7

Beoogd

0

0

0

-10

Totaal

-1

-2

-5

-20

De landelijke maatregelen “vergroening elektriciteitsmix” en “bijmengen groengas” leveren voor 2030 een grote CO2-reductie op. Deze maatregelen vallen onder de categorie verwacht. De maatregel “van het gas af” zorgt voor een CO 2-reductie in scope 1. Daar staat een toename van stadsverwarming (scope 2) tegenover. Het aandeel duurzame warmte in stadsverwarming op termijn kan toenemen als het aandeel van restwarmte uit de industrie groter wordt en er minder inzet van fossiele brandstoffen voor nodig is. Omdat er geen concrete plannen van warmtebedrijven zijn voor verduurzaming van de warmteproductie veronderstellen we dat de emissiefactor voor warmte tot 2030 gelijk blijft.

Mobiliteit 3.2.1

Omschrijving thema en maatregelen

Mobiliteit betreft het wegverkeer (personen en vracht) maar omvat ook mobiele werktuigen, railtransport en binnenvaart binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam. Mobiele werktuigen betreft ook het deel in de haven. Zeescheepvaart

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 14 van 35

-2

en luchtvaart blijven buiten beschouwing2. Bij de berekeningen zijn de volgende afwegingen gemaakt en aannames gehanteerd: •

•

•

•

•

• •

•

Het Rijk heeft de landelijke emissiefactoren voor de verschillende typen voertuigen en wegtypen sinds 2018 niet meer geactualiseerd. In de loop van 2024 worden de geactualiseerde CO2-emissiefactoren verwacht. Met die verouderde factoren is de huidige uitstoot (2022) bepaald, die daardoor te hoog is. Bij maatregelen die met verschoning van het wagenpark te maken hebben is daarom een schatting gemaakt van het al gerealiseerde effect dat nog niet in de huidige uitstoot ‘geland’ is. Dit is opgeteld bij het verwachte effect in 2023 en volgende jaren. Dat levert daarmee een overschatting van het werkelijke effect maar geeft per saldo wel een goede indicatie van de resterende uitstoot. Er is onderscheid gemaakt naar het effect van de mobiliteitsmaatregelen in de stad en in het havengebied. In de haven betreft het (Europese en nationale) maatregelen voor het zwaar wegverkeer en een deel van het effect voor mobiele werktuigen. Dit deel van het effect van het KAR telt niet mee voor de collegetarget. Niet alleen de Rotterdamse, maar ook nationale en Europese maatregelen hebben effect hebben op de uitstoot. Hierdoor ontstaan dubbeltellingen. Hiervoor is gecorrigeerd, al is de scheidslijn soms lastig te bepalen. Een tweede vorm van dubbeltelling ontstaat als de ene maatregel de andere vervangt: bijv. het effect van het bijmengen van bio- brandstoffen neemt af bij toenemende elektrificatie.

Evenzeer nemen volumemaatregelen (bijvoorbeeld modal shift) een deel van de andere effecten weer weg. Van deze interacties is een inschatting gemaakt, mede op basis van eerder voor Rotterdam uitgevoerde studies. Maatregeleffecten zijn veelal overgenomen van eerdere rapportages, maar waar relevant wel gebaseerd op de meest recente 2030 prognose van het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (VMRDH, versie 2.10), dat de gemeente Rotterdam gebruikt. Sommige maatregelen hebben een hogere status gekregen. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het jaar 2030 en voor de tussenliggende jaren. Als een fasering ontbrak, is lineaire interpolatie toegepast voor de periode waarin de maatregel gepland staat. De maatregeleffecten zijn alleen bepaald voor het Rotterdamse grondgebied of voor een deel daarvan (zoals voor de ZE-zone). Het totale effect zal vaak ook daarbuiten doorwerken. Verkeer dat bijvoorbeeld de Rotterdamse ZE zone voor goederenverkeer in wil zal immers vaak ook buiten die zone rijden en de werkgeversaanpak zal niet alleen werknemers wonend binnen de gemeentegrenzen betreffen. Omdat een deel van de mobiliteit onderdeel vormt van het stedelijk gebied en daarmee van belang is voor de collegetarget, is voor dat deel van de maatregelen ook het effect voor scope 2 bepaald.

Bij maatregelen waarbij fossiele voertuigen vervangen worden door elektrische voertuigen is de volgende berekening aangehouden. Voor personenmobiliteit bijvoorbeeld, is de gemiddelde uitstoot van een benzine auto 0,204 kg CO2/km, voor een vergelijkbare elektrische auto op de gemiddelde stroommix 0,069 kg/CO2/km. Voor 2025 is dus ongeveer een derde (69/204 = 33,8%) van de elektrificatiewinst als negatief scope 2 effect meegenomen. Voor sommige initiatieven wordt geclaimd dat er alleen groene stroom gebruikt wordt. Als een partij meer groene stroom claimt in zijn berekeningen, zal de mix voor de anderen stroomgebruikers ongunstiger worden. Per saldo verandert daarmee de CO2-uitstoot dus niet. We houden daarom voor alle maatregelen de landelijke mix (emissiefactor) van het elektriciteitsnet aan. Deze factor neemt jaarlijks af.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 15 van 35 35

3.2.2 •

•

• •

3.2.3

Belangrijkste verschillen t.o.v. eerdere doorrekening Het maatregelenpakket vanuit Mobiliteit is grotendeels gelijk aan dat van vorig jaar. Wel is de status voor een aantal maatregelen opgeschoven naar verwacht of zeker. Er zijn verschillen op maatregelniveau, maar het totale effect blijkt niet noemenswaardig gewijzigd. Het effect van modal split is opnieuw bepaald op basis van de geactualiseerde verkeer- cijfers en nieuwe inzichten in het effect op autoen OV-gebruik. Dit effect is afgeleid door het verschil te bepalen in afgelegde kilometrages van de scenario’s WLO Hoog 2030 en Stedelijke Referentie 2030 in Rotterdam in bovengenoemd verkeersmodel V-MRDH 2.10. Het effect van de elektrificatie van mobiele werktuigen is bijgesteld op basis van gesprekken met experts, waaronder die van de gemeente. Het effect van de ZE-zone is naar beneden bijgesteld naar aanleiding van een in de zomer van 2023 door DCMR in nauwe samenwerking met Rotterdam uitgevoerde studie. Effect maatregelen

Tabel 5. CO2-reductie door effect van maatregelen Mobiliteit, scope 1 (kton) Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

129

150

177

341

Verwacht

15

29

46

148

Beoogd

0

0

0

0

Totaal

144

179

223

489

Zoals in het begin van deze paragraaf vermeld staat, bevatten de cijfers in deze tabel een overschatting voor het effect van het verschonen van het wegverkeer. Voor de collegetarget betreft het enkel de effecten voor het stedelijk verkeer. De cijfers in Tabel 5 en Tabel 6 omvatten ook de CO2-effecten van maatregelen voor zwaar vrachtverkeer en mobiele werktuigen in de haven. Daarom zijn de hier vermelde cijfers niet gelijk aan die in Tabel 1. Voor 2025 is het effect in de haven 26 kton, in 2030 is dat 70 kton. Tabel 6. CO2-effect van maatregelen Mobiliteit, CO2-reductie scope 2 (kton)

Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

-8

-9

-10

-11

Verwacht

-3

-5

-7

-9

Beoogd

0

0

0

0

Totaal

-11

-13

-17

-20

Haven en Industrie 3.3.1

Omschrijving sector en maatregelen

De sector Haven en industrie omvat bedrijfsmatige activiteiten in de haven van Rotterdam. Het omvat o.a. de chemie, afvalverwerking en de raffinaderijen. Ook de voorzieningen voor walstroom voor de zeescheepvaart zijn ingedeeld bij deze sector. Transport in de haven is ondergebracht bij de sector Mobiliteit. Zeescheepvaart valt buiten de scope van het KAR. De energiesector valt onder de sector Schone Energie.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 16 van 35

De sector Haven en Industrie heeft maatregelen in onder meer de volgende categorieën: • Elektrolysers bij verschillende industriële bedrijven; • CO2 afvang en opslag (CCS) – Porthos; • Fabrieken voor waterstof met CO2 afvang – H-Vision; • Stoomuitwisseling – stoompijp Botlek; • Elektrificatie industrie – elektrodeboilers en warmtepompen in plaats van aardgas; • Walstroomvoorzieningen 3.3.2

Belangrijkste verschillen t.o.v. vorige doorrekening

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de eerdere doorrekeningen zijn dat een aantal projecten dichter bij de realisatie is en er meer informatie over de maatregelen beschikbaar is: • Het aantal elektrolysers en het opgesteld vermogen is toegenomen: er is nu ongeveer 1500 MW vermogen gepland tegenover circa 600 MW in de eerdere berekeningen; • Porthos mag worden gerealiseerd en gezien alle stappen die inmiddels zijn gezet richting uitvoering kan de status naar zeker; • Er is meer informatie over project Aramis. Uit het MER rapport blijkt dat er zowel CO2 kan worden aangevoerd via schepen van buiten Rotterdam als via de landleiding van Porthos. Er wordt een opslagterminal gerealiseerd om tijdelijk CO2 op te slaan die per schip wordt aangevoerd. De landleiding van Porthos heeft nog voldoende reservecapaciteit om CO 2 te transporteren van bedrijven in en rond Rotterdam. Om de aangevoerde CO2 af te voeren wordt gebruik gemaakt van nieuwe compressoren en een nieuwe zeeleiding en opslagreservoirs onder de zeebodem van Shell en TotalEnergies. Vanuit de terminal kan CO2 ook met zeeschepen naar locaties in of buiten Nederland worden vervoerd. Een van de leveranciers aan Aramis is H-Vision. • H-Vision is nu een concreet project dat bij BP is gepland.

Vanwege het indienen van een vergunningaanvraag en andere stappen richting realisatie zoals meer duidelijkheid over Aramis en de beschikbaarheid van opslagcapaciteit is de status gewijzigd in verwacht; • Er is zowel door Zuid Holland als door Rotterdam een subsidie verstrekt voor de uitbreiding van de stoompijp Botlek. Daarmee is het project een stuk dichter bij realisatie en gaat de status naar verwacht; • Elektrificatie door middel van elektrodeboilers en warmtepompen. De vergunningaanvragen bij de industrie in Rotterdam betreffen vooral kleine initiatieven (boilers tot 20 MW). Dit blijkt ook uit SDE++ subsidieaanvragen. Er is een flinke opschaling nodig richting 2030 om te komen tot een door het HbR verwacht CO2-effect van 1.000 kton. Dat is ook afhankelijk van de beschikbaarheid van hernieuwbare energie en voldoende capaciteit van het elektriciteitsnet. DCMR ziet wel concrete plannen om die capaciteit te verbeteren maar het is onduidelijk of dit al voor 2030 tot reductie leidt. Het wordt daarom vooralsnog als potentieel gezien. • Walstroomvoorzieningen zijn of worden gerealiseerd. Alleen walstroom voor de binnen- vaart telt mee voor de CO2-reductie. Walstroom voor de zeescheepvaart (waaronder cruiseschepen en containerschepen) geldt als internationale zeevaart en telt daarom niet mee.

Echter, het elektriciteitsgebruik (scope 2) door het gebruik van walstroom voor de cruiseschepen telt wel mee voor de emissies van de gebouwde omgeving. • Rotterdam ziet voor energiebesparing door de industrie een potentieel van 500 kton CO2 reductie in 2030. Door de invoering van de onderzoekplicht energie in 2023 waardoor grote energiegebruikers (ook ETS bedrijven)

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 17 van 35 35

•

3.3.3

uiterlijk 1 december 2023 onder meer een energiebesparingsplan moesten indienen, ontstaat meer inzicht in dit potentieel. De eerste onderzoeken zijn inmiddels beoordeeld. Het is echter op dit moment niet duidelijk welke maatregelen zullen worden getroffen de komende jaren en daardoor is een goede inschatting van de te realiseren CO2 reductie niet mogelijk. Vanuit de Cluster Energie Strategie9 ziet men import en toepassing van waterstof als (een van) de belangrijkste mogelijkheden om de CO2 uitstoot te reduceren. Als 10 tot 20 procent van de geïmporteerde waterstof zou kunnen worden gebruikt in Rotterdam is het potentieel mogelijk 0,5 tot 2 Mton. Vanwege de grote onzekerheden over wat de plannen precies inhouden en waar de waterstof wordt ingezet (voornamelijk buiten Rotterdam?) kunnen we daar nog geen CO2 reductie aan toekennen. Effect maatregelen

Voor Haven en Industrie zijn, met uitzondering van walstroom, alleen effecten in scope 1 bepaald. Er zijn echter ook in de haven wel degelijk gevolgen voor scope 2 emissies. Met name de elektrolysers en elektrificatie van industriële projecten zorgen voor een toename van het elektriciteitsverbruik en hebben impact op de infrastructuur (elektriciteitsnetten). Als er niet vol- doende aanbod van wind op zee is zullen deze projecten leiden tot een toename van emissies in scope 2. Voor de berekening van scope 1 effecten is ervan uitgegaan dat het aantal vollast- uren van elektrolysers zal worden afgestemd op het aanbod van windenergie. Tabel 7. Effect van de maatregelen Haven en industrie, CO2-reductie Scope 1 (kton) Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

0

4

4

2.254

Verwacht

0

0

168

2.191

Beoogd

0

0

0

527

Totaal

0

4

172

4.971

Er wordt een beperkt aantal projecten voor 2025 gerealiseerd. De eerste grote elektrolysers worden in 2025 en 2026 gerealiseerd en projecten voor afvang en opslag van CO2 zullen vanaf 2026 tot CO2-reductie leiden. Het totale CO2-effect voor 2030 is bijna 5 Mton. Potentiële aanvullende maatregelen Bij de sector Haven en Industrie zijn de beste mogelijkheden om de restopgave voor 2030 in te vullen. Het potentieel van aanvullende maatregelen - door havenbedrijf, bedrijfsleven en overheid gezamenlijk - lijkt groot, zo blijkt uit diverse publicaties van het HbR10. Niet alle maatregelen die het havenbedrijf daarbij benoemt hebben invloed op de CO2-uitstoot van Rotterdam. Zo voorziet het project Aramis net als Porthos in de opslag van CO2 in reservoirs onder de Noordzee. De CO2 wordt echter voor het grootste deel aangevoerd met (zee)schepen van buiten de haven en zorgt dus niet voor een CO 2-reductie binnen Rotterdam (of de haven). De import en toepassing van waterstof heeft in potentie veel mogelijkheden maar het is nog onvoldoende duidelijk wat de plannen daarvoor zijn en dus is een potentieelschatting nu niet mogelijk. De mogelijkheden van elektrificatie worden beperkt door de capaciteit van het net maar als meer bekend is over de mitigerende maatregelen kan dit gevolgen hebben voor het CO 2 -reductiepotentieel. Ook met energiebesparing lijkt nog veel te winnen 11. 9

Cluster Energie Strategie Rotterdam-Moerdijk.pdf (portofrotterdam.com) https://www.portofrotterdam.com/nl/haven-van-de-toekomst/energietransitie 11 Rotterdam geeft aan dat elektrificatie en energiebesparing gezamenlijk een potentieel van 1,500 kton hebben. 10

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 18 van 35

Schone Energie 3.4.1

Omschrijving thema en maatregelen

Schone energie omvat de inzet op hernieuwbare energie uit wind en zon. Voor wind betreft het de projecten die al in procedure zijn of die naar verwachting de komende jaren uit worden gevoerd. Grootschalige projecten in Rotterdam dragen bij aan de vergroening van de landelijke energiemix, doordat er minder fossiele bronnen hoeven worden ingezet voor de productie van elektriciteit. Omdat die relatie niet direct is (waar die productie, en dus de CO2-emissie, afneemt is onduidelijk), wordt gesproken over ‘vermeden CO2-uitstoot’. Ook de fossiele energiesector valt onder dit thema. Tot de energiesector behoren de kolencentrales en gasgestookte centrales (waaronder de warmtekrachtcentrales, WKK’s) die elektriciteit leveren aan het landelijk net. Uitstoot in de energiesector valt onder scope 1. De volgende uitgangspunten en aannames zijn gehanteerd: - Uitgangspunt is nog steeds dat productie door wind en zon de inzet bij gasgestookte centrales vervangt. - Bij het bepalen van de vermeden uitstoot de emissiefactor van een gascentrale aangehouden, 369 g/kWhe. - Er is mogelijk een lichte overschatting van de berekende vermeden uitstoot doordat door netcongestie niet alle duurzaam opgewekte energie benut kan worden. - Voor het bepalen van de productie door wind is gebruik gemaakt van SDE++202312 voor de indeling van categorieën. Rotterdam valt grotendeels in cat. 4; dat betekent 7 m/s.

Voor Maasvlakte 2 geldt cat. 2; dat is 8 m/s. - Voor zon is de productie gebaseerd op 950 vollasturen bij de standaard pv-panelen, voor gevelsystemen is 808 uur (15% minder) aangehouden en 1045 uur bij zonvolgende systemen. 3.4.2

Belangrijkste verschillen t.o.v. vorige doorrekening

Er zijn voor wind geen grote verschillen met de vorige doorrekening. De gerealiseerde projecten worden niet meer in de berekening (verwachte vermeden uitstoot) meegenomen. Voor enkele projecten is het opgesteld vermogen aangepast. Voor zon is er een aantal nieuwe of aangepaste projecten. Zon op bedrijfsdaken is fors toegenomen en heeft potentie (nog onvoldoende concreet) voor verdere groei. Daarnaast de plannen voor zon-pv langs rijkswegen (Opwek Energie op Rijksvastgoed, OER), deels op Rotterdams grondgebied. Ook is een begin gemaakt met zon-pv op gevels. 3.4.3

Effect maatregelen

Energie uit hernieuwbare bronnen

12

https://www.rvo.nl/sites/default/files/2023-07/BrochureSDE2023.pdf

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 19 van 35 35

Tabel 8. Effect van de maatregelen Schone energie, vermeden uitstoot CO2 (kton) Status

2023

2024

2025

2030

Zeker

94

136

136

136

Verwacht

0

11

42

131

Beoogd

0

0

0

29

Totaal

94

147

179

297

Volgens de berekeningen zal de vermeden CO2-uitstoot bij fossiele bronnen in 2030 totaal 297 kton bedragen. Bij de berekeningen is aangenomen dat schone energie een gasgestookte elektriciteitscentrale vervangt. Voor de sector Schone energie worden de doelen niet uitgedrukt in een CO2effect maar in km2 (zon) of in opgesteld vermogen (wind). Het doel is om binnen de gemeentegrenzen: - in 2025 350 MW opgesteld vermogen aan windturbines te hebben staan, en - in 2026 een oppervlakte van 3,2 km2 aan zon-pv te hebben. Van de windprojecten levert het windpark op Maasvlakte 2 (‘Harde en zachte zeewering’) veruit de grootste bijdrage aan het doel. Voor de zon zijn er enkele projecten die flink bijdragen aan het doel: zon op bedrijfsdaken, zon op infrastructuur OER en zonnepark Slufter. Omdat er geen doelstellingen zijn voor de CO2-reductie kan daar in het kader van deze doorrekening ook niet aan worden getoetst. Toetsing van gerealiseerd geïnstalleerd vermogen aan ambities voor 2025 of 2030 valt niet binnen de kaders van deze doorrekening. Sluiting Kolencentrales Het betreft het verbod op kolenstook in de twee kolencentrales op de Maasvlakte. Bij de vorige doorrekening werd een ander referentiejaar gebruikt en had het effect daarom een andere omvang. Tabel 9. Effect van de maatregel Sluiting kolencentrales, CO2-reductie Scope 1 (kton)

Status Zeker Totaal

2023 0 0

2025 0 0

Sluiting van de kolencentrales in 2030 betekent dat de huidige uitstoot van de centrales in dat jaar wegvalt. Bij deze doorrekening geldt 2022 als huidige situatie. Het betreft de netto uitstoot, dus na aftrek van de emissie van de verbranding van biomassa. Deze wordt, volgens internationale rekenregels, als nulemissie beschouwd. Omdat het verbod op kolenstook is vastgelegd in de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie is er sprake van een zekere maatregel. Het is niet aannemelijk dat de centrales zullen worden omgebouwd voor het gebruik van een ander soort brandstof en daarom wordt de maatregel aangeduid met sluiting van de kolencentrales. Gezien de invloed van externe omstandigheden op de productie van de kolencentrales is er onzekerheid over de CO2-uitstoot van die centrales in de komende jaren. We rekenen daarom (net zoals bij de andere thema’s) met een scenario waarbij de uitstoot in 2030 gelijk blijft aan de uitstoot in het referentiejaar. Effect voor lucht

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 20 van 35

2030 6.008 6.008

3.5.1

Inleiding

Deze paragraaf beschrijft de effecten van uitvoering van het KAR voor de emissies van de luchtverontreinigende stoffen stikstofoxyden (NO x) en fijnstof (PM10). Twee algemene uitgangspunten die daarbij gelden zijn: • Voor CO2 maakt het niet uit waar de reductie plaatsvindt terwijl het bij luchtkwaliteit gaat om de blootstelling van mensen en daarmee om de afstand tot de locatie waar de emissies worden uitgestoten. Bronnen als binnenstedelijk verkeer zijn dan belangrijker dan de industrie ook al is gereduceerde emissie kleiner. • Elektrificatie van verkeer verlaagt de uitstoot van CO2 en van verbrandingsemissies. Echter, voor de uitstoot van fijnstof is dat minder relevant omdat de slijtage van het wegdek en voertuigen (banden, remschijven) en het opwervelen van wegenstof inmiddels tot meer fijnstof leidt dan verbranding. Volumebeleid en modal shift zijn dan belangrijkere maatregelen. In deze rapportage vermelden we alleen gereduceerde tonnen emissies en niet geschatte of berekende luchtkwaliteitseffecten. 3.5.2

Gebouwde Omgeving

De maatregelen hebben betrekking op vermeden gasgebruik voor woningverwarming en ko- ken. De kilotonnen CO2 worden daarom gerelateerd aan de gemiddelde CO2/NOx uitstoot van consumenten. Deze volgt uit cijfers van de landelijke Emissieregistratie. De CO2/NOx ratio bedraagt 0,27 g/kg en wordt constant verondersteld tot 2030. Verondersteld wordt ook dat alle winst wordt veroorzaakt door minder gasverbruik (en dus niet door minder biomassa of houtstook). Het effect op fijnstof is daarom nul. Tabel 10. Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving op fijnstof en NOx in ton

Referentie uitstoot woningen NOx (ton)

PM10 (ton)

127

2

2022

Reductie door maatregelen gebouwde omgeving CO2 (kton)

NOx (ton)

%

PM10 (ton)

%

102

28

22

0

0

2030

3.5.3

Mobiliteit

De gemiddelde verhouding tussen CO2 en de luchtvervuilende stoffen (bron: Emissieregistratie), is gebruikt voor een globale schatting van het luchteffect. Die verhoudingen zijn 0,14 en 2,17 g/kg respectievelijk voor fijnstof en NOx. Dit jaar zijn mobiele werktuigen opgenomen in de referentie-uitstoot. Voor mobiele werktuigen gelden andere verhoudingen van de uitstoot, namelijk 0,24 en 6,68 g/kg respectievelijk voor fijnstof en NOx. Tabel 11. Effect van de maatregelen Mobiliteit op fijnstof en NOx in ton

2022

Referentie uitstoot wegverkeer + mobiele werktuigen NOx PM10 (ton) (ton) 3013 159

2030

Reductie door maatregelen mobiliteit CO2 (kton)

NOx (ton)

%

PM10 (ton)

%

271*

814

28

44

27

* NB: betreft enkel de CO2 reductie door vermeden brandstof (die dus ook tot NOx en PM10 effecten leidt).

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 21 van 35 35

3.5.4

Haven en Industrie

Bij Haven en Industrie spelen een paar bijzonderheden voor luchtkwaliteit. De afvang van CO2 kost energie en daarmee brandstof. Dit leidt tot extra luchtvervuiling: bij een positief CO2-effect is er een negatief luchteffect. Min of meer het omgekeerde speelt bij walstroom: de zeevaart telt in deze rapportage niet mee in de CO2-berekeningen, maar door het gebruik van walstroom daalt wel de uitstoot van luchtvervuilende stoffen. Per saldo resteert een kleine toename van de NOxuitstoot doordat CO2-afvang een grote rol speelt in deze categorie. Als emissieratio’s zijn enerzijds de gasgestookte WKK’s gebruikt 0,29 g NOx/kg CO2, en voor de elektrolysers is de uitstoot van een waterstoffabriek als maatgevend gehanteerd (0,42 g NOx/kg CO2). Voor walstroom is een aparte berekening gemaakt. Het fijnstofeffect is geheel op het conto van de walstroom te schrijven. Tabel 12. Effect van de maatregelen Haven en industrie op fijnstof en NOx in ton Referentie uitstoot industrie 2022

NOx (ton)

PM10 (ton)

5.228

335

Reductie door maatregelen haven en industrie CO2 (kton)

NOx (ton)

%

PM10 (ton)

%

4.971

-104*

-2

3

1

2030 *) een negatief getal betekent toename van de uitstoot

3.5.5 Schone Energie Bij Schone Energie wordt verondersteld dat extra productie door zon-pv of windturbines betekent dat minder productie bij gasgestookte centrales nodig is. Gasgestookte centrales hebben nauwelijks fijnstof uitstoot dus het effect treedt vooral op voor NOx. Welke installaties op enig moment harder of minder hard draaien is onbekend dus is niet zeker of er enig effect in Rotterdam optreedt. Voor de berekening is er van uitgegaan dat die reductie wel in het HIC plaatsvindt; het berekende effect is daarom indicatief. De gemiddelde uitstoot van NO x in 2022 per eenheid CO2 was 0,29 g/kg en wordt constant verondersteld tot 2030. Daarnaast worden de kolencentrales gesloten in 2030. Met het sluiten van de kolencentrales verdwijnt de hele fijnstofuitstoot van de energiesector. Ook de NO x uitstoot daalt substantieel. Tabel 13. Effect van de maatregelen Schone energie op fijnstof en NOx in ton Referentie uitstoot energiesector NOx (ton) PM10 (ton) 2022 2030 schone energie 2030 kolencentrales

2.979

Reductie door KAR CO2 (kton)

NOx (ton)

297 6.008

86 1.617

%

PM10 (ton)

31 3 54

3.5.6 Totaal De totale uitstoot van luchtvervuiling daalt met 2443 ton NO x en 75 ton fijnstof. Mobiliteit is verantwoordelijk voor 814 ton van de NO x-daling en 43 van die voor fijnstof. Dit is een belangrijke reductie omdat die voor een flink deel plaatsvindt op korte afstand van waar mensen zich bevinden. De grotere reducties bij de kolencentrales (en de industrie) hebben door de verspreiding van de emissies op grotere hoogte (schoorstenen) én door de afstand tot de gebouwde omgeving verhoudingsgewijs weinig effect op de blootstelling van

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

%

Blad 22 van 35

0 29

0 94

mensen in de Rijnmond. De reductie verlaagt de blootstelling aan NO2 iets; dat gebeurt daardoor overigens wel in het hele land (en daarbuiten). Ook voor de deken van stikstofdepositie die over het land ligt is dit een kleine verbetering, maar wederom voor een heel groot gebied.

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

blad 23 van 35 35

Bijlage I. Maatregelen KAR per sector. I.1

Sector Gebouwde omgeving

Tafel/thema: GO Maatregel / project

GO 1.01 tot woningen aardgasvrij zeker en met GO 1.18; GO 1.36; GO 1.38 aantal woningen

realisatie jaar

2020/2030

reductie uitstoot scope 1 [kton CO2]

reductie uitstoot scope 2 [kton CO2]

status maatregel

2023

2024

2025

2030

zeker

1,28

2,76

3,38

3,38

824 st

1.772 st

2.172 st

2.172 st

effect scope 2 inductiekoken effect scope 2 stadswarmte GO 1.01 tot woningen aardgasvrij verwacht en met GO 1.18; GO 1.36; GO 1.38 aantal woningen

2020/2030

verwacht

0,00

0,70

3,80

16,12

st

449 st

2.441 st

10.361 st

effect scope 2 inductiekoken effect scope 2 stadswarmte GO 1.01 tot woningen aardgasvrij beoogd en met GO 1.18; GO 1.36; GO 1.38 aantal woningen effect scope 2 inductiekoken

2020/2030

beoogd

0,00

0,03

1,48

32,49

st

20 st

954 st

20.887 st

effect scope 2 stadswarmte GO 1.19

Collectieve energiecoaching energiearmoede

2023

gerealiseerd

0,00

0,14

0,14

0,14

GO 1.20

effect scope 2 elektriciteit Convenant energiearmoede woningcorporaties

2023

gerealiseerd

0,00

0,00

0,00

0,00

GO 1.21

Energieklussers energiearmoede

2023

gerealiseerd

0,00

0,85

0,85

0,85

GO 1.22

effect scope 2 elektriciteit Isolatiesubsidie appartementen tot 300.000 Euro

2024/2025

zeker

0,00

0,14

0,14

0,14

GO 1.23

Isolatiesubsidie grote VVE's Pendrecht

2023

zeker

0

0,01

0,01

0,01

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

Blad 24 van 35

2023

2024

2025

2030

-0,05

-0,10

-0,12

-0,12

-0,37

-0,79

-0,97

-0,97

0,00

-0,03

-0,14

-0,58

0,00

-0,20

-1,09

-4,61

0,00

0,00

-0,05

-1,17

0,00

-0,01

-0,42

-9,30

0,00

0,05

0,05

0,05

0,00

0,28

0,28

0,28

Tafel/thema: GO Maatregel / project

realisatie jaar

reductie uitstoot scope 1 [kton CO2]

reductie uitstoot scope 2 [kton CO2]

status maatregel

2023

2024

2025

2030

GO 1.24

Verduurzaming VVE energiebesparing

2024 en verder

verwacht

0,00

0,14

0,28

0,83

GO 1.28

Vervanging Gemeentelijk vastgoed

2020/2030

verwacht

1,30

2,60

3,90

10,40

GO 1.34

Energietransitieleningen

2024-2030

verwacht

0,30

0,40

0,50

0,90

GO 1.35

Gebiedgerichte aanpak koopwoningen

2024-2030

verwacht

0,00

0,26

0,56

0,56

GO 1.37

Kantoorpanden label C

2023

zeker

10,00

10,00

10,00

10,00

GO 1.44

Save the Homes

2024 en 2025 beoogd

0,00

0,01

0,01

0,01

GO 1.46

Toekomstbestendig MKB duurzaamheidsvoucher

2024/2026

0,00

0,94

1,87

2,81

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024

verwacht

Blad 27 van 35

2023

2024

2025

2030

Tafel/thema: GO

realisatie

reductie uitstoot scope 1 [kton CO2]

Maatregel / project

jaar

GO 1.51

Waterzijdig inregelen

2024/2025

verwacht

GO 1.53

Prestatieafspraken woningcorporaties 2024-2025

2024/2030

zeker

GO 1.53

reductie uitstoot scope 2 [kton CO2] 2023

2024

2025

2030

effect scope 2 stadswarmte

0,00

-0,60

-1,20

-3,59

effect scope 2 inductiekoken

0,00

-0,08

-0,15

-0,45

effect scope 2 zon PV

0,00

0,63

1,26

3,77

0,00

-0,32

-0,63

-1,89

0,00

-0,04

-0,08

-0,24

Prestatieafspraken woningcorporaties 2024-2025 effect scope 2 stadswarmte

2024/2030

status maatregel

verwacht

2023

2024

2025

2030

0

0

0

0

0,00

2,61

5,22

15,65

0,00

1,31

2,61

7,84

effect scope 2 inductiekoken GO 1.54

Isolatiesubsidie voor kleine VVE's

2025

zeker

0,00

0,00

0,04

0,04

effect maatregelen scope 1 kton totaal van de maatregelen gebouwde omgeving alle maatregelen reductie scope 1 zeker alle maatregelen scope 2 stadsverwarming zeker alle maatregelen scope 2 elektriciteit zeker zon PV op woningen zeker alle maatregelen reductie scope 1 verwacht alle maatregelen scope 2 stadsverwarming verwacht alle maatregelen scope 2 elektriciteit verwacht alle maatregelen reductie scope 1 beoogd alle maatregelen scope 2 stadsverwarming beoogd alle maatregelen scope 2 elektriciteit beoogd

Effect Klimaat Actieplan Rotterdam 2024.

2023 kton 11,28

1,60

0,00

2024 kton 16,51

6,34

0,04

2025 kton 19,78

13,52

1,49

effect maatregelen scope 2 kton 2030 kton 30,22

2023 kton

2024 kton

2025 kton

2030 kton

-0,37 0,00

-1,39 0,26

-2,16 0,18

-4,56 -0,12

0,00

0,63

1,26

3,8

0,00 0,00

-0,51 -0,06

-1,72 -0,22

-6,50 -0,82

0,00 0,00

-0,01 0,00

-0,42 -0,05

-9,30 -1,17

39,46

32,50

blad 26 van 35

Toelichting en achtergrond berekeningen Gebouwde omgeving GO 1.01 tot en met GO 1.18; GO 1.36; GO 1.38 Toelichting Dit betreft alle maatregelen aardgasvrij voor de verschillende wijken en corporaties. Rotterdam heeft als informatie de verwachte aantallen woningen, de fasering per jaar en de status van de maatregel aangeleverd. Niet in alle gevallen is een CO2 effect aangeleverd. De maatregel is door ons doorgerekend op basis van het aardgasverbruik van een gemiddelde Rotterdamse woning met als basisjaar 2022 waardoor het efffect anders is dan in eerdere doorrekeningen. Zie ook het kader hieronder GO 1.19 toelichting verwacht effect Rotterdam: Er zijn in 2023 1195 deelnemers geweest aan een energiecoachings bijeenkomst. 1195*200 kg= 239 ton besparing. Oordeel DCMR: De maatregel leidt tot CO2 reductie in 2024. Een deel van het effect 20% zit in scope 2 (40 kg) en vanwege het referentiejaar 2022 moeten we rekenen met een 25% lagere reductie in scope 1 (120 kg) . GO 1.20 toelichting Subsidie gemeente uit SPUK voor verduurzaming woco's. Er is alleen zon-pv uitgevoerd effect zit al in GO 1.53 Oordeel DCMR: zit al in maatregel GO 1.53 dus geen extra effect voor deze maatregel. GO 1.21 toelichting verwacht effect Rotterdam: In 2023 zijn er 7078 huisbezoeken gedaan door de energieklussers.

7078 *200kg= 1415,6 ton CO2 Oordeel DCMR: vanwege het referentiejaar 2022 rekenen we met 40 kg reductie in scope 2 en 120 kg reductie in scope 1 GO 1.22 toelichting Verwacht effect Rotterdam: 338 ton. Onderbouwing - tot en met eind 2025 voor VVE's met een maximum vergoeding van max 2000 Euro voor max 2 maatregelen. Oordeel DCMR: Dit (930 kg/app) is waarschijnlijk een overschatting. Dit kan eigenaren over de streep trekken om maatregelen te nemen maar 20% per woning lijkt maximaal haalbaar. 50% van 1250 woningen (budget 2,5 miljoen) levert 232 kg per woning is 145 ton GO 1.23 toelichting Info Rotterdam: Er is door 1 grote VVE met 36 appartementen en 12 bedrijfsruimten subsidie verstrekt en daarmee is 992 m2 dakisolatie aangebracht. Oordeel DCMR: Dat komt neer op circa 28m2 per appartement dus gestapelde bouw(?) . Wij rekenen per appartement met het effect van een enkelvoudige maatregel 20% reductie vanaf 2024 en dat is mogelijk een overschatting. GO 1.24 toelichting Verwacht effect Rotterdam: 1000 appartementen van 50 grote en kleine VVE's nemen per jaar deel aan een advies en ondersteuningstraject en naar verwachting neemt jaarlijks 30% meervoudige isolatiemaatregelen en dat betekent 300 woningen x 642 kg = 193 ton per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7fd0f082-fe86-41a6-9392-28d045544b8d