CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003070] Bijlage 1 behorende bij 24bb003068 - Ontwerpbestemmingsplan 'Max Euwelaan 71-79'

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 5 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen32.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen geeft evenwel ruimte voor afwijkende gebruiksoppervlakten indien voor de doelgroep studenten, jongeren of ouderen wordt gebouwd en er sprake is van een innovatief woonconcept waarbij in het woongebouw collectieve functies worden gerealiseerd. Het voorliggende initiatief voorziet in de bedoelde doelgroepen. In het concept staat de ontmoeting centraal. Tevens voorziet het initiatief in collectieve functies zoals een gezamenlijke daktuin, werkplekken, wasserette en deelauto's. Verder worden gemeenschappelijke ruimte voor SSH voorzien, voor bijeenkomsten, lounge,

20

ontvangstruimte, bar, gameroom e.d. Verder wordt ruimte geboden aan commerciële voorzieningen, zoals daghoreca en lichte vormen van bedrijvigheid.

2.3.10 Actieplan Middenhuur (2019) en Actieplan Middenkoop (2021) In Actieplan Middenhuur en Actieplan Middenkoop staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenhuur- en middenkoopsegment aan moeten voldoen. Zo geldt onder andere de voorwaarde dat de woningen minimaal gemiddeld 60 m2 gbo moeten zijn. In het geval van innovatieve woonconcepten met veel gemeenschappelijke ruimten kan hiervan worden afgeweken. Ook zijn prijsgrenzen gesteld en een (middenhuur) of een zelfbewoningsplicht en een antiinstandhoudingstermijn speculatiebeding (middenkoop). Het voorliggende initiatief voldoet hieraan: het voorziet in een gemeenschappelijke ruimte voor SSH, voor bijeenkomsten, lounge, ontvangstruimte, bar, gameroom e.d. Tevens wordt voorzien in gemeenschappelijke ruimten zoals een daktuin, een wasserette en werkruimten. Verder wordt uitgegaan van ruimten voor daghoreca en voor een fietsenmaker/fietsenuitleen.

2.3.11 Afwegingskader bezonning Vastgesteld op 9 september 2021 door de gemeenteraad In het Afwegingskader bezonning zijn kaders gesteld voor de effecten van bezonning van gevels van bestaande woningen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen die met een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen die 1,5 maal hoger zijn dan de gemiddelde hoogte binnen 1 maal de straal van de hoogte van die ontwikkeling, worden aan een stappenplan getoetst. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen hoger dan 10 meter die liggen op een binnenterrein. Aan de hand van dat stappenplan wordt beoordeeld of de ontwikkelingen voldoen aan de gestelde kaders voor bezonning op bestaande woningen. In de omgeving van het plangebied zijn in de huidige situatie geen woningen gelegen en zijn er ook geen woningen in planologische zin mogelijk. Het voorliggende plan heeft derhalve geen effecten op de bezonning van gevels van bestaande woningen.

21

hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied 3.1 Ontstaansgeschiedenis Uit verschillende historische kaarten blijkt dat het plangebied tot circa 1967 in gebruik is geweest als landbouwgrond. Begin jaren '60 hebben er diverse infrastructurele ingrepen in de omgeving van het plangebied plaatsgevonden. In 1964 is de verbinding over de Nieuwe Maas, ter plaatse van de huidige van Brienenoordbrug, aangelegd en is in het verlengde hiervan de huidige A16 aangelegd. Sinds 1968 is het plangebied en Brainpark herkenbaar in de huidige vorm. Lange tijd is het gebied nog onbebouwd gebleven. In 1990 is het huidige kantoorpand op het perceel Max Euwelaan 71-79 gerealiseerd.

3.2 Archeologie Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. In het bestemmingsplan ‘Kralingse Zoom' is voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning opgenomen voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2 meter beneden NAP en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Archeologie Rotterdam (BOOR) heeft de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ter plaatse van Max Euwelaan 71 - 79 te Rotterdam beoordeeld (advies met kenmerk: AS23/03947-23/0007941, d.d. 20 april 2023). De grondroerende werkzaamheden bestaan uit sloop en nieuwbouw waarbij een onderkelderd appartementengebouw zal worden gerealiseerd. Met uitzondering van het heien blijven de grondroerende werkzaamheden binnen de toegestane marges van diepte en oppervlakte van het bestemmingsplan. Op basis van archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied kan worden uitgegaan van een substantiële verstoring/ophoging van de bodem. De kans is klein dat door het heien archeologische waarden in die mate worden verstoord dat eventueel toekomstig onderzoek niet meer mogelijk is. In verband hiermee wordt een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht.

De plannen geven geen aanleiding tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Echter is de archeologische dubbelbestemming behouden in het voorliggende bestemmingsplan, ter bescherming van archeologische waarden bij toekomstige ontwikkelingen. Er dient wel altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 melding te maken bij Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In de praktijk is het eenvoudiger om dit bij de bevoegde overheid, de gemeente Rotterdam, voor deze Archeologie Rotterdam, te doen.

3.3 Huidig gebruik In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenlocatie. Op het perceel is momenteel een kantoorpand aanwezig uit 1990. Het betreft een pand met vier bouwlagen. Naast bebouwing is de kavel voor een aanzienlijk deel ingericht ten behoeve van parkeervoorzieningen. De oost-, zuid- en westrand zijn groen ingericht met ook hagen en bomen. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een centrale waterplas.

22

In onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie in het plangebied weergeven.

Vogelvlucht huidige situatie, gezien vanaf het zuidwesten: plangebied centraal in het beeld (bron: Google streetview, 2023)

Bestaande bebouwing (bron: Blom Ecologie, april 2023)

Bestaande situatie, gezien vanaf K.P. van der Mandelelaan (bron: Google streetview, september 2022) Infrastructuur De onderhavige kavel is met één in- en uitrit verbonden met de Max Euwelaan. Ook de ADP-locatie kent één in- en uitrit aan de zijde van de Max Euwelaan. Deze laan staat via de K.P. van der Mandelelaan en Kralingse Zoom in verbinding met de Abram van Rijckevorselweg en de A16. Tevens loopt ten westen van het plangebied, aan Kralingse Zoom, een langzaamverkeersroute. In noordelijke richting is op ongeveer 650 m afstand het metrastation Kralingse Zoom gesitueerd.

23

Stadsgezichten en Monumenten Het onderhavige plangebied is geen (onderdeel van een) beschermd stadsgezicht. Ook zijn er geen monumenten en/of beeldbepalende objecten in of om het onderhavige perceel gelegen.

24

hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1 Inleiding Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van het perceel Max Euwelaan 71-79 in het zuidelijke deel van Brainpark I. Het betreft een perceel met een oppervlakte van circa 3.776 m2. Het huidige kantoorpand maakt plaats voor een gemengd programma met ruimte voor woningen, flexwerken en andere commerciële voorzieningen. De plannen worden in dit hoofdstuk verder uiteengezet.

4.2 Opzet van het plan Het plan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk maakt. Het voorziet in een duidelijk afbakening van de bouw- en gebruiksmogelijkheden, met voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling te kunnen realiseren.

4.3 Ontwikkelingen Programma Het bestaande kantoorpand wordt gesloopt en maakt plaats voor nieuwbouw met overwegend appartementen. Hiervoor is door Vera Yanovshtchinsky architecten B.V. een bebouwingsvoorstel gemaakt. Dit voorstel voorziet in een gevarieerd programma bestaande uit: ^

47 2-kamerwoningen (56 - 64 m2 GBO);

^ ^ ^

13 2-kamerwoningen (49 - 55 m2 GBO); 4 maisonnettes (34 of 43 m2 GBO); 108 studentenkamers (18 m2 GBO);

^

176 zelfstandige studio's (18 -23 m2 GBO);

In totaal betreft het initiatief, volgens dit programma, 348 wooneenheden. Het voorliggende bestemmingsplan maakt 350 woningen mogelijk. Overeenkomstig het 'Masterplan Brainpark I' dient te worden uitgegaan van verschillende categorieën: 30^. sociale huur, 40^. middensegment en 30^. in het hogere segment. In het voorliggende geval wordt ingezet op een programma met 100^. woningen die tegen sociale of middeldure huurprijzen verhuurd worden. Daarnaast omvat het initiatief gemeenschappelijke en commerciële ruimten: ^

maximaal 900 m2 bvo gemeenschappelijke ruimte voor SSH, voor bijeenkomsten, lounge, ontvangstruimte, bar, gameroom, wasserette, werkplekken e.d.

^

maximaal 1.150 m2 bvo lichte vormen van bedrijvigheid (maximaal categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten) waaronder ruimte voor fietsenuitleen en een bijbehorende fietsenmaker, kantoren en maatschappelijke voorzieningen;

^ ^

maximaal 800 m2 bvo (2 units) voor daghoreca, zoals lunchroom, brasserie, koffiebar; een gezamenlijke daktuin/dakterras.

Bebouwingsvoorstel Het 'Masterplan Brainpark I' gaat uit van een gemiddelde bouwhoogte van de onderbouw (Rotterdamse laag) van 7 bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 25 meter en een bebouwingspercentage van

25

50^. van de kavel. Daarnaast maakt het Masterplan hoogte-accenten mogelijk voor bepaalde kavels. In het onderhavige bebouwingsvoorstel gaat om een gevarieerd gebouw met 7 tot 10 bouwlagen, rondom een besloten binnenterrein. Hierbij wordt een gebouw met een oplopende hoogte van 23 en 25 m, naar een hoogte-accent aan de zijde van de K.P. van der Mandelelaan van 35 m. Deze hoogte verhoudt zich tot de bouwhoogtes die toegepast zijn op het stedelijk deel van de Campus Woudestein. Op het binnenterrein zijn er bouwmogelijkheden in één laag (maximaal 4 m). De voorgestelde hoogte van het hoogteaccent en bebouwingspercentage wijken iets af van het Masterplan. In toelichting paragraaf 2.3.2 wordt nader ingegaan op de relatie met het 'Masterplan Brainpark I'. Tevens worden er dakterrassen mogelijk gemaakt om te voorzien in buitenruimten, een groene aankleding van het gebouw en een bijdrage te leveren aan collectiviteit voor de toekomstige bewoners. Dat is conform de intenties van het 'Masterplan Brainpark I'. De stedenbouwkundige randvoorwaarden gaan tevens uit van een afstand tot de noordelijke perceelsgrens van 5,5-6 meter zodat er voldoende (groene) ruimte bestaat tussen de verschillende gebouwen. Het gebouw wordt zowel voor auto's als voor fietsen ontsloten vanaf de zijde van de Max Euwelaan. Er is een parkeergarage voorzien met ook ruimte voor fietsenbergingen.

Er is beperkt ruimte voor auto's, waarbij onder andere deelauto's worden toegepast. De benodigde reductie aan parkeerplaatsen wordt nader onderbouwd met een Mobiliteitsplan van MaaS (Mobilty as a Service). Uitwerking Er wordt circulair bouwen en slopen toegepast. Het gebouw wordt hiertoe gerealiseerd door middel van hybride houtbouw/glulam, een hernieuwbaar materiaal dat geschikt is om te demonteren en her te gebruiken. Hierbij worden de kelder en liftkernen uitgevoerd in beton. Daarnaast wordt een daktuin toegepast op lage daken. Op de hogere daken worden zonnepanelen toegepast om de energieneutrale ambitie te behalen. Bij de gevels aan de buitenzijden wordt uitgegaan van circulair hergebruik van ca. 500 m2 aan natuurstenen gevelpanelen uit de sloop van het huidige pand in de commerciële plint. De overige buitengevels worden afgewerkt met een steenachtig plaatmateriaal.

Beoogde nieuwe situatie VO (bron: Vera Yanovshtchinsky architecten B.V., d.d. 18 april 2023)

26

Impressie vanaf Kralingse Zoom (bron: Vera Yanovshtchinsky architecten B.V.)

Impressie vogelvlucht Max Euwelaan (bron: Vera Yanovshtchinsky architecten B.V.)

27

4.4 Juridische planbeschrijving 4.4.1 Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. Bestemmingsmethodiek Voorliggend bestemmingsplan is een globaal en ontwikkelgericht bestemmingsplan. In het begin van dit hoofdstuk is de ontwikkeling uiteengezet en zijn de hoofdlijnen duidelijk gemaakt. Massa en situering van de bebouwing zijn vastgelegd middels een bouwvlak op de verbeelding. Er wordt enige flexibiliteit in de bouw- en gebruiksmogelijkheden geboden.

4.4.2 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel 'Wijze van meten' opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Bestemming 'Gemengd -1' Het onderhavige perceel heeft de bestemming 'Gemengd - 1' gekregen. Deze bestemming is globaal ingericht zodat bij wijzigingen ten opzichte van het plan zoals dat nu bekend is het bouwplan niet gelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Het bouwvlak is afgestemd op het bebouwingsvoorstel, waarbij aan de noordzijde een afstand van 6 meter tot de perceelsgrens is aangehouden. Er is tevens aangegeven welke bouwhoogte maximaal is toegestaan. Verder is een parkeergarage toegestaan. Het gaat hierbij om maximaal 350 woningen. Daarnaast wordt ruimte voor niet-woonfuncties geboden, uitsluitend op de begane grond en in de kelder.

Het gaat daarbij om dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen, om bedrijven t/m categorie 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, inclusief uitleen van fietsen en om daghoreca. Het programma is gemaximaliseerd in de gebruiksregels. Binnen de bestemming ‘Gemengd - 1' zijn woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan

28

het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan welke als bijlage is toegevoegd aan de regels. Met artikel 3.3.2 is geborgd dat gronden alleen in gebruik mogen worden genomen als woning, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend. Waarde - Archeologie 2 In het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze bestemming beschermt eventueel aanwezige archeologische resten. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

4.4.3 Parkeerregeling Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is in het voorliggende bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde 'dynamische verwijzing'.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid. Om ook aan een eventuele wijziging of herziening van het beleid te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de regeling zo vormgegeven dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het beleid dat op dat moment geldt. Beleidsregeling De op dit moment geldt de 'Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022'. De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruik van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken.

Tevens kan er vrijstelling van de

29

parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

4.4.4 Werken aan huis In de regels is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-Zbedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woningen zijn niet toegestaan. Verder worden in het kader van 'werken aan huis' detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

30

hoofdstuk 5 Water 5.1 Beleidskader 5.1.1 Rijksbeleid In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid in de periode 2022-2027 en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid, om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

5.1.2 Provinciaal beleid Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 (7 december 2012 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Hierin staat hoe samen met partners gewerkt wordt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In het Regionaal Waterprogramma staat hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water en het gaat in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterrecreatie en vaarwegen.

5.1.3 Waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht: ^ ^

het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

^ ^

vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.

Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water', moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave: ^

een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;

31

^ ^

een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.

Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: ^ ^

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);

^ ^

andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan: ^ ^

onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

5.1.4 Gemeente Waterplan 2 Rotterdam De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het 'Waterplan 2 Rotterdam' vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: ^

Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;

^

Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;

^

Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. Gemeentelijke rioleringsplan (2021-2025) De gemeente heeft drie wettelijke zorgplichten, of - zoals dat onder de nieuwe Omgevingswet wordt genoemd - taken op het gebied van watersystemen en waterketenbeheer. De belangrijkste taken zijn: 1. 2.

Beschermen van de volksgezondheid en het milieu door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater.

32

3.

Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.

Om het stedelijk watersysteem van de toekomst vorm te geven heeft de gemeente deze taken vertaald naar diverse doelen op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en het grondwatersysteem.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. De gemeente Rotterdam werkt daarnaast in samenspraak met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) aan een waterhuishoudingsplan voor het toekomstige watersysteem op Brainpark I. Dit plan vormt voor water de basis voor de verdere uitwerking van het Masterplan voor de buitenruimte van Brainpark I.

5.3 Huidige watersysteem 5.3.1 Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Binnen het grotere gebied Brainpark, waar het voorliggende plan onderdeel vanuit maakt, en ten noorden van Brainpark is er wel oppervlaktewater aanwezig. Een groot deel van het plangebied ligt in één peilgebied. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP +2J5 m. Het gedeelte Brainpark I is relatief hooggelegen en ligt in het peilgebied GPG-1278. 5.3.2 Waterkering In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Door de relatief hoge ligging van het plangebied vormt een overstroming naar verwachting geen risico voor het plangebied.

5.3.3 Riolering Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 2. Dit district voert het rioleringswater af naar de AWZI Kralingseveer. In het projectgebied ligt momenteel een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het hemelwater en het afvalwater niet afzonderlijk van elkaar worden afgevoerd. Dit stelsel is echter aangesloten op het gemengde stelsel van de gemeente. Ten noorden van het plangebied op de kruising Max Euwelaan - K.P. van der Mandelelaan bevindt zich een vuilwatergemaal, dat gekoppeld is aan het gemengd rioolstelsel. Het gemaal dient om de bovendrempelberging van het gebied Brainwave te benutten.

33

Er is daar ook een schoonwatergemaal gesitueerd. Dit gemaal heeft een tweetal functies, namelijk het voorzien van een wateraanvoer voor het kunstwerk ‘Sjatoodoo' en het heeft de functie als ‘singelwateraanvoer' voor de waterpartijen op het Brainpark en de waterpartij naast de Abram van Rijckevorselweg achter de huisnummers K.P. van der Mandelelaan 90/100.

5.4 De wateropgave 5.4.1 Oppervlaktewater en waterberging Binnen het plangebied is thans geen oppervlaktewater aanwezig. Toename verhard oppervlak is beperkt, aangezien het huidige terrein reeds voor 80% verhard is (bebouwing, ontsluiting en parkeerterrein).Ten aanzien van de waterberging/ infiltratie zijn afspraken gemaakt, er dient namelijk 50 mm per m2 kaveloppervlakte geborgen/geïnfiltreerd te worden. Het onderhavige perceel heeft een oppervlakte van circa 3.776 m2, wat neer komt op (3.776 m2 x 0.05 s) 188.8 m3 waterberging/infiltratie. Het voornemen is om ca. 50 m3 water te bergen in de daktuin van de nieuwbouw. De rest zal via kratten of een infiltratieriool rondom het gebouw worden verzorgd. 5.4.2 Grondwater Het bouwinitiatief dient te zijn afgestemd op de lokale grondwaterstand en de fluctuaties daarin. Daarbij moet rekening worden gehouden met het voornemen om een parkeergarage met een bodempeil van ca. 4 m onder huidig maaiveld te realiseren. Uit metingen in de omgeving is duidelijk geworden dat het grondwaterpeil zich circa 3,5 m beneden maaiveld bevindt. Dit aspect wordt nader besproken met het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard om een zogenaamde 'vrijwaringsbrief' te krijgen. Op voorhand worden in het kader van het bestemmingsplan geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het grondwater.

Bij de verdere uitwerkingen zal rekening worden gehouden met dit aspect, waarbij kan worden opgemerkt dat hooguit tijdelijke bronbemaling wordt toegepast voor de realisatie van de kelderbak. Het waterschap adviseert hierbij de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen. Hiermee zal bij de verdere uitwerkingen rekening worden gehouden.

5.4.3 Waterkering en waterveiligheid Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 per jaar. Dit betekent dat deze waterkering is ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 10.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks (bij een dijkdoorbraak) zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire waterkering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Door de relatief hoge ligging van het plangebied vormt een overstroming naar verwachting geen risico voor het plangebied.

5.4.4 Riolering In de nieuwe situatie zal er een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd maar het hemelwater mag niet worden aangeboden op het (gemengde) gemeenteriool. Dit water dient te worden geïnfiltreerd in de ondergrond of, ervan uitgaande dat dit in de toekomst door de gemeente wordt gerealiseerd als onderdeel van het Masterplan, worden aangeboden op het openbare hemelwaterriool (nu dus nog gemengd stelsel).

34

hoofdstuk 6 Milieu 6.1 Inleiding Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden.

Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied Het bestemmingsplan maakt een ontwikkeling mogelijk met circa 350 wooneenheden en gemeenschappelijk en commerciële ruimten. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving.). In het bestemmingsplan zijn activiteiten opgenomen die voorkomen op de D-lijst, namelijk D11.2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het bestemmingsplan. Er is voor dit project een 'Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld (Buro SRO, d.d. 28 november 2023). Deze is als bijlagen bij toelichting, bijlage 5 bijgevoegd. Deze aanmeldnotitie wordt als expliciet beslispunt aan het college voorgelegd. Voor de voorgenomen activiteit geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en de aanmeldnotitie er verwacht wordt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen optreden. Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling.

35

6.3 Milieuzonering Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen.

In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Overige activiteiten in of nabij het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in de vigerende bestemmingsplannen. Bovendien is de locatie gelegen op korte afstand van de A16 en ligt ten westen de Kralingse Zoom, een gebiedontsluitingsweg. Om deze reden wordt het omgevingstype aangemerkt als "gemengd gebied". In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele relevante inrichtingen en bestemmingen gelegen. Ten westen van het plangebied is de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam gelegen. Deze campus kent een maatschappelijke bestemming en de activiteiten die hier verricht worden zijn in te delen in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van 10 meter. De feitelijke afstand van de rand van de maatschappelijke bestemming tot het plangebied bedraagt circa 20 meter.

De richtafstand wordt daarmee ruim gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen. Het plangebied en de directe omgeving kennen de bestemming 'Gemengd-1'. Binnen deze bestemming is het mogelijk om kantoren, bedrijven tot en met categorie 2, horeca en medische klinieken te realiseren. Kantoren vallen in milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. Bedrijvigheid tot en met categorie 2 kennen een gereduceerde richtafstand van 10 meter. Klinieken behoren, op basis van de VNG-brochure, tot milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. De afstand tussen het plangebied en de overige gronden is meer dan 10 meter. Ook deze bestemming leidt niet tot belemmeringen. In de toekomstige situatie is binnen het plangebied sprake van een functiemenging, waarbij woningen en een commerciële ruimte en een werkplaats vrijwel direct naast/boven elkaar kunnen worden gerealiseerd. Momenteel is de aard van de functies nog niet uitgekristalliseerd. Indien noodzakelijk wordt later in het

36

proces, bij de uitwerking van het bouwplan, gekeken naar bouwkundige maatregelen. Daarnaast moeten eventuele voorzieningen die zich in het plangebied zullen vestigen voldaan aan het Activiteitenbesluit. Hierdoor zal een aanvaardbare situatie ontstaan.

6.3.2 Conclusie In en om het plangebied zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op het onderhavige initiatief. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.

6.4 Geluid Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het voorliggende bestemmingsplan maakt nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen) zoals bedoeld in de Wet geluidhinder mogelijk. Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijk bepaalde zone van diverse wegen, zoals rijksweg A16, Kralingse Zoom en Abram van Rijckevorselweg. Derhalve is akoestisch onderzoek vereist, waarin wordt vastgesteld welke geluidbelasting ontstaat op de gevels van de woningen door deze geluidbronnen.

Railverkeer, industrielawaai, luchtvaart en scheepvaartlawaai zijn hier niet aan de orde.

6.4.1 Wegverkeer Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. 30 km/uur-wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent dat formeel voor deze wegen geen wettelijk toetsingskader geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden 30 km/u wegen wel meegenomen in een akoestisch onderzoek, in ieder geval voor de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

37

Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied Aantal rijstroken Zonebreedte

Stedelijk1 of 2 200 meter

-gebied 3 of meer 350 meter

Buiten1 of 2 250 meter

-stedelijk3 of 4 400 meter

-gebied 5 of meer 600 meter

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Ontheffingsbeleid In het Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder van de gemeente Rotterdam zijn voorwaarden opgenomen die de gemeente Rotterdam stelt aan het verlenen van hogere waarden. Zo wordt er gesteld dat bij een geluidbelasting groter dan 53 dB na aftrek vanwege alle wegverkeer een woning een geluidluwe zijde en, indien aanwezig, een geluidluwe buitenruimte heeft. Crisis- en Herstelwet De gemeente heeft voor de transformatie van het Brainpark Rotterdam besloten dat zij op basis van de Crisis- en Herstelwet voor een periode van 10 jaar afwijkt van de regels voor wat betreft de geluidbelasting ten gevolge van de A16. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de A16 mag de waarde van 53 dB overschrijden mits deze niet hoger is dan 63 dB.

Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen. Akoestisch onderzoek Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Adviesburo Van der Boom (kenmerk: 23­ 115, d.d. 27 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn onderstaand beschreven. De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Rotterdam, binnen de geluidzone van de A16 op 280 meter van de wegas, de K.P van der Mandelelaan op 6 meter uit de wegas, de Max Euwelaan op 30 meter uit de wegas, de Kralingse Zoom op 35 meter uit de wegas en de Abram van Rijckevorselweg, op 137 meter van de wegas.

De K.P van der Mandelelaan is ter hoogte van de locatie een gezoneerde 50 km weg, aan de overzijde van de Kralingse Zoom is deze weg een niet gezoneerde 30 km weg. De geluidbelasting door wegverkeer op de A16 bedraagt op nagenoeg de gehele woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek ex art 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt 59 dB na aftrek (rekenpunt 2). De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 53 dB wordt op de locatie overschreden op (ten minste de hogere verdiepingen) van de rekenpunten 2 - 7. De maximaal toelaatbare waarde van 63 dB op basis van de Crisis- en Herstelwet voor de transformatie van Brainpark 1 naar woningen wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op elk van de lokale gezoneerde wegen (de K .P. van der Mandelelaan, de Max Euwelaan, de Kralingse Zoom en de Abram van Rijckevorselweg) bedraagt op ten minste een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek ex art 110-g Wgh. De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 63 dB wordt op de locatie door geen van de lokale wegen overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht van de A16 en de gezoneerde lokale wegen is onvoldoende doeltreffend dan wel financieel en/of stedenbouwkundig niet haalbaar.

38

Voor de woningen met een geluidbelasting van meer dan 48 dB door wegverkeer op de A16 en de lokale gezoneerde wegen dienen hogere waarden te worden aangevraagd conform tabel III.3 - III.7 in de bijgevoegde rapportage. De rekenpunten waarvoor een hogere waarde dient te worden verleend zijn tevens opgenomen in figuur 3 - 7 in Bijlage II van de betreffende rapportage. Het verlenen van hogere waarden bij een geluidbelasting na aftrek van meer dan 53 dB voor de geluidbelasting door de A16 is mogelijk omdat de gemeente voor de transformatie van het Brainpark Rotterdam heeft besloten dat zij op basis van de Crisis- en Herstelwet van een periode van 10 jaar afwijkt van de regels voor wat betreft de geluidbelasting ten gevolge van de A16. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de A16 mag daardoor de waarde van 53 dB overschrijden mits deze niet hoger is dan 63 dB. De te verlenen hogere waarde bedraagt dan 53 dB waarbij gedurende 10 jaar een geluidbelasting van ten hoogste 63 dB is toegestaan. De gemeente Rotterdam stelt in haar Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat bij een geluidbelasting groter dan 53 dB na aftrek vanwege alle wegverkeer een woning een geluidluwe zijde en, indien aanwezig, een geluidluwe buitenruimte heeft. In het rapport zijn in Figuur 8 in Bijlage II de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven, door alle wegen samen na aftrek.

De gecumuleerde geluidbelasting van 53 dB na aftrek wordt overschreden op alle waarneemhoogten in alle rekenpunten rondom het U-vormige gebouw (rekenpunten 1,2, 5-11, 14, 15). Aan de binnenzijde van het U-vormige gebouw wordt de gecumuleerde geluidbelasting van 53 dB na aftrek overschreden op de hogere verdiepingen in de rekenpunten 3 (waarneemhoogte 14,0-32,0 m), rekenpunt 4 (waarneemhoogte 20,0-32,0 m) en rekenpunt 12 (waarneemhoogte 8,0-20,0 m). In de rekenpunten 13 en 16 aan de binnenzijde van het U-vormige gebouw wordt de gecumuleerde geluidbelasting van 53 dB na aftrek niet overschreden. Alle woningen met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB worden voorzien van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte in de vorm van beglaasde inpandige loggia's dan wel balkons met een gesloten balustrade; loggia's en balkons worden daarbij tevens voorzien van een geluidsabsorberend plafond. Indien woningen met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder buitenruimte worden gerealiseerd dan wordt één slaapkamer voorzien van een voorziening om een geluidluwe zijde te realiseren bijv. een Harbour Fenster). Voor deze woningen wordt voor de geluidluwe buitenruimte gezocht naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte.

Met deze maatregelen voldoen alle woningen aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het geluidbeleid van de gemeente. Aan deze toetsingskaders wordt na de omschreven maatregelen voldaan. Met de omschreven maatregelen voldoet het plan aan het ontheffingsbeleid van de gemeente, er hoeft niet van het beleid te worden afgeweken. Daardoor zal, ondanks de relatief hoge geluidbelastingen, sprake zijn van een aanvaardbaar plan. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een aanvaardbare ruimtelijke ordening als voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De geluidbelasting is op nagenoeg de gehele locatie op de woningen hoger dan 53 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels van de betreffende woningen bedraagt dan GA;k meer dan 20 dB. Voor deze geluidbelaste gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt 67 dB zonder aftrek. Bij deze geluidbelasting bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 34 dB. De geluidbelasting in het Brainpark wordt overwegend bepaald door geluid afkomstig van de A16. In het masterplan Brainpark I is een snelwegzone gedefinieerd, dit is de strook langs de A16.

Voor deze zone is het de ambitie om de eerstelijnsbebouwing als blikvanger en afscherming van geluid te realiseren. Op deze manier wordt er een stedenbouwkundige afscherming gerealiseerd, die ingevuld zal worden met nietwoonfuncties. Dit geluidscherm zal er zorg voordragen dat de geluidbelasting van de A16 samen met de andere geluidbronnen zal afnemen tot onder het toelaatbare niveau. Het geluidscherm zal binnen tien jaar, zoals voorgeschreven in de Crisis- en herstelwet, worden gerealiseerd.

39

6.4.2 Conclusie Indien er voldaan wordt aan de eisen voor geluidwering conform het Bouwbesluit, de overige geluidwerende voorzieningen zoals voorgaand aangegeven en het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder dat als bijlagen bij de regels, bijlage 3 regels is gevoegd, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.5 Luchtkwaliteit Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: ^ ^

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;

^

er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

^ ^

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van

40

schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1 Plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen.

De ontwikkelingen in het voorliggende bestemmingsplan blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 350 wooneenheden met bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen. Daarnaast omvat het initiatief gemeenschappelijke en commerciële ruimten: circa 1.150 m2 b.v.o. aan ruimten voor dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en/of lichte vormen van bedrijvigheid en circa 800 m2 b.v.o. voor daghoreca, zoals een lunchroom, brasserie, koffiebar. Om te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse, is op basis van de berekende verkeersgeneratie, die nader is toegelicht in toelichting paragraaf 6.10.1 en die ook voor de AERIUS-berekening is gehanteerd, de NIBM-tool ingevuld. De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeersgeneratie van circa 851voertuigbewegingen. De volgende afbeelding toont de ingevulde NIBM-tool.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

851 s.0% 1,11 0,17

Extra verkeer als gevolg van het plan Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in pg/rrr PM10 in pg/rrr

1,2

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/rrr

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Resultaten NIBM-tool (versie 3 november 2023)

Aan de hand van de NIBM-tool wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling 'niet in betekenende mate' invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. Volgens de gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de (snel)wegen en verder het gebied in ruim onder de wettelijke grenswaarden liggen van respectievelijk 40 en 25 microgram per m3. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ce4c15e9-ccfb-4670-8b51-0ccaa12f0475