[24bb001887] Bijlage behorende bij 24bb001890 over bestemmingsplan Hollands Tuin 77
Tekst van het document
Soortbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar deze zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: ^ strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; ^ alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. In 2021 is er een Quickscan ecologie uitgevoerd, zie bijlage 4. Aanvullend hierop is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, zie bijlage 5. Het onderzoek betreft het schoolgebouw en de gymzaal aan de Hollands Tuin 77 te Rotterdam. Woonbron heeft het voornemen de school te slopen ten behoeve van een appartementengebouw met 38 woningen en de gymzaal ten behoeve van rijwoningen. Het onderzoek beslaat zowel de school als de gymzaal. Dit bestemmingsplan betreft de ontwikkeling van een appartementengebouw op de locatie van de huidige school, de sloop van de gymzaal en de ontwikkeling van de rijwoningen zijn niet meegenomen.
Uit de onderzoeken (quickscan ecologie en aanvullend vleermuisonderzoek) blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden: Vrijgestelde algemene zoogdieren, amfibieën en insecten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten. Deze soorten zijn door de provincie Zuid-Holland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet benodigd. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (art. 1.1 Wnb).
Pagina 22
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Algemene broedvogels De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Uit het nader onderzoek (uitgevoerd in 2022) is gebleken dat in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In totaal zijn er drie zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetoond. Verder zijn er buiten het projectgebied nog diverse vleermuisverblijven aangetroffen in naastgelegen gymzaal (Hollandse Tuin 79) en in de bebouwing in de nabije omgeving. Ook is gebleken dat ten zuidwesten van het projectgebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig is. Het park is van essentieel belang voor de functionaliteit van de aangelegen verblijfplaatsen, zowel binnen als buiten het projectgebied Hollandse Tuin 77. Er zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten of andere openingen in bomen vastgesteld welke kunnen dienen als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert niet in het wegnemen van verblijfplaatsen voor boombewonenden vleermuizen. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen verblijfplaatsen).
Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de school gesloopt kan worden. Op 28 februari 2023 is ontheffing bij de provincie Zuid- Holland aangevraagd.
Genomen en te treffen maatregelen Om negatieve effecten op vleermuizen te voorkomen worden maatregelen getroffen. In totaal zijn 28 tijdelijke vleermuiskasten geplaatst op bebouwing in de omgeving (binnen 200 meter). De kasten zijn eind mei/begin juni 2022 geplaatst om zo te voldoen aan de benodigde gewenningsperiode. De oorspronkelijke verblijfplaatsen worden in de minst kwetsbare periode ongeschikt gemaakt, waarna de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. In de nieuwbouw worden 20 permanente vleermuisverblijven gerealiseerd. De tijdelijke alternatieve vleermuiskasten worden pas verwijderd als de permanente vleermuisverblijven minimaal drie maanden in het actieve seizoen functioneel zijn. Bovenstaande maatregelen worden verder uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol en het project wordt begeleid door een ter zake kundige ecoloog om te borgen dat de mitigerende en compenserende maatregelen naar behoren worden getroffen. Op basis van de vleermuisactiviteit in IJsselmonde, de mitigerende en compenserende maatregelen die voor de korte en lange termijn worden getroffen, en de alternatieve bebouwing in de omgeving met potentie voor vleermuizen, wordt verwacht dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot een achteruitgang van de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis.
Gelet op vorenstaande is het aannemelijk dat de ontheffing Wet natuurbescherming verstrekt zal worden door de provincie.
Pagina 23
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
4.5 Bodem De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
Planspecifiek Om te bepalen of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik is in 2015 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Uit het vooronderzoek blijkt dat het gebied een agrarische functie had tot ca de jaren 50 van de vorige eeuw. In 1965 is de locatie in gebruik genomen als school. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rotterdam blijkt dat de bovengrond (0-1-m-mv) is gekwalificeert als een weinig vervuilde jonge stadswijk en dat de ondergrond (M m-mv) bestaat uit gebiedseigen klei. De bodem is waarschijnlijk zeer licht verontreinigd. In de panden van de school zijn diverse asbesthoudende materialen toegepast. Ter plaatse van de locatie zijn twee voormalige brandstoftanks geregistreerd. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 11 en 12 juni 2015. In dit kader zijn er in het plangebied 27 boringen uitgevoerd. Uit het veldonderzoek komt naar voren dat er in de zandlagen een licht verhoogd gehalte aan PCB is aangetoond. In de overige grondlagen zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehaltes aan barium aangetoond. Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen.
Er zijn geen aanwijzingen dat de voormalige brandstoftanks ter plaatse van de locatie een bodemverontreinigingen met minerale olie en/of vluchtige aromatische koolwaterstoffen hebben veroorzaakt. Conclusie De aangetoonde lichte verontreinigingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek . Evenmin worden nadere maatregelen noodzakelijk geacht. Vanuit milieu hygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de beoogde nieuwbouwontwikkeling. De onderzoeksgegevens zijn ouder dan 5 jaar. Gezien het huidige gebruik van de locatie als school is de kans dat in de periode na het onderzoek een verontreiniging is ontstaan dermate klein dat een actualisatie van het onderzoek niet noodzakelijk is. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De locatie is geschikt voor het gebruik Wonen met tuin.
4.6 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
jaargemiddelde concentratie
40 gg 1 m3
sinds 2015 Pagina 24
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)
Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 pg Z m3 worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 40 pg Z m3 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 50 pg Z m3 keer per jaar worden overschreden)
Fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
25 pg Z m3
Sinds 2015
Tabel: grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 30Zo van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10.
Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan houdt de nieuwbouw van 38 sociale huur appartementen in. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Om te beoordelen of de bestaande luchtkwaliteit geschikt is voor het beoogd gebruik is de site: www.nslmonitoring.nl/ geraadpleegd. De hiernavolgende afbeeldingen tonen de concentraties voor stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 in respectievelijk 2020 en 2030. Rekenpunt kenmerk
Cornells^'''',q n'-Beverenbrug
[N02*concentratie
-1
Alleen toetspunten
o
o
< 35 pgZm3
o
ö
35 - 38.5 pgZm3
Q
0
38.5 - 40.5 pgZm3
Q
0
40.5 - 42.5 pgZm3
O
0
> 42.5 pgZm3
Q
Q.
Wtterdom '-Feiienoord \ \ \ vn V ;j
Rekenpunt kenmerk
jļoļįŗPļö^-'.Q
| PM10-concentratie
-1
Alleen toetspunten
Q
o
< 35 pgZm3
Q
0
35 - 38.5 pgAn3
Q
0
38.5 - 40.5 pgAn3
Q
0
40.5 - 42.5 pgZm3
Q
0
> 42.5 pgZm3
Q
n Beverentrug 'Ro tterdom - Feijenoord
\ WH
\
Rekenpunt kenmerk | PM2.5-concentratie
-1
Alleen toetspunten
Q
o
< 20 pgZm3
D
0
20 - 23.5 pgZm3
O
0
23.5 - 25.5 pgZm3
Q
0
25.5 - 27.5 pgZm3
D
0
> 27.5 pgZm3
O
:renbrug 'Rotteraam-Feijenpord
Figuur 5. Concentraties stikstof, PM10 fijnstof en PM2,5 fijnstof in 2020. Plangebied nabij pijl (bron: NSL Monitoringstool).
Pagina 25
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
oįįeįişc^'S/ïQ èĩerenbrug
f j
\\ ^Rotterdam-Feijenpord
RotterdamFeijenoord
ėverenbrug Rotterdam -Feijenoord
Rekenpunt kenmerk |N02-concentratie
v'ļ
Alleen toetspunten
Q
O «35 vg!m3 o 35 - 38.5 ug/mĵ 9
38.5 - 40.5 MgAn3
O O O
9
40.5 - 42.5 vg/mĩ
Q
9
» 42.5 vļlmZ
Q
Rekenpunt kenmerk [PMlO-concentratie
vĮ
Alleen toetspunten
Q
O
«35 Įjg/mS
Q
9
35 - 38.5 vg/mZ
Q
9
38.5 - 40.5 ugAn3
Q
9
40.5 - 42.5 ugAn3
Q
9
s 42.5 pgZm3
Q
Rekenpunt kenmerk |PM2.5-concentratie
vļ
Alleen toetspunten
a
O
«20 ņglmZ
Q
9
20 - 23.5 ug/mĵ
Q
9
23.5 - 25.5 vg/mZ
Q
9
25.5 - 27.5 ugAn3
Q
9
s 27.S Mg/m3
Q
Figuur 6. Concentraties stikstof, PM10 fijnstof en PM2,5 fijnstof in 2030. Plangebied nabij pijl (bron: NSL Monitoringstool).
De fijnstofkaart toont dat in het plangebied de concentratie van fijnstof PM10 en PM2.5 onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentratie blijft van respectievelijk 35 gg/m3 en 20 gg/m3 . De stikstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van stikstof eveneens onder de 35 gg^ aanwezig is. De waarden blijven onder de grenswaarden in zowel 2020 als 2030. Geconcludeerd kan worden dat de bestaande en toekomstige luchtkwaliteit voldoende is en zal blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.7 Externe Veiligheid Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over Pagina 26
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).
Planspecifiek Voorliggend plan betreft de nieuwbouw van 38 sociale huur appartementen. Om te bepalen wat de risico’s zijn ten aanzien van voorliggend plangebied is zowel een kwantitatieve als kwalitatieve analyse uitgevoerd. Dit is gedaan voor het gehele plangebied, zie bijlage 8. Onderstaand een beknopte samenvatting van de externe veiligheidsanalyse voor het plan.
4.7.1
Transport gevaarlijke stoffen over de weg A16 en A15
Aan de oostkant van het plangebied is de A16 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Plaatsgebonden risico Het PR plafond (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond van wegdeel Z134 van de A16 bedraagt volgens de Regeling basisnet 58 meter. Aangezien het plangebied zich op een afstand van ca. 180 meter van de as van de weg bevindt, is er in de huidige situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten
Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de hoogte van het groepsrisico binnen het invloedsgebied berekend, zie bijlage 9. Hierbij is ook het risico vanuit spoor meegenomen, zie ook paragraaf 4.7.5. Uit de resultaten Pagina 27
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
blijkt dat zowel voor als na de planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan de oriëntatiewaarde. De gewijzigde populatieaantallen, als gevolg van de planontwikkeling, resulteren in een marginale rekenkundige afname van de hoogte van het groepsrisico. Er kan daardoor volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, zie daarvoor bijlage 10. Wel ligt het plangebied op basis van de stoffen die over de A15 getransporteerd worden binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen en toxische gassen , waardoor de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) meegenomen moeten worden in de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit is meegenomen in de verantwoording zoals opgenomen in bijlage 10.
4.7.2
Transport gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas
Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is niet aan de orde omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de rivier ligt. Binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daardoor heeft het oeverbeleid van de Provincie Zuid-Holland geen praktische betekenis.
4.7.3
Buisleidingen (o.a. Hoge druk aardgastransportleidingen)
Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie.
4.7.4
Risicovolle (Bevi)inrichtingen
Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6 risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
4.7.5 Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Plaatsgebonden risico Op circa 2.200 meter van het plangebied is de spoorlijn Rotterdam - Lombardijen Rotterdam CS gelegen. Gezien de ruimtelijke scheiding vormen de PR 10-6 risicocontour en het PAG geen aandachtspunt.
Groepsrisico Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. In paragraaf 4.7.1 is ingegaan op het groepsrisico en daarin is ook de spoorlijn als risicobron meegenomen.
4.7.6
Conclusie
De groepsrisico's van de A15, A16 en de spoorlijn blijven onder van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam voor deze risicobronnen een lichte verantwoording geldt van het groepsrisic0, zie daarvoor bijlage 10 Deze groepsrisico's zullen door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. In de bijlage wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid en hulpverleing (de VRR adviseert). De groepsrisico's geven geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de ontwikkelingen dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee zijn de externe veiligheidsrisico’s volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord. Pagina 28
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
4.8
Archeologie
Het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is.
Planspecifiek Het plangebied heeft de dubbelbestemming Archeologie waarde 4. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer de uitgevoerde werkzaamheden dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. Deze marges zullen in voorliggend plan worden overschreden. Voor dit aspect is aangegeven door het bevoegd gezag dat een verkenning door middel van sonderingen moet worden aangeleverd. Een dergelijke uitvoering is pas mogelijk na de sloop van de bebouwing. Deze verkenning zal na de sloop aangeleverd worden. Om deze eis te borgen kan dit als voorwaarde opgenomen worden bij het besluit op de omgevingsvergunning voor het bouwen.
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: ^
^
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd; schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Pagina 29
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan 2022-2027 Het NWP (maart 2022) bevat de de belangrijkste punten van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren. Onderdelen hiervan zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Vanwege Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo werken we al in de geest van de Omgevingswet. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannenen de beheerplannen voor overstromingsrisico's onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma een invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Vanwege de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.
Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland. Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP, 2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m2 of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 100Zo van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: ^ Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; ^ Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; ^ Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
Pagina 30 II
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Planspecifiek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze paragraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
Digitale Watertoets Het doorlopen van de watertoets voor plannen in het beheersgebied van Waterschap Hollands Delta dient te starten met het uitvoeren van de ‘digitale watertoets’. De digitale watertoets is een instrument dat beschikbaar is voor een aantal waterschappen. Het uitvoeren van de digitale watertoets heeft een uitgangspuntennotitie opgeleverd.
Watersysteem IJsselmonde kent een substantiële wateropgave door zijn lage ligging en relatief weinig oppervlakte water. De locatie rondom het plangebied is een peilgebied in IJsselmonde waar een waterbergingsopgave geldt. Onderstaand is een uitsnede van de legger van het waterschap ingevoegd.
yir»
Kunstwerk x Afsluiter Brug Duiker Duiker peilregelend Onderhoudsplichtige (doorstroom )prof iel — Aanliggenden
Gemeente Natuurbeherende organisatie — Overige -
Provincie Zuid-Holland Recreatieschap
CS 9®
Rijkswaterstaat — Spoorwegbeheerder
•P1
vm i V.
Vergunninghouder — Waterschap
Figuur 7. Legger oppervlaktewater en waterkeringen. Plangebied is aangeduid met rood kader (bron: Waterschap Hollandse Delta).
Ten zuiden van het plsloopangebied is een watergang gesitueerd. Het plangebied ligt nabij een aantal duikers maar buiten waterkeringen. Derhalve heeft het plan geen gevolgen voor het onderhoud van watergangen en/of waterkeringen.
Afvoer vuilwater In voorliggend plan betreft het enkel huishoudelijk afvalwater. Het systeem voor huishoudelijk afvalwater zal worden aangesloten op het (bestaande) vuilwaterriool van het plangebied.
Afvoer hemelwater en verhard oppervlak De gemeentelijke voorkeur is om water van particuliere verharding te verwerken op particulier terrein. Voor het appartementenblok wordt een integraal afwateringsplan gemaakt dat aanhaakt op de greppelen waterstructuur van de directe omgeving. In het plan zal er bij de parkeerplaats waar mogelijk gebruik worden gemaakt van een waterdoorlatende verharding Daarnaast worden er groenstroken toegevoegd als overgangszone naar de openbare
Pagina 31
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M
lira
w
«ia
ruimte. Het waterbeleid van het waterschap schrijft een watercompensatie in stedelijk gebied voor wanneer het verhard oppervlak toeneemt. In onderstaande tabel is te zien dat het totaal verhard oppervlakte zal afnemen met 630 m2 in de toekomstige situatie.
Onderdeel
Huidige situatie (m2)
Toekomstige situatie (m2)
Bebouwing Bestrating Groen Privé groen (500Zo)
1.302 2.089 1.023 -
Totaal verhard oppervlakte
3.391
1.061 1.463 1.417 473 (236,5) 2.761
Figuur 8. Verschil in verhard oppervlakte huidige en toekomstige situatie.
Watertoets Onderdeel van het beleid van het Waterschap Hollandse Delta is het laten uitvoeren van de zogeheten Watertoets. De Watertoets maakt inzichtelijk of er watercompensatie noodzakelijk is en bepaald tevens de hoogte van een mogelijke compensatie. Uit de ingevulde digitale Watertoets komt naar voren dat onderhavig plan beperkte invloed heeft op het watersysteem en derhalve de Korte procedure kan worden gevolgd (zie bijlage 11). Omdat de toename in verharding onder de grens valt van 500 m2 binnen stedelijk gebied is er geen compensatie nodig in bijvoorbeeld open water.
Uitloging bouwmaterialen door regenwater In voorliggend plan zal het gebruik van uitloogbare materialen voor zover mogelijk niet toegepast worden. Daarnaast is er geen aanleiding om aan te nemen dat de waterkwaliteit in de omgeving verslechterd doordat het beoogd gebruik de woonfunctie betreft. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. De aspecten vuilwater, afvoer hemelwater, verhard oppervlak en invloed op waterschapsbelangen als bijv. waterkering zijn afdoende beoordeeld. Het plan voldoet daarmee aan het beleid van het waterschap.
4.10 Verkeer en parkeren Onderhavig plan leidt tot een wijziging in de parkeer- en verkeersdruk, omdat het gebruik wijzigt van een school naar woningen. Een school kent een hoge maar korte verkeerspiek. Bij woningen zal de verkeersdruk gelijkmatiger over de dag verdeeld zijn. De parkeerbehoefte wordt opgelost door realisatie van een parkeerterrein aan de achterzijde van het bouwblok. Het parkeerterrein is onderdeel van openbaar gebied. Door de realisatie van een hoofdontsluiting voor het autoparkeren op de planlocatie zal een klein deel van de straat Hollands Tuin heringericht worden. Dit betekent dat 3 parkeerplekken verdwijnen aan de Hollands Tuin. Verwacht wordt dat door de nabije positie van de parkeerplekken tot de gymzaal en de huidige parkeerdruk in de buurt, de parkeerplekken ook gebruikt zullen worden door de bezoekers van de gymzaal.
Pagina 32
II
Al
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
I
-aS'J
M lira w
«ia
Figuur 13. Situatietekening met ingetekend parkeerterrein
In de beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets van de gemeente Rotterdam wordt een parkeernorm van 0,6 autoparkeerplaats per sociale huurwoning met een huur onder de liberalisatiegrens benoemd. Voor de realisatie van 38 sociale huur appartementen onder de liberalisatiegrens is de volgende parkeerbehoefte vastgesteld:
^
Huur appartement sociaal
38 x 0,6 = 22,8 pp
Parkeerbalans Parkeren benodigd Parkeren getekend
23 34
Totaal extra
11
De planlocatie biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de parkeerbehoefte van het appartementengebouw en 11 additionele parkeerplekken. De 3 verdwenen parkeerplekken aan de Hollands Tuin worden daarnaast ook gecompenseerd binnen de 11 additionele parkeerplekken.
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. De wijk IJsselmonde is in de beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets aangewezen als ‘overig gebied’. Dit komt overeen met ‘rest bebouwde kom’ van het CROW. De verkeersgeneratie per woningtype wordt vervolgens aan de hand van de categorie sterk stedelijk bepaald. Per woningtype geldt de volgende verkeersgeneratie per etmaal:
Pagina 33
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Huur appartement sociaal
3,2 - 4,0 (gem. s 3,6)
Wanneer de gemiddelde verkeersgeneratie vermenigvuldigd wordt met het desbetreffende aantal woningen kan de totale verkeersgeneratie worden bepaald. In dit geval wordt uitgegaan van het maximum aantal woningen dat per woningtype realiseerbaar is. De verkeersgeneratie komt hiermee op: Verkeersgeneratie 38 woningen: 3,6 x 38 s 136,8 De totale verkeersgeneratie bedraagt 137 bewegingen per dag. De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de Vruchtentuin en de Noorderhagen, beiden 30km wegen naar de Groene Tuin een 50 km weg. Deze wegen zijn hierop ingericht en kunnen de verkeersafwikkeling goed verwerken. Het aspect parkeren vormt, gezien bovenstaande conclusies, dan ook geen belemmering voor het plan.
4.11 Geur De Wet geurhinder en veehouderij is het toetsingskader voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten (zoals woningen) bescherming tegen overmatige geurhinder. Een gemeenteraad kan bij gemeentelijke verordening bepalen dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden en andere afstanden van toepassing zijn.
Planspecifiek Voorliggend plan houdt een geurgevoelige bestemming in. Een geurgevoelig object is een gebouw dat bestemd is voor wonen of langdurig verblijf en zodanig gebruikt wordt. Het gaat in de van toepassing zijnde Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) om de verblijfsduur. De Wgv beschermt alleen mensen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. In voorliggend plan wordt de bestemming ‘Wonen’ met 38 appartementen in de sociale huur mogelijk gemaakt. In de directe omgeving van het plangebied lijken gezien de ligging geen bronnen voor geuroverlast aanwezig te zijn. Door de functieverandering van ‘Maatschappelijk’ naar ‘Wonen’ zal de omgeving in het kader van geur geen nadelige aspecten ondervinden. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.
4.12 Duurzaamheid Duurzaamheid is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam: nu en in de toekomst. Bij nieuwe initiatieven is duurzaam bouwen integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Een integraal duurzaam bouwproces vraagt om een andere kijk en aanpak die meer gericht is op bewustwording en ketensamenwerking. Een multidisciplinaire benadering verhoogt de technische en financiële haalbaarheid om integrale duurzaamheidsoplossingen succesvol toe te passen. Het Rotterdams Duurzaamheidskompas is overkoepelend voor al het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rotterdam. Hierin geven we de richting aan hoewe de komende jaren werkenaan een duurzame stad. Duurzaamheid is grofweg met vier thema’s te omschrijven: energietransitie, circulaire economie, klimaatbestendige stad en gezonde leefomgeving. Deze thema’s hebben invloed op elkaar en kunnen dus ook niet los van elkaar worden gezien.
4.12.1 Energietransitie In 2050 hebben we een klimaatneutraal energiesysteem. Onze energievoorziening is schoon, slim, resilient en rechtvaardig. We kijken daarbij naar het opwekken, transporteren, opslaan en gebruiken Pagina 34 -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
^ n' II
II SįŞ
i'4
I
'
van schone energie. De koelbehoefte van gebouwen wordt beperkt door doelgericht ontwerp en op duurzame wijze opgewekt. We gebruiken de beschikbare ruimte multifunctioneel; er komen minimaal twee functies op het dak. Daken, gevels en infrastructuur worden benut voor de opwek van duurzame elektriciteit, waarbij ook wordt gekeken hoe het ontwerp de opwek kan vergroten. Voor mobiliteit betreft de energietransitie met name groei van Nul emissie mobiliteit en het afscheid nemen van fossiele brandstoffen. Voor de stedelijke omgeving betreffen de alternatieven voornamelijk batterij-elektrisch aangedreven voertuigen en voor specifiekere toepassingen kan gedacht worden aan waterstof. Alle parkeervoorzieningen op privaatterrein worden (constructief) voorbereid op laadinfrastructuur. Er wordt rekening gehouden met elektrisch vervoer en daarom worden extra elektranetten met voldoende capaciteit aangelegd voor laadinfrastructuur. . Er is een overschot aan duurzame warmte uit onze haven en warmte is voor het grootste deel van Rotterdam het maatschappelijk meest betaalbare alternatief. Alle nieuwbouwprojecten in de concessie gebieden worden daarom verplicht op stadsverwarming aangesloten, waarbij warmteoverdrachtstations inpandig worden gerealiseerd. Volgens het bouwbesluit dienen nieuwe gebouwen aan de BENG-eisen te voldoen.
Onderdeel daarvan is ook de TOjuli-eis, waarmee oververhitting van woningen in de zomer wordt beperkt door het toepassen van zonwerende maatregelen of koeling.
4.12.2 Circulair bouwen De impact van materialen in de bouwketen in zowel de bebouwde omgeving als openbare ruimte is groot. Het doel van circulair bouwen is om de milieu-impact van materialen en producten te verlagen door (1) het voorkomen en het verminderen van het gebruik van primaire grondstoffen, (2) het verlengen van de levensduur van producten en (3) het toepassen van materialen met een lage milieuvoetafdruk, waaronder hoogwaardig hergebruikte materialen en hernieuwbare materialen. Bij nieuwe gebiedsverkenningen wordt een waarde-scan gedaan. Dit is een inventarisatie van wat er al in het gebied is en wat behouden kan worden; als product, als materiaal of als grondstof. Slopen en demonteren van bestaande bouwwerken gebeurt op slimme en circulaire wijze. Hierbij wordt gestuurd op waarde-behoud en het beperken van afval. Van de uitkomende materialen wordt bij voorkeur zoveel mogelijk binnen de eigen projecten hergebruikt en anders zo dicht bij de slooplocatie mogelijk. Zo ook voor de locatie Hollands Tuin 77 is circulair slopen het uitgangspunt. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt met een circulaire strategie ontworpen, gerenoveerd en gebouwd met als doel een flexibel en toekomstbestendig gebouw te realiseren. De ontwikkeling is multifunctioneel, aanpasbaar en veranderbaar voor verschillende gebruiksscenario’s gedurende het gebruik.
Demontage en hoogwaardig hergebruik na einde gebruiksduur is mogelijk gemaakt voor relevante gebouwonderdelen en digitaal dusdanig vastgelegd zodat o.a. een demontageplan en relevante informatie voor hergebruik bekend en geborgd is.
4.12.3 Klimaatbestendige stad Klimaatadaptatie Rotterdam is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering en de gevolgen raken iedereen in de stad. Aan de hand van zes klimaatthema’s: extreme neerslag, droogte, hitte, grondwaterfluctuatie, bodemdaling en overstroming werken we aan het minimaliseren van de nadelige (toekomstige) gevolgen van klimaatverandering.
Pagina 35
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Om extreme neerslag het hoofd te kunnen bieden is het algemeen uitgangspunt dat tenminste 50mm van al het hemelwater binnen het plangebied opgevangen en vastgehouden dient te worden. Daarnaast kan er ook extreme droogte en hitte ontstaan in een gebied. Om de droogte tegen te gaan zullen maatregelen moeten worden genomen zodat nadelige gevolgen worden tegengegaan. Vervolgens zal de bebouwing tijdens hitte een koele, gezonde en aantrekkelijke plek zonder nadelige gevolgen voor de omgeving eromheen zijn. Aangezien ook het aantal droge zomers naar verwachting tot 2050 verder toe zal nemen kan lokaal de grondwaterstand hierdoor uitzakken. Hierdoor zal de inrichting en de bouw afgestemd moeten worden op de lokale grondwaterstand en de fluctuaties daarin. Bodemdaling zorgt daarnaast voor extra kwetsbaarheid bij wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. De nadelige effecten van bodemdaling worden zoveel mogelijk voorkomen en het door de gemeente bepaalde uitgiftepeil wordt aangehouden. Daarnaast worden nieuwe ontwikkelingen achter de dijken worden zo veel mogelijk uitgevoerd op een wijze dat de overstromingsrisico’s niet toenemen.
4.12.4 Ecologie De bouwopgave zorgt voor verdichting van de stad en drukt op het beschikbare groen. Om de leefbaarheid te verbeteren wordt tot en met 2022 20 hectare extra groen toegevoegd aan het stedelijk weefsel. Daarnaast wordt gekeken hoe divers en klimaatbestendig groen en een gezonde bodem kan bijdragen aan de biodiversiteit. De inrichting is in overeenstemming met het natuurdoeltype. Ont wikkelingen versterken de ecologische biotopen en/of verbindingszones. In de eerder in het plan aangehaalde Nota van Uitgangspunten is benadrukt dat het plangebied ligt in een centrale groene zone die essentieel is voor de klimaatbestendigheid en leefbaarheid van de wijk. Voor nieuwe gebouwen geldt dat ze natuurinclusief worden ontworpen. Voor een aantal aandachtsgebieden wordt bovendien geadviseerd een de stadsecoloog te betrekken, voor overige gebieden wordt altijd geadviseerd ecologisch advies in te winnen, maar hier kan het ook advies worden gegeven door een extern adviesbureau. Zo behouden we de bijzondere flora en fauna in de stad. Per gebiedstype in Rotterdam is inzichtelijk gemaakt wat de aandachtspunten zijn met betrekking tot flora en fauna waar in de ontwikkeling rekening mee moet worden gehouden. Hiertoe wordt de gebiedsindeling van de Rotterdamse stijl gehanteerd.
4.12.5 Gezonde leefomgeving Intensiever ruimtegebruik brengt hinder, gezondheids- en veiligheidsrisico’s, voor Rotterdammers met zich mee. Woningbouwplannen worden steeds vaker op milieubelaste locaties gebouwd, zoals op oude bedrijventerreinen, kades voor scheepvaart of dichtbij snel- en spoorwegen. Voor een aantrekkelijke, leefbare en gezonde stad is schone lucht en een aangenaam akoestisch klimaat essentieel. Het stimuleren van langzaam verkeer (fiets, voetganger), het beperken van gemotoriseerd verkeer en zoveel mogelijk afstand houden tot de bron is van belang. Met name voor kinderdagverblijven en scholen gelden afstandseisen tot drukke wegen. Verder dient rekening te worden gehouden met een geluidluwe aangename zijde en buitenruime en akoestisch juiste indeling van ruimten (slaapkamer aan de geluidluwe zijde). Bij de inrichting van de openbare ruimte moet rekening worden gehouden met geluidbeleving. Mensen waarderen de openbare ruimte niet alleen op basis van wat zij zien, maar juist ook op basis van wat zij horen. Tot slot moet de bodem geschikt zijn voor de beoogde functie en dient externe veiligheid (vervoer van gevaarlijke stoffen en risicovolle bedrijven) als inpassingsvraagstuk mee te worden genomen in de ruimtelijke inrichting. Pagina 36
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M
lira
w
«ia
Planspecifiek Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling wordt gebouwd conform het huidige Bouwbesluit en daarmee voldoet aan de daarin opgenomen nieuwste duurzaamheidseisen. Zo voldoet het plan aan de BENG-eisen. De nieuwbouw is gasloos en de locatie bevindt zich in het concessiegebied van Rotterdam, waar een aansluitplicht geldt op het warmtenet. De warmte die vrijkomt bij het verbranden van restafval wordt benut om woningen en andere gebouwen te verwarmen. Hiernaast wordt het dak benut voor de opwek van duurzame energie. Dit zorgt voor een aanzienlijke vermindering van CO2-uitstoot en een betere energie-efficiëntie. De parkeerplaats biedt de mogelijkheid voor elektrisch vervoer en de aanleg van laadinfrastructuur. Voor de locatie Hollands Tuin 77 is circulair slopen het uitgangspunt. Het plan voldoet aan de MPGnorm die als doel heeft de hoeveelheid bouwmaterialen en bouwafval te beperken. De norm is sinds 1 juli 2021 aangescherpt tot C 0.8 per m2 BVO. Het plangebied ligt in een centrale groene zone die essentieel is voor de klimaatbestendigheid en leefbaarheid van de wijk. Het gebouw sluit aan bij de tuinstadtypologie met licht, lucht en ruimte in de directe omgeving en ook de naastgelegen gebouwen.
Pagina 37
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
5 Juridische planbeschrijving 5.1
Plansystematiek
Het bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het planologisch juridisch regelen van een appartementencomplex met 7 woonlagen.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Onderstaande beschrijving is een algemeen beschrijving van bestemmings- of wijzigingsplanregels.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: ^ de anti-dubbeltelbepaling; ^ algemene bouwregels; ^ algemene gebruiksregels; ^ overige regels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
Pagina 38
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
5.3 De bestemmingen Enkelbestemming - Wonen In het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. De bestemming Wonen is toegekend aan gronden waar maximaal 38 woningen zijn toegestaan. Hierbij horen ook voorzieningen, waaronder (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden. Op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden mag uitsluiten worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. In de specifieke gebruiksregels mogen woningen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf als sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1. Deze categorieën zijn opgenomen als bijlage bij de regels. Binnen de bestemming wonen zijn woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan welke als bijlage is toegevoegd aan de regels. Met de artikel is geborgd dat woningen uitsluitend zijn toegestaan, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend.
Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ is opgenomen in het plangebied en dient ter bescherming voor de in het gebied aanwezige en/of te verwachten archeologische waarden. In de bouwregels zijn voorwaarden opgenomen, waaronder een rapport van een archeologische deskundige in het belang van de archeologische monumentenzorg. Daarnaast is een verbod opgenomen ten aanzien van het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden.
Pagina 39
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
6 Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake, omdat deze kosten zijn verzekerd middels (toekomstige) gronduitgiften. De gemeente Rotterdam vervult voorts enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project vanuit gemeentelijk oogpunt financieel uitvoerbaar is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan verschillende instanties. Het waterschap, de archeologische dienst BOOR, De veiligheidsregio en Luchtverkeersleiding Nederland gereageerd op het plan. De inhoudelijke opmerking zijn, voor zover het aanpassing van het plan vereiste, verwerkt in voorliggend bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan zal te zijner tijd op basis van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening ter visie worden gelegd. Gedurende deze periode wordt iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijzen kenbaar te maken. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Pagina 40
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
7 Bijlagen 1. 2. 3.
Nota van uitgangspunten Hollands Tuin, Gemeente Rotterdam, 19-07-2021; Bezonningsstudie Hollands Tuin 77, KAW, kenmerk: 200216, versie 5, 8 mei 2023; Vervangende nieuwbouw Hollands Tuin te Rotterdam Geluidsbelasting wegverkeer appartementen en rijwoningen, documentnummer: 6784.07, Mobius Consult,14 juli 2022; 4. Quickscan Wet nb Hollands Tuin 77, kenmerk BE/2020/785/r, Blom Ecologie BV, 13 oktober 2021; 5. Bijlage Rapport Nader onderzoek HollandseTuin 77-79 De Spechten + adviesnotitie d.d. 08.12.22, Ecoresult. Rapportkenmerk: ER20221024v03, 1 december 2022; 6. Aeriusberekening Hollands Tuin 77 te Rotterdam, Plannen-makers, 9 februari 2023; 7. Verkennend Bodemonderzoek voormalige school + sportzaal Hollands Tuin 77 + 79, Koenders & Partners, projectnummer: 150421,3 juli 2015; 8. Quickscan Externe Veiligheid, Kragten, Rapportnr.: 20211103-PLA005-RAP-EV 1.0, 3 november 2021; 9. Externe Veiligheid RBM II berekening, Kragten, rapportnr.:PLA005, 3 november 2021; 10. Verantwoording hoogte groepsrisico, Kragten, rapportnr.: PLA005, 8 november 2021; 11. Watertoets Hollands Tuin 77, 16-12-2021.
Pagina 41
Bestemmingsplan Hollands Tuin 77
II
Al
I
-aS'J
M lira w
«ia
Bijlage 1
Gemeente Rotterdam ,,.ìaS
Hollands Tuin Spechten Groot IJsselmonde Nota van Uitgangspunten versie 19-7-2021
■I',*ź-bĩ, -, i mm
îuŴį
ÿ^'i?
į KV V/K^ŴV'-
žjřMÈŞfflè1 i.
ËŞ9f
ffvįjgfļ i'
íŵ.
î*ļtì;.
a.,' ŕ v \
mm
naosg
tl V.ŕv-ļ'Ät
íìşfe -- ŕ.w..
P ‘X ŢjeĻfľ.
'.-ŴfcS^NJ
•ŗs~ äkatáé**-.
sS
SMíSte
m í.ö
Colofon De Nota van Uitgangspunten Hollands Tuin Spechten, Groot IJsselmonde is opgesteld door Stadsontwikkeling - Ruimte en Wonen. Projectleider:Pascal Zuijderwijk Stedenbouw: Robin van Zeeland Landschap: Jelmer Boersma Vastgesteld door: Mark Sutherland Gebiedsaccountmanager IJsselmonde
xx xxx 2021
ínhoud 1. introductie..............................................................2
6. Duurzaamheid............................................... 24
1.1 Aanleiding
6.1 Energietransitie
1.2 Locatie
6.2 Circulair bouwen
1.3 Beleidskader
6.3 Klimaatbestendig 6.4 Gezonde leefomgeving
2. Plangebied.................................. 6
6.5 Natuurinclusief bouwen & omgeving
2.1 IJsselmonde 2.2 Historie
7. Technische randvoorwaarden ...30
2.3 Locatie
7.1 Afval
2.4 Context
7.2 Peilmaat 7.3 Kabels en leidingen
3. Ruimtelijke uitgangspunten......... 10
7.5 Nutsvoorzieningen, trafo's en installaties
3.1 Stedenbouwkundige randvoorwaarden
7.6 Windhinder
3.2 Openbare ruimte randvoorwaarden
7.7 Bezonning
3.3 Programma
7.8 Geluid en lucht 7.9 Brandveiligheid
4. Beeldkwaliteit............................... ................. 16 4.1 Architectuur
8. Proces...................................................................... 32
4.2 Buitenruimte
8.1 Procedure 8.2 SMP en IP
5. Mobiliteit...............................................................22
8.3 Participatie en communicatie
5.1 Bereikbaarheid 5.2 Parkeren
9. Bijlagen...................................................................34
9.1 Vuistregels Uitbreidingswijken en kleine kernen 9.2 Concept Stedenbouwkundige Matenplan (SMP) 9.3 Parkeernormen auto en fiets (2018) 9.4 Toekomstontwikkeling locatie gymzaal
Introductie 1.1 Aanleiding 1.2 Locatie 1.3 Beleidskaders
> foto: Gemeente Rotterdam
ÇļP.Sj
1-r
V’
-İ-*
JÍX-į I
*Sľ : -^ iTTi.
VpJ.I
-
In deze Nota van Uitgangspunten staan de kaders omschreven voor de realisatie van woonbebouwing op planlocatie Hollands Tuin Spechten in de wijk Groot IJsselmonde. De kaders geven aan waar de bouwplannen aan moeten voldoen. Met het opstellen van de uitgangspunten heeft afstemming plaatsgevonden met de verschillende vakafdelingen (wonen, landschap, verkeer & vervoer) en woningcorporatie Woonbron. De Nota van Uitgangspunten wordt vastgesteld en is daarmee het bestuurlijk bekrachtigde kader voor ontwikkeling van bouwplannen. Het geeft richting voor het nieuwe bestemmingsplan dat zal moeten worden opgesteld.
*
.
âsįŗjj,
■j
1.1 Aanleiding De aanleiding voor het opstellen van de nota van uitgangspunten is de herontwikkeling van de planlocatie Hollands Tuin Spechten tot woningbouw door woningcorporatie Woonbron. Op de locatie zijn nu een leegstaande school en een gymzaal gesitueerd. De eerste fase betreft de locatie van de school. In de toekomst wordt mogelijk de locatie van de gymzaal ook ontwikkelt. De gymzaal is momenteel nog volledig in gebruik. Deze stedenbouwkundige randvoorwaarden c.q. Nota van Uitgangspunten zijn noodzakelijk voor een goede inpassing, borgen van de ambitie en vormen het toetsingskader voor de realisatie van de ontwikkeling.
1.2 Locatie De Hollands Tuin Spechten-locatie vormt een gezicht aan de verbindende groene zone tussen de buurten Tuinenhoven en Groenenhagen. De locatie is goed verbonden met de hoofdwegen, ligt nabij regionale fietsverbindingen en voorzieningen (winkelcentrum Keizerswaard). Ten westen van het plangebied zijn de fietsverbinding naar de Beverwaard, de Cornelis van Beverenbrug, en de A16 gesitueerd.
r
»
*
iwr
J&ms,
Vogelvlucht vanuit het zuiden met oa planlocatie Hollands Tuin Spechten - fotograaf Paul Martens
4/38
1.3 Beleidskaders Bestemmingsplan Er zal een projectbestemmingsplan worden opgesteld.
Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie is vastgesteld op 29 november 2007. Hierin worden op hoofdlijnen uitspraken gedaan over de stad. De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Beide doelstellingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; om te kunnen leven in de stad moet je er goed kunnen wonen en moet er passend werk zijn. Werkgelegenheid ontwikkelt zich op zijn beurt alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsument.
doorslaggevende stimulerende bijdragen kunnen leveren aan de verdere ontwikkeling van de stad. Architectuur kan de stad aantrekkelijk maken, wat bijdraagt aan het welbevinden van de gebruikers van de stad. Deze kracht van architectuur is aan te scherpen door meer nadruk te leggen op samenhang in het stedelijke weefsel en op de levendigheid van de stad. De nota Architectuur en Rotterdam is te downloaden op de site van de gemeente Rotterdam (www.rotterdam.nl/nota_ architectuu^en^otterdam).
Welstandsnota Rotterdam De locatie is in de Welstandsnota Rotterdam aangeduid als gebiedstype ‘Stempel- en strokenbouw'. Dit betekent dat voor deze locatie naast de vaste criteria ook de aanvullende criteria beschreven in het gebiedstype ‘stempel- en strokenbouw gelden. De commissie voor Welstand en Monumenten zal op basis daarvan de architectonische uitstraling en verschijningsvorm van het ingediende bouwplan toetsen (https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/ welstandsnota/).