[24bb002398] Bijlage 2 behorende bij 24bb002395 over Voortgangsrapportage energietransitie Q1 2024 Havenbedrijf
Tekst van het document
VOORTGANGSRAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 1
Inhoudsopgave
MANAGEMENTSAMENVATTING PAGINA 3
INLEIDING PAGINA 3
PIJLER 1: EFFICIËNTIE EN INFRASTRUCTUUR PAGINA 6
PIJLER 2: EEN NIEUW ENERGIESYSTEEM PAGINA 11
PIJLER 3: EEN NIEUW BRANDSTOFFENEN GRONDSTOFFENSYSTEEM PAGINA 17
PIJLER 4: DUURZAAM TRANSPORT PAGINA 21
DIGITALISERING PAGINA 27
HET RESULTAAT PAGINA 28
WAT IS NODIG PAGINA 29
MEER INFORMATIE PAGINA 29 VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 2
Managementsamenvatting Sinds het klimaatakkoord van Parijs is Havenbedrijf Rotterdam voortvarend aan de slag met de energietransitie. Doel van het transitieprogramma is om toe te werken naar een CO₂-neutraal en vitaal industriecomplex in 2050 dat een belangrijke bijdrage levert aan de economie, welvaart en een goede leef- en werkomgeving (SDG’s). Voor een CO₂-neutrale, circulaire samenleving zijn andere productieprocessen, niet-fossiele grondstoffen en (zeldzame) materialen cruciaal. Daarom onderzoekt Havenbedrijf Rotterdam wat de gevolgen en de kansen zijn van de grondstoffentransitie voor het Rotterdamse haven- en industriecomplex. Het energietransitieprogramma bestaat uit vier pijlers (efficiency en infrastructuur, een nieuw energiesysteem, een nieuw grond- en brandstoffensysteem, duurzaam transport). Er zijn ruim 70 projecten in voorbereiding of in uitvoering gericht op reductie van CO₂-uitstoot waarin bedrijven, organisaties en overheden samenwerken. Het gaat om reductie van emissies binnen de haven (door CO₂-afvang en -opslag, elektrificatie van de industrie, productie en toepassing van groene waterstof etc.) en om reductie buiten de haven, zoals door de productie van duurzame brandstoffen en producten en materialen zoals isolatiematerialen.
De industrie in het Rotterdamse havengebied is daarmee goed op weg haar bijdrage te leveren aan de regionale, Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen. Nieuwe inzichten zoals de rol die het Havenbedrijf Rotterdam kan spelen in de grondstoffentransitie en welke keuzes daarvoor gemaakt moeten worden krijgen daarin een plaats. Tegelijkertijd geldt dat realisatie van al deze plannen en projecten niet vanzelfsprekend is. De overgang naar een nieuw energiesysteem vraagt extra ruimte
en investeringen. Samenwerking tussen bedrijven en overheden is nodig om plannen tot een investeringsbeslissing te brengen. Wie nu door het havengebied rijdt, ziet dat er overal gebouwd wordt. De eerste serie aan projecten in alle vier de pijlers zijn nu in uitvoering of zijn gerealiseerd. Het gaat om projecten waar jarenlange voorbereiding en besluitvorming aan vooraf is gegaan, zoals de infraprojecten WarmtelinQ en Porthos en de waterstoffabriek die nu wordt gebouwd. Nu moet besluitvorming komen over projecten in de tweede golf (wave 2). We zien echter dat er een flinke tegenwind staat uit verschillende richtingen: de rente en dus kapitaalkosten zijn fors gestegen en de uitbreiding van het elektriciteitsnet vergt grote investeringen wat leidt tot hoge aansluitkosten. Intussen zijn projecten in de 3e golf (wave 3) al in ontwerpfase, waarvoor besluitvorming en r ealisatie rond 2030 gaat plaatsvinden. We verwachten dat de tegenwind tegen die tijd zal zijn gedraaid. Maar daarvoor zijn de investeringen uit wave 2 wel cruciaal, anders komen die van wave 3 op de tocht te staan. Ingrijpen voor wave 2 is dus keihard nodig, tegen de wind in.
Dus is het gelijktrekken van beleid rond de beginnende waterstofmarkt met omringende landen als België en Duitsland nood zakelijk en is snelle besluitvorming over de aanleg van cruciale infrastructuur als de Delta Rhine Corridor nodig, evenals duidelijk stikstofbeleid. Dan ontstaat handelingsperspectief voor de gemeenten die de vergunningen moeten verstrekken en houden we het tempo van de transitie die in Rotterdam zo vlot uit de startblokken is gekomen, vast.
Inleiding Zo’n negen jaar nadat het Havenbedrijf startte met het energietransitieprogramma is er een flinke vooruitgang geboekt. Meer dan 70 projecten zijn in voorbereiding of uitvoering. Deze projecten dragen bij aan het doel om in 2050 een CO₂-neutraal havenen industriecomplex te hebben, dat nog steeds een grote bijdrage levert aan de Nederlandse welvaart en relevant is voor de strategische autonomie van dit deel van de wereld. Naast deze doelstelling voor het haven- en industrieel complex (scope 1) wordt ook terugdringen van de uitstoot in de keten (scope 3)
steeds belangrijker, gezien de Europese regelgeving op dit gebied. Zo draagt de Rotterdamse haven ook buiten het havengebied bij aan CO₂-reductie. De rol van het Havenbedrijf is vooral het creëren van de condities waardoor bedrijven kunnen overschakelen op duurzame productiewijzen, of juist voor Rotterdam kiezen om te investeren in plaats van elders. Zo versnelt het Havenbedrijf de transitie, worden klimaatdoelstellingen gehaald en blijft dit een vitaal haven- en industriecomplex. VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 3
De industrie in Rotterdam heeft de afgelopen decennia een grote bijdrage geleverd aan de Nederlandse economie en welvaart. De meest recente cijfers geven aan dat haven en industrie zorgen voor 193.000 arbeidsplaatsen (direct en indirect) en een toegevoegde waarde van €30,6 miljard, 3,2% van het BNP. Voor heel Nederland brengt de Rotterdamse haven werkgelegenheid van meer dan 500.000 arbeidsplaatsen en een toegevoegde waarde van ruim €60 miljard met zich mee. Afgezien van deze cijfers, zorgt de productie door de industrie ook voor een kleinere afhankelijkheid van andere werelddelen voor tal van goederen. Zo heeft het Green Deal Industrial Plan als doel de productie van schone technologieën in de EU op te schalen en ervoor te zorgen dat de Europese Unie is toegerust voor de overgang naar schone energie. Globalisering heeft flink bijgedragen aan de toegenomen welvaart, maar onder andere Covid en de oorlog in Oekraïne hebben laten zien dat er risico’s kleven aan een grote afhankelijkheid van (autocratische) regimes voor allerlei goederen. Meer strategische autonomie wordt steeds belangrijker, zeker waar het gaat om kritische grondstoffen en materialen.
Waar Europa niet zelf kan voorzien, kan de haven van Rotterdam een bijdrage leveren door het opzetten van importketens voor deze grondstoffen en materialen via allianties met partijen buiten Europa die nu nog vooral via andere werelddelen leveren. Ook voor de import van duurzame energie in de vorm van waterstof is het opzetten van nieuwe samenwerkingsverbanden met landen in en buiten Europa met groot productiepotentieel voor groene energie van belang. Als Havenbedrijf voelen we ons verantwoordelijk om bij te dragen aan een betere leef- en werkomgeving voor iedereen. Daarom koppelen we onze activiteiten aan de 17 Sustainable Development Goals (SDG’s), de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. Die doelstellingen zijn de kern van ons dagelijks handelen. Thema’s als een veilige en gezonde omgeving, mens & werk en klimaat & energie hebben onze constante aandacht. We staan aan het begin van deze reis naar een klimaat neutrale haven. En we maken al concrete stappen. We werken aan economische versterking met respect voor mens en milieu. We werken aan een haven waar slimme en ‘groene’ logistieke ketens mogelijk zijn. We geven een impuls aan hernieuwbare energie. We faciliteren circulaire industrie. Samen met klanten en stakeholders willen we duurzame groei realiseren.
De omvang van het Rotterdamse haven- en industriecomplex, de kwaliteit van de infrastructuur en voorzieningen, het ecosysteem van dienstverleners en controlerende instanties met kennis van zaken, als ook de aanwezigheid van een groot aantal bedrijven van wereldklasse, maakt dat Rotterdam een goede uitgangspositie heeft voor deze transities. Doel is investeringen voor de transitie van het complex aan te trekken van zowel de nu gevestigde bedrijven als van nieuwkomers. Op die manier werken we met het transitieprogramma toe naar een CO₂-neutraal en vitaal industriecomplex dat in 2050 een vergelijkbare, belangrijke bijdrage levert aan de Nederlandse en Noord-West Europese economie en welvaart. Het energietransitieprogramma kent vier pijlers. Pijler 1 bestaat uit efficiëntiemaatregelen die de bestaande industrie op korte termijn kan nemen, en het aanleggen van infrastructuur die randvoorwaardelijk is voor de transitie: verzwaring van het elektriciteitsnet, een waterstofnetwerk, leidingen voor CO₂ en restwarmte van de industrie. Pijler 2 draait om het veranderen van het energiesysteem. In plaats van olie en gas te gebruiken, zal de industrie overstappen op elektriciteit en groene waterstof en andere koolstofarme energiedragers.
In pijler 3 gaat het over de vervanging van fossiele grondstoffen - de koolstoffentransitie- en de ontwikkeling van circulaire economie door hergebruik en het circuleren van materialen en producten zoals metalen en bouwmaterialen en over nieuwe, niet-fossiele stromen van kritische grondstoffen, materialen en producten. Pijler 4 behelst het klimaatvriendelijk maken van het transport van goederen naar, in en van het havengebied. Daartoe ontwikkelt het Havenbedrijf Rotterdam samen met partners activiteiten om de logistieke sector te helpen de CO₂-uitstoot te verminderen. Tussen die pijlers zijn veel dwarsverbanden. Zo is om groene waterstof te maken veel groene elektriciteit (pijler 2) nodig en dus een elektriciteitsnet (pijler 1) dat dat aan kan. Die groene waterstof is in te zetten als grondstof voor de industrie (pijler 3) en als duurzame transportbrandstof (pijler 4). En de warmte die vrijkomt bij de productie van groene waterstof is bruikbaar in een warmtenet (pijler 1). Bij sommige van de transitieprojecten vindt emissie reductie plaats bij de industrie zelf, bij andere worden juist de producten die de industrie maakt en die elders gebruikt worden duurzamer. Denk aan bijvoorbeeld VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 4
de productie van bio-kerosine voor de luchtvaart of isolatiemateriaal voor gebouwen. Door de concentratie van industrie kan in Rotterdam hoge efficiëntie worden bereikt: bedrijven kunnen elkaars overtollige stoom of warmte gebruiken en het restproduct van de één is grondstof voor de ander. Maar dat vergt moed, zweet en uithoudingsvermogen. Moed om te doen wat we weten dat nodig is, maar soms niet past binnen de gebruikelijke werkwijze. Zweet omdat projecten complex zijn. We moeten in een paar decennia een heel systeem kantelen, met veel verschillende partijen en belangen, en met instituties en regels die daar niet op berekend zijn. En dus is uithoudingsvermogen nodig.
Het is dus een majeure opgave. Toch zien we dat er projecten daadwerkelijk in de realisatiefase zijn en dat er meer projecten in de pijplijn zitten. Deze voortgangsrapportage biedt daarvan een overzicht. In dit document zijn alleen publieke bekende projecten opgenomen. Projecten waar bedrijven op dit moment wel aan werken, maar waarmee ze nog niet naar buiten zijn getreden, worden niet genoemd. Wel zijn deze geanonimiseerd meegenomen in bijv. CO₂-reductie overzichten. De focus ligt in deze rapportage op het Rotterdamse haven- en industriecluster, maar ook is een aantal projecten buiten deze geografische afbakening meegenomen. Denk aan pijpleidingverbindingen met industrieclusters in Geleen en Noordrijn-Westfalen of inspanningen om de zeevaart te verduurzamen.
De opgave Om de afspraken van het Klimaatakkoord van Parijs na te komen (“doen wat nodig is om opwarming van de aarde te beperken tot max. 2 graden, maar bij voorkeur zo dicht mogelijk bij 1,5 graden blijven”), mag er nog maar een beperkte hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer komen. Die opgave is op Europees en Nederlands niveau vertaald naar CO₂-emissiereductie doelstellingen voor 2030 (-55% t.o.v. 1990) en 2050 (CO₂-neutraal). In het Nederlandse klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over reductie per sector (o.a. industrie en elektriciteit) op nationaal niveau, niet per regio. Op dit moment maakt de Rijksoverheid ‘maatwerkafspraken’ met de grootste CO₂-uitstoters. De uitkomsten daarvan bepalen mede langs welke route nationaal gezien op de -55% in 2030 uitgekomen gaat worden. Het Havenbedrijf koerst niettemin aan op -55% aan directe emissies (scope 1) van het industriecomplex in 2030. Worden de indirecte emissies (scope 2 en 3) door de producten die hier gemaakt meegeteld, dan kan met de realisatie van het totaal aan nu lopende projecten in 2030 een CO₂-reductie van bijna 30 miljoen ton in 2030 worden bereikt.
Naast CO₂-reductie heeft het transitieprogramma als doel om het Rotterdamse industriecomplex ook op lange termijn van wezenlijk belang voor de regionale en Nederlandse welvaart te laten zijn. Daarvoor is transformatie van op fossiele grond- en brandstoffen gebaseerde industrie en logistiek naar hernieuwbare en circulaire bedrijfsactiviteiten cruciaal. De uitgangspunten voor die transitie zijn op zich gunstig. Veel bedrijven zullen hun processen stap voor stap verduurzamen. De hier aanwezige infrastructuur en het netwerk van afnemers, toeleveranciers, dienstverleners etc. maakt Rotterdam een aantrekkelijke vestigingslocatie. Een derde doel, extra actueel sinds de inval van Rusland in Oekraïne, is het vergroten van de strate gische autonomie van Europa. Zorgen over de afhankelijkheid van import van producten uit met name Rusland en China hebben geleid tot het besef dat Europa niet te afhankelijk moet zijn van import van strategische producten zoals energie en grondstoffen.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 5
Pijler 1 —
EFFICIËNTIE EN INFRASTRUCTUUR Efficiency
WarmtelinQ
Verschillende bedrijven hebben de afgelopen jaren efficiencyprojecten gerealiseerd. Informatie daarover is niet altijd publiek, omdat projecten ‘binnen de hekken’ van het bedrijf worden uitgevoerd en uit concurrentieoverwegingen vaak niet worden gedeeld met derden.
Er zijn twee leidingen voor restwarmte van de industrie vanuit de Botlek (AVR) en Vondelingenplaat (Shell) naar de stad Rotterdam voor verwarming van woningen en kantoren. Op dit moment wordt door Gasunie een nieuwe leiding aangelegd vanuit de Botlek naar Den Haag. Deze wordt vervolgens verlengd tot Leiden. De leiding naar Den Haag, WarmtelinQ, heeft een capaciteit van 248 MW. Overstappen van gasgestookte verwarming op warmte van WarmtelinQ zorgt voor een CO₂-reductie van 200.000 ton per jaar, vergelijkbaar met de uitstoot van 10.000 huishoudens.
Een bedrijf dat wel naar buiten is getreden met een groot efficiency project is LyondellBasell-Covestro. Het Circular Steam project van dit bedrijf op de Maasvlakte vergde een investering van enkele honderden miljoenen en zorgde voor een energie- (en CO₂-) besparing van zo’n 20%, dat is 140.000 ton per jaar. In het Botlekgebied in Rotterdam bundelen de industriële spelers hun krachten om het aardgasverbruik en de uitstoot van CO₂ en stikstof te verminderen. Dat doen zij door stoom dat vrijkomt bij industriële processen te hergebruiken. De uitbreiding van het industrieel stoomnetwerk dat in 2026 gereed zal zijn, bespaart 50 miljoen m3 aardgas. Het Botlek Stoomnetwerk heeft de potentiële capaciteit om het gasverbruik tot 200 miljoen m3 te verminderen, een CO₂-reductie van 400 kiloton te realiseren en 160.000 kilogram stikstof uitstoot per jaar te verminderen. En begin 2024 is ook een stoompijpleiding geopend door REKO om stoom van REKO naar de buurman Koole te brengen.
Vooralsnog worden deze warmtenetten gevoed met restwarmte van de op ‘fossiel’ gebaseerde industrie. Daar komt op termijn verandering in. Met name bij elektrolyse (productie van groene waterstof) komt veel warmte vrij. Ongeveer 30% van de groene elektriciteit is niet om te zetten in waterstof maar deze energie komt vrij als opgewarmd koelwater, in principe warm genoeg om een warmtenet mee te voeden. De ambitie voor de productie van groene waterstof (2GW in 2030) moet gaan leiden tot een hoeveelheid restwarmte die twee keer zo groot is als de capaciteit van de leiding van WarmtelinQ. Benutting daarvan in de glastuinbouw en voor verwarming van huizen
Warmteleidingen: bestaand, in aanleg, gepland
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 6
kan voor een CO₂-besparing van 300 tot 400.000 ton per jaar zorgen. Op dit moment wordt hiervoor een samenwerkingsverband met o.a. de glastuinbouw opgezet en de haalbaarheid nader onderzocht.
De concentratie van energie-intensieve industrie in Rotterdam gecombineerd met een grote warmtevraag in de regio, maakt dat dit een van de meest gunstige regio’s is om grootschalige warmtenetten te ontwikkelen.
CO₂-afvang, -transport en -opslag: Porthos en Aramis Omdat klimaatverandering bepaald wordt door de totale hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer (en niet zozeer door de hoeveelheid die in 2050 nog wordt uitgestoten), is snelle reductie van grote hoeveelheden emissies noodzakelijk. Carbon Capture and Storage (CCS, CO₂-afvang en opslag) doet precies dat, en ook nog op korte termijn tegen relatief lage maatschappelijke kosten. Het Rotterdamse Porthos-project is opgezet door een joint venture van Havenbedrijf, EBN en Gasunie. Het behelst de aanleg van een verzamelleiding door het havengebied waar verschillende bedrijven op kunnen aansluiten, en transport naar en opslag van CO₂ van deze klanten in lege gasvelden onder de Noordzee. Als het project operationeel is, wordt jaarlijks 2,5 Mton CO₂ (ca. 10% van de totale Rotterdamse emissies) opgeslagen van Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell. Na 2 jaar vertraging rond vergunningen in relatie tot mogelijke stikstofuitstoot tijdens de bouw, hebben de aandeelhouders van Porthos eind 2023 de finale investeringsbeslissing genomen. De aanleg is in 2024 van start gegaan en de verwachting is dat Porthos in 2026 operationeel is. Air Liquide en Air Products kondigden eind 2023 de bouw van hun afvanginstallaties aan. ExxonMobil kondigde aan een proeffabriek met FuelCell Energy voor CO₂-afvang te bouwen.
De lege gasvelden P18 die door Porthos gebruikt worden, hebben een capaciteit van 37 Mton CO₂. Andere, verder weg gelegen velden onder de Noordzee zijn ook geschikt voor CO₂-opslag. Gasunie, EBN, Total en Shell werken samen aan Aramis, het CCS-vervolgproject. Hiervoor krijgt de Porthos-leiding in de haven een transportcapaciteit van 10 Mton per jaar. Ook andere bedrijven in het havengebied en daarbuiten kunnen daarmee hun CO₂-uitstoot naar de atmosfeer verminderen. Voor nieuwe partijen die in Rotterdam CO₂ willen afvangen en opslaan zijn dan extra aansluitingen op de Porthos-leiding op land en het compressorstation nodig. Bedrijven buiten Rotterdam kunnen hun CO₂ aanvoeren per pijpleiding of per schip. Hiervoor zijn projecten als de Delta Rhine Corridor (buisleidingbundel tussen Rotterdam, Chemelot en Noordrijn-Westfalen) en CO₂next (terminal voor CO₂ van Vopak en Gasunie op de Maasvlakte) in voorbereiding, evenals een CO₂ leiding op de Maasvlakte. Net als voor warmte geldt voor CCS dat de concentratie van industrie in Rotterdam maakt dat de randvoorwaarden om CCS te realiseren hier gunstig zijn. Bovendien speelt hier de aanwezigheid van lege gasvelden op de Noordzee een doorslaggevende rol.
CO₂-leidingen: bestaand, in aanleg, gepland
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 7
Delta Rhine Corridor De Delta Rhine Corridor is een bundel buisleidingen tussen de haven en industrieclusters van Rotterdam, Moerdijk, Chemelot en Noordrijn-Westfalen. Initiatief nemers zijn BASF, Gasunie, OGE en Shell die samen een grensoverschrijdend pijpleidingsysteem op een kosteneffectieve, schaalbare en flexibele manier mogelijk willen maken. Het project heeft als doel om enerzijds de transitie in landinwaarts gelegen clusters mogelijk te maken en anderzijds de positie van Rotterdam als grondstofhaven voor het achterland te behouden. Aanvoer van energie en grondstoffen voor de Nederlandse en Duitse industrie is een belangrijke pijler onder de huidige Rotterdamse marktpositie. In het Delta Rhine Corridor project zijn vooralsnog buisleidingen voorzien voor transport van waterstof en CO₂ Mogelijk komen daar nog een ammoniakleiding en stroomkabels bij. De beoogde capaciteit van de waterstofleiding is 2,5 Mton per jaar (afhankelijk van inbedding in het Hynetwerk van Gasunie) en van de CO₂-leiding 15 Mton per jaar. De ammoniakleiding kan voorziening in 10 – 20 Mton/jaar en de stroomkabels zijn 2 of 4 GW. Ten aanzien van waterstof; gebruik van een ton waterstof in plaats van fossiele stoffen zou voor een CO₂-reductie van gemiddeld 10 ton zorgen.
Opgeteld zou de Delta Rhine Corridor met transport van CO₂ en waterstof voor een CO₂-reductie van 40 Mton per jaar in industrieclusters buiten Rotterdam kunnen gaan zorgen, als alle genoemde pijpleidingen direct worden gerealiseerd.
Het Rijk heeft het project de status van ‘project van nationaal belang’ gegeven. De Delta Rhine Corridor is een bundel buisleidingen tussen de haven en industrieclusters van Rotterdam, Moerdijk, Chemelot en Noordrijn-Westfalen. Het project heeft als doel om enerzijds de energietransitie van landinwaarts gelegen clusters mogelijk te maken en anderzijds de positie van Rotterdam te behouden. Aanvoer van energie en grondstoffen voor de Duitse industrie is een belangrijke pijler onder de huidige Rotterdamse marktpositie. In 2022 importeerde Duitsland 21% van de benodigde energie via Rotterdam. Deze huidige stromen zullen in de nabije toekomst in volume afnemen terwijl er tegelijkertijd nieuwe supply-chains voor energie en grondstoffen worden ontwikkeld. In het laatste kwartaal van 2023 is door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een brief gestuurd aan de Tweede Kamer met daarin de voortgang en de scope die het Rijk wil ondersteunen in het verdere proces van het Delta Rhine Corridor project. Belangrijke input hierbij komt uit de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA). Op basis van de uitkomsten van de MKBA en het hebben van initiatief nemers om in de diverse leidingen en kabels te investeren, is de scope vastgesteld. Deze bestaat nu uit een waterstof- en CO₂-leiding en gelijkstroomkabels.
De ammoniakleiding wordt meegenomen voor het ruimtelijk planningsproces. In parallel is het Rijk een onderzoek aan het uitvoeren naar de toepasbaarheid van verschillende waterstofdragers die gebruikt gaan worden, waaronder ammoniak.
Alleen tekst
BESTAANDE EN NIEUWE INFRASTRUCTUUR
Bestaande infrastructuur benutten, op oost-west as nieuwe infrastructuur
WATERSTOFBACKBONE GASUNIE • H2
DELTA RHINE CORRIDOR
• Trace conform Structuurvisie Buisleidingen • CO2, H2 Rotterdam – Moerdijk – Chemelot • CO2, H2 Rotterdam – Nordrhein-Westfalen • CO2-leiding kan op termijn H2-leiding worden
De Delta2Rhine | Corridor VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 8
De waterstofleiding in het Delta Rhine Corridor project wordt in Nederland onderdeel van het landelijke waterstofnetwerk (’Hynetwork’). Hierbij blijft het belangrijk dat er tijdig voldoende capaciteit beschikbaar is om de in Rotterdam geproduceerde en geïmporteerde waterstof naar het achterland te kunnen transporteren via het waterstofnetwerk in Nederland en via de grensovergangen naar het Duitse waterstofnetwerk. In Duitsland is de waterstofleiding onderdeel gemaakt van het Duitse waterstofnetwerk (‘Wasserstoff-Kernnetz’).
De scope met daarin de waterstof- en CO₂-leiding en gelijkstroomkabels en het ruimtelijk planningsproces van de ammoniakleiding is nu het uitgangspunt voor de volgende ruimtelijke fase genaamd ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau’ (NRD). De NRD dient het ‘waarom’ van het plan verder uit te schrijven, moet een beschouwing geven van voor- en nadelen van eventuele alternatieven en dient alle relevante milieuaspecten zichtbaar te maken. Er wordt daarbij onderzocht welke procedures en activiteiten gezamenlijk uitgevoerd kunnen worden, en welke afzonderlijk.
Waterstofnetwerk Rotterdam Waterstofnetwerk Rotterdam is een open access leiding voor waterstof in de haven van Rotterdam. De leiding integreert lokale productie, importterminals, afnemers in het havengebied en doorvoer richting het achterland. Gasunie-dochter Hynetwork legt in samenwerking met Havenbedrijf Rotterdam de leiding aan en is daarmee begonnen in 2023 in Rotterdam. De leiding start in Rotterdam en wordt onderdeel van het landelijke waterstofnetwerk . De capaciteit van de Rotterdamse leiding is ongeveer 1,4 Mton per jaar. Shell is de eerste klant van het Waterstofnetwerk Rotterdam. Waterstof dat op het conversiepark op de Maasvlakte wordt geproduceerd in Shells elektrolyser wordt dan via de leiding naar Shell Pernis getrans porteerd. Planning is dat de leiding In Rotterdam in 2025 gereed is.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 9
Verzwaring elektriciteitsnet en aanpak congestie Eind 2023 moesten TenneT en Stedin in meerdere regio’s congestie afkondigen. Ook in de regio Rotterdam blijft de komende jaren sprake van krapte op het elektriciteitsnet en er geldt een wachtlijst voor nieuwe aansluitingen in de Europoort, Botlek en Pernis. Op de Maasvlakte en in de Waal-Eemhaven is er nog wel capaciteit voor nieuwe aansluitingen. TenneT en Stedin werken aan uitbreiding van het elektriciteitsnet in de regio maar dit neemt meerdere jaren in beslag. Volgens de huidige planning rond TenneT tussen 2027 en 2029 de belangrijkste uitbreidingsprojecten af en wordt de netcapaciteit tot 2030 in stappen uitgebreid met 2,5 keer de huidige capaciteit. Tegelijk is de vraag naar stroom sneller toegenomen dan verwacht, mede ingegeven door hogere energieprijzen en toenemende elektrificatie doordat bedrijven versneld verduurzamen. Daarnaast wordt ook het aanbod van elektriciteit steeds grilliger door de toename van stroom uit wind en zon. Om de congestie op te lossen en ruimte vrij te spelen op het net voor verdere verduurzaming hebben het Havenbedrijf, TenneT en Stedin een gezamenlijke Energy Board Haven en Industriecomplex opgericht, dat wordt voorgezeten door een onafhankelijke clusterregisseur, en ondersteund door het
Programmabureau Rotterdam-Moerdijk. In de Energy Board wordt gewerkt aan een programmaplan dat bestaat uit drie sporen: 1) sneller bouwen, 2) betere programmering (planning) door inzicht in data en 3) meer flexibele capaciteit en afname. Dat betekent ook een wijziging van het huidige beleid dat partijen die zich het eerst melden bij netbeheerders, het eerst voorzien worden. Om dit te ondersteunen heeft het Havenbedrijf de New Energy Taskforce gestart, die per knelpunt in het havengebied kijkt hoe met nieuwe oplossingen al op korte termijn ruimte op het net kan worden gevonden. Daarbij kan gedacht worden aan opslagmogelijkheden voor energie, het inzetten van reservecapaciteit of bijvoorbeeld het oprichten van zogenoemde ‘Energy Hubs’ waarin bedrijven onderling capaciteit kunnen uitwisselen en optimaliseren. De Taskforce is in januari 2024 van start gegaan en op dit moment in gesprek met meer dan 20 bedrijven om hen te ondersteunen met oplossingen voor congestie. Elektrificatie van bedrijfsprocessen die nu nog gebruik maken van aardgas om hoge temperaturen te bereiken kan naar verwachting leiden tot een CO₂-reductie van 1 Mton per jaar in 2030.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 10
Pijler 2 —
EEN NIEUW ENERGIESYSTEEM Hoe groot de opgave van het realiseren van infrastructuur voor de energietransitie is, blijkt uit onderstaand schema dat laat zien hoeveel energie (Petajoule) in Nederland getransporteerd wordt in de vorm van olie, aardgas en elektriciteit. De verhoudingen zijn 15 : 7,5 : 1. (bron: CIEP, From just-in-time to just-in-case or just too late?)
Pipeline transport natural gas, 3380 Pipeline transport crude oil only, 6447
Electricty transport TenneT, 428
Figure 14 Annex: Transported energy carriers sorted by energy content, in Petajoules, for the year 2018
Het huidige energiesysteem wordt dan ook gekenmerkt door verbruik en verwerking van met name olie en aardgas. Elektriciteit speelt een bescheiden rol. Het zijn vooral ruwe olie en olieproducten die worden aangevoerd per tanker en aardgas dat per schip (LNG) en pijpleiding arriveert. Voor een deel gaan die energiedragers per pijpleiding en schip naar het achterland (m.n. Duitsland, België), voor een deel worden ze hier verwerkt tot brandstoffen of grondstoffen voor de chemie. Elektriciteit speelt nu nog een bescheiden rol in het energiesysteem, maar dat kan met de komst van groene stroom (wind van zee) en groene waterstof (vanuit lokale productie en vanuit import) drastisch gaan veranderen. Ook andere te importeren energiedragers zullen een rol gaan spelen.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 11
Hernieuwbare energie
2021
2025
2030
Uit analyse van het Havenbedrijf en Deltalinqs komt naar voren dat in 2030 meer dan vier keer zoveel elektriciteit nodig is voor het cluster RotterdamMoerdijk dan in 2021. Daarbij komt nog de toe nemende vraag naar elektriciteit voor transport over weg en water, huishoudens die overstappen op warmtepompen etc.
Elektriciteitsvraag – vermogen (MW)
807
1.646
6.113
Elektriciteitsvraag – verbruik (PJ)
21
32
94
Deze elektriciteit kan duurzaam opgewekt worden met zonnepanelen, windturbines, aardwarmte en waterkracht. In het havengebied zelf staat voor ongeveer 300 MW aan windturbines, inclusief 22 turbines van Eneco die eind 2022 op de zeewering van Maasvlakte 2 zijn geplaatst met een gezamenlijk vermogen van 116 MW. Daarnaast zijn steeds meer gebouwen, vooral distributieloodsen, voorzien van zonnepanelen, in 2023 was het totale geïnstalleerd vermogen zonneenergie op de daken in de haven circa 90MWp. Er is nog ruimte voor 60MWp op de daken. Met Zon op de Slufter waarvoor de tender begin 2024 is uitgeschreven, kan er tot 128 MWp bijkomen.
In 2030 moet op de Noordzee 21 GW aan wind turbines gerealiseerd zijn. Voor 7,4 GW hiervan is vastgelegd dat dit aanlandt op de Maasvlakte. In 2022 is het eerste landstation van TenneT in gebruik genomen voor aanlanding van 1,4 GW van het windpark Hollandse Kust Zuid. Voor het eind van dit decennium volgt nog 6 GW. Daarmee komt het totaal op 7,4 GW, een derde van alle windprojecten in het Nederlandse deel van de Noordzee. Het Rijk wil tussen 2030 en 2050 nog 50 GW extra windparken op zee realiseren. Het Havenbedrijf is in gesprek met het ministerie van EZK en TenneT hoe ook daarvan een derde in Rotterdam kan landen, hetzij als elektriciteit, hetzij als op zee geproduceerde waterstof.
Bron: Cluster Energiestrategie Rotterdam-Moerdijk, 2022
Alleen tekst
7,4 GW WIND OP ZEE LANDT AAN IN ROTTERDAM (2030) 7,4 GW = 35% van alle wind op zee in het Nederlandse deel van de Noordzee. Ambitie Nederland 2050: 70 GW wind op zee. Rotterdam wil daarvan 25 GW = 35% met de haven verbinden.
WINDPARKEN
CAPACITEIT
OPERATIONEEL
Hollandse Kust Zuid, kavel 1-4
1.4 GW
2023
IJmuiden Ver, kavel 3-4
2 GW
2029
IJmuiden Ver Noord, kavel 5-6
2 GW
2029
Nederwiek, kavel 2
2 GW
2030
Totaal
7,4 GW H2 productie: 2-2,5GW
8
|
13 april 2023
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 12
Waterstof Een deel van deze groene stroom gaat in het westelijk deel van de haven benut worden om water (H₂O) te splitsen in waterstof (H₂) en zuurstof (O). Dit proces heet elektrolyse. De zo verkregen groene waterstof speelt in de nieuwe economie een sleutelrol als vervanger van aardgas in industriële processen die niet kunnen worden geëlektrificeerd, als bouwsteen voor groene chemie, en als transportbrandstof. In Rotterdam wordt al op grote schaal waterstof gemaakt uit aardgas / methaan (CH₄) gebruikt in raffinageprocessen. Omdat het minder lastig is om waterstof op te slaan dan elektriciteit (er zijn geen grote batterijen voor nodig), is de productie van groene waterstof ook een manier om het schommelende aanbod van groene stroom op te vangen. Een voorbeeld van deze technologie die wordt ontwikkeld in de regio is Battolyser
Systems. Dit bedrijf ontwikkelt een fabriek die battolysers maakt: een combinatie van opslag van energie (‘batterij’) en een elektrolyser. Met de battolyser kan energie uit wind en zon worden opgeslagen die vervolgens kan worden gebruikt om waterstof te produceren. Deze techniek is aan de TU Delft ontwikkeld. Het streven is de battolyser fabriek in het M4H-gebied te realiseren. Bij elektrolyse kan ongeveer 25-30% van de energie niet worden omgezet in waterstof. Deze energie ‘verdwijnt’ in koelwater. Dit betekent dat met de toename van elektrolyse ook veel heet water beschikbaar komt voor warmtenetten in de regio. De hoeveelheid CO₂-reductie bij gebruik van waterstof varieert van 5 ton (bij gebruik van synthetische brandstoffen) en 28 ton CO₂ (bij staalproductie). Vuistregel is dat 1 ton groene waterstof zorgt voor 10 ton CO₂-reductie (vergeleken met aardgasproductie).
Van wind naar waterstof Voor de productie van groene waterstof is een zogenoemd conversiepark ingericht op Maasvlakte 2. Verschillende bedrijven hebben plannen om hier groene waterstoffabrieken te bouwen met een capaciteit van 200-250 MW per stuk. Shell is gestart met de bouw van Holland Hydrogen I (een investering van ordegrootte € 1 miljard). BP en HyCC (H₂-Fifty) en Air Liquide (CurtHYL) zijn nog bezig met het uitwerken van hun plannen. Door fabrieken bij elkaar te plaatsen kunnen ze gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een stroomaansluiting, levering
van water en de koppeling aan de nieuwe waterstofleiding. Daarnaast heeft Uniper plannen voor de productie van groene waterstof op het terrein van de huidige kolencentrale op de Maasvlakte (500MW). Eneco vroeg eind 2023 de vergunning aan voor een elektrolyser op eigen terrein van 800 MW. Door groene waterstof dicht bij de kust te produceren, hoeft de elektriciteit niet landinwaarts getransporteerd te worden via het elektriciteitsnet, maar kan de waterstof via het nieuwe waterstofnetwerk naar de gebruikers.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 13
Omdat alle vier de kavels op het conversiepark vergeven zijn, wordt nu ook elders op de Maasvlakte ruimte gecreëerd voor een volgend elektrolyse-cluster: Conversiepark 2. Het is van belang dat de voorwaarden tussen Nederland en de direct omringende landen worden gelijkgetrokken. In België en Duitsland zijn aansluitkosten op het hoogspanningsnet
aanmerkelijk lager of vrijgesteld (Duitsland), waardoor de business case daar eerder rondkomt dan hier. Ook worden raffinaderijen in buurlanden wel gestimuleerd in de productie en het gebruik van groene waterstof (uitgifte HBE’s). Dat zet Nederland als locatie voor nieuwe investeringen in elektrolysers op achterstand.
Waterstof uit restgassen Naast de productie van groene waterstof is het mogelijk om raffinaderijgas dat vrijkomt bij met name de raffinage van ruwe olie om te zetten in waterstof, de vrijkomende CO₂ af te vangen en op te slaan in lege gasvelden onder de Noordzee, en vervolgens de waterstof te gebruiken als brandstof in het raffinageproces. Hiermee kan al op korte termijn veel CO₂-uitstoot worden voorkomen, tot meer dan
2 miljoen ton CO₂ per jaar. H-vision is zo’n initiatief en is opgenomen in het MIEK (Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat) van het Rijk. Het blijkt dat dit wel grote investeringen vereist en de eerste projecten laten nog op zich wachten. Ook speelt daarbij mee dat partijen nog geen garanties krijgen of ze deze fabrieken voor de normale afschrijvingstermijn mogen en kunnen gebruiken.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 14
Import Voor de verduurzaming van de economie is veel meer groene stroom en waterstof nodig dan in dit deel van de wereld geproduceerd kan worden. Import van energie blijft dan ook nodig, en met name landen met veel wind, zon en ruimte zijn de toekomstige exporteurs van groene waterstof. De lage kosten voor productie van groene stroom in landen als Marokko, Chili, Brazilië of Australië wegen bovendien globaal op tegen de transportkosten van waterstof. Zoals Rotterdam nu op grote schaal fossiele energie importeert voor Nederland, Duitsland en België moet dat straks met hernieuwbare energie in de vorm van waterstof gaan gebeuren. Het Havenbedrijf heeft daarom de afgelopen vier jaar op verzoek van het Rijk wereldwijd gezocht naar landen en bedrijven die waterstof willen produceren en exporteren naar Nederland. De potentie is enorm. In zo’n twintig regio’s van Australië tot Texas en van Chili tot Spanje is een grote interesse om waterstof voor de wereldmarkt te produceren en zijn samenwerkingsovereenkomsten gesloten om te proberen importketens voor waterstof op te zetten. De grootste uitdaging in het op gang brengen van deze nieuwe importstromen is dat de hele keten tegelijkertijd tot
stand moet komen. Productie van groene stroom, omzetten in waterstof, tijdelijke opslag, transport per tanker, opslag in Rotterdam, transport per pijpleiding naar de eindgebruiker en gebruik. Daarbij is zekerheid voor de producent (zijn er voldoende afnemers?) én de potentiële afnemer (is er voldoende product beschikbaar?) cruciaal. Door die import van waterstof via Rotterdam tot ontwikkeling te brengen kunnen tankterminals geleidelijk overschakelen van fossiel op hernieuwbaar en is hernieuwbare energie hier beschikbaar voor de industrie. Dat maakt dat Rotterdam een aantrekkelijke vestigingsplaats voor industrie blijft. Waterstof kan in verschillende vormen worden vervoerd, met elk hun eigen voor- en nadelen. Anders dan bij bijvoorbeeld olie die vloeibaar is bij ‘normale’ temperaturen, moet je waterstof extreem koelen (tot -253 graden) om het vloeibaar te maken. Alternatief is het ‘inpakken’ (en ‘uitpakken’) van waterstof in een ander molecuul, zoals ammoniak (NH3), methanol of een Liquid Organic Hydrogen Carrier (LOHC).
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 15
Import terminals In 2025/26 wordt de eerste import van groene en blauwe waterstof op schaal in de vorm van ammoniak verwacht. OCI heeft in 2022 besloten de capaciteit van de bestaande ammoniak terminal in de Europoort drastisch uit te breiden. De eerste fase is in uitvoering en de totale uitbreiding inclusief nieuwe tank moet in 2026 operationeel zijn.
(onder de naam ACE, op locatie van de huidige kolenterminal van EMO) en op de bestaande terminals van Gunvor en Koole. Grotere volumes van de waterstofdrager ammoniak vragen om aangepaste veiligheidsregels. Om waarborgen op gebied van veiligheid te garanderen is er samenwerking tussen verschillende overheidsinstanties.
Daarnaast zijn er nog acht projecten voor import terminals voor ammoniak, LOHC’s of vloeibare waterstof aangekondigd. Initiatieven voor import terminals zijn onder andere die van HES, Vopak en Gasunie
Krakers
Beurs HyXchange
Als waterstof wordt aangevoerd in de vorm van ammoniak, dan kan dat deels gebruikt worden door de industrie die ammoniak als grondstof gebruikt (bijv. voor de productie van kunstmest), maar het grootste deel zal in Rotterdam of bij de afnemers in het achterland moeten worden gekraakt om weer waterstof te krijgen. Een studie laat zien dat het technisch en economisch haalbaar zou zijn om met een groot schalige kraker ammoniak op veilige wijze om te zetten in 1 miljoen ton waterstof per jaar. Deze studie is uitgevoerd door adviesbureau Fluor in opdracht van Havenbedrijf Rotterdam en 17 bedrijven. Daarnaast zijn verschillende initiatiefnemers studies gestart naar de ontwikkeling van dergelijke krakers.
In samenwerking met Gasunie en de andere Nederlandse zeehavens wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een waterstofbeurs. Doel is de waterstofmarkt te faciliteren door het aanbieden van producten als een waterstofprijsindex, handel in ‘carbon-content certificaten’ en een spotmarkt. De beurs wordt stap voor stap opgebouwd. In oktober 2022 is gestart met de uitgifte van groene Garanties van Oorsprong voor groene waterstof. De eerste publicatie van HyClicx, een prijsindicator voor waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie, kwam in juni 2023. De index is geschikt voor de Europese regels voor groene waterstof, zo blijkt uit een recente HyXchange marktsimulatie voor 2030.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 16
Pijler 3 —
EEN NIEUW BRANDSTOFFENEN GRONDSTOFFENSYSTEEM De energietransitie richt zich primair op het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen door hernieuwbare energie op te wekken en toe te passen. De grondstoffentransitie richt zich op het vervangen van fossiele grondstoffen door koolstoffen uit biomassa, ‘afval’ voor de productie van recyclaat/ circulaire materialen en producten, groene waterstof en CO₂ voor de productie van biobrandstoffen en biochemie. Daarnaast is pijler 3 gericht op het realiseren van een circulaire industrie. Denk daarbij aan metalen, bouwmaterialen, batterijen etc. Ook onderzoekt pijler 3 de kansen en mogelijkheden van het (door)ontwikkelen van nieuwe grondstoffenmarkten, kritische metalen en mineralen om de afhankelijkheid van Nederland en de Europese Unie van andere landen en werelddelen te verkleinen. Zonder grondstoffentransitie komen de klimaatdoelen in de knel. Radicaal efficiënter omgaan met grondstoffen, materialen en producten is nodig. Hergebruik, reparatie en recycling van producten en materialen worden deel van het dagelijks leven.
De activiteiten in pijler 3 dragen naast reductie in het havengebied zelf (scope 1) ook in belangrijke mate bij aan de reductie van zogenoemde scope 3 emissies die ontstaan bij het gebruik van producten buiten het havengebied. Een belangrijk voorbeeld zijn biobrandstoffen die in de Rotterdamse haven gemaakt worden voor het wegvervoer, de zee- en de luchtvaart. Productie van dit soort duurzame brandstoffen helpt andere sectoren te verduurzamen. Ook het zorgen van de beschikbaarheid van strategische en kritische materialen en mineralen (grondstoffentransitie) die voorwaardelijk zijn voor het slagen van de energietransitie is onderdeel van pijler 3. Waterstof is een cruciaal element in zowel pijler 2, 3 als 4. Het is een brandstof voor de industrie en de mobiliteitssector, maar ook een bouwsteen voor het maken van chemische producten en brandstoffen.
Tekst in 2 kolommen
STERKE SAMENHANG ENERGIE- EN GRONDSTOFFENTRANSITIE
13
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 17
zorgt voor modernisering van de industrie. Dat is goed voor het continueren van de werkgelegenheid en het verdienvermogen, en het beperkt de afhankelijkheid van geopolitiek minder betrouwbare landen.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 niet alleen CO₂-neutraal te zijn, maar ook een volledige circulaire economie te hebben. De winning van fossiele en ‘virgin’ grondstoffen is eindig, en leidt bovendien tot schade aan natuur en milieu. De grondstoffentransitie draagt sterk bij aan CO₂-reductie buiten het industriecluster, omdat er geen nieuwe koolstof meer gewonnen wordt en in het systeem gebracht. Sterke inzet op hernieuwbare grondstoffen en circulariteit
Ambitie 2030: 20% hernieuwbare brandstoffen en circulaire chemische productenen chemische producten
Tekst in 2 kolommen
AMBITIE 2030: 8,2 MTON HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN & CHEMIEPRODUCTEN = 20% van de productie in 2019 2019
2030
RESULTATEN
Hernieuwbare brandstoffen & chemieproducten
€10 miljard private investeringen 26 Mton CO2-reductie
14
Het Havenbedrijf heeft als ambitie gesteld om in 2030 20% van het productievolume uit 2019 van 42.4MT te vervangen door hernieuwbare brandstoffen en circulaire chemische producten. Dat komt neer op 6,3 miljoen ton hernieuwbare brandstoffen en 1,9 miljoen ton circulaire en/of bionafta (of nafta vervangers) voor de chemie. Dit vergt naar schatting € 10 miljard
aan private investeringen en leidt tot een reductie van 26 miljoen ton CO₂-uitstoot bij het gebruik van deze grond- en brandstoffen vergeleken met fossiele.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 18
In de Rotterdamse haven zijn al enkele fabrieken die biobrandstoffen produceren, namelijk Viterra (biodiesel), Alco (bioethanol), Neste (HVO) en Koole (SAF) met gezamenlijke productiecapaciteit van 2.5MT. Dit maakt Rotterdam het grootste biofuels cluster van Europa. Twee grote nieuwe fabrieken zijn momenteel in aanbouw. Op de Maasvlakte bouwt Neste een nieuwe biobrandstoffenfabriek, vooral voor de productie van duurzame vliegtuigbrandstof (SAF). Hierdoor verdubbelt de productie van biobrandstoffen door Neste in Rotterdam bijna van 1.4MT naar 2.7MT. Ook Shell bouwt een biobrandstoffenfabriek voor voornamelijk SAF, met een capaciteit van 820.000 ton per jaar, op het Shell Energie- en Chemiepark Rotterdam (Shell Pernis). Naast de pro jecten van Neste en Shell investeert Koole in een tweede destillatie-unit voor de productie van SAF. Met deze 3 projecten zal de huidige productiecapaciteit van biobrandstoffen de komende jaren ruimschoots verdubbelen tot 5.1MT. Het Zwitserse VARO Energy heeft aangekondigd dat het een fabriek voor duurzame vliegtuigbrandstof (sustainable aviation fuel, SAF) wil bouwen op het terrein van Gunvor. En ook BP heeft aangekondigd een investering in een SAF-fabriek te overwegen. Het Finse UPM wil ook een bioraffinaderij realiseren in het havengebied die ook voornamelijk bio kerosine moet gaan produceren.
Naast de grootschalige interesse in SAF-productie zijn er plannen in ontwikkeling voor bio-methanol productie door Gidara op basis van vergassing van niet recyclebare afvalstromen. Verder ontwikkelt Vertoro momenteel een pilot plant bij Plant One voor
de productie van biobased lignine olie dat gebruikt kan worden in de scheepvaart en overweegt ze haar eerste commerciële schaal fabriek ook in Rotterdam te plaatsen. De bestaande productie van hernieuwbare brandstoffen gecombineerd met de projecten die zeker gerealiseerd worden, plus de concrete projecten van bedrijven die worden voorbereid, tellen op tot een productie van 7,2 miljoen ton. Daarmee is de ambitie van 8,2 miljoen ton in 2030 in zicht. Daarnaast is een reeks bedrijven bezig met plannen om met name afvalplastic te benutten als grondstof voor de chemie om te komen tot de productie van circulair plastic. De bestaande chemie zoals Neste, Shell, Lyondellbasell, Exxon Mobil en Dow Chemical investeren in recycling technologie en de opschaling hiervan. De bouw van de upgrader door Shell in Moerdijk is hier een goed voorbeeld van. Verder werken meerdere chemisch recyclingbedrijven toe naar een investeringsbeslissing voor een fabriek op commerciële schaal, zoals Xycle, Pryme en Obbotec. In Plant One heeft Pryme in januari 2024 de pyrolyseproductie opgestart en in het laatste kwartaal van 2024 wil Pryme grotere hoeveelheden pyrolyse-olie produceren: op jaarbasis 30.000 ton. Uiteraard is inzameling en sortering van het afvalplastic door bedrijven als N+P, AVR, A&M recycling en Bek&Verburg een cruciale schakel in de nieuwe waardeketen.
Ook hier is een verschil in regelgeving met de buurlanden. De einde-afval status wordt in Nederland bijvoorbeeld anders beoordeeld dan in België. Dat hindert het internationaal transport van reststromen die als grondstof kunnen dienen.
Tekst in 2 kolommen
VERSCHILLENDE WORKING THROUGHOUT VORMEN THE VANVALUE RECYCLING CHAIN ZIJN NODIG Different loops are necessary to meet the ambition
16 10
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 19
CO₂ als grondstof
Kritische materialen, bouwstoffen, batterijen etc.
Koolwaterstoffen (verbindingen van koolstof en waterstof) zijn een essentieel onderdeel van tal van producten in onze samenleving, van lichtgewicht kunststof tot beschermende lak en van brandstof tot verpakkingsmateriaal. CO₂ (een verbinding van koolstof en zuurstof) is daarom, naast ‘afval’ en biomassa, een mogelijke bron van koolstof om in de toekomst dit soort producten mee te maken zonder nog fossiele olie te gebruiken. Enkele bedrijven werken aan deze zogenoemde CCU-projecten (carbon capture and utilisation). Op dit moment wordt CO₂ vrijwel alleen nog toegepast als ‘prik’ in dranken en als groei-versneller in de kassen. Jaarlijks gaat per pijp leiding 0,5 miljoen ton CO₂ van AVR en Shell via de OCAP-leiding naar het Westland. Shell zal o verigens wanneer Porthos gereed is, de CO₂ permanent laten opslaan.
Het voorgaande ging vooral over het circulair maken van producten waarin veel koolstof zit, zoals brandstoffen en kunststoffen, maar ook andere materialen moeten ‘closed loop’ worden geproduceerd, dus binnen een gesloten kringloop. Denk bijvoorbeeld aan batterijen, bouwmaterialen en metalen. In Rotterdam is al jaar en dag een groot schrootcluster gevestigd met de bedrijven als Jewometaal Stainless Processing, European Metal Recycling en EP Stevedoring. REKO is een internationaal bedrijf dat met een uniek en duurzaam thermisch reinigings proces minerale afvalstoffen verwerkt tot hoogwaardige grondstoffen voor de asfaltindustrie, betonindustrie en de grond-, weg-, en waterbouw. Nieuwkomer TES bouwt in Rotterdam een re-use en recylingsfacility voor (EV)batterijen voor het terugwinnen van materialen als kobalt, nikkel en lithium uit de batterijen die in elektrische voertuigen gebruikt worden. Dit soort activiteiten is niet alleen economisch relevant en goed voor het milieu, maar draagt bij aan de strategische autonomie van NL en EU. Op het gebied van kritische materialen heeft de EU de Critical Raw Materials act als onderdeel van het Green Deal Industrial Plan uitgebracht. Implementatie van dit beleid biedt kansen voor de ontwikkeling en positionering van Rotterdam.
Als gevolg van deze Europese wetgeving wordt namelijk gericht op toename binnen de EU van winning-, raffinage/ processing- en recyclingscapaciteit. Het gaat hierbij om energie intensieve industrie die zich zal ontwikkelen op water ontsloten locaties met (relatief) lage (hernieuwbare) energiekosten (aanlanding wind op zee, import waterstof). Tevens zal vanwege het beperken van milieu impact transport van m aterialen beperkt moeten blijven. Daarom kan bundeling van productie van componenten voor de nieuwe energie toepassingen (windturbine, batterijen voor transport, etc.) op de locatie waar ook raffinage en recycling plaatsvindt efficiencyvoordelen bieden. Voor een haven kan een toename van import, verwerking en raffinage van ertsen, recycling en toegevoegde waarde productie kansrijk zijn. Het Havenbedrijf is hiervoor met meerdere partijen in gesprek.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 20
Pijler 4 —
DUURZAAM TRANSPORT Als grootste logistieke hub van Europa neemt het Havenbedrijf samen met partijen in de transportketen het voortouw in de transitie, gericht op efficiëntie, duurzame brandstoffen en internationale samenwerkingen voor CO₂-neutraal transport. Het Havenbedrijf richt zich voor de verduurzaming van
transport op alle modaliteiten: zeevaart, binnenvaart, weg, en spoor. Daarbij wordt gewerkt aan het verhogen van de efficiëntie, een verschuiving naar duurzamere vormen van transport (modal shift), en aan alternatieve, schone, brandstoffen.
Tekst in 2 kolommen
PROJECTEN OM TRANSPORT TE VERDUURZAMEN Zeevaart
17
EFFICIENCY Minder energieverbruik
FUEL SWITCH Duurzame brandstoffen
Achterland
Haven
Hull cleaning
HESP
Hytrucks
Port call optimization
Walstroom
ZES
Groene Corridors
Bunkering
RH2INE
CO2-NEUTRAAL IN 2050
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 21
Verduurzaming zeevaart Voor de zeevaart heeft Rotterdam de afgelopen tien jaar flink geïnvesteerd om de grootschalige inzet van LNG mogelijk te maken. Hiermee kunnen CO₂-emissies met maximaal 20% worden gereduceerd. O.a. ver schillende containerschepen van CMA CGM varen op LNG. Maar uiteindelijk moet en kán de zeevaart
klimaatneutraal worden. Hiervoor zijn onder andere groene methanol, ammoniak en biobrandstoffen geschikt. De energiedichtheid van deze verschillende brandstoffen verschilt echter. Een lagere energiedichtheid van een brandstof betekent dat voor het varen van dezelfde afstand, meer brandstof nodig is.
Tekst in 2 kolommen
UITDAGINGEN VOOR HET OVERSTAPPEN OP ANDERE BRANDSTOFFEN EMISSIES
Import & productie
BESCHIKBAARHEID
VEILIGHEID & REGELGEVING
TECHNISCHE UITDAGINGEN
Bunkering
KOSTEN
‘CO2 LEKKEN’
ISOLATIE
Energiedichtheid van verschillende brandstoffen
18
Rotterdam is de grootste bunkerhaven van Europa; circa 60% van alle zeeschepen bunkert hier. Dat komt omdat hier op grote schaal productie, handel, opslag en vraag naar allerlei typen brandstoffen (grijs en groen) samenkomen. Bunkering is daarmee een belangrijke maritieme dienst. Op het gebied van alternatieve brandstoffen (LNG, biodiesel, methanol) is Rotterdam nummer 1 bunkerhaven wereldwijd. Dit komt doordat er in Europa, en NL in het bijzonder, sprake is van vraagstimulerend beleid, veiligheids regelgeving is geborgd en de bunkerbrandstoffen en –infrastructuur hier (grotendeels) beschikbaar zijn. Doel van het Havenbedrijf is rederijen in staat te stellen om de duurzame brandstof te gebruiken die voor hen het meest geschikt is, onder andere door het faciliteren van veilige opslag en bunkering. Rotterdam vervult hierin een voortrekkersrol. Zo werd in 2020 de eerste bio-LNG getankt en was Rotterdam in 2021 de eerste haven in de wereld voor barge-to-ship bunkering van methanol. In 2022 is vijf keer een schip gebunkerd met methanol. Voorjaar 2023 stonden 35 schepen die op methanol varen in de orderboeken van de scheepswerven, van onder andere Stena en van Maersk, dat in de zomer van 2023 een eerste schip groene methanol liet bunkeren
in Rotterdam. Ook X-Press Feeders, dat 14 hybride schepen in bestelling heeft, gaat groene methanol bunkeren in Rotterdam. Daarmee is methanol hard op weg een breed toegepaste scheepsbrandstof te worden. Methanol kan groen geproduceerd worden en is dan een duurzaam alternatief voor reguliere scheepsbrandstof. Naar verwachting is (groene) ammoniak de volgende duurzame scheepsbrandstof. Eind 2024 – begin 2025 worden de eerste scheepsmotoren op ammoniak verwacht. Het Havenbedrijf bereidt met partners een pilot voor het bunkeren van een schip met ammoniak voor. Dit is onderdeel van het internationale Magpieprogramma naar verduurzaming van de logistiek. Ammoniak wordt al breed toegepast als koelvloeistof en als grondstof voor onder andere kunstmest. Import en doorvoer vindt daarmee al plaats, maar gebruik als scheepsbrandstof is nieuw. Er lopen dan ook onderzoeken om te waarborgen dat dit veilig gebeurt. Voor de inzet van duurzame brandstoffen is een aantal ‘Green Corridors’ geïnitieerd om samen met andere havens, rederijen en andere partijen een CO₂-neutrale transportketen te realiseren op specifieke routes. In 2022 lanceerde Rotterdam onder VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 22
andere de langste Green Corridor met Singapore alsmede een Green Corridor project tussen Rotterdam en Göteborg. Doel is om de komende vijf jaar samen de eerste duurzame zeevaart op deze routes te realiseren.
brandstoffen mogelijk is in de haven, zodat onder andere rederijen zich hierop kunnen voorbereiden. Het framework kan ook toegepast worden voor bereidheid voor een call met een schip op een bepaalde brandstof.
Om alle partijen te ondersteunen in de transitie naar duurzame brandstoffen is met andere havens het Port Readiness Level Framework ontwikkeld. Hiermee kunnen havens op eenduidige manieren communiceren wanneer bunkering van verschillende duurzame
Port Readiness Level (PRL) for Marine Fuels
Call specific fueled vessel
Bunkering specific fuel
Calls of specific fueled vessels integrated in regular port operations
Bunkering of specific fuel integrated in regular port operations
System for calls of specific fueled vessels complete and qualified
System for bunkering of specific fuel complete and qualified
PRL 7
Calls of specific fueled vessels established on a project base in an operating environment
Bunkering of specific fuel established on a project base in an operating environment
PRL 6
Framework for call specific fueled vessel demonstrated in a protected environment
Framework for bunkering specific fuel demonstrated in a protected environment
Framework for call specific fueled vessel designed
Framework for bunkering and associated activities of a specific fuel designed
Policy for call specific fueled vessel decided, roadmap developed
Policy for bunkering specific fuel decided, roadmap developed
PRL 9
PRL 8
PRL 5
Deployment
Development
PRL 4
PRL 3
PRL 2
PRL 1
Sufficient information gathered
Research
Interest of port stakeholders determined
Fuel relevance assessed
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 23
Ook de ‘vraag’ naar duurzaam transport wordt door Rotterdam gestimuleerd. Om verladers op een laagdrempelige kennis te laten maken met concrete CO₂-reductie heeft het Havenbedrijf de Switch to Zero campagne gelanceerd samen met GoodShipping. D.m.v. ‘insetting’ wordt CO₂-uitstoot gereduceerd door gebruik te maken van duurzame brandstof door de scheepvaart zelf. Verladers, die vaak kleine aantallen containers op verschillende schepen laten vervoeren, kunnen met ‘insetting’ via GoodShipping een bepaalde hoeveelheid CO₂-reduceren, waardoor zij lading CO₂-neutraal kunnen vervoeren. GoodShipping zorgt dat die CO₂-reductie wordt gerealiseerd door een schip van duurzame brandstof te voorzien. In totaal hebben er 17 verladers meegedaan die gezamenlijk 2023 ton CO₂ uitstoot hebben gereduceerd.
In opvolging van de Switch to Zero campagne en met oog op de toegankelijkheid vanuit zowel betaalbaarheid als beschikbaarheid van de duurzame brandstoffen, wordt binnen de Green Corridors en in bredere zin gewerkt aan het samenbrengen van vraag en aanbod en ondersteunende mechanismen om de additionele kosten te overbruggen, specifiek voor de maritieme sector. Het doel is om hiermee opschaling met bijbehorende kostenreductie dichterbij te brengen, terwijl de regelgeving zich ontwikkelt. De ontwikkelingen rondom Onboard Carbon Capture worden ook op de voet gevolgd door het Havenbedrijf, dit zou een transitieoplossing kunnen zijn en wordt al op kleine schaal toegepast in de Rotterdamse haven door Value Maritime.
VOORTGANGS RAPPORTAGE ENERGIETRANSITIE Q1 2024 24
Efficiëntie en inzicht
Walstroom
In het transport kan op korte termijn nog veel winst behaald worden door het vergroten van de efficiëntie. Hiervoor zijn nieuwe technieken voor scheepsreiniging ontwikkeld. Een bedrijf als Fleet Cleaner gebruikt onderwater robots om scheepsrompen te ontdoen van aangroei. Schepen hebben daardoor minder weerstand in het water en verbruiken minder brandstof. Ook wordt met een internationaal netwerk van havens gewerkt aan de uitwisseling van data voor just-in-time shipping, waarmee op korte termijn brandstof besparingen gerealiseerd kunnen worden.
De openbare ligplaatsen voor de binnenvaart zijn al ruim tien jaar voorzien van walstroomaansluitingen, zodat de dieselgeneratoren (nodig voor het opwekken van elektriciteit voor allerlei voorzieningen aan boord) uit kunnen wanneer het schip aan de kade ligt. Met de gemeente Rotterdam is enkele jaren geleden een walstroomstrategie opgezet, en met Eneco is een joint venture opgericht, Rotterdam Shore Power, om walstroomprojecten te realiseren. Na een aantal studies en proefprojecten was het eerste grote project de walstroominstallatie voor de offshore schepen van Heerema in het Calandkanaal bij Rozenburg. Ook bij Boskalis in de Waalhaven is walstroom aangelegd. De walstroom voor Cruise Terminal in Rotterdam en DFDS in Vlaardingen wordt in 2024 in gebruik genomen.
Sinds 2018 helpt PortXchange om activiteiten zoals de aankomst van schepen, inzet van loodsen en sleepboten, afmeren en bunkeren optimaal op elkaar af te stemmen en zo de efficiëntie van de havenaanlopen te verbeteren. Daarnaast is de Routescanner tool gelanceerd voor een totaaloverzicht van de meest efficiënte container-routes ‘van deur tot deur’ over zee, spoor en binnenvaart. Routescanner geeft ook inzicht in de CO₂-uitstoot per route, zodat bedrijven hier naar kunnen handelen.
Het doel is om in 2030 walstroom te kunnen leveren voor 90% van de container-, cruise-, ferries en passagiersschepen. Het Havenbedrijf heeft met de andere grote Noordwest-Europese havens afgesproken om te streven de grote containerschepen in 2028 aan de walstroom te hebben. Walstroom zorgt, behalve voor een lagere CO₂-emissie, vooral voor verbetering van de luchtkwaliteit. Genoemde 90% leidt tot 200.000 ton CO₂-reductie, veel minder fijnstof en 2.500 ton minder stikstofuitstoot per jaar.
Verduurzaming binnenvaart Sinds 2021 vaart het eerste binnenvaartschip op elektriciteit op basis van verwisselbare batterijcontainers van Zero Emission Services, waar Havenbedrijf Rotterdam mede-initiatiefnemer en -aandeelhouder