CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003180] Bijlage 1 behorende bij 24bb003196 over ontwerpbestemmingsplan Mallegat

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 5 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen30.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: y er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; y de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; y er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; y het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; y de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

57

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 m vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 m vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van woningen en een aanvullend programma. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 486 mvt/etmaal, waarvan 8 zware mvt (1,6%). In de NIBM-tool (versie 23-04-2022) is, overeenkomstig met het stikstofonderzoek, 2023 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,34 µg/m³ en van fijnstof van 0,08 µg/m³ (figuur 5.5).

Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

Figuur 5.5. Resultaten van berekening met de NIBM-tool Uit de NIMB-tool blijkt dat de verkeerstoename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM (https://data.rivm.nl/apps/gcn/). Uit de GCN en GDN blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in het plangebied blijken ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen circa 23 µg/m³ voor NO2, 19 µg/m³ voor PM10 en 11 µg/m³ voor PM2,5. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

58

Conclusie De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer staan aan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Ter plaatse van de binnen het plangebied beoogde gevoelige functies is sprake van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Ook wordt voldaan aan de gemeentelijke Beleidsregel buitenklimaat. 5.3.5

Water

Watertoets en waterbeheer De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder(s) over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Zoals hieronder nader wordt beschreven ligt het plangebied binnen het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, en binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat. Ook de gemeente Rotterdam is als rioleringsbeheerder aan te merken als waterbeheerder. De Rijkshavenmeester is de bevoegde autoriteit voor het nautisch beheer op de Nieuwe Maas. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerders over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerders worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. De situering van het plangebied in de rivier (Nieuwe Maas) en op het land maakt dat het plangebied onder het beheer valt van zowel Waterschap Hollandse Delta als Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat is waterbeheerder van de Nieuwe Maas, het Zuiddiepje, maar ook van de buitendijkse gebieden, ook als daar de vergunningplicht voor de Waterwet onderdeel gebruik van het waterstaatswerk niet van toepassing is.

Uit de kaart bij de Waterregeling blijkt dat de gronden direct naast de Nieuwe Maas vrijgesteld zijn van de 'vergunningplicht gebruik waterstaatswerken'.

59

Figuur 5.6. Vrijstelling vergunningsplicht Rijkswaterstaatswerken. (Bron: Kaart bij de Waterregeling, kaartblad 159) Uit de Legger rijkswaterstaatswerken blijkt daarnaast dat de Nieuwe Maas is aangewezen als Rijksvaarweg.

60

Figuur 5.7. Begrenzing rijksvaarweg Nieuwe Maas. (Bron: Legger Rijkswaterstaatswerken, Rijkswaterstaat) Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap, de gemeente en Rijkswaterstaat nader wordt behandeld. Europees: y Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: y Nationaal Waterplan (NW); y Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); y Waterwet. Provinciaal: y Provinciaal Waterplan; y Provinciale Omgevingsvisie; y Provinciale Omgevingsverordening. Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet

61

biedt de wettelijke grondslag voor diverse besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het Waterbesluit en de Waterregeling zijn daarvan voorbeelden. Waterbesluit Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op "codificeren", in plaats van "modificeren" van bestaande regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk. Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: y de landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks y de toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk y de procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: y enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's; y de vergunningplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken y de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan Waterregeling Belangrijke onderwerpen in de Waterregeling zijn: y de toedeling van het beheer van rijkswateren (inclusief kaarten) y de algemene regels voor het gebruik van

rijkswaterstaatswerken y de indieningsvereisten voor de aanvraag van een watervergunning en y bepalingen over de verontreinigingsheffing van het Rijk Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat is volgens de Waterwet bevoegd voor zover het Rijk die bevoegdheden uitdrukkelijk in het Waterbesluit of waterregeling heeft toegedeeld. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist. Op de vergunningplicht bestaat een flink aantal uitzonderingen (zie artikel 6.12 Waterbesluit). De volgende handelingen zijn niet vergunningplichtig: y het bouwen van bouwwerken, voor zover de oppervlakte daarvan niet meer dan 30 m² bedraagt; y het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding; y het uitvoeren van onderhoud, aanleg, wijziging of overig gebruik van waterstaatswerken door of in opdracht van de beheerder; y het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan; y het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in andere Rijkswateren dan de grote rivieren; y ontgrondingen; y aangewezen activiteiten in de waterregeling die van ondergeschikt belang zijn voor de veilige en doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk (artikel 6.11 Waterregeling).

Deze niet-vergunningplichtige activiteiten zijn in het algemeen wel meldingsplichtig op grond van artikel 6.14 van de Waterregeling. Als het gebruik van rijkswaterstaatswerken niet vergunningplichtig is, geldt er wel een zorgplicht. Deze algemene zorgplicht is vastgelegd in artikel 6.15 Waterbesluit. De zorgplicht houdt in dat handelingen zo moeten worden uitgevoerd dat: 'er geen vermijdbare nadelige gevolgen optreden voor het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het kustfundament er geen feitelijke belemmering optreedt voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, en de

62

waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik zo klein mogelijk moet zijn of gecompenseerd moet worden'. In artikel 6.8 tot en met 6.10 en van de Waterregeling is deze zorgplicht verder uitgewerkt in algemene regels. Voorbeelden van die algemene regels zijn: y de stabiliteit van oeverconstructies mag niet in gevaar worden gebracht; y zichtlijnen voor de scheepvaart mogen niet worden gehinderd. Voor bepaalde aspecten van het gebruik kan de minister maatwerkvoorschriften stellen, ter specificatie van de algemene regels. Zo is het mogelijk om bij maatwerkvoorschriften te bepalen in welke periode werkzaamheden worden uitgevoerd, of dat het mogelijk moet zijn om het werk te verplaatsen door hoogwater. Basisnet De Regeling Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevat risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, in dit geval de Nieuwe Maas. Richtlijnen Vaarwegen 2017 Voor het (verkeerskundig) ontwerp van vaarwegen heeft Rijkswaterstaat de 'Richtlijn Vaarwegen 2017' opgesteld. Dit is een kaderstellende richtlijn, welke richtlijnen bevat voor de afmetingen en de vormgeving van vaarwegen. Daarnaast bevat de richtlijn de zonering die nodig is om het profiel van de vaarweg te borgen.

Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) Het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) voor ingrepen in de Grote Rivieren beschrijft hoe Rijkswaterstaat bij de vergunningverlening rivierkundige effecten van voorgenomen ingrepen in de rivier bepaalt en beoordeelt. Het RBK is nodig als een vergunning in het kader van de Waterwet wordt aangevraagd of een projectplan Waterwet wordt opgesteld. Het toepassingsgebied van het RBK betreft de grote rivieren in Nederland die in beheer zijn van het Rijk. De vigerende en voorgeschreven versie van het rivierkundig beoordelingskader is versie 4.0, 23 januari 2017. Beleidslijn Grote Rivieren In het kader van de Waterwet is voor elke activiteit in het rivierbed een vergunning nodig. Daarnaast is een goede afweging in het ruimtelijk spoor (streekplannen en bestemmingsplannen) noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Een goede doorwerking van het beleid vereist een adequate coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en de toepassing van de Waterwet. De Beleidslijn Grote Rivieren vormt het instrument dat hierin voorziet.

De Beleidslijn grote rivieren vormt de opvolger van de Beleidslijn ruimte voor de rivier en bevat vanuit rivierkundig en ruimtelijk oogpunt een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. Het uitgangspunt van de beleidslijn is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het Waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. In de keur van het waterschap zijn regels op genomen voor onder meer de bescherming van de waterkering.

63

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.

Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: y nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; y nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; y nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente Rotterdam staat beschreven in drie documenten, welke hieronder elk kort worden toegelicht. Herijking Waterplan 2 Rotterdam Waterplan 2 Rotterdam beschrijft hoe de gemeente Rotterdam, Waterschap Hollandse Delta en de hoogheemraadschappen van Delfland en van Schieland en de Krimpenerwaard de komende jaren willen omgaan met het water in de stad. Dit is vastgelegd, omdat de klimaatverandering ook voor Rotterdam grote gevolgen kan hebben. Om de stad 'waterproof' te maken, moet er een nieuwe aanpak komen voor waterberging, waterkwaliteit en bescherming tegen het water. Herijking beleid uitgiftepeilen in buitendijks gebied Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitendijks gebied is de gemeente Rotterdam verantwoordelijk voor de afweging van overstromingsrisico's. Deze risico's worden beheerst en getoetst middels het zogeheten 'uitgiftepeilenbeleid'.

In de huidige situatie is het uitgiftepeilenbeleid – naast risicocommunicatie – een van de weinige instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft om de overstromingsrisico's te beïnvloeden. Gemeentelijk rioleringsplan Rotterdam 2016-2020 Naast de zorgplicht voor hemelwater, zijn gemeenten ook verantwoordelijk voor de afvoer van afvalwater en voor de stand en kwaliteit van het grondwater. De manier waarop een gemeente invulling geeft aan deze plichten, wordt weergegeven in het GRP, het gemeentelijk rioleringsplan dat gemeenten verplicht moeten opstellen. Regelgeving hemelwater Voor de bescherming van Rotterdam zijn er 2 regelingen opgesteld: y Voor bestaande bouw geldt de Hemelwaterverordening voor het afkoppelen van de verharding. y Voor nieuwbouw geldt de eis dat er minimaal 50 mm waterberging moet worden aangelegd. Deze eis kan teruggevonden worden in de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR).

64

Huidige situatie Het plangebied is ten westen gelegen van de Nieuwe Maas en is de plek van de voormalige gemeentelijke gasfabriek gelegen. In het plangebied zijn de gebouwen gesloopt, waardoor de locatie grotendeels verhard is. Bodem en grondwaterhuishouding Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Rotterdam is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten oosten van het plangebied bestaat de bodem uit klei (poldervaaggronden) en is er sprake van grondwatertrap IV. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) maximaal 75 cm onder maaiveld bedraagt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan 139 cm onder maaiveld. In de huidige situatie zijn geen aanwijzingen voor grondwateroverlast. Veiligheid en waterkeringen

Figuur 5.8. Uitsnede Beheerregister Waterveiligheid. (Bron: Waterschap Hollandse Delta) Het plangebied is niet in de kern- of beschermingszone gelegen van de primaire waterkering, zie figuur 5.8. De waterkering biedt bescherming tegen hoog water in de Nieuwe Maas. Vanwege de ligging tussen de rivier en de waterkering is het plangebied buitendijks gelegen en valt onder het uitgiftepeilenbeleid van de gemeente Rotterdam. Voor het plangebied wordt het uitgiftepeil 'Basis' gehanteerd (figuur 4). Dit uitgiftepeil bedraagt 3,60 m +NAP. In de huidige situatie ligt ter plaatse van het plangebied het bestaande maaiveld overal boven 3,60 m +NAP, waardoor het overstromingsrisico beperkt is. Voor vitale voorzieningen geldt een peil van 3,9 m + NAP.

65

Figuur 5.9. Uitgiftepeil plangebied (rode pijl) (Bron: gemeente Rotterdam) Oppervlaktewaterkwantiteit Binnen het plangebied is, behalve de Maas, geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied is derhalve niet in de beschermingszone van een watergang gelegen.

Figuur 5.10. Uitsnede Legger wateren en kunstwerken. De oranje lijnen vormen de watergangen behorende tot type 'overig water' (Bron: Waterschap Hollandse Delta) Afvalwaterketen en riolering

66

In de huidige situatie wordt binnen het plangebied het afvalwater en het afstromend hemelwater gezamenlijk afgevoerd door een gemengd stelsel. Ligging in rivierbed Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het rivierbed van de Nieuwe Maas. Ontwikkelingen in het rivierbed zijn onder voorwaarden toegestaan. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft woningen met een aanvullend programma van 1.200 m2 bvo. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Op basis van artikel 3.3 van de Keur van Waterschap Hollandse Delta is het verboden zonder watervergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Vanuit de Hemelwaterverordening van de gemeente Rotterdam dienen bij nieuwe bouwwerken en terreinverharding van meer dan 500 m2 waterberging van minimaal 50 mm aangelegd te worden. Daarnaast dienen conform de beleidseisen van de gemeente Rotterdam maatregelen te worden genomen waardoor de beoogde ontwikkeling bestand is tegen extreme regenval. Indien sprake is van versnelde afvoer van hemelwater wordt op grond van de Keur van Waterschap Hollandse Delta een watervergunning aangevraagd. Verder zal het hemelwater worden afgekoppeld. Vanwege de buitendijkse ligging zijn er geen maatregelen nodig om bestand te zijn tegen extreme regenval.

Hemelwater wordt zo veel mogelijk opgevangen en hergebruikt bijvoorbeeld voor irrigatie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Het uitgiftepeil dient te voldoen aan het door de gemeente vastgestelde beleid dat nieuwe ontwikkelingen buitendijks dienen te worden aangelegd op minimaal NAP +3,60 m en dat voor vitale voorzieningen een minimale hoogte van NAP +3,90 m wordt gehanteerd. Deze NAP +3,90 m geldt ook voor ontsluitingswegen. Het uitgiftepeil wordt afgestemd op het nieuwe uitgiftepeil van het aangrenzende Mallegatpark, Steenplaat en rioolgemaal. Het peil van de Steenplaat ligt op NAP+4,10 m. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, met uitzondering van glastuinbouw. Met het uitgiftepeil van boven de NAP +3,60 m wordt hier aan voldaan.

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: y hemelwater vasthouden voor benutting; y (in)filtratie van afstromend hemelwater;

67

y y

afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Het uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat waterstromen (afvalwater en hemelwater) gescheiden worden afgevoerd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de bestaande vuilwaterriolering in de Persoonshaven ten noorden en westen van het plot. Op de locatie zal IT-riolering toegepast worden. Het buitendijkse gebied ligt relatief hoog ten opzichte van de Nieuwe Maas, waardoor de grondwaterstanden vrij diep liggen. Door het toepassen van IT-riolering zal een deel van de jaarlijkse neerslag kunnen infiltreren wat voordelig is in een droge zomerperiode. Bij een overschot aan neerslag kan de riolering via twee overstorten alsnog lozen in de Nieuwe Maas. Ligging in rivierbed De bebouwing is buiten de rivier beoogd, in de Nieuwe Maas vinden geen (woningbouw)ontwikkelingen plaats. De ontwikkeling leidt er hierdoor niet toe dat de Nieuwe Maas niet veilig en doelmatig gebruikt kan worden. Ook vormt het geen belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. Er is geen sprake van een waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen en ook zal de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechteren. Met de ontwikkeling is er geen sprake van resterende, blijvende effecten op de waterstand of afname van de bergingscapaciteit. Er hoeven hierdoor geen compenserende maatregelen genomen te worden.

Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor de beoogde ontwikkeling dient zodoende op basis van de Keur een watergunning aangevraagd te worden indien sprake is het (tijdelijk) onttrekken van grondwater, bouwwerkzaamheden binnen de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering plaatsvinden en voor het versneld afvoeren van hemelwater in geval van nieuw verhard oppervlak. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. 5.3.6

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging of drinkwaterwinning. Deze functies worden voor zover relevant elders in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

68

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen, bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen, bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Uit de informatie in het MER Feyenoord City blijkt dat de bodem binnen het plangebied in het algemeen verontreinigd is met hoofdzakelijk immobiele stoffen (zware metalen en PAK), zie bijlage 5 voor het bodemonderzoek. Delen van het plangebied Mallegat zijn matig tot sterk verontreinigd.

Op locaties waar een functiewijziging is voorzien, dient de bodemkwaliteit geschikt te worden gemaakt voor de beoogde functie. Voor de locatie zullen saneringsmaatregelen genomen worden. Dit kan gerealiseerd worden door het (gedeeltelijk) verwijderen van de aanwezige verontreinigingen (kwaliteitsverbetering grond). Daarnaast is het ook mogelijk om verontreinigingen af te dekken en zo het contactrisico weg te nemen. Conclusie De bodemkwaliteit binnen het plangebied is op hoofdlijnen in beeld gebracht op basis van bureauonderzoek. Hieruit blijkt dat er saneringsmaatregelen nodig zijn voor de functiewijzigingen. In het kader van de omgevingsvergunning wordt een saneringsplan opgesteld. Verder is vanwege de zettingsgevoeligheid bouwen op palen noodzakelijk. 5.3.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet beschrijven het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie Zuid-Holland in de provinciale omgevingsverordening een veiligheidszone vastgesteld, waarbinnen in principe geen bebouwing is toegestaan (in verband met plasbrandrisico's). Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

69

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.

Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is, wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het GR als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Onderzoek

Figuur 5.11. Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omkaderd (bron: Atlas leefomgeving) Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe risicobronnen mogelijk. Wel zijn in (de omgeving van) het plangebied verschillende risicovolle inrichtingen gelegen. Verder worden in (de omgeving van) het plangebied gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, het water, de weg en door buisleidingen.

70

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn ten aanzien van externe veiligheid onderzoeken uitgevoerd, zie bijlage 7. Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan de PR-contour of invloedsgebied over het plangebied komt (figuur 6). Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor In de omgeving van het plangebied worden over twee spoortrajecten gevaarlijke stoffen vervoerd: het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal en het spoortraject Barendrecht Vork-Waalhaven ZO (onderstaande tabel). Beide spoortrajecten vallen onder het Bevt en maken onderdeel uit van het Basisnet. Transportroutes gevaarlijke stoffen over het spoor risicobronnen

wet- en regelgeving

invloedsgebied [m]

afstand tot plangebied [m]

relevant

1.

Spoorlijn R'dam Bevt Lombardijen-R'da m Centraal

> 4.000

117

ja

2.

Spoorlijn Barendrecht Vork-Waalhaven ZO

> 4.000

3.110

ja

Bevt

Het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal bevindt zich op circa 117 meter ten westen van het plangebied. De PR-contour (PR = 10-6/jaar) van het spoortraject ligt op 1 tot 7 m, gemeten vanaf het midden van de spoorlijn. Verder is voor het spoortraject sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) dat reikt tot 30 m vanaf de buitenste spoorstaaf. De contour en het plasbrandaandachtsgebied reikt daarmee niet tot het plangebied, waardoor het PR geen beperkingen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. In verband met het vervoer van zeer toxische vloeistoffen reikt het invloedsgebied van het spoortraject tot meer dan 4.000 m. Het plangebied valt in zijn geheel binnen het invloedsgebied. In verband met de ligging van het plangebied binnen 200 m van de transportroute is berekening van het GR noodzakelijk. Wanneer de planvoornemens Rosestraat, Colosseumplot en Mallegat ontwikkeld worden neemt het groepsrisico ten gevolge van de spoorlijn toe van 0,57 maal de oriëntatiewaarde naar 1,45 maal de oriëntatiewaarde. Wanneer alleen het planvoornemen Mallegat ontwikkeld wordt neemt het groepsrisico zeer beperkt toe van 0,57 naar 0,58 maal de oriëntatiewaarde. Het Mallegat ligt relatief ver van de spoorlijn vandaar dat het groepsrisico minimaal toeneemt. Ook de spoorlijn Barendrecht Vork – Waalhaven ZO heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer.

Omdat het plangebied op meer dan 200 meter is gelegen, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Transport van gevaarlijke stoffen over het water Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water vindt plaats over de Nieuwe Maas. De rivier valt onder de werkingssfeer van het Bevt en is onderdeel van het Basisnet. Over de Nieuwe Maas worden toxische gassen vervoerd. Conform de regeling Basisnet is voor de Nieuwe Maas een PR 10-6/jaar-contour vastgesteld van 0 m. De contour reikt daarmee niet tot het plangebied, waardoor het PR geen beperkingen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Het invloedsgebied van de Nieuwe 71

Maas reikt tot een afstand van 1.070 m. Het plangebied is direct naast de rivier gelegen en valt daarmee in zijn geheel binnen het invloedsgebied. In verband met de ligging van het plangebied binnen 200 m van de transportroute is berekening van het GR noodzakelijk. Het groepsrisico is berekend voor de huidige situatie en de toekomstige situatie. Het groepsrisico scoort zowel in de huidige en toekomstige situatie gelijk. De Nieuwe Maas heeft conform het Bevt een vrijwaringszone van 25 meter gemeten vanaf de begrenzingslijn van de vaarweg. De begrenzingslijn valt samen met de huidige oever. Het Mallegat ligt deels binnen deze vrijwaringszone. De omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland kent een zogenoemde veiligheidszone van 40 meter. De omgevingsverordening stelt dat in de veiligheidszone bebouwing binnen 25 meter niet mogelijk is en binnen 40 meter van de kade voorwaardelijk mogelijk is. In het kader van de ontwikkeling van het Mallegat zal een voorziening voor aanvaarbeveiliging en ter bescherming tegen plasbrand worden getroffen in het water. Dit wordt een voorziening in de vorm van steigers en oilbooms of een voorziening die vergelijkbare veiligheid tegen plasbrand biedt. De realisatie van een dergelijke voorziening is geborgd in de planregels. Hiermee komt de bebouwing van het planvoornemen Mallegat buiten de 25 meter-zone te liggen.

Een deel van het gebouw is na het realiseren van de voorgenoemde voorziening gelegen binnen de 40 meter. Hier wordt nieuwe bebouwing slechts toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. De Provincie Zuid-Holland en VRR hebben aangegeven dat de gebiedontwikkeling aan deze criteria voldoet dus mogelijk is als afdoende maatregelen tegen een plasbrand zijn genomen. Woningbouw binnen de 40 meter van de kade is mogelijk omdat de woningbouwopgave een 'groot maatschappelijk belang' is zoals bedoeld in de verordening. In het advies van de VRR en de verantwoording van het groepsrisico is ingegaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas en de in dat kader te treffen maatregelen. De feitelijke verlegging van de begrenzing van de vaarweg door RWS (leggerwijziging) kan later plaatsvinden. In het kader van de Omgevingsverordening wordt actief overleg gevoerd met onder andere de VRR en de provincie over de inrichting van de oeverzone langs de Nieuwe Maas. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg vindt plaats ten zuiden en ten oosten van het plangebied, over de autosnelwegen A15 en A16.

Beide wegen vallen onder het Bevt en maken onderdeel uit van het Basisnet. De A16 ligt circa 1.800 m ten oosten van het plangebied en de A15 circa 4.080 m ten zuiden van het plangebied. Beide wegen kennen een invloedsgebied van meer dan 4.000 m, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied valt van de A16. Vanwege de ligging buiten het invloedsgebied van de A15 is een berekening of verantwoording van het groepsrisico voor deze route niet nodig. Het plangebied ligt buiten 200 m van de transportroute A16, waardoor berekening van het GR niet noodzakelijk is. Wel is een (beknopte) verantwoording van het GR noodzakelijk. Gelijk aan de situatie bij het spoortraject Barendrecht Vork-Waalhaven ZO betekent dit dat gesignaleerd wordt dat als gevolg van een incident op beide wegen mogelijk een toxische wolk het plangebied kan bereiken. Echter, deze situatie is niet anders dan elders in de gemeente Rotterdam en vereist geen specifieke maatregelen in het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen over de weg risicobronnen

wet- en regelgeving

invloedsgebied [m]

afstand tot plangebied [m]

relevant

1.

Autosnelweg A16

Bevt

> 4.000

1.000

ja

2.

Autosnelweg A15

Bevt

> 4.000

4.080

nee

72

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuiden van het plangebied is een hoofdaardgastransportleiding (W-530-02) gelegen. Op dit moment wordt een nieuw gasverdeelstation ontwikkeld. In de nabije toekomst zal er daarom geen sprake meer zijn van een gasleiding in en nabij het plangebied. Voor dit bestemmingsplan wordt daarom ervan uitgegaan dat er geen sprake is van deze gasleiding. Verantwoording groepsrisico De volledige verantwoording groepsrisico is in bijlage 16 opgenomen. Hierin is tevens de gezamelijke verantwoording van de locaties Rosestraat, Colosseumweg en Mallegat toegevoegd. Uit de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat, gelet op de hoogte van het groepsrisico en de maatregelen, er spake is van een aanvaardbare risicosituatie. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Rotterdam Lombardijen Rotterdam Centraal, de A16 en de Nieuwe Maas. Alleen voor het spoor geldt een volledige groepsrisicoverantwoording. Voor de overige risicobronnen geldt dat een advies van de Veiligheidsregio over de zelfredzaamheid en rampenbestrijding afdoende is. De mogelijkheden tot de voorbereiding op de bestrijding van en de beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Omgevingsmaatregelen Rondom de te realiseren gebouwen in het plangebied wordt gezorgd voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Bouwkundige maatregelen Binnen de 100% letaliteitscontour van het BLEVE-scenario (140 meter vanuit het hart van de spoorbaan) van het spoortraject Rotterdam Lombardijen Rotterdam Centraal wordt geen (her)ontwikkeling van zeer kwetsbare bestemmingen mogelijk gemaakt. Het plangebied Mallegat ligt deels binnen de 25 meter vrijwaringszone van de Nieuwe Maas, zoals benoemd in artikel 6.19 van de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland. Dit betekent dat de ontwikkeling alleen mogelijk gemaakt kan worden door een afwijking van dit artikel, waarbij een gelijkwaardige veiligheid wordt gerealiseerd. Om dit te realiseren dient het object zodanig geconstrueerd te zijn dat aanwezige personen er veilig kunnen schuilen of voldoende tijd en gelegenheid hebben om veilig te vluchten. Hierbij kan voor de gevels en dak gericht naar de Nieuwe Maas gedacht worden aan blinde gevels/daken of het beperken van het glasoppervlak.

De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de Nieuwe Maas, behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux > 15 kW/m2. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand op de gevel/dak. Daarnaast dient er voor gezorgd te worden dat de aanwezigen in geval van een plasbrand veilig kunnen vluchten (van de Nieuwe Maas af).Het plangebied Mallegat ligt deels binnen de 25-40 meter vrijwaringszone van de Nieuwe Maas, zoals benoemd in artikel 6.19 van de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland Daarom dient ervoor gezorgd te worden dat de aanwezigen in geval van een plasbrand veilig kunnen vluchten (van de Nieuwe Maas af). Dit vraagt om voldoende brede vluchtwegen, waarbij de vluchtwegen te allen tijde vrij van obstakels gehouden te worden. De gebouwen worden zodanig geconstrueerd dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.

73

De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Personendichtheden door het plan Spoorlijn Rotterdam Lombardijen – Rotterdam Centraal Het planvoornemen Mallegat maakt ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Rotterdam Lombardijen -Rotterdam Centraal. Dit zorgt voor een toename van de populatiedichtheid langs het spoor. Het berekende groepsrisico neemt toe van 0,57 maal de oriëntatiewaarde tot 0,58 maal de oriëntatiewaarde na realisatie van het planvoornemen. De drie planvoornemens Mallegat, Colosseumweg en Rosestraat tezamen zorgen voor een toename van het groepsrisico tot 1,45 maal de oriëntatiewaarde. Hierdoor wordt conform het groepsrisico-beleid van de gemeente Rotterdam een zware verantwoording uitgevoerd. Groepsrisico en bijdrage plannen Voor de relevante risicobronnen zijn risicoberekeningen uitgevoerd. In de berekeningen zijn de bijdragen van de verschillende bestemmingsplannen individueel en gezamenlijk beoordeeld. Verder is voor het spoortraject sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) dat reikt tot 30 m vanaf de buitenste spoorstaaf.

Het plasbrandaandachtsgebied reikt daarmee niet tot het plangebied. Resultaten groepsrisicoberekeningen spoorlijn Situaties

Hoogte groepsrisico tov oriëntatiewaarde

Aantal slachtoffers (personen)

Faal frequentie (1/jaar)

Huidige situatie

0,57

1661

1,2*10-9

Toekomstige situatie (alle plots)

1,45

2065

1,2*10-9

Toekomstige situatie (Mallegat)

0,58

1661

1,2*10-9

Transport gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas Zowel in de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk en afwezig. Daarom is geen groepsrisicoverantwoording opgesteld te worden. Een advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is ontvangen ten aanzien van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst Afweging bronmaatregelen spoorlijn Rotterdam Lombardijen – Rotterdam Centraal Uit overleg met Prorail gevoerd ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Feyenoord City blijkt dat een snelheidsbeperking specifiek voor het vervoer van gevaarlijke stoffen niet mogelijk is. Ook het verminderen van de wissels is niet mogelijk, dit heeft te veel impact op het logistieke proces. De maatregel tot vernieuwen van het ballastbed leidt naar mening van Prorail niet tot een verkleining van de gevolgen van een ongeval waarbij gevaarlijke vloeistoffen vrijkomen. De vloeistofplas verkleinende werking van het huidige ballast is afdoende. Het toevoegen van greppels/goten ten behoeve van afvoer vloeistoffen acht Prorail niet effectief gelet op de sporenbundel ter plaatse.

74

Maatregelen Nieuwe Maas De Nieuwe Maas heeft conform het Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes) een vrijwaringszone van 25 meter gemeten vanaf de begrenzingslijn van de vaarweg. De begrenzingslijn valt samen met de huidige oever. Het Mallegat ligt deels binnen deze vrijwaringszone. De omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland kent een zogenoemde veiligheidszone van 40 meter. De omgevingsverordening stelt dat in de veiligheidszone bebouwing binnen 25 meter niet mogelijk is en binnen 40 meter van de kade voorwaardelijk mogelijk is.In het kader van het wettelijk vooroverleg is actief overleg gevoerd met de VRR en de Provincie over de inrichting van de genoemde veiligheidszone langs de Nieuwe Maas. Voor het Mallegatplot zal een voorziening voor aanvaarbeveiliging en ter bescherming tegen plasbrand worden getroffen in het water. Deze moeten zijn gerealiseerd voordat het gebouw in gebruik wordt genomen. Dit wordt een voorziening in de vorm van steigers en oilbooms of een voorziening die vergelijkbare veiligheid tegen een plasbrand biedt. Deze maatregelen zijn geborgd in de planregels.

Op het ontwerp van de voorziening is akkoord van de VRR nodig.Met de Provincie is i.v.m de vrijwaringszone van de Nieuwe Maas (tussen de 25 en 40 meter) overeenstemming bereikt dat de woningbouw een ‘groot maatschappelijk belang’ is zoals bedoeld in de Provinciale Verordening waarmee bouwen binnen 40 m van de vaarweg mogelijk is. De verlegging van de vaarweg door RWS (leggerwijziging) kan later plaatsvinden. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico De gemeente Rotterdam heeft een grote woningbouwopgave. Door de ontwikkelingen in het deelgebied Mallegat niet uit te voeren wordt de beoogde bouwopgave van de gemeente Rotterdam onvoldoende gehaald. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal, de A16 en de Nieuwe Maas. Voor de ligging binnen de vrijwaringszone en veiligheidszone van de Nieuwe Maas worden maatregelen getroffen in de vorm van steigers en oilbooms of voorzieningen die een vergelijkbare veiligheid bieden als afscherming voor plasbrand en aanvaring. Deze maatregelen zijn geborgd in de planregels. Gelet op de hoogte van groepsrisico en de maatregelen is sprake van een aanvaardbare risicosituatie. 5.3.8

Ecologie

Toetsingskader De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt specifieke gebieden (Natura 2000) op basis van Europese richtlijnen: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Wetlands. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. De Wet natuurbescherming regelt ook de soortbescherming en geldt voor heel Nederland. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Tevens is een lijst van kracht met beschermde soorten. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen. Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient rekening te worden houden met de gevolgen van het plan voor de natuur. Gekeken dient te worden of ten gevolge van het plan, of bij de uitvoering van het plan geen blijvende schadelijke effecten zullen optreden aan gebieden en soorten. Dit moet 'op voorhand in redelijkheid' worden ingeschat via een deskundigenrapport (zgn. natuurtoets of ecologische toets).

75

Als er mogelijk effecten zijn, moet aannemelijk worden gemaakt dat daarvoor een ontheffing Wet natuurbescherming kan worden verkregen en/of dat met zorgvuldig handelen schade kan worden voorkomen. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een vergunningplicht. Als een vergunning nodig is, dan moet, om de uitvoerbaarheid voor het bestemmingsplan aan te tonen, aannemelijk worden gemaakt dat een vergunning kan worden verleend, zo nodig met mitigerende maatregelen, of door middel van compensatie. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000-gebieden. De Boezems Kinderdijk liggen op ruim 8 km, de Oude Maas op ongeveer 7 km afstand, de Biesbosch is het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied op een afstand van ongeveer 19 km. De bouw- en gebruiksfase zijn berekend voor de ontwikkeling, zie bijlage 10. Uit de berekeningen voor de bouwen gebruiksfase volgt dat het plan Mallegat in geen van de berekende situaties, een significant negatief effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. De berekende stikstofdepositie voldoet zowel voor de gebruiks- als bouwfase aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de resultaten kunnen daarom vanwege de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Bij de voorgenomen ingreep is dan ook geen sprake van aantasting van kenmerkende waarden of compensatieplicht ten aanzien van het NNN. Soortenbescherming De ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten en houtopstanden. In het kader hiervan is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie bijlage 11. Vleermuizen Enkele bomen en gasstation in het plangebied hebben potentie als verblijfplaats voor vleermuizen. Als deze bomen en gasstations worden gekapt en gesloopt, kan niet worden uitgesloten dat daarmee verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd. Daarbij kunnen individuen worden verstoord en gedood. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Er is nader onderzoek nodig om de functie van deze bomen en gasstations voor vleermuizen te bepalen. Huismus Er zijn huismussen met nestindicerend gedrag waargenomen. Deze huismussen hebben zeer waarschijnlijk een of meerdere nesten in de brugconstructie die de twee gasstations met elkaar verbindt. Als deze gasstations worden gesloopt, kan niet uitgesloten worden dat daarmee nesten van huismussen worden vernietigd. De nestlocaties van de huismus en de functionele leefomgeving hiervan zijn jaarrond beschermd.

Vernietiging van deze nestlocaties of significante aantasting van deze functionele leefomgeving is een overtreding van artikel 3.1, lid 2 van de Wnb. Daarbij kunnen in het broedseizoen bovendien individuen worden verstoord en gedood. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 4 van de Wnb. Er is nader onderzoek nodig om het daadwerkelijke aantal nestlocaties te bepalen en de functionele leefomgeving hiervan in kaart te brengen.

76

Algemene broedvogels Tijdens het broedseizoen kunnen door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord, eieren en nesten worden vernietigd en jonge vogels worden gedood. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Voorzorgsmaatregelen Algemene broedvogels Deze overtredingen kunnen het beste voorkomen worden door te werken buiten het gangbare broedseizoen. Voor het gangbare broedseizoen geldt geen wettelijk vastgestelde periode, maar de meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt wordt, is het aan te bevelen om voorafgaande aan het broedseizoen de vegetatie al te verwijderen, zodat de kans op broedgevallen wordt geminimaliseerd. Dit kan alleen als er op dat moment geen nesten in de vegetatie aanwezig zijn. Tijdens het broedseizoen moet men verder alert blijven op de aanwezigheid van onverwachte broedgevallen en in dat geval een deskundig ecoloog inschakelen. Deze beoordeeld vervolgens of de voorgenomen werkzaamheden kunnen doorgaan of dat bijvoorbeeld een bepaalde afstand tot het nest moet worden aangehouden. Bovengenoemde maatregelen dienen als eis bij de werkzaamheden richting de aannemer te worden meegegeven en onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog te worden uitgevoerd.

Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en een logboek bijgehouden. Wanneer deze maatregelen worden nageleefd, is overtreding van de Wnb ten aanzien van algemene broedvogels uitgesloten. Een ontheffing is niet nodig. Er is geen noodzaak tot nader onderzoek. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden van Rotterdam. Dit betekent dat op de te kappen houtopstand de Wnb niet van toepassing is. Voor de kap van de houtopstand geldt daarom geen kapmelding- en herplantplicht in het kader van de Wnb. Nader onderzoek huismus Het nadere onderzoek naar de huismus is in bijlage 12 weergegeven. In dit onderzoek is beoordeeld wat het effect is op de huismus van het verwijderen van de meidoornhaag aan de Persoonshaven (effectenbeoordeling in het licht van de Soortbescherming van de Wnb). Tijdens beide veldbezoeken zijn meerdere huismussen waargenomen, ze zijn in het plangebied talrijk aanwezig. De populatie wordt geschat op ongeveer 30 individuen. De functie die de meidoornhaag vervult is essentieel voor de lokale huismussenpopulatie, en biedt meerdere functies voor de aanwezige exemplaren. De beoogde ingreep leidt tot vernietiging van een essentieel onderdeel van de leefomgeving van de lokale huismussenpopulatie.

Het voornemen leidt tot een overtreding van artikel 3.1, lid 2 (vernietiging van nestplaatsen) en lid 4 (opzettelijk verstoren) van de Wet natuurbescherming. Optredende negatieve effecten moeten zo veel mogelijk gemitigeerd worden. Er is geen uitwijkmogelijkheid voorhanden, er is weinig begroeiing in de omgeving en de begroeiing die er is bestaat voornamelijk uit bomen.

77

Voor verstoring en vernietiging van de verblijfplaatsen is ontheffing noodzakelijk. Hiervoor dient het voornemen onderbouwd te worden dat het voornemen in het kader van een in de wet genoemd belang plaatsvindt, en dienen maatregelen genomen te worden ten behoeve van de instandhouding van de populatie huismus. De maatregelen welke precies noodzakelijk zijn, dienen in een nader op te stellen activiteiten- of mitigatie-plan te worden uitgewerkt. Werkzaamheden dienen uiteraard onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van huismussen te worden begeleid. Bij het werken in de zomerperiode dient rekening gehouden te worden met andere soorten, bijvoorbeeld algemene broedvogels, die ook aanwezig kunnen zijn. Het is daarom noodzakelijk om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren. Nader onderzoek vleermuizen Er is nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd, zie bijlage 9. In dit onderzoek zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Daarbij is er geen essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute voor vleermuizen vastgesteld. Eén van de gebouwen in het plangebied is reeds gesloopt. Voor de resterende ontwikkelingen in het plangebied zijn er in het kader van de Wet natuurbescherming geen vervolgstappen benodigd. Wel dient er rekening te worden gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht.

Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Conclusie Het voorkomen van de meeste beschermde flora en fauna soorten is niet te verwachten dan wel uitgesloten op basis van de algemene verspreidingsgegevens en het aanwezige biotoop in het plangebied. y In het plangebied kunnen algemeen voorkomende broedvogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen. Daarnaast is het plangebied onderdeel van het leefgebied van de huismus en de functionele leefomgeving hiervan zijn jaarrond beschermd. Als laatst zijn in het plangebied potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in een aantal bomen en in de gasstations. y Voor de huismus is een ontheffing nodig en dient men compenserende maatregelen op te stellen. Er dienen tijdelijke alternatieve nestlocaties aangeboden te worden en in de nieuwe woontoren dienen permanente nestlocaties te worden ingebouwd. Ook zal moeten worden gekeken naar de aanwezige vegetatie en gazon. De functies van deze onderdelen voor de huismus moet ook in de nieuwe situatie gewaarborgd worden. Een deskundig ecoloog dient hiervoer advies te geven.

y Door het nemen van bepaalde voorzorgsmaatregelen kan overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor algemene broedvogels worden voorkomen. y Voor niet onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten geldt daarnaast te allen tijde de algemene zorgplicht. Deze plicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk zijn. 5.3.9

Circulariteit en energie

Toetsingskader Rotterdam heeft ambities op gebied van energietransitie en circulariteit. In 2030 is de Rotterdamse CO2 -uitstoot 49% lager ten opzichte van 1990. In 2050 is Rotterdam klimaatneutraal en is er grondstoffen hergebruik. Hiertoe worden energievisies op regionaal niveau en stedelijk niveau uitgewerkt en zijn transities nodig in bestaande bebouwde omgeving. Conclusie Bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking wordt concreet invulling gegeven aan circulariteit en duurzame energie.

78

Op gebouwniveau wordt voldaan aan de vigerende energieprestatienormen. Voor het energiesysteem dient in principe aangesloten te worden op de stadsverwarming. Er vindt nog onderzoek plaats naar de haalbaarheid van een gezamenlijk energiesysteem (energie, warmte en koude) voor de grotere gebiedsontwikkeling in gebied van Feyenoord City. 5.3.10 Klimaatadaptatie, hittestress en biodiversiteit Toetsingskader Rotterdams Weerwoord Een Rotterdam dat klimaatbestendig en weerbaar voor klimaatverandering vraagt onder meer om meer groen en meer onverharde ruimte. Dit draagt tevens bij aan een gezonde leefomgeving voor bewoners, zowel mens als dier, gezonde ecosystemen en een grotere biodiversiteit. Tegelijkertijd heeft Rotterdam een verdichtingsopgave om de vraagstukken rond wonen, werken en mobiliteit op te lossen. Klimaatadaptieve maatregelen zijn onderdeel van plan- en beleidsdocumenten, klimaatbestendigheid is een uitgangspunt bij ontwikkelingsprojecten. Onderzoek en conclusie In de waterparagraaf is ingegaan op waterveiligheid en de verwerking van hemelwater. Het plangebied ligt buitendijks, maar het uitgiftepeil is afgestemd om toekomstige waterstanden. De ontwikkelingslocatie voldoet hiermee aan het uitgiftepeilenbeleid van de gemeente Rotterdam en aan de minimale waterdichte hoogte om aan de referentiewaarde voor het individueel overstromingsrisico te voldoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=00001184-62ee-4fdc-9393-bae10dd7b22a