[24bb003180] Bijlage 1 behorende bij 24bb003967 over ontwerpbestemmingsplan Mallegat
Tekst van het document
Op de locatie zal IT-riolering toegepast worden waardoor een deel van de jaarlijkse neerslag kan infiltreren wat voordelig is in een droge zomerperiode. Door het voorkomen van droogte en het voorkomen van lage waterstand kan bodemverlaging beperkt worden. Bij een overschot aan neerslag kan de riolering via twee overstorten alsnog lozen in de Nieuwe Maas waarmee wateroverlast door overvloedige neerslag beperkt wordt. Voor de ontwikkeling geldt dat de openbare ruimte zoveel mogelijk groen wordt ingericht. Dit draagt bij de aan de gemeentelijke ambities voor vergroening van de stedelijke omgeving en de bestrijding van hittestress. Planten en bomen kunnen hoge temperaturen tijdens hittegolven in de stad verlagen. De Mallegatplot ligt naast het Mallegatpark en daarmee op een locatie die niet sterk versteend is. Daken en gevels kunnen diverse duurzame toepassingen hebben zowel voor energiesystemen als vergroting van biodiversiteit door vergroening. Bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking wordt concreet invulling gegeven aan deze mogelijkheden. 5.3.11 Schaduwwerking en bezonning Toetsingskader In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van schaduwwerking. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect bezonning c.q.
schaduwwerking te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Gelet op de bouwhoogte en verdichting bij dit bestemmingsplan, wordt nader ingegaan op dit aspect. Voor de bezonning van de openbare ruimte is de Rotterdam de Hoogbouwvisie 2019 van toepassing. Voor de bezonning van de bestaande woningen in de omgeving is het Afwegingskader Bezonning van toepassing.
79
Hoogbouwvisie 2019 In de Hoogbouwvisie zijn er zogenaamde 'sunspots' en representatieve ruimtes aangewezen. Dit zijn openbare ruimten met een dusdanige functie voor haar omgeving, dat voor ieder van deze locaties is bepaald of een afname in bezonning is toegestaan, binnen welke tijden en met welke duur. Indien geen sprake is van sunspots of representatieve ruimtes, dient uitgegaan te worden van de 'basiskwaliteit' waarvoor de Hoogbouwvisie een afname met maximaal 2 uur aan bezonning acceptabel acht. Van hoogbouw is sprake als een gebouw hoger is dan 70 meter (te meten op de bovenste verdiepingsvloer). Afwegingskader bezonning De gemeente Rotterdam heeft in juni 2021 het afwegingskader bezonning vastgesteld. Het afwegingskader komt voort uit een veel gebruikte richtlijn, de lichte TNO-norm. De toetsingsdag is gelijk getrokken aan de ongunstigste datum van periode uit de hoogbouwvisie, 21 september. Het afwegingskader biedt naast een kwantitatieve beoordeling de ruimte om de gevolgen van de afname van de bezonning af te zetten tegen het belang van de nieuwbouw. In het afwegingskader staan de voorwaarden voor de toetsing van de bezonning van bestaande woningen: y Een toetsing is nodig als geplande bebouwing (binnen bepaalde voorwaarden) 50% hoger is dan de gemiddelde omgevingshoogte.
y Bestaande woningen worden getoetst tot een afstand van 3 maal de hoogte van de nieuwbouw, met een maximum van 500 meter. y De meethoogte is 0,75 meter in het midden de gevel met ramen van de onderste woonlaag. y De opgetelde bezonning van de verschillende gevels van de woning wordt beoordeeld. y De bezonning wordt gemeten op 21 september van zonsopgang tot zonsondergang. y Bij een bezonning van minimaal 2 uren voldoet de bezonning. y Een afname van de bezonning ten opzichte van de bestaande situatie van minder dan 15% voldoet ook. y Als de bezonning niet voldoet wordt er door de gemeente een afweging gemaakt of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van de bezonning van de bestaande woningen. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging'. Onderzoek Voor de ontwikkeling is een bezonningsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 13. Het onderzoek beschouwt het aantal zonuren en beschaduwing van de maximale planologische bouwmogelijkheden en van het voorlopig ontwerp van de toren op de Mallegatplot op omliggende gebouwen. Hieruit blijkt het volgende: Hoogbouwvisie 2019 Er bevindt zich een sunspot aan de zuidkant van het Mallegat-project. Er is sprake van een verslechtering van het aantal uren zon in de nieuwe situatie met het maximale bouwvolume, waardoor niet wordt voldaan aan de Hoogbouwvisie.
Dit betreft een relatief klein gebied. Er is geen sprake van verslechtering in het aantal zonuren als gevolg van het VO-ontwerp. Daarmee voldoet het maximale VO-ontwerp aan de eisen aan de hoogbouwvisie. De plekken met basiskwaliteit in de buurt van het Mallegatplot ervaren wel een verslechtering van het aantal zonuren. Deze verlaging valt plaatselijk buiten de aanvaardbare verslechteringsgrenzen van maximaal 2 uur en voldoet dus niet aan de hoogbouwvisie. Dit geldt voor het maximale bouwvolume als voor het VO-ontwerp.
80
In het VO-ontwerp is de hoogste verdiepingsvloer lager dan 70 meter en hoeft daarom niet meegenomen te worden bij toetsing aan de Hoogbouwvisie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de volledigheid ook het VO-ontwerp onnderzocht. Het gebouw is geplaatst in een gebied waarvoor een basiskwaliteit geldt en volledig onbelemmerd is, hierdoor is het onmogelijk om voor dit gehele gebied te voldoen aan een eis van maximaal 2 uur verslechtering, ongeacht de vorm of hoogte van het gebouw. Afwegingskader bezonning In de bestaande situatie zijn er zeven gevels in het schaduwgebied van Mallegat, waarop minder dan 2 uur zon aanwezig is. Met de nieuwe ontwikkeling van de Mallegattoren verandert dit niet. Nieuwe situatie - VO-ontwerp Alle woningen ontvangen (cumulatief) meer dan 2 zonuren per etmaal. In deze situatie wordt dus aan het afwegingskader voldaan. Nieuwe situatie –maximale bebouwing Er is één kritieke gevel aan de achterzijde van het bouwblok aan de Oranjeboomstraat. Deze gevel ontvangt minder dan 2 zonuren. Het gebied betreft vijf woningen. De geschatte procentuele vermindering is hoger dan de toegestane daling van 15% volgens stap 2 van het afwegingskader. Daarmee voldoen de vijf woningen niet aan het afwegingskader.
Als er afgeweken wordt van het afwegingskader en er niet alleen op de onderste verdieping, maar op alle woningen in de gevel beoordeeld wordt, dan betreft het 17 woningen die minder dan 2 uur zonlicht ontvangen in de nieuwe situatie.Het afwegingskader (stap 3) biedt de gemeente wel mogelijkheden voor een proportionele, typologische en verdichtingsafweging. Proportionele, typologische en verdichtingsafweging De effecten van de ontwikkelingen op de bezonning van de woningen in de omgeving zijn acceptabel om onderstaande redenen: Proportionaliteit Het aantal getoetste woningen waarbij minder dan twee uur zon op de gevel valt, is beperkt in relatie tot de maximaal 193 woningen die met deze ontwikkeling kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast is de impact van het voorlopig ontwerp, waarbij een deel van de bouwenvelop niet gebruikt wordt vanwege de setback die wordt toegepast, zelfs nog geringer. Uit de toets van het voorlopig ontwerp blijkt dat alle getoetste woningen minimaal twee uur zon op de gevel ontvangen. Dat geldt ook voor de vijf woningen die bij de toets van het maximale bestemmingsplan nog minder dan twee uur zon ontvangen.
Verdichting De ontwikkeling van het Mallegatplot levert voor de wijk Feijenoord een bijdrage door ontbrekende woningtypen en groottes toe te voegen die elders in de wijk weinig te vinden zijn en draagt hiermee bij aan het diversifiëren van de woningvoorraad op deze plek. De ontwikkeling is een verdichting in de nabijheid van het openbaar vervoer, voegt een passende stedelijke dichtheid met functiemenging toe en levert een bijdrage aan het verbeteren van de stedelijke looproutes langs de rivier. Typologie Langs de Passerstraat liggen vijf eenzijdig georiënteerde woningen in het Steenplaat blok. Deze woningen op de begane grond zullen bij het opvullen van de volledige bouwenvelop minder dan twee uur zon ontvangen. Er wordt daarom een setback toegepast (6e bouwlaag en hoger) zoals
81
geïllustreerd in het VO ontwerp waardoor de woningen alsnog (ruim) meer dan twee uur bezonning krijgen. In de volgende fase zal (op basis van het verder uitgewerkte ontwerp) worden bekeken op welke wijze de setback planologisch wordt verankerd in het bestemmingsplan. Conclusie De effecten op bezonning van bestaande woningen zijn acceptabel. Er is één kritieke gevel aan de achterzijde van het bouwblok aan de Oranjeboomstraat. Deze gevel ontvangt minder dan 2 zonuren. Het gebied betreft vijf woningen. De geschatte procentuele vermindering is hoger dan de toegestane daling van 15% volgens stap 2 van het afwegingskader. Hierbij is conform het Afwegingskader bezonning een proportionele, verdichtings- en typologische afweging gemaakt. Kijkend naar de effecten van bezonning op de omgeving, namelijk dat op vijf woningen na alle woning voldoen aan het afwegingskader, de bijdrage van de gebiedsontwikkeling aan de stedelijke beleidsdoelstellingen en de criteria van proportionaliteit, verdichting en typologie uit het Afwegingskader bezonning, wordt in deze afweging de ontwikkeling van het Mallegatplot op het aspect van bezonning als acceptabel beoordeeld. De nieuwe ontwikkeling voldoet daarmee aan het Afwegingskader.
Daarbij wordt opgemerkt dat in de definitieve uitvoering van de ontwikkeling er een setback wordt toegepast, waardoor er meer zon op die vijf woningen valt en deze woningen wel meer dan 2 uur zonlicht ontvangen. Er is rekening houdend met de maximale planolgische mogelijkheden een sprake van een beperkte verslechtering ter plaatse van een van de sunspots uit de Hoogbouwvisie. Er is geen sprake van verslechtering in het aantal zonuren als gevolg van het VO-ontwerp. Verder is sprake van meer dan 2 uur verslechtering in een klein gebied met zogenaamde 'basiskwaliteit'. Dit komt omdat het hele plangebied ligt in het gebied 'basiskwaliteit'. Dit effect zou in dit gebied altijd optreden ongeacht de vorm en de hoogte van de gebouwen en is om die reden acceptabel. 5.3.12 Windhinder Toetsingskader Toetsing van windhinder en -gevaar vindt plaats in overeenstemming met de Norm NEN8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving'. Volgens de NEN8100 voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 m moet het windklimaat met een kwantitatief onderzoek bepaald worden. De NEN8100 geeft eisen en bepalingsmethoden voor de toetsing van het lokale windklimaat in de gebouwde omgeving op loop- respectievelijk verblijfsniveau in relatie tot het effect van wind op voetgangers. Uitgangspunt voor de bepaling van de mate van windhinder is het soort activiteit dat wordt uitgeoefend.
Onderzoek Voor de ontwikkeling is een windklimaatonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 14. Er zijn drie situaties onderzocht: 1. Het windklimaat voor de huidige situatie (geen bomen). 2. Het VO-ontwerp (geen bomen of andere maatregelen). 3. Het maximale bouwvolume (geen bomen). 1. Huidige situatie In de huidige situatie is het windklimaat direct nabij de huidige invulling van de kavel grotendeels goed. Richting de Nieuwe Maas nemen de windsnelheden toe, aangezien het gebied daar onbeschut is.
82
2. VO-ontwerp y Er wordt geen windgevaar verwacht. y Nabij de entree aan de noordzijde is het windklimaat goed door de beschutte ligging en de verdiepte aanleg. Ook de entree aan de zuidzijde heeft een goed windklimaat. y Tussen Mallegat en de naastgelegen bebouwing (Steenplaat) wordt een gebied met een slecht windklimaat verwacht. Wind uit de zuidwestelijke richting stroomt over de plint van het gebouw en zakt daarna naar beneden waar het de gevel van Steenplaat tegenkomt. De wind kan daardoor geen kant op en moet versnellen om alsnog weg te kunnen uit het gebied. Ook ter hoogte van de zuidoostelijke hoek is er sprake van een slecht windklimaat. Dit wordt veroorzaakt door de onbeschutte ligging van het gebouw. 3. Maximale bouwvolume Bij het maximale bouwvolume ontstaan twee gebieden met beperkt risico en een klein gebiedje met windgevaar nabij de Steenplaat. De ruimte tussen de Steenplaat en het maximale bouwvolume is minder geworden. Aan de ene kant ontstaat hierdoor een meer windluw gebied, maar aan de andere kant wordt het windklimaat nabij de Steenplaat slechter. Een gedeelte van de wind kan niet meer weg tussen beide gebouwen en zal langs de zuidwestelijke gevel van de Steenplaat wegstromen. Bij het maximale bouwvolume ontstaat nabij deze gevel daarom een gebied met een slecht windklimaat.
Ten oosten van het maximale bouwvolume ontstaat ook en gebied met een slecht windklimaat. Dit gebied ligt grotendeels op de Maas. Conclusie Bij het maximale bouwvolume ontstaan een paar gebieden met beperkt risico en een klein gebiedje met windgevaar nabij de Steenplaat. Ook zijn er een gebieden met klasse E langs het de zuidwestelijke gevel van de Steenplaat. Bij het VO-ontwerp is geen sprake van windgevaar. Nabij de entree aan de noordzijde is het windklimaat goed door de beschutte ligging en de verdiepte aanleg. Ook de entree aan de zuidzijde heeft een goed windklimaat. Tussen Mallegat en de naastgelegen bebouwing (Steenplaat) en ter hoogte van de zuidoostelijke hoek wordt een gebied met klasse E verwacht. Dit wordt veroorzaakt door het volume van Mallegat en de onbeschutte ligging ervan. Maatregelen zoals luifels zullen hier niet tot nauwelijks effectief zijn. Indien de bestaande bomen rond het ontwerp behouden blijven, zullen deze een positieve invloed hebben op het windklimaat. In de planregels is geborgd dat bij het verlenen van de benodigde omgevingsverguning is geborgd dat geen sprake is van windgevaar. Ook is in de planregels geborgd dat alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verkregen aangetoond is dat er sprake is van een aanvaardbaar windklimaat. Dat wil zeggen dat het windklimaat ten minste 'matig' is zoals bedoeld in NEN 8100.
5.3.13 Trillingshinder Toetsingskader Voor trillingshinder gelden geen wettelijke normen. Een veel gebruikt beoordelingskader is de richtlijn van Stichting Bouwresearch (SBR-richtlijn) 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen'. Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (zoals wonen, onderwijs) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden.
83
Onderzoek en conclusie Bij de realisatie van de woningen op korte afstand van het spoor zal aandacht besteed moeten worden aan trillingshinder en contactgeluid. In algemene zin wordt 150 m aangehouden als richtafstand waarbinnen trillingshinder op kan treden. Trillingen ten gevolge van de passages van treinen zijn goed op te vangen door constructieve maatregelen bij de ontvanger. Hoe trillingshinder inzichtelijk gemaakt moet worden en kan worden getoetst, is aangegeven in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De afstand van het bouwvlak tot het spoor bedraagt bijna 150 meter. Het is daarom niet aannemelijk dat sprake zal zijn van relevante trillingshinder. 5.3.14 Planologisch relevante leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied is een hoofdaardgastransportleiding gelegen. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3.7 Externe veiligheid zal deze leiding gefaseerd worden verwijderd. Verder zijn er binnen het plangebied geen hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
planologisch
relevante
buisleidingen,
84
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
6.1
Juridische planbeschrijving
6.1.1
Opzet regels
De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. ad. 1 In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. ad. 2 In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. ad. 3 Algemene regels bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de algemene bouwregels. ad. 4 Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. 6.1.2
Gemengd-Mallegat
Deze bestemming is toegekend aan de locatie van het geplande woonblok, inclusief de omliggende buitenruimte. Naast wonen zijn hier in de plint ook horeca, maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening toegestaan. In de regels is het maximum bvo en/of de maximale aantallen per functie vastgelegd. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwd dient te worden. Er zijn uitzonderingen voor bestaande en/of ondergrondse nutsvoorzieningen en voor een ondergrondse parkeergarage. Voortvloeiend uit de sectorale toetsing (paragraaf 5.3) zijn specifieke regels opgenomen ten aanzien van geluid, windhinder en externe veiligheid. In de planregels is voorts een regeling voor aan-huis-gebonden beroep en bedrijf opgenomen bij de woonfunctie. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan.
Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.
85
6.1.3
Water en oeverzone
De Nieuwe Maas, voor zover grenzend aan de ontwikkelplot, is uiteraard bestemd voor Water. Het gaat hier onder andere om water voor het scheepvaartverkeer. Voorzieningen voor de aanvaarbeveiliging en om effecten van een plasbrand te voorkomen, zijn specifiek mogelijk gemaakt. De oeverzone heeft daarbij de specifieke functieaanduiding 'recreatie' gekregen. Binnen deze functieaanduiding zijn de bouwstenen voor een groen-blauwe recreatieve ontwikkeling mogelijk. Het gaat hier bijvoorbeeld om het realiseren van een getijdenpark, dagrecreatie, natuur, en/of een stadsstrand. 6.1.4
Waarde - Archeologie
In paragraaf 2.2 zijn de archeologische verwachtingen beschreven in het plangebied. Dit resulteert in de volgende regelingen: Waarde - Archeologie 2 Voor het landgedeelte van het plangebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan 2,0 m beneden maaiveld. Waarde - Archeologie 3 Het overige gebied betreft waterbodems (Waarde - Archeologie 3). Voor gebieden met water geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem. 6.1.5
Waterstaat - Waterstaatkundige functie
Dit artikel is opgenomen in verband met de waterstaatkundige functie van de Nieuwe Maas. 6.1.6
Parkeerregeling
In de regels van het bestemmingsplan is de regel 'Voorwaardelijke verplichting over parkeren' opgenomen. In deze regeling wordt voor de parkeernormen verwezen naar de Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'.
86
Hoofdstuk 7
Financiële uitvoerbaarheid
De grond waarop de ontwikkeling is voorzien, is in eigendom van de gemeente. Kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 1 Wro, vindt dan ook plaats via gronduitgifte. Het besluit tot verplaatsing van het gasstation is genomen. Voorts wordt opgemerkt dat de kosten voor sanering en bouwrijp maken van de grond, lager zijn dan de verwachte grondopbrengsten. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar.
87
88
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Betrekken belanghebbende partijen en omwonenden
Het infomeren en betrekken van omgevingspartijen is een continu proces. Dit wordt op verschillende manier vormgegeven. Eén op één gesprekken met onder andere ondernemers, maatschappelijke organisaties, welzijnswerkers, wijkmanagers. 6- wekelijks voortgangsoverleg met diverse wijkraden en bewonersvertegenwoordigers, kleinere bijeenkomsten in de wijk en bredere themabijeenkomsten. Naast de bijeenkomsten worden via de bouw-app Feyenoord City de omwonenden zo goed mogelijk geïnformeerd over de voortgang van de gebiedsontwikkeling. Met andere grote projecten in de omgeving wordt afstemming gezocht over de manier van participatie met omgeving. Zowel om goed op de hoogte te zijn als ook om slimme combinaties te maken. Insteek van de participatie is om input op te halen voor de plannen en deze mee te nemen in de uitwerking. Hierbij wordt voortgebouwd op de input die opgehaald is bij de vorige bestemmingsplan procedure. Voor Mallegat hebben vanaf november 2022 onderstaande overleggen plaatsgevonden: y Inloopavond in de wijk y 2 x wijkraad bijeenkomst y Structureel voortgangsoverleg y Toelichting bij bewonersbijeenkomsten in de wijk In oktober vindt een inloopavond plaats en vervolgens wordt het ingezette proces met stakeholders gecontinueerd.
8.2
Vooroverleg
Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan alle relevante overlegpartners en overheidsinstanties, zoals de provincie Zuid-Holland en Rijkswaterstaat. De resultaten van het vooroverleg zijn in bijlage 15 samengevat en van beantwoording voorzien.
89
90
Bijlagen toelichting
Bijlage 1
Mer-beoordelingsnotitie
MALLEGATPLOT, ROSESTRAATPLOT, COLOSSEUMPLOT EN WATERKANTPLOT Aanmeldingsnotitie t.b.v. m.e.r.-beoordelingsbesluit 26 september 2023
DATUM KENMERK
26 september 2023 20221450
PROJECT PROJECTLEIDER
Mallegatplot, Rosestraatplot, Colosseumplot en Waterkantplot M. Lammens
OPDRACHTGEVER
Stichting Gebiedsontwikkeling aan de Maas
AUTEUR
S. Lie / M. van der Meulen
Rho adviseurs voor leefruimte
20221450
Inhoud 1.
2.
3.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
Aanleiding M.e.r.-beoordelingsplicht Scope en opzet van de m.e.r.-beoordeling 1.3.1 Afbakening stedelijk ontwikkelingsproject 1.3.2 Opzet m.e.r.-beoordeling
5 5 6 6 8
1.4
Leeswijzer
8
Kenmerken van het project
9
2.1
Omvang van het project 2.1.1 Programma 2.1.2 Ruimtelijke opzet / ontwerp
9 9 9
2.2 2.3 2.4
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Overige kenmerken
12 13 13
Plaats van het project 3.1 3.2 3.3
4.
14
Bestaand grondgebruik 14 Relatieve rijkdom aan/kwaliteit en re-generatievermogen van natuurlijke hulpbronnen in het gebied 14 Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu 15
Kenmerken van de milieueffecten
18
4.1 4.2
Verkeer en parkeren Geluid 4.2.1 Mallegatplot, Colosseumplot en Rosestraatplot 4.2.2 Waterkantplot 4.2.3 Gevolgen voor omliggende bestaande woningen
18 20 20 22 24
3.3
Bodem en water 4.3.1 Bodem 4.3.2 Water
24 24 25
4.4
Natuur 4.4.1 4.4.2
Mallegatplot, Colosseumplot en Rosestraatplot Waterkantplot
26 26 27
4.5
Luchtkwaliteit 4.5.1 Mallegatplot, Colosseumplot en Rosestraatplot 4.5.2 Waterkantplot
27 27 27
4.6
Externe veiligheid 4.6.1 Inleiding 4.6.2 Mallegatplot, Colosseumplot en Rosestraatplot
29 29 30
Rho adviseurs voor leefruimte
20221450
5.
4.7
Cultuurhistorie en archeologie 4.7.1 Archeologie 4.7.2 Cultuurhistorie
35 35 35
4.8
Schaduwhinder en windhinder 4.8.1 Mallegatplot, Colosseumplot en Rosestraatplot 4.8.2 Waterkantplot
35 35 37
4.9 Trillingen 4.10 Gezondheid 4.11 Bouwwerkzaamheden
37 38 39
Conclusie
41
Bijlagen 1. Notitie geluidbelasting Waterkantplot 2. Notitie stikstofdepositie totaal deelgebied 1 3. Notitie externe veiligheid
Rho adviseurs voor leefruimte
20221450