CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb002791] Bijlage behorende bij 24bb002790 over Passende zorg voor Heel de Stad

Commissie Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport (2022 - 2026) 15 mei 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Zorg18.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26

Het lokale wijkteam neemt binnen het toekomstscenario een centrale plek in binnen de keten in nauwe, gefaseerde samenwerking met een regionaal veiligheidsteam (waarin functies van de Gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis en Raad voor de Kinderbescherming samenvoegen) met expertise en bevoegdheden op het gebied van veiligheid. Rotterdam sluit landelijk, regionaal en lokaal aan bij het meerjarig ontwikkel- en implementatieproces dat het toekomstscenario behelst. We zorgen voor een nauwe verbinding met de Hervormingagenda Jeugd vanwege de samenhang op onderwerpen, zoals versteviging van onze lokale teams en inzet op aanpalende domeinen. De inzet op een veilige gezinssituatie waarbinnen kinderen kunnen opgroeien kan bijdragen aan lagere zorgkosten, onder andere doordat het aantal uithuisplaatsingen wordt verminderd.

27

3.

Doorontwikkeling

De Wmo en de Jeugdwet zijn kaderwetten, met veel beleidsvrijheid voor gemeenten. Zo bepalen gemeenten zelf hoe zij de maatschappelijke ondersteuning inrichten en hier sturing aan geven: inbesteden, aanbesteden, subsidiëren, of combinaties van deze vormen. Als gemeente Rotterdam hebben wij in het verleden diverse keuzes gemaakt over de vorm en financiering van ons zorgstelstel. Wij zijn wel kritisch op deze keuzes en onderzoeken hoe het stelsel beter kan. Voor de doorontwikkeling van ons zorgstelstel hebben we onze partners nodig: zorg- en welzijnsaanbieders, Rotterdammers, clientvertegenwoordigers, (informele) wijkpartijen, de politiek (gemeenteraad), experts en wetenschappers. We betrekken en omarmen in dit proces kritische denkers die ons inspireren en uitdagen. En brengen de feitelijke werkelijkheid (zorgconsumptie en zorggebruik) samen met de werkelijkheid zoals ervaren door inwoners, doelgroepen en professionals.

3.1 Versterken sociale basis via oplossingen in andere domeinen Met de pilots bestaanszekerheid (zie hoofdstuk 6) wordt een eerste stap binnen de BOZ gezet naar het verbeteren van randvoorwaarden voor bestaanszekerheid. Vanuit diverse beleidsthema’s, zoals wonen, armoedebestrijding, werkgelegenheid, onderwijs en GGZ-hulp voor ouders, kan een effectievere bijdrage geleverd worden aan het verminderen van de groeiende zorgvraag. Dit wordt bereikt door grondoorzaken aan te pakken. Maatregelen kunnen niet alleen binnen het zorgdomein, maar juist ook daarbuiten genomen worden. Bijvoorbeeld door het aanpakken van de wachtlijsten bij speciaal onderwijs (waardoor deze kinderen nu zorg ontvangen). Of door te kijken naar mogelijke woonoplossingen om dakloosheid te voorkomen. Maar ook naar oplossingen als Wonen Eerst om de verblijfsduur in de opvang (sterk) te verkorten en zo uiteindelijk het aantal opvangplekken te verkleinen. Of door het sneller helpen van werkzoekenden aan een passende baan. Of door ouders te ondersteunen (volwassenen GGZ of ondersteuning vanwege complexe scheiding) in plaats van jeugdhulp in te zetten.

Enerzijds kunnen we hier zelf als gemeente mee aan de slag: • Bij meldingen bij onze loketten en de wijkteams, onderzoeken de medewerkers uitgebreid wat de oorzaken zijn van de ontstane hulpvraag, In de pilots bestaanszekerheid (zie hoofdstuk 6) proberen de medewerkers van de wijkteams meer mogelijkheden te geven dan zorg alleen. Rotterdammers worden waar mogelijk (warm) doorgeleid naar passende interventies op het gebied van armoede, schulden, werk en wonen. • Vanuit de landelijke Hervormingsagenda Jeugd wordt de reikwijdte (wat valt wel en niet onder passende jeugdhulp) beperkt via aanpassing van de Jeugdwet. Een wettelijke aanpassing geeft meer tools om vanuit de toegang (gemeentelijk en andere verwijzers) de grondoorzaken te adresseren. Het vraagt ook een doorontwikkeling in het zorgaanbod voor jeugdhulp in betere samenhang met inzet van andere domeinen (18-/18+, onderwijs, volwassenen GGZ, schuldenproblematiek etc.). Inzet van casusregie kan deze samenhang bewaken. • We onderzoeken hoe accentverlegging in bijvoorbeeld het woon- en onderwijsbeleid kan helpen de groeiende zorgvraag te dempen. Hiervoor brengen we in beeld welke impact ontwikkelingen binnen deze domeinen hebben op de Rotterdamse zorgvraag.

28

Anderzijds hebben we onze partners nodig. Vanuit IZA is er bijvoorbeeld de mogelijkheid voor samenwerking met zorgverzekeraars op samenhang van volwassenen GGZ en jeugdhulp. Daarnaast voeren we het gesprek met bijvoorbeeld huisartsen, onderwijs, woningcorporaties, zorg- en welzijnsaanbieders, informele zorgpartijen en actieve bewoners over hoe zij ook een bijdrage kunnen leveren aan het aanpakken van grondoorzaken van zorgvragen in de stad en hoe wij hen daarbij kunnen helpen.

3.2 Versterken sociale basis via samenhang formele zorg en informele steun Er is een roep uit de stad, netwerken en aanbieders, dat er meer geïnvesteerd moet worden in de samenhang tussen informele ondersteuning en formele ondersteuning van welzijn en professionele zorg. Wij verkennen de mogelijkheden voor het versterken en ondersteunen van informele (bewoners)initiatieven en organisaties en het sterker verbinden van de formele zorg aan deze informele netwerken. Zodat preventie en zorg goedkoper, passend en dichtbij geboden kunnen worden. De pilots in twee wijken binnen het spoor bestaanszekerheid zijn hier een voorbeeld van (hoofdstuk 6).

3.3 Versterken sociale basis via inzet preventie en welzijn In het beleidskader ‘Heel de Stad’ is de inzet beschreven op welzijn en preventie. Bijvoorbeeld door het opnemen van niet-geïndiceerde dagbesteding in de welzijnsopdrachten. We onderzoeken nu samen met zorg- en welzijnsaanbieders of het aanbod nog toereikend is. En welk aanbod aan preventieve en welzijnsactiviteiten nodig is, gezien de ontwikkelingen in de samenleving, in de wijken om het beroep op geïndiceerde zorg te kunnen verminderen. Voor het gerichter (en intensiever) inzetten van preventie en welzijn zijn meer middelen nodig. Een manier om dit te organiseren, is een verschuiving van een deel van het budget voor zorg naar preventie en welzijn nodig. Deze verschuiving is mogelijk als met een businesscase de effectiviteit en impact van interventies op het gebied van preventie en welzijn aannemelijk worden gemaakt. Dit uit zich dan in een te verwachten dempende werking op de zorgvraag en -kosten. Voor de zorgkosten voor jeugd geldt dat, omdat niet alle jeugdhulp via eigen toeleiding verloopt, vanuit de meer specialistische jeugdhulp actief gestuurd moeten worden op afbouw van volume om die verschuiving mogelijk te maken.

Ook de specifieke uitkering van het Integraal Zorgakkoord (IZA) kan bijdragen aan versterking van het aanwezige aanbod van lichte zorg en ondersteuning, van welzijn, preventie en laagdrempelige ondersteuning in de wijk.

3.4 Regie op zorgvraag via verbeteren huidige toegang Cruciaal voor de transformatie in de zorg, zijn de toegangsloketten zoals de Vraagwijzer voor de Wmo. Een goede eerste uitvraag van de hulpvraag zorgt voor doorverwijzingen die passend zijn bij de problematiek. Daarbij is het van belang om overzicht te creëren in organisaties en regelingen die er zijn voor inwoners, deze te vereenvoudigen en informatie toegankelijk te maken voor inwoners én professionals. We zien dat meer Rotterdammers naar de Vraagwijzer komen. Toch is de inschatting dat niet alle inwoners de weg naar de Vraagwijzer weten te vinden. De Vraagwijzer wil dan ook het bereik vergroten. Daarnaast

29

willen we Rotterdammers ook al in een eerder stadium bereiken en dat Rotterdammers niet pas aan de bel trekken als de situatie escaleert of complex wordt. Hierbij kunnen we de kracht van sleutelpersonen in de wijk beter benutten. Zij kunnen mensen helpen bij het vinden van de juiste route naar zorg en ondersteuning. Drempels verlagen Een praktische aanpassing zoals inrichting van de locaties om privacy beter te waarborgen kan de drempel verlagen voor Rotterdammers om gevoelige gesprekken te voeren. Op dit moment zijn er te weinig (geschikte) spreekkamers. Ook werken we aan een verbetervoorstel over de toegang voor Rotterdammers. Dit richt zich onder andere op het aanpassen van de website van de gemeente en op het beter toerusten van de medewerker van 14010. Doel is de Rotterdammers beter te informeren en te helpen, maar ook om te zorgen dat er minder aanvragen voor geïndiceerde zorg binnenkomen bij de wijkteams en de loketten. Capaciteitsprobleem verwijzende afdelingen Wij hebben gelijktijdig ook te maken met een capaciteitsprobleem bij verwijzende afdelingen zoals de afdeling Wmo en de afdeling Participatie en Stedelijke Zorg. Momenteel zijn er achterstanden in het afgeven van indicaties. We moeten manieren vinden om de processen te versnellen en verkorten.

Denk hierbij aan het stoppen met het herbeoordelen van voorzieningen waarvan duidelijk is dat zij nodig blijven voor cliënten, experimenteren met oneindige indicaties en zorgaanbieders een grotere rol geven bij het beoordelen van aanvragen. Tegelijk mogen dit soort maatregelen niet leiden tot een kostenstijging doordat we als gemeente te snel zorg (blijven) inzetten, terwijl er misschien een andere, minder duurdere, oplossing was. Toegang tot jeugdhulp De toegang tot jeugdhulp verloopt anders dan voor de Wmo. Bij jeugdhulp wordt zorg toegeleid via wijkteams, huisarts of medische route, via de jeugdbescherming of rechtbank. Dat betekent dat we samen met partners werken aan regie op de toegang. Voor het deel van de zorg dat via de huisarts verloopt, richten we een route in waarbij via een knooppunt Jeugd de zorgvraag wordt gewogen en wordt beoordeeld welke hulp passend is. We normaliseren en versterken het gewone leven, door lichtere hulp aan te bieden en actief preventief en collectief aanbod aan te bieden voor de zorgvragen waar dit passend is. Voor jeugdbescherming geldt dat de aanvragen voor hulp wettelijk voorrang krijgen en dat jeugdbescherming een coördinerende rol heeft bij de plaatsing voor schaarse (verblijfs)plekken.

Hierbij streven we er onder andere naar dat jeugdigen minder vaak op afstand in een instelling jeugdhulp krijgen, maar in kleinschaligere settings in onze eigen regio.

3.5 Rol en organisatie wijkteams In Rotterdam spelen de wijkteams met name een rol bij complexe en multi-problematiek. De wijkteams hebben hierdoor meer te maken met zorg en hulpverlening aan en minder met preventie en welzijn. In het kader van de BOZ onderzoeken we wat de besparingsmogelijkheden bij de wijkteams zijn en welke effecten dit heeft op andere zorgkosten. Andere gemeenten zetten hun wijkteam anders in, bijvoorbeeld dichter op het welzijn. Het wijkteam helpt daar juist bij lichte problematiek en met generalistische kennis. Wij willen onderzoeken hoe wij de rol en de organisatie van de wijkteams en welzijn in ons stelsel in de toekomst het beste kunnen vormgeven. Dit zijn bewegingen voor de langere

30

termijn om op lange termijn zorg en ondersteuning duurzaam te organiseren voor Rotterdammers.

3.6 Regie op zorgaanbod via bekostigings- en financieringsmodel De gemeente werkt nu met een resultaatgericht model voor de verlening van zorg. Door deze manier van inkopen stellen we het resultaat centraal en geven we ruimte aan de zorgprofessionals om op basis van hun deskundigheid te bepalen welke zorg zij leveren. Hierdoor kan optimaal maatwerk worden geboden. Het is aan de aanbieder en de cliënten hoe resultaten het beste gehaald kunnen worden. Resultaatgericht werken biedt ook ruimte voor innovatie, en dat is essentieel, gezien de opgave om te transformeren naar toekomstbestendige zorg. Echter het is de vraag of het resultaatgerichte model ook daadwerkelijk past bij de toekomstbestendige zorg en de wettelijke mogelijkheden in lijn met de beschikkingen zonder tijdsindicatie (uitspraak Centrale Raad van Beroep). Wij onderzoeken daarom de komende periode of wij in de toekomst overstappen naar een andere uitvoeringsvariant en dus een andere bekostigingssystematiek. We betrekken de huidige aanbieders bij het heroverwegen van het bekostigingsmodel en het Wmo-arrangementenmodel en bepalen samen de gewenste ontwikkelrichting. Hierbij maken we ook gebruik van het leernetwerk dat momenteel binnen de GRJR wordt opgezet voor gemeenten in de regio met als doel het leren van elkaars inkoopmodellen. De doorontwikkeling van de wijze van toegang is hier een logisch onderdeel van.

Want een keuze voor een bekostigingsmodel betekent ook iets voor hoe de toegang naar zorg uit komt zien. Momenteel wordt de toegang grotendeels door de gemeente en door huisartsen bepaald. Zou er in de toekomst worden gekozen voor bijvoorbeeld populatiegebonden bekostiging, dan ligt het voor de hand om de toegang tot geïndiceerde zorg te beleggen bij de opdrachtnemers (zorg- en/of welzijnsaanbieders). Uit de praktijk blijkt dat binnen succesvolle vormen van taakgericht werken deze keuze voor de toegang een belangrijk werkend bestanddeel is15. Het zorgvuldig onderzoeken van een mogelijke overstap naar een andere manier van bekostiging kost tijd en als er wordt besloten om daadwerkelijk van systematiek te wijzigen, dan verwachten we voor de implementatie daarvan enkele jaren nodig te hebben. Andere mogelijkheden Naast het bekostigingsmodel willen we ook kijken naar andere mogelijkheden om financiële prikkels te introduceren in ons model. Zo wordt in de ‘Discussienota Zorg voor de Toekomst’16 geadviseerd om na te denken over innovatieve contractvormen, afspraken maken op basis van shared savings (zorgaanbieders mogen dan een deel van de besparingen die zij realiseren houden doordat hun cliënten minder zorg gebruiken), bekostiging op basis van gestandaardiseerde cliëntprofielen of op basis van kenmerken van een populatie (zoals geografische populatie of patiëntenpopulatie).

Ook is het interessant om te verkennen wat ongelijk investeren ons zou kunnen opleveren. In ieder gebied, elke wijk en buurt verschilt de gezondheidssituatie. Wellicht kunnen we onze middelen gerichter en effectiever inzetten door hier meer rekening mee te houden. 15 16

Handreiking: kiezen voor de taakgerichte uitvoeringsvariant – Ketenbureau iSociaal Domein Discussie Nota Zorg voor de Toekomst - Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

31

De afgelopen jaren zijn er signalen dat het voor actieve bewoners, maatschappelijke initiatieven en sociaal ondernemers lastiger is geworden om structurele steun van de gemeente te ontvangen. Er worden (hogere) drempels ervaren door de manier van aanbesteden en de voorwaarden voor subsidies. Aanbesteden is vaak een tijdrovende klus, zowel voor de gemeente als degenen die inschrijven bij een aanbesteding. We onderzoeken of het mogelijk is minder of anders aan te besteden. We zoeken naar ruimte om lokale initiatieven structureel plek te geven. De zorg voor de continuïteit van hulp aan onze inwoners maakt dit een uitdaging. Bij subsidies (zoals op het gebied van welzijn) zoeken we naar manieren om partners te ontlasten, door te werken met meerjarige subsidieafspraken. Bijvoorbeeld voor subsidies voor interventies die aantoonbaar bijdragen aan het voorkomen of uitstellen van instroom van nieuwe cliënten in jeugdhulp of Wmo-maatwerkondersteuning.

3.7 Monitoring en sturing De BOZ-opgave vraagt een sterkere sturing dóór de keten, vanwege de gewenste bewegingen naar preventie en welzijn en andere domeinen. Om de zorgvraag om te buigen is het essentieel dat we sámen met onze aanbieders werken aan oplossingen. In het bijzonder bij Jeugd, waar jeugdigen ook via niet-gemeentelijke toegang naar jeugdhulp worden geleid. We sturen nu nog versnipperd op de verschillende zorgopdrachten (welzijn, maatwerkondersteuning, Jeugd). In onze inkoop is de samenwerking met onze aanbieders verschillend georganiseerd. Bij welzijn krijgt een aanbieder per gebied een lumpsum opdracht om aan maatschappelijke impact te werken in dat gebied. Bij Wmo en Jeugd werken onze aanbieders stads- of regiobreed. Hierbij is bij knooppunten Jeugd en regionale jeugdhulp gekozen om met een select aantal grote aanbieders te werken, om samen de grote transformatie-opdracht te volbrengen. Bij minder complexe jeugdopdrachten werken we juist ook met veel kleine aanbieders.

Basisprincipes monitoring en sturing We hanteren de volgende basisprincipes in ons model van monitoring en sturing om minder versnipperd te sturen: • Onze monitoring en sturing is gericht op maatschappelijke impact, effectiviteit en kostenbewustzijn; • Onze sturing richt zich op verschillende niveaus; • Informatie over factoren die bijdragen aan het bereiken van maatschappelijke impact is essentieel; • Onze sturing is gericht op leren en verbeteren; • We zijn ons bewust van de complexiteit van het bereiken van maatschappelijke impact; • Hoe complexer de gevraagde resultaten en maatschappelijke impact, hoe groter de behoefte om gezamenlijk te reflecteren en te leren; • We vervullen onze verantwoordelijkheden rondom toezicht en handhaving gericht op leren en verbeteren. We moeten deze principes echter nog beter verankeren binnen onze processen. Data en datagedreven werken Om regie en grip te kunnen krijgen op kosten en het gesprek met (zorg)partners te kunnen voeren, moeten data en datagedreven werken prioriteit krijgen. Inmiddels zijn de meeste rapportages en data weer beschikbaar (vanwege de overgang van IT-systeem Socrates naar Sorga was data een tijd niet beschikbaar). Het is nu zaak de data goed te gebruiken: om te

32

sturen op onze uitgaven en beter inzicht te krijgen in de effectiviteit van beleid en maatregelen. Er zijn daarnaast kansen in het combineren van datagedreven werken met minder administratieve verantwoordelijkheden. Ook moeten we kijken hoe we deze data beter kunnen delen met onze (zorg)partners. Goede data helpen om problematiek zichtbaar te maken en samen te werken aan oplossingen.

3.8 Lobby naar het Rijk De transformatie naar toekomstbestendige zorg kunnen wij niet alleen uitvoeren. Naast financiële middelen vanuit het Rijk, is ook ander Rijksbeleid en andere wetgeving nodig. Het open karakter van de Wmo en het feit dat gemeenten weinig beperkingen kennen ten aanzien van financiële verantwoording (bijvoorbeeld het ontbreken van betaaltitels) leidt ertoe dat in situaties waarin het niet direct duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de benodigde ondersteuning/zorg en de kosten uiteindelijk bij de gemeenten terechtkomen. Eigen bijdrage Wmo Sinds 1 januari 2020 geldt er een vast tarief voor de eigen bijdrage aan Wmo-voorzieningen. Rotterdammers met Wmo-zorg betalen momenteel een eigen bijdrage van maximaal 20,60 euro per maand. Ongeacht het inkomen, vermogen en de hoeveelheid hulp en/of ondersteuning. Voor 2020 was de eigen bijdrage hier wel van afhankelijk. Hierdoor troffen financieel zelfredzame mensen vaker zelf een oplossing voor hun zorgvraag in plaats van een beroep te doen op de met gemeenschapsgeld gefinancierde Wmo. Het huidige zogenaamde abonnementstarief voor de eigen bijdrage heeft een aanzuigende werking. Het kabinet was al van plan om voor één onderdeel van de Wmo 2015, de huishoudelijke hulp, een passender eigen bijdrage in te voeren. In het coalitieakkoord was afgesproken om dit per 1 januari 2025 te realiseren.

Om de houdbaarheid van de Wmo te verbeteren, heeft het kabinet besloten om voor alle Wmo-voorzieningen waar nu het abonnementstarief voor geldt, een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in te voeren. Door het nieuwe besluit wordt de invoeringsdatum een jaar opgeschoven. Het wetsvoorstel ‘Passende eigen bijdrage huishoudelijke hulp’ wordt ingetrokken en er komt een nieuw wetsvoorstel ‘Passende eigen bijdrage Wmo 2015’. In eerste instantie zou 1 januari 2026 de nieuwe ingangsdatum zijn. Met de val van het kabinet, nieuwe verkiezingen en formering van nieuwe coalitie is de kans groot dat de wetgeving wederom wordt uitgesteld. Daarnaast bepaalt het Rijk ook de indexering van de Wmo eigen bijdrage. Sinds 1 januari 2024 bedraagt deze 20,16 euro per maand (dit was 19 euro). Een indexatie van 8% in vijf jaar tijd, die dus geen gelijke tred houdt met de algemene indexatie. Er vindt een houdbaarheidsonderzoek naar de Wmo plaats dat een bijdrage moet leveren aan duurzame bestuurlijke en financiële verhoudingen tussen het Rijk en gemeenten, met een balans tussen ambities, taken, bevoegdheden/middelen en uitvoerbaarheid. De verwachting is dat het traject eind 2025 afgerond kan worden. Zorgsignalen en -fraude De gemeente besteedt jaarlijks veel geld aan zorg voor Rotterdammers.

Helaas komt het geld niet altijd op de juiste plek terecht of krijgen Rotterdammers niet de zorg die zij nodig hebben. Jaarlijks komen 200 tot 250 meldingen van vermoedelijke zorgfraude binnen bij het Meldpunt. Wij willen graag betere kwaliteitseisen voor (pgb) zorgaanbieders en adequatere aanpak van zorgfraude. Hierbij hebben wij nodig van het Rijk: 1. Het aanpassen van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza)

33

2. Wettelijk strengere eisen aan pgb-vertegenwoordigers en pgb-budgethouders 3. Het kunnen inzetten van Bibob-toetsing bij pgb-aanbieders 4. In het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet verkrijgen van toegang tot Suwinet Baten van investeringen gemeente vallen ergens anders De gemeente investeert in zorg (bijvoorbeeld in de sociale benadering dementie en de thuisplusflats), maar ontvangt hiervoor geen structurele extra middelen van het Rijk. De gemeente krijgt ook niet de baten die dit oplevert in andere domeinen. Door het programma Wozo en door ontwikkelingen in de Wlz (geen uitbreiding verpleeghuiscapaciteit), wordt er op gemeenten een toenemend en langer beroep gedaan om ouderen langer thuis te laten wonen. Hierdoor nemen de kosten voor de Wmo binnen de gemeente toe, maar blijven de kosten van de Wlz (voor het Rijk) lager. Ten tijde van verpleeghuizen werden deze kosten via de Wlz betaald, nu komen deze op het bordje van de Wmo en dus voor gemeenten. Samen met de G4 laten we een financiële impactanalyse uitvoeren van deze landelijke beleidsontwikkelingen. Hervormingsagenda Jeugd Na vaststelling van de landelijke Hervormingsagenda Jeugd juni 2023, loopt nu het implementatietraject.

De verschillende sporen worden landelijk uitgewerkt, waarbij we meedenken over en lobbyen voor onder andere de hoge kosten die gemoeid gaan met de afbouw van gesloten jeugdzorg en het ombouwen naar andere vormen van jeugdhulp, het afbakenen van de reikwijdte, de landelijke en regionale inkoop van jeugdhulp, monitoring, en het nieuwe financieringsmodel. Dit doen we samen met G4-gemeenten en Rijnmondse gemeenten uit onze jeugdhulpregio. Gezamenlijke opgave op jeugd (onderwijs, kinderopvang, preventie en welzijn, jeugdzorg) Landelijk wordt via verschillende trajecten in het onderwijs, jeugdzorg en kinderopvang geïnvesteerd om de voorwaarden voor gezond, kansrijk en veilig opgroeien te verbeteren. Omdat het allemaal gaat om dezelfde kinderen en jongeren, vragen wij (samen met G4gemeenten en G4-samenwerkingsverbanden) deze trajecten in samenhang te bekijken. We vragen het Rijk om een gezamenlijke agenda met afspraken tussen Rijk, gemeenten en onderwijs die bijdragen aan onze gezamenlijke ambities voor de jeugd. Daarvoor is intensievere samenwerking tussen de ministeries van OCW en VWS nodig. Ook is meer verbinding en samenhang nodig tussen landelijke trajecten die nu lopen, met name de route naar inclusief onderwijs, de verbeteragenda passend onderwijs, de Hervormingsagenda Jeugd en de stelselherziening kinderopvang.

34

4.

Cultuuromslag

Om de BOZ uit te kunnen voeren, is een cultuuromslag nodig bij Rotterdammers, politici, ambtenaren, medewerkers in de uitvoering, zorg- en welzijnsprofessionals enzovoorts.

4.1 Rol samenleving De transformatie in de zorg vraagt om ethisch (landelijk) debat over wat goede zorg is en wat wat van de overheid kan worden verwacht op het gebied van zorg. Welvaart is een belangrijke motor achter de groei van de zorguitgaven. Naarmate een samenleving welvarender wordt, gaan mensen meer zorg en ondersteuning gebruiken. Ook nemen de verwachtingen die mensen hebben van die zorg en ondersteuning toe. De indruk is dat ook het gevoel van – met name oudere – mensen dat zij ‘recht’ hebben op zorg en ondersteuning, nadat zij een leven lang hebben gewerkt, is toegenomen. Mensen zijn mondiger, geëmancipeerder en individualistischer. Er is daardoor een toenemende behoefte aan maatwerk en keuzevrijheid in plaats van het accepteren van een standaardaanbod. De steeds hogere eisen aan de kwaliteit van zorg vanuit de samenleving passen niet meer bij de beschikbare middelen. Daarnaast zien we dat gedrag steeds vaker wordt geproblematiseerd en gemedicaliseerd. Er worden (te) snel labels geplakt. Niet elke afwijking van ‘de norm’ is echter een probleem, al is het maar omdat die norm wordt bepaald door cultuur. Niet alle mensen zijn hetzelfde. Voor de juiste zorg is niet altijd een indicatie vereist. Normaliseren betekent in de praktijk ook vaker ‘nee’ verkopen. We blijven passende zorg leveren.

Maar dit kan ook betekenen dat inwoners zich vaker met hulp uit hun netwerk moeten redden, dat ze geïndiceerde zorg niet of niet meteen toegewezen krijgen, dat ze zorg in digitale vorm ontvangen, dat ze te maken krijgen met afgeschaalde zorg of dat ze verwezen worden naar andere vormen van hulp. En dat ze, wanneer ze eenmaal in zorg zijn, (met begeleiding) worden voorbereid op hernieuwde zelfstandigheid. Dit vraagt een verandering in de mindset van onze samenleving: • Meer bewustwording en besef dat mensen (individueel, in het gezin, in eigen netwerk, in de wijk) veel zorgvragen zelf of voor elkaar kunnen oplossen; • Alledaagse kwetsbaarheden en moeilijkheden, van afwijkingen van de norm vaker verduren en accepteren. • De norm van wat voldoende passende zorg is veranderen, zowel bij hulpvragers als hulpbieders. • Minder ‘rechten claimen’. Dit is niet iets dat de gemeente Rotterdam in haar eentje voor elkaar kan krijgen. Maar we kunnen wel stappen maken om hieraan bij te dragen. Denk hierbij aan het verbeteren van de informatievoorziening, zodat mensen direct weten wat wel en niet mogelijk is. En het actief communiceren van deze boodschap.

35

4.2 Rol gemeentelijke organisatie Onze visie op zorg moet een vast onderdeel worden van het gemeentelijk beleid en de werkprocessen. Alleen samen én in dialoog kunnen we die verandering voor elkaar krijgen. Dit vraagt ook bij ambtenaren een cultuuromslag. De benodigde kennis en kunde om het anders aan te pakken is aanwezig, maar moet worden geactiveerd. Het is belangrijk dat medewerkers binnen alle betrokken organisatieonderdelen worden gestimuleerd hun mindset aan te passen, ondersteund door een motiverende open cultuur. Gericht op het vinden van creatieve oplossingen, met een grote rol voor medewerkers in het vinden van die oplossingen. Een essentieel onderdeel van de nieuwe aanpak zijn de medewerkers in de toegang; zij moeten de inschatting kunnen maken van wat ‘normaal’ is, wat erbij hoort en wat niet (meer) ‘normaal’ is en hulp behoeft. Tot deze inschatting komen, is een complex proces en brengt professionele dilemma’s met zich mee. Waarbij vaker ‘nee’ verkopen kan leiden tot moeilijke situaties. Onze indicatiestellers moeten soms spannende gesprekken voeren. Mensen hebben verwachtingen over (omvang van) bepaalde zorg, terwijl die zorg misschien niet per se nodig is. Je moet bij sommige inwoners stevig in je schoenen staan om hen tegen te spreken. Binnen de jeugdhulpplicht is dat extra lastig door de open reikwijdte.

We zien steeds meer mondige ouders die het beste willen voor hun kind en daarin best dwingend kunnen zijn. Professionals moeten weerbaar zijn en uitleggen waarom er niet gelijk gekozen wordt voor geïndiceerde zorg. Dit betekent dat wij achter onze professionals moeten staan en hen moeten ondersteunen, ook als het moeilijk wordt.

4.3 Communicatiestrategie Het is belangrijk dat Rotterdammers vroegtijdig worden meegenomen in de veranderingen in de zorg, waarom deze nodig zijn en wat ze voor hen betekenen. Niet alleen over onze eigen Rotterdamse visie, maar ook over landelijke akkoorden zoals IZA, GALA, de Hervormingsagenda Jeugd etc. Communicatie speelt een belangrijke rol om juist in dergelijke processen waarbij veel partners betrokken zijn, de juiste en eenduidige informatie, tijdig en op de juiste manier bij de Rotterdammers te brengen. Doel is dat zij weten wat de veranderingen in de zorg zijn, welke consequenties dit voor hen heeft en hier begrip voor opbrengen. Daarnaast willen wij bewustzijn creëren bij Rotterdammers dat de grote uitdagingen, op alle aspecten van de zorg, een probleem zijn van de hele samenleving. Er is een andere blik op zorg van de samenleving nodig; een mentaliteitsverandering en andere verwachtingen over de beschikbaarheid van zorg. Het is verstandig als mensen gaan nadenken over hun (toekomstige) zorgvraag en die van hun naasten. Bij maatschappelijke problemen of verschijnselen die horen bij een levensfase, wordt steeds vaker de zorg als oplossing gezien, terwijl dit niet altijd zo hoeft te zijn. Daarnaast willen we ook de samenleving vragen om bij te dragen aan het oplossen van de problemen in de zorg.

Stimuleren dat mensen zorgen voor elkaar waar mogelijk: samenredzaamheid waarbij mensen elkaar ondersteunen. De opgave van communicatie voor de Rotterdammer richt zich ten eerste op het creëren van bewustzijn, draagvlak en betrokkenheid. En op het uitdagen van de Rotterdammers voor het anders organiseren van de zorg en bereidheid bij hen creëren om hier een bijdrage aan te leveren (samenredzaamheid). Ook willen we zichtbaar maken hoe de gemeente en zorg- en welzijnsaanbieders actief samen investeren om de Rotterdamse zorg toekomstbestendig te maken en wat dat betekent voor de samenleving.

36

We ontwikkelen op dit moment een communicatiestrategie voor bovenstaande opgaven. In deze strategie houden we rekening met de landelijke aanpak en sluiten we daar zoveel mogelijk op aan. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een lokale invulling van de landelijke campagne Praat vandaag over morgen. Daarnaast is het ook bereiken van Rotterdammers met een lage sociaaleconomische positie, een migratieachtergrond en/of beperkte digitale vaardigheden een belangrijk doel van de communicatiestrategie.

37

Deel B Uitvoering

38

5.

Korte termijn: maatregelen

De urgentie om in te grijpen is hoog. Daarom zijn er binnen het huidige zorgstelsel maatregelen ontwikkeld om op korte termijn de groeiende zorgvraag en bijbehorende groei van zorgkosten te remmen. In dit hoofdstuk staat hoe deze maatregelen passen binnen de visie op toekomstbestendige zorg uit deel A van dit plan.

5.1 Al ingevoerde maatregelen Sinds 1 januari 2023 is gestart met de implementatie van de eerste set maatregelen. En sinds 1 juli 2023 met de implementatie van de tweede set maatregelen17. Deze maatregelen zijn ambtelijk bedacht en uitgewerkt. Ze zijn met name gericht op het aanscherpen van de werkwijze binnen de gemeentelijke organisatie en het doorbreken van automatismen. Het gaat hier om aanpassingen die passen binnen de kaders van huidig beleid en huidige contracten. De eerste set is alleen gericht op Wmo-maatwerkondersteuning. De tweede set is hoofdzakelijk gericht op jeugdhulp. Alle maatregelen dragen bij aan ons doel om schaarse middelen gerichter in te zetten. Zodat de ruimte ontstaat om passende zorg te blijven bieden aan de meest kwetsbaren. In onderstaande figuur is in beeld gebracht hoe de al ingevoerde maatregelen zich verhouden tot de uitgangspunten uit hoofdstuk 2. Deze maatregelen hebben vooral betrekking op de volgende vier uitgangspunten. Normaliseren van zorgvragen

Gerichter inzetten preventie en welzijn

• Wmo: Rotterdammers • Wmo: Beter gebruik met een lichte en/of van het voorliggend zeer kortdurende veld door het hulpvraag doorgeleiden van doorgeleiden naar het Rotterdammers naar aanbod van welzijnsniet-geïndiceerde en dagbesteding wijknetwerkpartners. • Wmo en Jeugd: Het doorverwijzen naar het voorliggend veld of wijkteam bij lichte ondersteuningsvraag • Wmo: Welzijn op recept

17

Prioriteren van zorg

Efficiënter en effectiever werken

• Wmo: Voorkomen van onnodige/onuitvoerb are zorgstapeling door te sturen op minder intensieve indicaties • Wmo: In geval van reintegratieverplichting en conform uitkering wordt er geen dagbesteding vanuit de Wmo geïndiceerd • Wmo: Sturen op lagere vervolg- en herindicaties • Jeugd: Het beperken van de inzet van opvoedondersteuning voor ouders en omgeving bij 18+

• Wmo en Jeugd: Invoeren van flexibel op- en afschalen (voor Wmo in de vorm van deeldeclareren) • Jeugd: Ondersteuning 18+ niet indiceren bij Jeugd, maar bij Wmo waar deze thuishoort • Jeugd: Behandeling 18+ niet indiceren door gemeente, maar verwijzen naar zorgverzekering waar deze thuishoort • Wmo: Hanteren van een ingroeipad op geïndiceerde dagbesteding • Jeugd: Het ontwikkelen van een

De maatregelen zijn eerder met de gemeenteraad gecommuniceerd (22bo007444 en 23bo006293). En per brief naar de zorg- en welzijnsaanbieders (dd. december 2022 en april 2023).

39

concreet afwegingskader voor arrangementen met een hoog weekbedrag • Jeugd: Beperken aantal arrangeurs • Wmo: Vergroten van kostenbewustzijn door te werken met (virtuele) deelbudgetten of budgetplafonds per toegangspunt Tabel 2: Reeds ingevoerde maatregelen onderverdeeld naar beleidsuitgangspunten

Met deze maatregelen beantwoorden we niet elke hulpvraag met een zorgaanbod en zetten we welzijn en eigen netwerk gerichter in. Dit betekent wel meer druk op het aanbod van de welzijnspartijen en partijen die actief zijn binnen informele zorg en ondersteuning. Deze extra druk kunnen deze partijen maar beperkt opvangen binnen de bestaande budgetten. Om te voorkomen dat veel bewoners ook in het voorveld geen of te weinig ondersteuning krijgen, is dus een verschuiving van middelen nodig. Voor een aantal onderdelen is het ook mogelijk om (tijdelijke) middelen in het kader van GALA (bijvoorbeeld extra inzet op valpreventie) en IZA in te zetten. We onderzoeken wat de impact van deze maatregelen is voor de welzijnsorganisaties.

5.2 Proces ontwikkelen nieuwe maatregelen Zorg- en welzijnsaanbieders hebben na bekendmaking van de eerste twee sets van maatregelen de gemeente opgeroepen samen op te gaan trekken om de toenemende zorgvraag terug te dringen. De gemeente stemde hier graag mee in. We hebben zorgaanbieders gevraagd binnen hun eigen sector de voorstellen op te halen die bijdragen aan de toekomstbestendigheid van de zorg. Hiervoor hebben zij, samen met de gemeente, vier gesprekstafels georganiseerd. Deze gesprekstafels waren voor verschillende doelgroepen: GGZ, lichamelijk en verstandelijk beperkten, ouderen en jeugd. De zorgaanbieders zorgden ook voor een goede eigen vertegenwoordiging aan deze tafels. Bij elke tafel was Win010 gevraagd om te zorgen dat ook het welzijnsveld vertegenwoordigd was. Daarnaast konden alle zorg- en welzijnsaanbieders hun ideeën digitaal aanleveren. Ook hebben we gesproken met een vertegenwoordiging van Rijnmond Dokters, de sociale ondernemers van het manifest ‘Uitdagingen in de zorg’ en cliëntorganisaties (onder andere Brede Raad 01018, Basisberaad, ExpEx en OSO). Uiteindelijk zijn hier meer dan 200 ideeën uit voortgekomen. We hebben deze ideeën gebundeld en de gesprekstafels gevraagd om de meest kansrijke ideeën (sommige ideeën werden bijvoorbeeld al opgepakt of waren voor een zeer lange termijn) verder uit te werken en te concretiseren.

Half december 2023 hebben de gesprekstafels de resultaten aan ons aangeboden. Vervolgens zijn de voorstellen concreet uitgewerkt en getoetst op haalbaarheid, uitvoering, consequenties, financieel effect, juridische aspecten enzovoorts.

18

De Brede Raad 010 heeft een advies uitgebracht aan de gemeente: Houd de stad héél!.

40

Een aantal ideeën die zijn opgehaald zijn concreet gemaakt in de nieuwe inkoop Wmomaatwerkondersteuning (effectief per 1 januari 2025), zoals: • De introductie van een nieuwe lagere trede op het resultaatgebied Huishoudelijke Ondersteuning (HO). Met de introductie van deze trede kan de basisondersteuning voor een schoon huis worden geleverd, maar met een lagere frequentie (van meestal eens per 2 weken in plaats van wekelijks). Mits dit passend is voor de cliënt. Hiermee komen we tegemoet aan de krapte op de arbeidsmarkt. Daarnaast bleek uit data dat een aanzienlijk deel van de indicaties HO (ongeveer 30%) in omvang kleiner is dan de laagste intensiteitstrede. Dit brengt extra administratieve lasten met zich mee, die met een nieuwe, lagere trede worden voorkomen. • De verplichting voor zorgaanbieders om een uitstroomperspectief op te nemen in een leveringsplan. Hierin moet staan hoe en volgens welke planning de cliënt en de zorgaanbieder gaan werken aan het afschalen van, doorstromen binnen en uitstromen uit maatwerkondersteuning. Op deze manier werken we gerichter toe naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid van de cliënt. • Het toevoegen van kritische prestatie indicatoren (KPI’s) op afschalen, doorstroom, uitstroom en vervolgindicaties. Zo kunnen zorgaanbieders en gemeente beter sturen om de schaarse beschikbare middelen optimaal in te zetten.

• Doorontwikkeling van deeldeclareren. Dankzij de doorontwikkeling wordt het tijdelijk afschalen van zorg minder administratief belastend. Zo maken we het voor zorgaanbieders administratief makkelijker om de maatregel flexibel op- en afschalen uit te voeren. Daarnaast is in de nieuwe inkoop Wmo-maatwerkondersteuning aangegeven dat van zorgaanbieders verwacht wordt dat zij meedenken en meewerken aan de houdbaarheid van Wmo-maatwerkondersteuning. Hiervoor worden Wmo-ontwikkeltafels ingericht. Overige maatregelen Naast de gesprekstafels zijn er ook andere bronnen voor mogelijke nieuwe maatregelen. We kijken welke maatregelen vanuit de landelijke Hervormingsagenda Jeugd en RBOK nieuwe acties vragen in Rotterdam. We kijken ook naar doorontwikkeling van bestaande afspraken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het compenseren voor problematiek in gezin en context en compenseren voor voorliggende voorzieningen. Maatregelen hierop landen in BOZ of in de RBOK. Ook wordt gedacht aan productievolumes voor onderdelen van jeugdhulp, om de doorlopende groei te dempen. Zoals gebruikelijk informeren wij de gemeenteraad wanneer er weer een nieuwe set maatregelen wordt ingevoerd.

41

6.

Pilots Bestaanszekerheid BOZ

In het vorige hoofdstuk is beschreven op welke wijze wij maatregelen binnen de zorg nemen. Echter er zijn meer factoren die van invloed zijn op zorgvraag. De verwachting is dat als we meer aandacht besteden aan bestaanszekerheid van Rotterdammers, de (toekomstige) zorgkosten die voor hen gemaakt worden zullen dalen en het project op die wijze bijdraagt aan het beperken van de totale zorgkosten. Vanuit het idee dat zorg soms niet het antwoord is op ondersteuningsvragen, maar dat iemand juist op andere levensgebieden zoals wonen of financiën hulp nodig heeft.

6.1 Aanpak bestaanszekerheid binnen BOZ Bestaanszekerheid is een breed begrip. Binnen de BOZ is gekozen voor onderwerpen waar de meeste winst op zorggebruik te verwachten is. Hier is een uitgebreide verkenning aan vooraf gegaan. Er is gekozen om te richten op de volgende onderdelen van Bestaanszekerheid met als doel het verlagen van de zorgkosten: • Samenredzaamheid: door het netwerk om de Rotterdammer te versterken, kan de Rotterdammer een beroep doen op dit netwerk voor hulpvragen • Woningdelen/leegstand benutten: het hebben van woonruimte ontzorgt Rotterdammers • Werk of dagbesteding en financiële zekerheid: werk of dagbesteding draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van iemand en het gevoel van eigenwaarde. Financiële zekerheid ontzorgt iemand. Er is binnen de BOZ voor gekozen om in twee wijken in Rotterdam te starten met een aanpak van bestaanszekerheid: Bloemhof en Schiebroek. Er is gekozen voor een veerkrachtige wijk (Schiebroek) en een kwetsbare wijk (Bloemhof). Een wijk op Noord en een wijk op Zuid. Ook een wijk in het NPRZ-gebied gezien de link tussen dit programma en NPRZ. In beide typen wijken wordt een daling van het zorggebruik verwacht.

De verwachting is dat in sterke wijken deze daling zich eerder zal voordoen en met relatief beperkte ondersteuning, terwijl in de kwetsbare wijken extra ondersteuning en investeringen nodig zullen zijn om dit te bewerkstellingen. Er is dus sprake van grofweg twee verschillende snelheden.

6.2 Pilots Bloemhof en Schiebroek In 2024 voeren we de pilots wijkgericht uit in twee wijken. De keuze om de pilots wijkgericht aan te pakken heeft te maken met het feit dat iedere wijk anders is en er andere partijen in actief zijn. We richten ons daarom op een aanpak per wijk. Deze aanpak per wijk sluit nauw aan bij de specifieke kansen en mogelijkheden van elke wijk en waar de behoefte ligt. De aanpak bouwt ook voort op bestaande en lopende initiatieven. Voor beide wijken worden de initiatieven per inhoudelijk spoor (samenredzaamheid, wonen, werk/dagbesteding en financiële zekerheid) in beeld gebracht. Dit is de uitgangspositie per wijk. Daarbij hoort ook de inventarisatie welke netwerken op deze sporen in de wijk actief zijn. Netwerk vormen Rondom de drie inhoudelijke sporen wordt een netwerk geformeerd. Idealiter is er in de wijk al een breed netwerk actief met gemeentelijke professionals (Vraagwijzer, wijkteam, Wmo, WenI, Grip op geldzaken, enzovoorts) waaraan enkele betrokkenen kunnen worden toegevoegd. Denk aan woningcorporatie, huisarts, welzijn, vertegenwoordiging sociaal

42

ondernemers, vrijwilligers-/bewonersorganisatie, enzovoorts. Dit netwerk vormt het klankbord voor de doorbraken en interventies op de drie inhoudelijke sporen. Casuïstiektafels Daarnaast benutten we de kennis van professionals in de wijk om bewoners met verwachte (hoge) zorgkosten en waar bredere bestaanszekerheidsissues spelen, in beeld te krijgen. Soms zijn Rotterdammers al in beeld bij zorg. Maar het kan ook gaan om Rotterdammers die nog niet in beeld zijn, bijvoorbeeld bankslapers, waarbij de verwachting is dat zij te maken krijgen met een stapeling van problemen als zij geen hulp krijgen. Deze casuïstiek wordt besproken aan een casuïstiektafel. De deelnemende partijen aan deze tafel bekijken welke doorbraak of interventie voor deze persoon passend zou zijn, anders dan zorg. Loopt de casuïstiektafel vast, dan wordt geschakeld naar het eerdergenoemde netwerk als klankbord om te kijken welke doorbraak nodig is en in de casus kan werken. Het kan ook zijn dat de interventie die nodig is, buiten het bereik/de bevoegdheid van de betrokken partijen ligt. Dan bestaat de mogelijkheid om op te schalen dan wel te escaleren. De verbinder In het netwerk krijgt ‘de verbinder’ een belangrijke rol. Dit is in de wijk een nieuwe rol in de ondersteuningsstructuur van de sociale basis.

Deze persoon zorgt op organisatieniveau voor verbinding tussen de (informele) partijen in de wijk en de (zorg)partijen die verder van de sociale basis in de wijken af staan. Kent daarvoor de sociale kaart van de wijk en kan makkelijk schakelen op basis van een vraag van bijvoorbeeld het wijkteam. Signaleert behoeftes in het aanbod van een wijk en kaart dit aan bij bijvoorbeeld een wijk-MT. Bij de pilot Bestaanszekerheid is deze persoon verantwoordelijk voor het functioneren van het netwerk, verbindt deze persoon de inhoudelijke sporen met elkaar en borgt deze aanpak na de pilotfase.

Figuur 5: Rol netwerk-verbinder en casuïstiektafel

De drie onderdelen uit de aanpak (samenredzaamheid, wonen en werk/dagbesteding) staan niet op zichzelf. Een aanpak moet zich richten op de drie onderdelen in samenhang met elkaar om de zorgkosten te kunnen dempen. Met de doorbraken en interventies op de drie inhoudelijke sporen, vergroten we de handelingsmogelijkheden van de professionals in het sociaal domein. Zo kunnen zij beter inzetten op bestaanszekerheid. Het doel is de toolkit van gemeentemedewerkers die de doelgroep al vanuit hun werk spreken (denk aan

43

wijkteammedewerkers, medewerkers Vraagwijzer, werkconsulenten, schuldhulpverleners, jongerencoaches, trajectbegeleiders enzovoorts) aan te vullen en te verbeteren. Zo kunnen deze medewerkers zorgen voor de meest passende hulp. Dit hoeft niet meteen zorg te zijn. Daarnaast kunnen we op basis van deze praktijkervaringen voorstellen doen om het beleid aan te scherpen, te versimpelen en te verbeteren. Daarnaast is het doel Rotterdammers bij wie bestaansonzekerheid speelt al vroegtijdig in beeld te krijgen, zodat we met interventies kunnen voorkomen dat hun problemen erger worden. De motie infopleinen Hoe eerder Rotterdammers met (potentiële) problemen hun weg weten te vinden naar een passende oplossing, hoe groter de kans dat zorgkosten voorkomen worden. Het is niet altijd makkelijk om de weg naar hulp te vinden. Daarom heeft de gemeenteraad de motie ‘Integrale infopleinen’ (23bb007564) aangenomen. Het doel van deze motie is het voor de Rotterdammers makkelijker maken de toegang tot passende hulp te vinden, door de kennis daarover meer met elkaar te verbinden en samen te brengen op een fysieke plek. Het doel van en de gedachte achter de motie liggen in het verlengde van die van de pilot Bestaanszekerheid. Daarom starten we met de uitvoering van deze motie in dezelfde wijken: Bloemhof en Schiebroek.

Het Wijk-MT verzorgt de uitwerking in beide wijken en haakt hierbij naast de gemeentelijke professionals (denk aan Werk en Inkomen, schulden/armoederegelingen en de Vraagwijzer) ook de partijen in de wijken aan (woningcorporaties, welzijn, gezondheid, sociaal raadslieden, enzovoorts).

6.3 Meten effect en evaluatie Vanuit de Bestuursopdracht Zorg is de aanname/verwachting dat het project Bestaanszekerheid bijdraagt aan het dempen van de groei in zorgkosten. De interventies die worden ingezet en de andere meer gezamenlijke manier van werken in de wijken is een middel om dat te bereiken. Om dit te kunnen meten, is het belangrijk de uitgangssituatie per wijk in beeld brengen, afhankelijk van welke gegevens per wijk beschikbaar zijn. Een deel van de indicatoren is nodig om een meer algemeen zicht te krijgen op de demografie en zorggebruik. Een ander deel meer specifiek op de drie sporen vanuit bestaanszekerheid. Monitoring Gedurende het jaar wordt er in en vanuit de wijken ingezet op het bouwen van een netwerk, andere manier van (samen)werken in de wijk en het uitbreiden van interventies. En zo meer handelingsperspectief voor de professional in de wijk en brede doorbraken te creëren. Op al deze onderdelen kan in ieder geval kwalitatief gemonitord worden wat deze pilot daaraan heeft bijgedragen. Verder worden er zoveel mogelijk kwantitatieve indicatoren benoemd die inzicht geven in een andere manier van werken, bijvoorbeeld het aantal verwijzingen naar voorliggend veld. Besparing zorgkosten De inschatting welke zorgkosten zijn bespaard door de aanpak, wordt op twee manieren inzichtelijk gemaakt. Allereerst vanuit de casuïstiektafel.

Bij elke casus wordt een rendementsberekening gemaakt, van wat de andere manier van oplossen aan zorgkosten heeft uitgespaard. Zo wordt vanuit alle casuïstiek die gedurende het jaar wordt behandeld, een businesscase gebouwd. Daarnaast wordt de besparing inzichtelijk gemaakt door vanuit interventies die worden ingezet door te redeneren. Dat gaat om interventies waarvan uit algemeen beschikbaar onderzoek bekend is, wat het inzetten van deze specifieke interventie

44

oplevert (bijvoorbeeld dat elke geïnvesteerde euro in schuldhulpverlening de maatschappij tot 2 euro oplevert19). (Tussen)evaluatie De uitkomsten van de combinatie van deze monitoring in Bloemhof en Schiebroek, is de basis voor een (tussen)evaluatie eind 2024. Op basis van deze (tussen)evaluatie wordt besloten of de aanpak wordt opgeschaald naar 2 andere wijken. Als dat zo is, gebruiken we de geleerde lessen uit Bloemhof en Schiebroek om de aanpak aan te scherpen.

19 Bron: NVVK rapport: Meetbare en merkbare waarde van financiële hulpverlening: een nieuw

perspectief, april 2022

45

Bronnen Bronnen gebruikt voor opstellen: • • • • • •

• • • • • • • • • • • •

Aanbesteding Wmo maatwerkondersteuning 2025 – Gemeente Rotterdam Advies Houd de stad héél – Brede Raad 010 Arbeidsmarktprognose september 2023 – De Rotterdamse Zorg Beleidsplan ‘Heel de Stad’ – Gemeente Rotterdam Beloftevolle Praktijken: der-tien ambities Brief ‘Relevante bevindingen vanuit Toezicht Sociaal Domein op het beleidskader ‘Rotterdam voor iedereen. Samen sterk tegen armoede’ en Bestuursopdracht Zorg, deelonderwerp Bestaanszekerheid en de Bestuursopdracht zorg, deelonderwerp Bestaanszekerheid’ – Toezicht Sociaal Domein Dashboard Jeugd en jeugdhulpverlening – Gemeente Rotterdam Discussie Nota Zorg voor de Toekomst - Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Handreiking: kiezen voor de taakgerichte uitvoeringsvariant – Ketenbureau iSociaal Domein Het tekort van het teveel – Damiaan Denys Gezonder 010, Gezondheidsaanpak Rotterdam 2024+ - Gemeente Rotterdam IZA Regioplan ‘Samen Zorgen voor Morgen’ – Gemeente Rotterdam, Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel IZA Regiobeeld ‘Samen Zorgen voor Morgen’ – Gemeente Rotterdam, Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel Kwart meer gebruik Hulp bij het huishouden via Wmo dan in 2019 - CBS Manifest uitdagingen in de zorg Meetbare en merkbare waarde van financiële hulpverlening: een nieuw perspectief – NVVK Plan van Aanpak Gala – Gemeente Rotterdam Raadsmonitor over het Rotterdamse stelsel van welzijn, zorg en

jeugdhulp – Gemeente Rotterdam

46

Bijlage: Stand van zaken BOZ De doelstelling van de BOZ is om uitvoering te geven aan de noodzakelijke maatregelen, op de korte en lange termijn, voor de houdbaarheid, betaalbaarheid en uitvoerbaarheid van de Wmo en Jeugdhulp. Er is een programma BOZ gestart dat bestaat uit deelopdrachten: 1. Sturen op de kosten en effectiviteit van Wmo en Jeugdhulp 1.1 Maatregelen implementeren om de geprognosticeerde tekorten in de Wmo en Jeugdhulp op te lossen. 1.2 Meer inzicht in A) tarieven en ureninzet Wmo-aanbieders en B) bekostigingsmodellen Wmo en Jeugdhulp. 1.3 Vanuit beleid, contractmanagement en uitvoering gezamenlijk sturen op de kosten en effectiviteit van de Wmo en Jeugdhulp en elkaar top-down en bottom-up prikkelen tot kostenbewuste inrichting van het proces van zorgverlening. 1.4 Datagedreven Werken (DGW) implementeren om sturing op kosten en effectiviteit mogelijk te maken. 2. Aanvulling beleidsplan ‘Heel de Stad’ Een aanvulling te schrijven voor het beleidsplan ‘Heel de Stad’ tegen de achtergrond van de toegenomen schaarste aan mensen en middelen voor Wmo en Jeugdhulp. 3. Bestaanszekerheid De zorgvraag van Rotterdammers te bezien in relatie tot hun bestaanszekerheid en daartoe een verkenning uit te voeren gericht op een doeltreffender ondersteuning binnen en in samenwerking met aanpalende gemeentelijke domeinen zoals welzijn, werk, wonen en veiligheid.

Deze verkenning moet tot een zo concreet mogelijk beeld van de opgaven voor de verschillende clusters en NPRZ leiden en hoe op deze opgaven kan worden gestuurd. 4. Lobby Rijk Naar het Rijk toe, de financiële claim voor de stijgende zorgkosten te onderbouwen en de gezamenlijke lobby, met VNG, G4 en NPRZ te versterken. Oorspronkelijk was ook een Rotterdams Zorgakkoord onderdeel van de BOZ. Besloten is de trajecten Integraal Zorgakkoord (IZA) en Rotterdams Zorgakkoord te verbinden. Voorlopig komt er geen apart Rotterdams Zorgakkoord.

Wat is er tot nu toe gerealiseerd binnen de BOZ De resultaten die tot nu toe zijn gerealiseerd binnen de BOZ: 1. Sturen op de kosten en effectiviteit van Wmo en Jeugdhulp 1.1 Maatregelen De invoering van de eerste set Wmo maatregelen is gestart per 1 januari 2023 en een tweede set Jeugd werd per 1 juli 2023 geïmplementeerd. In februari 2023 is er een bijeenkomst geweest met zorg- en welzijnsaanbieders om de eerste set aanpassingen toe te lichten. De roep vanuit het veld was om volgende maatregelen gezamenlijk te ontwikkelen. Hier zijn vier gesprekstafels uit voortgekomen (Jeugd, Ouderen, GGZ en Beperkten). Daarnaast zijn er diverse gesprekken met sociaal ondernemers, clientorganisaties en huisartsen gevoerd. In totaal zijn via de gesprekstafels ruim 200 ideeën voor nieuwe maatregelen opgehaald. In de zomer 2023 zijn de ideeën geordend naar kansrijkheid en zijn

47

er eerste ambtelijke reacties geformuleerd. Na de zomer zijn bij de gesprekstafels de kansrijke ideeën verder geconcretiseerd. In december 2023 zijn de voorstellen van de gesprektafels aangeboden aan wethouder Zorg, Ouderen en Jeugdzorg. Ook zijn er aanvullende maatregelen (Plan B) vanuit de ambtelijke organisatie aangeboden. Vervolgens zijn deze maatregelen verder uitgewerkt en gezamenlijk getoetst op uitvoerbaarheid door de gecontracteerde aanbieders en de gemeente. De al ingevoerde maatregelen zijn als volgt financieel ingeschat: Verwacht financieel effect eerste set maatregelen X € mln 1. Invoeren van flexibel op- en afschalen in de variant van deeldeclareren. 2. Rotterdammers met een lichte en/of zeer kortdurende hulpvraag doorgeleiden naar het aanbod van welzijns- en wijknetwerkpartners. 3. Beter gebruik van het voorliggend veld door het doorgeleiden van Rotterdammers naar nietgeïndiceerde dagbesteding, 4. Welzijn op recept 5. Voorkomen van onnodige/onuitvoerbare zorgstapeling door te sturen op minder intensieve indicaties 6. In geval van re-integratieverplichtingen conform uitkering wordt er geen dagbesteding vanuit de Wmo geïndiceerd 7. Hanteren van een ingroeipad op geïndiceerde dagbesteding 8. Sturen op lagere vervolg- en herindicaties

Totaal

2024

2025

2026

2027

1,1

1,1

1,1

1,1

0,5

0,7

0,9

0,9

0,8

0,9

1,0

1,0

0,2 0,6

0,3 0,6

0,4 0,6

0,4 0,6

1,5

3,0

3,0

3,0

1,0

1,5

2,0

2,0

4,1

6,1

8,1

8,1

9,8

14,3

17,1

17,1

2024

2025

2026

2027

0,7

0,9

0,9

0,9

1,3

1,7

1,7

1,7

0,7

0,9

0,9

0,9

0,8

1,1

1,1

1,1

0,9

0,9

0,9

0,9

1,0 0,8 1,4

1,7 1,0 1,9

2,2 1,2 1,9

2,2 1,2 1,9

7,6

10,1

10,8

10,8

Tabel 3: Opbrengsten eerste set maatregelen, 22bo007444, december 2022

Verwacht financieel effect tweede set maatregelen X € mln 1. Behandeling 18+ niet indiceren door gemeente, maar verwijzen naar zorgverzekering waar deze thuishoort 2. Ondersteuning 18+ niet indiceren bij Jeugd, maar bij Wmo waar deze thuishoort 3. Het beperken van de inzet van opvoedondersteuning voor ouders en omgeving bij 18+ 4. Het doorverwijzen naar het voorliggend veld of wijkteam bij lichte ondersteuningsvraag 5. Het ontwikkelen van een concreet afwegingskader voor arrangementen met een hoog weekbedrag 6. Beperken aantal arrangeurs 7. Flexibel op- en afschalen 8. Vergroten van kostenbewustzijn door te werken met (virtuele) deelbudgetten of budgetplafonds per toegangspunt (Wmo)

Totaal Tabel 4: Opbrengsten tweede set maatregelen, 23bo006293, juni 2023

48

Het is lastig om een 1-op-1 relatie te leggen tussen de BOZ maatregelenreeks uit de begroting en de realisatiecijfers in de jaarrekening. De maatregelenreeks is opgenomen in de begroting als een verlaging aan de lastenkant, geen stelpost. De nu vastgestelde begroting houdt dus al rekening met een daling in de groei. Dit in combinatie met een begroting die sinds de start van de BOZ op verschillende momenten en veelvuldig is aangepast (positief en negatief), maakt het bepalen van de realisatie van de maatregelen extra lastig. Daarnaast zijn er veel externe en interne factoren die het gebruik van zorg en zorguitgaven beïnvloeden. Het is dus onmogelijk om precies te bepalen welke effecten de BOZ precies 1-op-1 heeft op de zorguitgaven. Er zijn wel indicatoren die ons helpen om te bepalen of we op de goede weg zijn. Ten eerste het dashboard wat een weergave geeft van de effecten van maatregelen. Deze effecten worden kwantitatief (in aantallen) en geld weergegeven. Echter het dashboard is niet volledig: niet alle effecten kunnen gekwantificeerd worden of uit de systemen gehaald worden. Ten tweede het feit of we wel of niet binnen de vastgestelde begroting blijven. In de huidige begroting is de maatregelenreeks al verwerkt: de beschikbare begrotingsbedragen zijn al naar beneden gesteld.

Als we dus binnen begroting blijven realiseren we niet de geprognotiseerde groei en lijken de maatregelen het gewenste effect te hebben. 1.2 Tarieven- en bekostigingsonderzoek KMPG heeft in april 2023 twee onderzoeksrapporten opgeleverd: een tariefvergelijking Wmo-maatwerkondersteuning (deelonderzoek A), en een advies over bekostiging van Wmo en Jeugdhulp (deelonderzoek B). Naar aanleiding van deze rapporten zijn in juni 2023 ambtelijk denksessies georganiseerd over het bekostigingsmodel en de toegang. Uit het onderzoek van KPMG kwam naar voren dat de keuze voor een bekostigingsmodel niet allesbepalend is; het gaat primair om de uitvoering en de sturing daarop. KPMG gaf ook aan dat de overgang naar een nieuw bekostigingsmodel veel tijd/geld kost, o.a. voor commitment met partners in de zorgketen en inrichting van de backoffice waarbij enig afbreukrisico niet uit te sluiten is. In beleidsplan Heel de stad staat opgenomen dat de gemeente het arrangementenmodel voor jeugd en volwassenen blijft behouden. Het onderzoek van KPMG gaf geen aanleiding om voor de nieuwe inkoop van dit uitgangspunt af te stappen. Korte termijn aanbevelingen van KPMG zijn opgenomen in de nieuwe inkoop Wmomaatwerkondersteuning. 1.3 Sturing op de kosten en effectiviteit van de zorg Binnen de gemeentelijke organisatie is er een verandering gaande in de manier waarop naar zorg en ondersteuning wordt gekeken.

Steeds meer dringt door dat schaarste aan mensen en middelen ons dwingt tot het maken van keuzes. Waar eerst toegankelijkheid en kwaliteit de hoogste prioriteit had, wordt nu ook de vraag gesteld wat de meest effectieve keuze is. Kostenbewustzijn is een vast onderwerp in (sturing)gesprekken en sessies met medewerkers. Er is sprake van het begin van een cultuuromslag: met elkaar wordt kritisch gekeken naar de omvang van de uitgaven. Wij zijn bezig dit nog verder te ontwikkelen, nog beter vastleggen in onze processen en onze sturing- en verantwoordingscyclus nog scherper te maken. Wij verwachten dat deze inzet een positief beperkend effect heeft op de gemeentelijke uitgaven binnen de zorg en hebben hiervoor een inschatting gemaakt. Verwacht financieel effect sturingseffect X € mln Sturingseffect

2024

2025

2026

2027

3,0

4,0

5,0

5,0

Tabel 5: Sturingseffect, 23bo006293, juni 2023

49

1.4 Datagedreven werken De reeds ingevoerde maatregelen (die te kwantificeren zijn) zijn vertaald naar een dashboard. Zo kan er zicht gehouden worden op de voortgang en toepassing van maatregelen en desgewenst bijgestuurd worden. Het dashboard is in juni 2023 live gegaan. Een aangepaste versie van het dashboard is in november 2023 live gegaan, met daarin een eerste visualisatie van jeugd maatregelen uit de 2e tranche. In februari 2024 zijn aan het dashboard de gerealiseerde financiële effecten van de maatregelen toegevoegd. Voor het echt implementeren van datagedreven werken moeten nog stappen gemaakt worden. De informatiestop, veroorzaakt door de overgang van het IT-systeem Socrates naar Sorga had tot gevolg dat voor een langere periode onvoldoende data en personele ITcapaciteit beschikbaar was. Nu de datavoorziening langzaam weer op orde komt kunnen we dit gerichter op gaan pakken. 2. Aanvulling beleidsplan ‘Heel de Stad’ ‘Heel de Stad’ is het beleidsplan voor Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 20212026. Een eerste aanscherping hierop is opgenomen in de Wethoudersbrief aan de commissie ZWCS 13-12-2022: Bestuursopdracht Zorg (met kenmerk 22bb00744). Dit integraal plan bevat de verdere uitwerking van deze aanvulling. 3. Bestaanszekerheid In januari 2023 is een verkenning gestart.

Het doel hiervan was om helderheid te krijgen op welke onderdelen van bestaanszekerheid wij ons moeten richten die kunnen leiden tot verlaging van zorgkosten. Op basis van deze verkenning zijn in juni 2023 de volgende onderdelen van Bestaanszekerheid benoemd die bijdragen aan het verlagen van de zorgkosten: • Samenredzaamheid: door het netwerk om de Rotterdammer te versterken, kan de Rotterdammer een beroep doen op dit netwerk voor hulpvragen • Woningdelen/leegstand benutten: het hebben van woonruimte ontzorgt Rotterdammers • Werk of dagbesteding en financiële zekerheid: werk of dagbesteding draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van iemand en het gevoel van eigenwaarde. Financiële zekerheid ontzorgt iemand. Vanaf juni 2023 is er gewerkt aan een aanpak bestaanszekerheid gericht op de drie onderdelen. In november 2023 is ervoor gekozen om de aanpak te starten in twee wijken in Rotterdam. Daarbij is gekozen voor een veerkrachtige wijk en een kwetsbare wijk. Een wijk op Noord en een wijk op Zuid. Ook een wijk in het NPRZ-gebied gezien de link tussen dit programma en NPRZ. In beide typen wijken wordt een daling van het zorggebruik verwacht. De verwachting is dat in sterke wijken deze daling zich eerder zal voordoen en met relatief beperkte ondersteuning, terwijl in de kwetsbare wijken extra ondersteuning en investeringen nodig zullen zijn om dit te bewerkstellingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=3e847a34-3281-4b08-bc90-4cb92acb8269