[24bb003070] Bijlage 1 behorende bij 24bb003068 - Ontwerpbestemmingsplan 'Max Euwelaan 71-79'
Tekst van het document
41
grenswaarden worden overschreden. Verder maakt het bestemmingsplan geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg.
6.5.2 Conclusie De totale ontwikkeling van Brainpark I, waarbinnen het voorliggende plan is gelegen, leidt tot een toename van verkeer, maar de concentraties van luchtverontreinigende stoffen bevinden zich in de huidige situatie ruim onder de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De effecten het extra verkeer van de totale ontwikkeling zullen niet tot een dusdanige stijging leiden dat de concentraties van luchtverontreinigende stoffen toeneemt tot boven de grenswaarden. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.6 Bodem De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
6.6.1 Plangebied Er is voor de onderhavige ontwikkeling een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, rapportnr. 23-2108-R01JV, d.d. 24 april 2023). Dit rapport is als bijlagen bij toelichting, bijlage 2 bijgevoegd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de werkwijze volgens de NEN 5725:2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: ^
De zintuiglijk onverdachte bovengrond op de locatie (0 - 0,5 m-mv) is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, PCB en minerale olie.
^
De zintuiglijk onverdachte ondergrond op de locatie (0,5 - 1,5 m-mv) is plaatselijk eveneens licht verontreinigd met kwik, PCB en minerale olie. Het grondwater op de onderzoekslocatie is licht verontreinigd met barium en zeer licht verontreinigd met 1,2-Dichloorethenen.
^
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging' bevestigd, vanwege de aangetoonde verhoogde gehalten zware metalen, PCB en minerale olie in de grond en de verhoogde concentratie 1,2-Dichloorethenen in het grondwater. De verhoogde gehalten in de grond zijn te relateren aan het aanwezige stortpakket van verontreinigde baggerspecie in de ondergrond en het vermoedelijk gebruik van licht verontreinigd zand als afdeklaag boven op het baggerdepot. Voor de
42
marginaal verhoogde concentratie 1,2-Dichloorethenen (afbraakproduct van VOCl) in het grondwater is geen aanwijsbare oorzaak aan te geven. De licht verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie.
6.6.2 Conclusie De aangetoonde gehalten in de grond en concentraties in het grondwater zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de beoogde herontwikkeling.
6.7 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).
43
6.7.1 Plangebied Met de ontwikkelingen worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig: ^ ^ ^
vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16; vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam - Dordrecht; vervoer gevaarlijke stoffen over de rivier de Maas:
^
risicovolle inrichtingen (tankstation Abram van Rijckevorselweg 75).
Door de ligging van het plangebied in de nabijheid van deze risicobronnen dient er onderzoek naar deze bronnen uitgevoerd te worden en een verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. Daarbij is gebruik gemaakt van een rapport van Kragten (kenmerk: 20230607-SR0065-N0T-VGR 1.0, d.d. 7 juni 2023). 6.7.2 Transport gevaarlijke stoffen over weg Rijksweg A16 Aan de oostkant van het plangebied is de A16 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Onderhavige locatie ligt op meer dan 200 meter afstand van deze weg. Gebleken is dat de rijksweg A16 (wegvak Z54) relevant is voor de planontwikkeling. Deze weg, die is opgenomen in het Basisnet weg, ligt op een afstand van circa 275 meter van het plangebied. De A16 kent een PR10-6-risicocontour van 38 meter en een PAG2, echter op grond van de ruimtelijke scheiding vormen deze aspecten geen belemmeringen voor het plan. Ook de hoogte van het groepsrisico vormt geen aandachtspunt aangezien het plan op meer dan 200 meter van de rijksweg is gelegen. Op grond van de meest recente tellingen van Rijkswaterstaat (juni 2019) worden over de A16 ter hoogte van het plangebied LF1, LF2, LT1, LT2, LT3, GF2, GF3 en GT4-stoffen vervoerd. Abram van Rijckevorselweg De Abram Rijckevorselweg is niet door de gemeente aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen.
Om die reden is deze weg niet meegenomen en hoeft het groepsrisico van deze weg niet te worden beoordeeld.
6.7.3 Transport gevaarlijke stoffen over rail Op circa 1.800 meter van het plangebied is de spoorlijn Rotterdam - Lombardijen Rotterdam CS aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR10-6 risicocontour en het PAG geen belemmering voor de planvorming. Ook de hoogte van het groepsrisico is geen aandachtspunt. Op grond van Bijlage II Tabel Basisnet spoor van de Regeling basisnet worden over deze spoorlijn A, B2, C3, D3 en D4-stoffen vervoerd. Het plangebied ligt als gevolg van deze stoffen binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (D4). De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen (toxisch scenario) dienen beperkt verantwoord te worden. 6.7.4 Transport gevaarlijke stoffen over water Op circa 900 meter van het plangebied is de Corridor Rotterdam - Duitsland (de Nieuwe Maas/Nieuwe Waterweg ) gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze waterweg kent geen PR106 risicocontour, waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor de planvorming. Op grond van Bijlage III Tabel Basisnet water van de Regeling basisnet, worden over deze waterweg LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3stoffen vervoerd. Als gevolg van deze stoffen ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische gassen (GT3).
De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water (toxisch scenario) dienen beperkt verantwoord te worden.
44
Plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone Langs de Nieuwe Maas/Nieuwe Waterweg is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf de oever. Een plasbrand wil zeggen dat er bij een ongeval met een schip dat brandbare vloeistoffen vervoerd een plas van deze stof op het water komt te drijven en in brand vliegt. Als deze brandende vloeistof tegen de oever drijft kan schade ontstaan aan de langs de rivier aanwezige bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied moet de gemeente verantwoorden waarom op die locatie wordt gebouwd. In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is een veiligheidszonering voor de oevers van de Nieuwe Maas en Nieuwe Waterweg opgenomen (artikel 2.1.10). In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water moet, langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
6.7.5 Risicovolle inrichtingen In het kader van de bestemmingsplannen 'Kralingse Zoom' en 'Kralingse Zoom, 1e herziening' is op het perceel Abram van Rijckevorselweg 75 een tankstation toegelaten, inclusief een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg. Op onderstaande afbeelding zijn de risicocontouren en invloedsgebieden (blauwe cirkels) van het LPGvulpunt en de LPG-opslagtank weergegeven. Zowel de risicocontouren als de invloedsgebieden vallen buiten het onderhavige plangebied. Daarmee is dit LPG-tankstation niet relevant voor dit bestemmingsplan.
Invloedsgebieden (blauwe cirkels) van LPG-vulpunt en LPG-opslagtank
Gelet op het feit dat het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan buiten de groepsrisicocontouren van het tankstation valt, is geen verantwoording vereist van het groepsrisico in verband met het tankstation. 6.7.6 Beperkte verantwoording Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag,
45
waardoor zij verplicht worden het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Bevt - Water-, weg- en spoorweétransport Het plangebied is gelegen binnen de invloedsgebieden van de Corridor Rotterdam - Duitsland, de spoorlijn Rotterdam - Lombardijen Rotterdam CS. Voor de spoorlijn en het water kan volstaan worden met een beperkte verantwoording. Algemene beschouwing Personendichtheid binnen invloedsgebied Aangezien in de nabije omgeving van het plangebied de Corridor Rotterdam - Duitsland, de spoorlijn Rotterdam - Lombardijen Rotterdam CS en de rijksweg A16 zijn gelegen, ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze trajecten, op grond van de stoffen die over deze transportassen vervoerd worden. De personendichtheid in de huidige situatie is, conform de BAG, circa 73 personen/ha in de dagperiode en circa 12 personen/ha in de nachtperiode. Het plangebied betreft in de huidige situatie een kantoorgebouw, waar overeenkomstig de BAG 78 personen in de dagperiode aanwezig zijn. In de toekomstige situatie worden binnen het plangebied 350 appartementen gerealiseerd. Voor de woningen is uitgegaan van het kental voor wonen (2,4 personen/woning) en een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% gedurende de nacht.
Het plangebied leidt tot een toename van 342 personen in de dagperiode en 840 personen in de nachtperiode. Als gevolg van de planvorming is sprake van een toename van de personendichtheid. Hoogte groepsrisico Uit bovenstaande beschouwing blijkt dat de personendichtheid binnen het invloedsgebied toeneemt als gevolg van de planvorming. Echter gezien het feit dat het plan buiten de 200 meterzone van de A16 is gelegen, hoeft de hoogte van het groepsrisico niet beschouwd te worden, aangezien het geen significante bijdrage zal leveren op de hoogte van het groepsrisico. Maatgevende scenario’s Als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en het water dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden met verschillende scenario's. BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistof gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als bijvoorbeeld een tankwagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk.
Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Noodzaak ruimtelijke ontwikkeling Binnen het ‘Materplan Brainpark I' wordt beoogd om het kantorenpark Brainpark I de komende jaren te transformeren in een groene aantrekkelijke plek om te wonen, werken, studeren en recreëren. Het onderhavige plan past binnen dit masterplan, doordat een kantoorgebouw gesloopt wordt, waardoor ruimte ontstaat voor nieuwbouw van woningen en enkele commerciële ruimten. Daarnaast voorziet het plan in de behoefte aan (sociale) woningen en aan werkruimten/voorzieningen, wat bijdraagt aan een levendige stadswijk. Bestrijdbaarheid/Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en
46
bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. Als gevolg van de planvorming wijzigt de bereikbaarheid van de relevante risicobronnen niet. Het plangebied is vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagon of -container meteen explodeert.
Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. In de omgeving van het plan zijn primaire bluswatervoorzieningen aanwezig voor de bestrijding van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagon of -container tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Uitgangspunt is dat aanwezige personen zelfstandig, danwel met hulp van overige aanwezigen in veiligheid gebracht kunnen worden. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen per scenario Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de spoorlijn af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aangezien het nieuwbouw van woningen betreft, zal op grond van de vigerende wet- en regelgeving
47
voldoende aandacht zijn voor de luchtdichtheid van de woningen. Indien een mechanische ventilatie aanwezig is, zal deze middels één handeling uitschakelbaar zijn. Hiervoor is ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Het onderhavige gebied voldoet aan de gestelde eisen. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario's BLEVE en toxisch). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen.
Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies te worden voorgelegd aan de regionale brandweer of de veiligheidsregio. De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio dient de gemeente Rotterdam mee te wegen in haar besluitvorming. 6.7.6 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de risico's met betrekking tot externe veiligheid aanvaardbaar zijn voor het plangebied. Tevens kan er voorzien worden in de benodigde maatregelen zoals voorgaand beschreven voor de mogelijk scenario's. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied. Tevens heeft de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond advies uitgebracht ten aanzien van het voorliggende initiatief. De veiligheidsregio beveelt de volgende maatregelen aan: Omgevingsmaa tregelen De VRR adviseert rondom het te realiseren gebouw zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven.
Bouwkundige maatregelen Zorg dat de (nood)uitgang(en) van het gebouw zodanig worden gesitueerd dat aanwezigen veilig in tegengestelde richting van een mogelijk incident op de A16 kunnen vluchten, waardoor de zelfredzaamheid van aanwezigen wordt verbeterd en het aantal slachtoffers kan worden beperkt. Een nooduitgang aan de noord- en/of westzijde van het object, is hier geschikt voor. Installatietechnische maatregelen Construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Organisatorische maatregelen Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Bij het sluiten van een huur/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die
48
zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident.
6.8 Natuur Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
6.8.1 Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen kerngebieden, (onderdelen van) van binnenstedelijke ecologische verbindingen, of ambitielocaties aanwezig.
49
Uitsnede Rotterdamse Natuurkaart, met plangebied in rode cirkel
6.8.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan provinciaal aangewezen gebieden, zoals Natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale omgevingsvisies en bestemmingsplannen). Natura 2000-gebieden Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is ‘Boezems Kinderdijk', op circa 7,7 kilometer afstand tot het plangebied. Door Blom Ecologie is een 'Quickscan Wet natuurbescherming Max Euwelaan 71 t/m 79 te Rotterdam' uitgevoerd (rapport 2023-0404, d.d. 26 april 2023): Dit rapport is als bijlagen bij toelichting, bijlage 3 bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat ten aanzien van de aspecten trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Op het aspect 'stikstofdepositie' wordt hieronder nader ingegaan.
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,0 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 8,7 km ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 4,4 km ligt de Groene buffer. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig
50
op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Stikstofdepositie Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk' is geen stikstofgevoelig gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied dat gevoelig is voor stikstofdepositie is Natura 2000-gebied ‘Biesbosch'. De afstand tot dit gebied bedraagt 18 km. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase wordt een tijdelijke stikstofemissie verwacht, ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Om die redenen zijn berekening met de AERIUSCalculator uitgevoerd. Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS Calculator versie 2023.0.1 (Buro SRO, d.d. 6 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase.
Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 851 voertuigbewegingen in licht verkeer en 6,96 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal. Het nieuwe woongebouw wordt gasloos uitgevoerd en is dan ook niet meegenomen in de berekening. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx emissie van 27,8 kg/j en een NH3 emissie van ^ kg/j. Uit de berekening blijkt dat er voor de nieuwe situatie geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase plaatsvinden voor het bouwjaar 2024. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er voor het rekenjaar 2024 sprake is van NOx emissie van 508,2 kg/j en een NH3 emissie van 20,1 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de bouwfase voor het rekenjaar 2024 geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming (Wnb) is het plan derhalve uitvoerbaar.
6.8.3 Soortbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: ^ ^
strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Quickscan Wet natuurbescherming is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. ^
Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Daarnaast zijn gedurende het veldbezoek geen beschermde planten aangetroffen. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
51
^
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, steenmarter, veldmuis, vos en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten.
^
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
•
Tevens is het uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan de volgende vogelsoorten waargenomen: ekster, groenling, houtduif, kauw, koolmees, meerkoet, pimpelmees, roodborst, tjiftjaf, winterkoning, zwarte kraai en zwartkop. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene broedvogels en categorie 5 soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn evenwel geen nesten aangetroffen. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Ook ten aanzien van amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden en vogels is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
^
^
^
•
Uit het ecologische onderzoek blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). 6.8.4 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Omgevingsvergunning kappen De gemeente Rotterdam heeft eigen beleid ten aanzien van het kappen. Een omgevingsvergunning voor kapwerkzaamheden (voorheen 'kapvergunning') is vereist als het gaat om bomen met een stamomtrek van minimaal 361 cm, gemeten op 130 cm hoogte vanaf het maaiveld. Voor bomen met een kleinere stamomtrek is geen omgevingsvergunning nodig. Het is aanbevelingswaardig om dit in de voorbereidende fase af te stemmen met de gemeente Rotterdam, om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen. 6.8.5 Conclusie Er zijn een Quickscan Wet natuurbescherming en Aeriusberekeningen uitgevoerd.
Daaruit blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd.
52
Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen de volgende maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen: ^
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
^
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
^ ^
^
6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam: nu en in de toekomst. Bij nieuwe initiatieven is duurzaam bouwen integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Een integraal duurzaam bouwproces vraagt om een andere kijk en aanpak die meer gericht is op bewustwording en ketensamenwerking. Een multidisciplinaire benadering verhoogt de technische en financiële haalbaarheid om integrale duurzaamheidsoplossingen succesvol toe te passen. Het Rotterdams Duurzaamheidskompas is overkoepelend voor al het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rotterdam. Hierin wordt richting gegeven aan hoe de komende jaren gewerkt wordt aan een duurzame stad. Duurzaamheid is grofweg met vier thema's te omschrijven: energietransitie, circulaire economie, klimaatbestendige stad en gezonde leefomgeving. Deze thema's hebben invloed op elkaar en kunnen dus ook niet los van elkaar worden gezien. In het Rotterdams Duurzaamheidskompas is een overzicht gemaakt van alle doelstellingen die op het gebied van duurzaamheid zijn geformuleerd. De vertaling van deze doelstellingen in een project is niet zo eenvoudig, omdat ze vaak op een nogal abstract niveau zijn beschreven. Er is hiervoor een quickscan ontwikkeld, waarmee de uitwerking van de doelstellingen concreet wordt gemaakt voor een project.
In de Vuistregels voor het Bouwen is een aantal duurzame regels opgenomen die naast dit document als start voor een project gebruikt kunnen worden. De teksten in dit hoofdstuk dienen als achtergrond bij de thema's.
53
Energietransitie In 2050 hebben we een klimaatneutraal energiesysteem. Onze energievoorziening is schoon, slim, resilient en rechtvaardig. We kijken daarbij naar het opwekken, transporteren, opslaan en gebruiken van schone energie. De koelbehoefte van gebouwen wordt beperkt door doelgericht ontwerp en op duurzame wijze opgewekt. We gebruiken de beschikbare ruimte multifunctioneel; er komen minimaal twee functies op het dak. Daken, gevels en infrastructuur worden benut voor de opwek van duurzame elektriciteit, waarbij ook wordt gekeken hoe het ontwerp de opwek kan vergroten. Voor mobiliteit betreft de energietransitie met name groei van Nul emissie mobiliteit en het afscheid nemen van fossiele brandstoffen. Voor de stedelijke omgeving betreffen de alternatieven voornamelijk batterijelektrisch aangedreven voertuigen en voor specifiekere toepassingen kan gedacht worden aan waterstof. Alle parkeervoorzieningen op privaatterrein worden (constructief) voorbereid op laadinfrastructuur. Er wordt rekening gehouden met elektrisch vervoer en daarom worden extra elektranetten met voldoende capaciteit aangelegd voor laadinfrastructuur Er is een overschot aan duurzame warmte uit onze haven en warmte is voor het grootste deel van Rotterdam het maatschappelijk meest betaalbare alternatief.
Alle nieuwbouwprojecten in de concessiegebieden worden daarom verplicht op stadsverwarming aangesloten, waarbij warmteoverdrachtstations inpandig worden gerealiseerd. Volgens het Bouwbesluit dienen nieuwe gebouwen aan de BENG-eisen te voldoen. Onderdeel daarvan is ook de TOjuli-eis, waarmee oververhitting van woningen in de zomer wordt beperkt door het toepassen van zonwerende maatregelen of koeling. Brainpark Circulair Bij de vaststelling van het Masterplan Brainpark I is de motie 'Brainpark Circulair' aangenomen. Hierin is opgenomen dat het college de ambitie heeft dat Rotterdam in 2050 volledig circulair is, waarbij; ^ ^
bouwafval 40% van de totale Nederlandse afvalstroom vormt; Brainpark I in de huidige situatie een multifunctioneel kantoren gebied is met gebouwen uit eind jaren '80 begin jaren '90 dat getransformeerd wordt;
^
een circulaire aanpak wordt geambieerd waarbij afval niet meer bestaat, kringlopen gesloten worden en steeds minder nieuwe grondstoffen benut worden; de gemeente probeert de eigenaren/ ontwikkelaars te verleiden om hun vastgoed te transformeren en daarbij het gebied te verdichten.
•
In de motie 'Brainpark Circulair' wordt het college verzocht om per ontwikkelaar of kavel een Plan van Aanpak Circulair bouwen op te stellen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling wordt gebouwd conform het huidige Bouwbesluit en daarmee zal worden voldaan aan de daarin opgenomen nieuwste duurzaamheidseisen. Dit houdt onder andere in dat het gebouw gasloos wordt gerealiseerd. De verwarming van het gebouw zal worden geregeld via een bodemenergiesysteem warmte-koudeopslag (WKO). Dit zorgt voor een aanzienlijke vermindering van CO2uitstoot en een betere energie-efficiëntie. Daarnaast worden de lage daken voorzien van een daktuin. Op de hogere daken worden zonnepanelen toegepast om de energieneutrale ambitie te behalen. Bovendien wordt circulair bouwen en slopen toegepast. Het gebouw wordt hiertoe gerealiseerd door middel van hybride houtbouw/glulam, dit is een hernieuwbaar materiaal en is geschikt om te demonteren en her te gebruiken. Voor het voorliggende initiatief wordt verder uitgegaan van een materialenpaspoort en er heeft een inventarisatie van bestaande materialen plaatsgevonden. Er zal circa 500 m2 aan natuurstenen gevelbekleding van het huidige pand worden hergebruikt in de commerciële plint van de nieuwbouw.
54
6.10 Mobiliteit 6.10.1 Verkeer Op het gebied van verkeer en vervoer is beperkte beleid relevant, het belangrijkste is het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+. Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken.
Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van een nieuw woongebouw brengt in de beoogde situatie voertuigbewegingen met zich mee. Voor de berekening van de totale verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een inschatting op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeercijfers naar parkeernormen'. Hierbij is aangesloten bij de gebiedsindeling ‘schil centrum', ‘zeer sterk stedelijk'. Voor de verkeersgeneratie van de beoogde daghoreca bestaat geen kencijfer, aan de hand van het kencijfer voor parkeren is toch een inschatting gemaakt: De verkeersgeneratie per 100 m2 bvo bedraagt daarmee (8 ppl/100 m2 bvo * 2 x bezet/dag * 2 mvt/etmaal à 10 ppl/100 m2 bvo * 3 bezet/dag * 2 mvt/etmaal s) 32 à 60 mvt/weekdagetmaal. Gemiddeld zijn dat 46 mvt/weekdagetmaal/100 m2 bvo. Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat er relatief weinig mensen met de auto naar de horecagelegenheden zullen komen, daarom wordt er bij de onderkant van de bandbreedte aangesloten, 32 mvt/weekdagetmaal/100 m2 bvo.
Programma
Aantal woningen 1 m2
gemiddelde verkeersgeneratie
Totale verkeersgeneratie
huur, appartement, midden (56-64 m2 GBO)
47
2,2
103,4
huur, appartement, midden (49-55 m2 GBO)
13
2,2
28,6
Maisonnettes
4
2,2
8,8
Studentenkamers
108
1
108
Zelfstandige studio's
176
1,65
290,4
Daghoreca per 100 m2
800 m2
32
256
Dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen/lichte bedrijvigheid (CROW-aanduiding bedrijfsverzamelgebouw)
1.150 m2
4,85
55,8
Totaal
851
In totaal leidt de ontwikkeling van het voorliggende plan volgens de kencijfers van het CROW tot een verkeersgeneratie van circa 851 verkeersbewegingen per etmaal. De wegen in de omgeving kennen een verkeersintensiteit van tussen de 2.422 en 5.000 voertuigbewegingen per etmaal. De verkeersstructuur van het Brainpark is voor het bestemmingsplan Max Euwekwartier reeds in beeld gebracht, waarbij werd
55
geconcludeerd dat er geen knelpunten zijn in de omgeving en dat de verkeerssituatie ter plaatse acceptabel is. De verkeersgeneratie van het voorliggende plan dient gezien te worden in relatie met de andere ontwikkelingen in de omgeving die de realisatie van Brainpark I vormen. Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Mobycon voor alle nieuwe ontwikkelingen in Brainpark, inclusief het onderhavige initiatief. Bovendien zijn nog de verkeersintensiteiten en alle kruispunten op de Kralingse Zoom tegen het licht gehouden. Hieruit bleek dat de verkeersgeneratie acceptabel is en dat er geen knelpunten zullen ontstaan op de kruispunten. Derhalve kan gesteld worden dat de huidige infrastructuur voldoende is om het verkeer af te wikkelen en dat geen aanpassingen nodig zijn. Wel wordt geadviseerd om te monitoren dat verkeer vanaf het kruispunt met de K.P. van der Mandelelaan voldoende mogelijkheden houdt om veilig in te voegen in de wachtrij Als dit in de toekomst niet meer het geval blijkt, kan het toepassen van een verkeersregelinstallatie (VRI) op het kruispunt met de K.P. van der Mandelelaan worden overwogen. Dit gebeurt buiten de context van het bestemmingsplan. Mobiliteit Rotterdam koppelt de verstedelijkingsopgave sterk aan de mobiliteitstransitie. Vooral rondom OV-knopen is functiemenging en verdichting kansrijk.
Er wordt ingezet op een mobiliteitstransitie, waarin het autogebruik vermindert en openbaar vervoer, fietsen, lopen en slimme deelmobiliteitsconcepten de dragers worden voor de mobiliteit in Brainpark I. De nabijheid van het multimodale knooppunt Kralingse Zoom (metro, bus, Parkshuttle, P+R) biedt hiervoor een uitstekend vertrekpunt. In Brainpark I wordt ingezet op een goed fijnmazig netwerk voor fietsers en voetgangers, als tegenhanger van de grote infrastructurele assen die het gebied omkaderen. Daarmee wordt extra aandacht besteed aan het langzaam verkeer. Niet alleen wordt voorzien in kwalitatief hoogwaardige fiets- en wandelpaden, maar ook zorgen voor sociale veiligheid is belangrijk in het gebied. Zichtlijnen en transparantie zijn hierbij van belang, maar ook goede verlichting en positionering van de routes. Activiteit in de plinten zorgt ook voor een levendig en prettig straatbeeld. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling. 6.10.2 Parkeren De parkeernormen van de gemeente Rotterdam zijn gebaseerd op de parkeernormen van de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen.
Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Planspecifiek De parkeereis auto voor 348 woningen is 59 pp. In bepaalde gevallen kan de parkeernorm voor auto parkeren verder naar beneden worden bijgesteld door het toepassen/aan bieden van andere vormen van mobiliteit dan de een eigen auto. Ook vormt de nabijheid van openbaar vervoer aanknopingspunten. De regeling parkeernormen biedt de volgende mogelijkheden tot vrijstellingen van de parkeereis op grond van nabijheid OV, extra fietsruimte, deelauto's en MaaS-concepten (Mobility as a Service). Nabijheid OV Uitgaande van de ligging van het plan binnen 400m van het station is de vrijstelling op grond van nabijheid OV 30/. Extra fietsparkeerruimte Op grond van het beschikbare aantal stallingsplekken voor de fiets kan maximaal gebruik gemaakt worden van de daaraan gekoppelde vrijstelling. Deelauto Eén deelauto vervangt 5 parkeerplaatsen. Deelauto's passen bij het mobiliteitsprofiel van de locatie.
56
De 'kortingen' die in het voorliggende geval toegepast kunnen worden zijn nabijheid van openbaar vervoer onder andere de aanwezigheid van het metrostation 'Kralingse Zoom', het toepassen van deelauto's voor het gebouw en het aanbieden van Maas-concepten. Tevens worden er minimaal 586 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee komt de netto parkeereis op 18 parkeerplaatsen, waarvan 3 deelauto's. Dit wordt nog nader uitgewerkt in een mobiliteitsplan.
57
hoofdstuk 7 Handhaving In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2021-2025, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
58
hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Er was een anterieure voor-overeenkomst en er is een definitieve anterieure overeenkomst getekend. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
59
hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1 Participatie De gemeentelijk participatieaanpak doet recht aan de bestaande praktijk, aan bestaande richtlijnen, nota's en handvatten en aan de participatiemethodieken daarin. Door bevordering van afspraken op procesniveau wil de nieuwe Rotterdamse aanpak al deze factoren op projectniveau met elkaar verbinden. Als blijkt dat een project voldoet aan bepaalde voorwaarden wordt er met alle betrokken partijen een participatieplan opgesteld. De betrokken partijen spreken af hoe zij samenwerken, burgers informeren en hoe het proces eruit ziet. Er is hierin veel aandacht voor de beïnvloedingsmogelijkheden en -vormen van de partijen per projectfase. De initiatiefnemer is samen met marktpartijen, FPW en de gemeente Rotterdam actief bezig met de gebiedsbranding Brainpark. Er is een gebiedswebsite en het participatietraject wordt via die weg opgestart. Voor de onderhavige ontwikkeling is de initiatiefnemer actief bezig met de gebiedsparticipatie en tijdelijke placemaking. Op 8 september 2023 is de kick off van RUSH Rotterdam gevierd. De kick off was een succes met 250 bezoekers die kennis hebben gemaakt met de plek, het concept en de initiatiefnemer.
Initiatiefnemer is voornemens om tenminste halfjaarlijks een zelfde soort evenement te laten plaatsvinden om zo de buurt, toekomstige bewoners en overige stakeholders te informeren en ruimte te geven om zorgen en ideeën bespreekbaar te maken.
9.2 Vooroverleg In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse vooroverlegpartners. Er is een viertal reacties binnen gekomen van: de Provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Rijkswaterstaat en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Onderstaand worden de relevante onderdelen uit de schriftelijke reacties behandeld en voorzien van een antwoord in cursief. Provincie Zuid-Holland (brief d.d. 05-09-2023) De reactie van de provincie Zuid-Holland heeft betrekking op de volgende onderdelen mobiliteit, externe veiligheid en woningbouwprogramma. 1. Mobiliteit Alvorens de gemeente besluit een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling toe te laten is het nodig onderzoek te doen naar de gevolgen van die ontwikkeling voor het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk. Het plan is niet voorzien van een verkeersonderzoek. De effecten van de ontwikkeling op de bereikbaar zijn (nog) niet inzichtelijk gemaakt en hiermee wordt niet voldaan aan Artikel 6.10d van de provinciale omgevingsverordening. Graag ziet de provincie een verkeersonderzoek tegemoet, waarin o.a.
ingegaan wordt op de relatie tot nieuwe oeververbinding, de verkeerseffecten op rotonde Kralingseplein en op de OV en fietsverbinding naar de binnenstad van Rotterdam. Het bestemmingsplan is op dit punt aangepast. Er is een paragraaf Mobiliteit toegevoegd, waarin aandacht wordt besteed aan het aspect verkeer en mobiliteit. In die paragaaf is aangegeven dat een verkeersonderzoek is uitgevoerd door Mobycon voor alle nieuwe ontwikkelingen in Brainpark, inclusief het onderhavige initiatief. Bovendien zijn de verkeersintensiteiten en alle kruispunten op de Kralingse Zoom tegen het licht gehouden, waaruit bleek dat de verkeersgeneratie acceptabel is en dat er geen knelpunten zullen ontstaan op de kruispunten. Hieruit bleek dat de verkeersgeneratie acceptabel is en dat er geen knelpunten zullen ontstaan op de kruispunten.
60
2. Externe Veiligheid Het voorontwerp bestemmingsplan mist nog een aantal elementen in verband met het provinciaal ruimtelijk belang groepsrisico, namelijk: ^
Advies van de veiligheidsregio inclusief het meewegen van de geadviseerde maatregelen in het bestemmingsplan;
In het VOBP wordt aangegeven dat advies gevraagd moet worden aan de Veiligheidsregio. Op 1 augustus 2023 heeft de gemeente het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond ontvangen. In het ontwerp bestemmingsplan dient het advies geborgd te worden. ^
Een gemotiveerde afweging van alternatieven die leiden tot een lagere oriëntatiewaarde van het groepsrisico ten opzichte van het voorgestelde plan dat leidt tot een verhoging en overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico;
^
Een verantwoording en besluit van het bevoegd gezag (de gemeenteraad) over het toenemen van het groepsrisico en de hiervoor genoemde elementen.
Het bestemmingsplan is op dit punt aangepast. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A16 een uitgebreide verantwoording is om ie reden hiervoor niet vereist. De beperkte verantwoording is wel behouden voor de spoorlijn en het water. Paragraaf 6.7 is daarom aangepast. 3. Woningbouwprogramma De locatie van dit bestemmingsplan staat niet in het door GS vastgestelde regionale woningbouwprogramma. Enkele omliggende plannen zijn wel regionaal afgestemd, echter ontbreekt deze locatie. Regionale afstemming van het woningbouwprogramma is vereist. In het voorontwerp staat alleen dat er maximaal 350 woningen mogelijk gemaakt worden met dit nieuwe bestemmingsplan. De informatie over het aandeel sociale- en betaalbare woningen ontbreekt in het voorontwerpbestemmingsplan. Graag zouden wij extra informatie over het woningbouwprogramma willen ontvangen en een borging van het aandeel sociale huurwoningen in het ontwerp bestemmingsplan terugzien. Het bestemmingsplan is op dit punt aangepast, waarbij is aangegeven dat aangesloten bij de uitgangspunten van het Masterplan Brainpark I en de Woonvisie Rotterdam, deels in de vorm van goedkope huurwoningen. De informatie over het beoogde woningbouwprogramma is, zoals gevraagd, naar de provincie gestuurd. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (brief d.d.