CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003215] Beantwoording Technische vragen PvdA Rotterdam BOZ

Commissie Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport (2022 - 2026) 22 mei 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Integraal plan Bestuursopdracht Zorg (BOZ)2.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording Technische vragen PvdA Rotterdam BOZ [24bb002787] Maatregel 14: Inzet van reablement bij ouderen (ergotherapie en beweegprogramma’s) 1. Mensen worden met de jaren ook minder zelfstandig. Aangezien dit progressief is: hoe wordt deze ontwikkeling ingecalculeerd in het aanbieden van de reablement? Antwoord: Uit ervaringen met andere gemeenten blijkt dat ook ouderen die in eerste instantie huishoudelijke taken niet meer zelf lijken te kunnen uitvoeren, toch nog leerbaar zijn. En dat het juist voor hun fysieke gezondheid heel goed is om deze taken (weer) zelf te doen, ook al kost dat training of moeite. Achteruitgang als gevolg van (ouderdoms)beperkingen wordt daarmee uitgesteld en zwaardere zorg wordt uitgesteld of voorkomen. Inzet van reablement kan daarbij effectief zijn. 2. Welke rol spelen comfortwoningen (staan bijvoorbeeld in actieagenda Oud voor Goud) in reablement? Antwoord: De welzijnsorganisaties hebben een opdracht om inwoners over hulpmiddelen om langer zelfstandig thuis te wonen te informeren. Dat doen zij o.a. via comfortwoningen, waar allerlei mogelijkheden worden tentoongesteld. Slimme hulpmiddelen kunnen daar bekeken en uitgeprobeerd worden.

Onderdeel van het reablement-traject kan zijn dat mensen bij een comfortwoning op bezoek gaan en bij passende hulpmiddelen ook direct geïnformeerd kunnen worden over hoe deze aan te schaffen (eigen middelen, via wijkverpleging, via Wmo) en zo snel mogelijk in hun woning in te zetten. 3. Lopen die subsidies voor comfortwoningen door of gaan deze aflopen? Het onderhoud, de bemensing en organisatie van de comfortwoning is onderdeel van de welzijnsopdracht. Aanvullend is er met losse subsidies (landelijke SET regeling en 1% Wmo preventiebudget) een assortiment van technische kleine hulpmiddelen in de comfortwoningen toegevoegd. In de jaarlijkse evaluatie en het werkplan per welzijnsaanbieder, wordt ook de werkwijze met de comfortwoningen betrokken. Er is dus op dit moment geen sprake van separate subsidie. De welzijnsaanbieder heeft wel de mogelijkheid om met de comfortwoning die er al is, landelijke subsidie aan te vragen (STOZ regeling) om meer innovatie te onderzoeken of op te schalen. 3. Lopen die subsidies voor comfortwoningen door of gaan deze aflopen? Antwoord: Het onderhoud, de bemensing en organisatie van de comfortwoning is onderdeel van de welzijnsopdracht. In het verleden is (ook vanuit de landelijke SET-regeling) subsidie verleend voor de inrichting en inventaris.

Op basis van een evaluatie van de comfortwoningen zal komende periode worden bepaald op welke wijze de comfortwoningen worden voortgezet en welke middelen daarvoor nodig zijn. 4. Hoeveel comfortwoningen zijn er? Antwoord: Er zijn nu vier comfortwoningen: Delfshaven, IJsselmonde, Prins Alexander en Hoogvliet. [24bb002791] 2.1 Het doel: toekomstbestendige zorg: ‘De zorg kan in de huidige vorm en op de huidige manier niet worden voortgezet. Meer geld beschikbaar stellen is niet de oplossing.’ 5. Graag een technische, op data gestuurde, onderbouwing hiervan. Antwoord: De arbeidsproblematiek maakt dat meer geld alleen de oplossing niet is. Uit de laatste prognose van Bureau de Rotterdamse Zorg blijkt dat we in 2026 4.000 zorgmedewerkers tekortkomen. En in 2032 een tekort van 10.000 medewerkers. Landelijk werkt nu 1 op de 7 werkend in de zorg. In 2040 zullen er volgens berekeningen van de Sociaal Economische Raad (SER) meer dan 2 miljoen mensen nodig zijn in de zorg; dat is dan 1 op de 4 werkenden. [24bb002791] ‘Echter het is de vraag of het resultaatgerichte model ook daadwerkelijk past bij de toekomstbestendige zorg en de wettelijke mogelijkheden in lijn met de beschikkingen zonder tijdsindicatie (uitspraak Centrale Raad van Beroep).

(…) Wij onderzoeken daarom de komende periode of wij in de toekomst overstappen naar een andere uitvoeringsvariant en dus een andere bekostigingssystematiek.’

6. Kan feitelijk worden toegelicht waar nu onderzoek naar gedaan wordt? Welke andere vormen van bekostigingssystematiek bestaan er/ wordt aan gedacht? Antwoord: Het doel van bekostiging is het waarborgen van de financiële middelen voor de uitvoering door de zorgaanbieders en het juiste gebruik van middelen om de nodige zorg en ondersteuning te bieden aan mensen die dit nodig hebben. Het is belangrijk dat de bekostiging en indicatiestelling goed op elkaar zijn afgestemd, zodat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de geïndiceerde ondersteuning te kunnen realiseren. Een zorgvuldige indicatiestelling is essentieel om de juiste ondersteuning op maat te kunnen bieden, terwijl de bekostiging ervoor zorgt dat de benodigde middelen beschikbaar zijn om deze ondersteuning daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. De stijgende kosten vraagt om kritisch te kijken (waar nodig en mogelijk) naar de bekostiging en de wijze waarop de zorg is georganiseerd binnen het Rotterdamse stelsel van Wmo en Jeugdhulp. Momenteel wordt in Rotterdam het resultaatgerichte arrangementenmodel gehanteerd. Er zijn drie archetypen van bekostiging: 1. Inspanningsgericht (p x q): uitvoering van zorg en/of ondersteuning, waarbij er een duidelijke afspraak tussen gemeente en zorgaanbieder is gemaakt over de levering van een specifiek product of specifieke dienst in een afgesproken tijdseenheid. 2.

Output- / resultaatgericht: uitvoering van zorg en/of ondersteuning, waarbij er een duidelijke afspraak tussen gemeente en zorgaanbieder is gemaakt over de te behalen output. De manier waarop deze output wordt behaald, is niet vastgelegd. 3. Taakgericht: uitvoering van zorg en/of ondersteuning, waarbij de gemeente een taak voor een (deel)populatie heeft gegeven aan een aanbieder en deze aanbieder de vrijheid heeft om de invulling van deze taak vorm te geven. In deze variant is er géén sprake van een verantwoording op individueel niveau. [24bb002787] Maatregel 7: ‘De gemeente gaat administratiekosten bij inzet onderaannemer. Nu 6 tot 8 procent, niet meer betalen.’ 7. Kan een concreet voorbeeld gegeven worden van de uitwerking hiervan? Antwoord: Voor de specialistische jeugdhulp hebben we systeemaanbieders gecontracteerd: 7 grote aanbieders die met ons als gemeenten samen aan de transformatie van de jeugdhulp werken. Van deze 7 systeempartijen wordt verwacht dat zij alle vormen van hulp kunnen bieden, zelf of in samenwerking met een onderaannemer. In sommige gevallen is er vanwege tijdsdruk, wachtlijsten of specifieke expertise een onderaannemer nodig. U kunt het zo als voorbeeld zien: Een jeugdige krijgt zorg geïndiceerd. De systeemaanbieder is verantwoordelijk om passende zorg in te zetten, maar heeft geen plek en zet een onderaannemer in.

De systeemaanbieder rekent bij het inzetten van onderaannemers een opslag, tarieven hiervoor variëren tussen 6 en 8% van het weekbedrag. Als een jeugdige zorg geïndiceerd heeft gekregen van bijvoorbeeld € 10.000 per week, dan bedraagt de opslag tussen de € 600 en € 800 per week. Bij constatering van deze opslag door de gemeente wordt het arrangement aangepast naar het oorspronkelijke bedrag zonder opslag. [24bb002787] Maatregel 9: ‘Voor een deel van deze cliënten (ggz-cliënten) gaan wij een deel van deze individuele begeleiding vervangen door groepsbegeleiding(dagbesteding)’ 8. Hoe wordt bepaald voor welke mensen dit gaat gelden? Antwoord: Dit kan worden bepaald door het uitvoeren van een heronderzoek: de ondersteuningsbehoefte van client wordt opnieuw bepaald. Daarbij wordt gebruik gemaakt van evaluaties die door zorgaanbieder in de afgelopen periode zijn uitgevoerd. Ook kan worden bezien of het binnen de (resultaatgerichte) bestaande indicatie mogelijk is om een deel van de afgesproken resultaten in groepsverband te bereiken in plaats van individueel. [24bb002787] Maatregel 10: Sneller uitstromen uit dagbesteding naar leren en werk. ‘Als cliënt een uitkering ontvangt en gaat werken, kan dit een wijziging betekenen van het inkomen. Om cliënten te motiveren uit dagbesteding te stromen moet er oog zijn voor deze financiële onzekerheid.

We gaan afspraken maken met de zorgaanbieders en werkgevers over deze uitstroom.’ 9. Kunnen de afspraken toegelicht worden?

Antwoord: Deze afspraken zijn nog in voorbereiding en we willen aansluiten bij het deels al bestaande instrumentarium hiervoor en de goede voorbeelden die we in de sector aantreffen. Wij hebben oog voor het feit dat er onzekerheid kan ontstaan door het (deels en soms tijdelijk) overstappen naar betaald werk. Deze zitten deels in ons systeem van zorg en werk ‘ingebakken'. Wij willen de ondersteuning ook vanuit de Wmo mede richten op het zo veel mogelijk wegnemen van deze onzekerheid en het leren omgaan daarmee. We zijn ervan overtuigd dat dit voor een aantal mensen een betere weg is dan het principieel vermijden van deze onzekerheid, met als mogelijk gevolg dat men tot in lengte van dagen op de uitkeringssituatie, alsmede het zorgafhankelijk blijven, is aangewezen. Het samen optrekken van gemeente, zorgaanbieders en werkgevers zien wij hierin als zeer belangrijk, aangezien niet alle onzekerheid bij de individuele cliënten moet worden neergelegd. 10. Hoe gaat de gemeente oog hebben voor die financiële onzekerheid? Concreet? Antwoord: De spelregels voor werk & inkomen zijn voornamelijk landelijk bepaald en we kunnen deze niet (of alleen na een lange aanloop) gewijzigd krijgen vanuit gemeentelijk beleid.

Wij willen onze inspanningen vooral richten op wat binnen de bestaande kaders mogelijk is, waardoor mensen meer structuur krijgen, zelfstandiger kunnen worden en meer gevoel voor eigenwaarde kunnen ontwikkelen. Dat is een af te leggen weg, en daar hoort begeleiding bij, deels ook op de werkvloer en deels ook gericht op het financieel weer zelfstandiger worden. [24bb002787] Maatregel 17: We voeren binnen de ondersteuning vanuit de Wmo een maximaal weekbedrag in. ‘Het is de vraag of cliënten met zo’n hoge ondersteuningsvraag niet onder de Wlz (wet langdurige zorg) horen. Met deze maatregelen hanteren we een maximaal weekbedrag van € 800,- per week bij extramurale Wmo-arrangementen. De cliënten met een weekbedrag boven de € 800 vinden we vrijwel uitsluitend in de clientgroepen Verstandelijk Beperkten en GGZ extramuraal.’ 11. Wat kost extramurale zorg nu? Graag een uitsplitsing van minimale tot maximale kosten per persoon, en daarbij percentages van arrangementafname. Antwoord: Bij deze clientgroepen (VB en GGZ extramuraal) zit ongeveer 85% onder een weekbedrag van € 300 per week. Slechts enkele procenten zitten hoger dan € 800 per week. 12.

Welke oplossing ligt voorhanden als mensen extramuraal wmo arrangement nodig hebben, dit boven de 800 euro uitkomt en zij niet voor wlz in aanmerking komen? Antwoord: Dat kan inderdaad voorkomen en uiteraard houden we oog voor de individuele situatie. Maar daarbij wordt er wel kritisch gekeken of er bijvoorbeeld een Wlz-aanvraag gedaan is of niet, terwijl die wel aan de orde zou kunnen zijn. Cliënten met een afgewezen Wlz-aanvraag laten we uiteraard niet vallen. Voor de verwachte financiële effecten van de eerste en tweede set maatregelen wordt nog steeds gewerkt met data uit 2022. 13. Graag ontvangen wij de geschatte budgettaire effecten gebaseerd op cijfers uit 2023 (een jaar waarin ook al maatregelen zijn uitgevoerd, waardoor waarschijnlijk een preciezere schatting voor de komende jaren gemaakt kan worden). Antwoord: Bij elke maatregel zijn direct de financiële effecten ingeschat voor de komende jaren. Voor het doorrekenen van de verwachte financiële effecten van de maatregelen zijn indicatiedata over het jaar 2022 als uitgangspunt genomen (de zogeheten 0-meting). Per maatregel is voor de huidige situatie (ISTt) het aantal indicaties per variabele in kaart gebracht. De variabelen bestaan uit een combinatie van financieringsvorm, cliëntgroep, resultaatgebied en intensiteitstrede.

Vervolgens zijn deze aantallen ook vastgesteld voor de gewenste situatie (SOLLl) na invoering van aanpassingen. Het verschil in aantallen tussen IST en SOLL, vermenigvuldigd met het weekbedrag vormt de berekende besparing. Voor het maken van aannames om tot de gewenste situatie te komen zijn de volgende draaiknoppen gehanteerd: • Afname: het aantal indicaties neemt af; • Afschaling: de intensiteit van indicaties neemt af.

Voor de berekening van de besparing is de aanname gemaakt dat de maatregelen het eerste jaar nog niet volledig effectief zijn. Er is sprake van een ingroeipad. Per maatregel is gekeken vanaf welk jaar deze volledig effectief is, wat varieert tussen 3 en 4 jaar na invoering. De IST- en SOLL-situatie zijn onveranderlijk, immers een 0-meting mag als referentiekader niet wijzigen. Na invoering van de maatregelen worden de variabelen per indicatie gemeten en afgezet tegen de uitkomsten van de 0-meting. Daarmee wordt inzicht gegeven in hoeverre de maatregelen al dan niet effectief zijn. [24bb002787] ‘Met de nieuwe reeks maatregelen kunnen we invulling geven aan de financiële maatregelenreeks woz. (…) De nieuwe maatregelen lijken meerjarig nu meer op te leveren dan nodig is. Voorzichtigheid is echter geboden. De bedragen zijn doorgerekend maar bevatten risico’s. Externe, onvoorziene omstandigheden kunnen effect hebben op de maatregelen.

14. Graag ontvangen we een schatting van onvoorziene omstandigheden uitgedrukt in bedragen, met toelichting, en hoe de meerjarige extra besparingen per jaar zich hiertoe verhouden. a. Graag zien wij een meer jaren reeks uitgesplitst naar de genomen maatregelen en financiële effecten per jaar (reeks 2024 t/m 2027) Antwoord: Onvoorziene omstandigheden zijn vanwege hun aard per definitie niet in geld uit te drukken. Voor de Wmo en Jeugdwet worden in de risicoparagraaf bij de Voorjaarsnota 2024 gekwantificeerde risico’s opgenomen, specifiek voor het risico van het niet geheel of tijdig realiseren van de besparingsopdrachten. Er komen integrale infopleinen 15. Hoe vaak zijn deze al georganiseerd? Antwoord: We zijn momenteel bezig met de uitwerking van de motie infopleinen. We nemen de uitvoering van de motie op in het project bestaanszekerheid en starten met infopleinen in Schiebroek en Bloemhof. In deze beide wijken organiseren we het zo dat een inwoner met een hulpvraag bij elke informele of formele toegangspoort terecht kan en dat deze partijen elkaar zo weten te vinden dat de inwoner niet tussen wal en schip valt. Zo maken we het voor de Rotterdammers makkelijker om passende hulp te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=17b422d5-b318-4c11-9060-8f63baa0e8b2