[24bb001736] Bijlage 2 behorende bij 24bb001745 over Bijlagen bundel ontwerpbestemmingsplan Zomerhofkwartier
Tekst van het document
Inhoudsopgave
Bijlagen Bijlage 1
Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 2
Bouwkundige opname kavel 2.1
Bijlage 3
Marktruimteverkenning gemakswinkel
Bijlage 4
Masterplan
Bijlage 5
M.e.r.-beoordelingsbesluit
Bijlage 6
Parkeeronderzoek
Bijlage 7
Verkeersonderzoek
Bijlage 8
Akoestischonderzoek weg- en railverkeerslawaai
Bijlage 9
Akoestischonderzoek industrie- en horecalawaai
Bijlage 10
Addendum akoestisch onderzoek en bezonningsstudie
Bijlage 11
Bodemonderzoek
Bijlage 12
Nader bodemonderzoek Schoterbosstraaten Zomerhofstraat
Bijlage 13
Quick scan flora en fauna
Bijlage 14
Nader ecologisch onderzoek
Bijlage 15
Stikstofdepositieonderzoek
Bijlage 16
Bezonningsstudie
Bijlage 17
Windhinderonderzoek
1
Archeologie Rotterdam (BOOR) 90.500
Rotterdam Zomerhofkwartier
Een bureauonderzoek
N.Witte
BOORrapporten 701
90.600
ROTTERDAM ZOMERHOFKWARTIER
Een bureauonderzoek
N. Witte
Tekeningen: M. Valkhoff
BOORrapporten 701 2020
Archeologie Rotterdam Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam
COLOFON
Titel Status Auteur(s) Tekenaar(s) Opsteller(s) afbeeldingen Projectcode Projectleider Projectmedewerker(s) Toets Beheer en Beleid
Rotterdam Zomerhofkwartier. Een bureauonderzoek. 1e concept drs. N. Witte M. Valkhoff drs. naam opsteller BOORrapporten 701 drs. N. Witte n.v.t. drs. B.A. Corver
Autorisatie Archeologie Rotterdam
Autorisatie bevoegd gezag
drs. M.M. Sier teamleider Onderzoek en Rapportage
drs. A.H. Carmiggelt gemeente Rotterdam
ISSN 1873-8923 Archeologie Rotterdam Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Telefoon 010-4898500 E-mail boor@rotterdam.nl Copyright © Archeologie Rotterdam, Maart 2020 Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers Archeologie Rotterdam aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
versie 1.0
SAMENVATTING
Algemeen In opdracht van Leyten Bouwplanontwikkeling BV heeft team Beleid en Beheer van Archeologie Rotterdam een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Zomerhofkwartier in de gemeente Rotterdam. Het onderzoek is verricht omdat in het plangebied herontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast. Resultaten In het plangebied Zomerhofkwartier te Rotterdam kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum. Daarnaast geldt voor het plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld). Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld) geldt een hoge verwachting. Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf de 12e – 13e eeuw) en de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. De bewoningssporen en vondsten bevinden zich op klei, (Formatie van Echteld) of op het overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase).
De verwachte vindplaatsen vanaf de IJzertijd kenmerken zich door het voorkomen van onder meer ophogingslagen en aardewerk, houtskool, (verbrand) bot, mest en een zogenaamde ‘vuile’ laag. Advies Op grond van het bureauonderzoek luidt het (selectie)advies voor het plangebied Zomerhofkwartier in Rotterdam dat er voorzieningen hoeven te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. Vervolgonderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg wordt aanbevolen.
3
4
INHOUDSOPGAVE
blz.
SAMENVATTING ........................................................................................................................ 3 1 1.1 1.2 1.3
INLEIDING ...................................................................................................................... 7 Inleiding........................................................................................................................... 7 Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg .................................... 7 Administratieve gegevens onderzoek ............................................................................. 8
2 2.1 2.2 2.2.1 2.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.5.7 2.6 2.7
BUREAUONDERZOEK ............................................................................................... 11 Doel............................................................................................................................... 11 Plangebied en onderzoeksgebied ................................................................................ 11 Plangebied .................................................................................................................... 11 Huidige situatie plangebied .......................................................................................... 11 Geplande en reeds uitgevoerde werkzaamheden ........................................................ 11 Aandachtspunten .......................................................................................................... 12 Beleidsinstrumenten ..................................................................................................... 12 Geologische gegevens ................................................................................................. 12 Archeologische gegevens............................................................................................. 14 Historische situatie ........................................................................................................
15 Bouwhistorische gegevens ........................................................................................... 22 Hoogtebestanden ......................................................................................................... 23 Gespecificeerde archeologische verwachting .............................................................. 23 Conclusie en vervolg .................................................................................................... 24
3 3.1 3.2
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................ 25 Conclusies .................................................................................................................... 25 Advies ........................................................................................................................... 25
GERAADPLEEGDE BRONNEN .............................................................................................. 26 AFKORTINGEN ........................................................................................................................ 31
5
Klimaat Landschap Vegetatie
2000
Archeologische perioden Nieuwe tijd
1500
Late Middeleeuwen B
1000
Late Middeleeuwen A
Subatlanticum koeler vochtiger
500
Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd
0
Late IJzertijd Midden-IJzertijd
500
Vroege IJzertijd 1000
loofbos
Midden-Bronstijd
1500 Subboreaal koeler droger
2000
Vroege Bronstijd
2500
3500
Laat Neolithicum
Holoceen
3000
Late Bronstijd
Midden-Neolithicum
4000 4500
Vroeg Neolithicum Atlanticum warm vochtig
5000 5500
Laat Mesolithicum
6000 6500
Midden-Mesolithicum
7000 7500
Boreaal warmer
den
Preboreaal warmer
berk
Late Dryas kouder
toendra
8000 Vroeg Mesolithicum 8500 9000 9500 Pleistoceen
9700
Laat Paleolithicum
Tijdtabel
6
1
INLEIDING
1.1
Inleiding
In opdracht van Leyten Bouwplanontwikkeling BV heeft team Beleid en Beheer van Archeologie Rotterdam een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Zomerhofkwartier in de gemeente Rotterdam. Het onderzoek is verricht, omdat binnen het plangebied herontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast. De combinatie van archeologische verwachting en voorgenomen werkzaamheden maakt het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek noodzakelijk.
1.2
Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg
Het proces van Archeologische Monumentenzorg (AMZ) bestaat uit de volgende stappen: Stap 1. De inventarisatie van archeologische waarden in een plangebied. Een inventarisatie bestaat doorgaans uit het uitvoeren van een bureauonderzoek (met als doel het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting), gevolgd door een inventariserend veldonderzoek. Bij een inventariserend veldonderzoek kan onderscheid gemaakt worden in een verkennende fase (toetsen en aanvullen gespecificeerde archeologische verwachting), een karterende fase (vaststellen en begrenzen archeologische vindplaatsen) en een waarderende fase (bepalen waarde aan de hand van fysieke en inhoudelijke kwaliteit van vindplaatsen). De inventarisatie resulteert in het opstellen van een (selectie)advies, aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen (stap 2). Stap 2. Het nemen van een selectiebesluit op grond van de resultaten van de inventarisatie (het beleid ten aanzien van vindplaatsen). Het selectiebesluit houdt in dat een vindplaats wel of niet als behoudenswaardig wordt gekwalificeerd. In het geval van behoudenswaardige vindplaatsen vindt uitvoering van het selectiebesluit plaats; uitgangspunt hierbij is het streven naar behoud in situ van vindplaatsen (stap 3).
In het geval van niet-behoudenswaardige vindplaatsen is het proces van Archeologische Monumentenzorg afgerond. Stap 3. Het uitvoeren van het selectiebesluit door: het in situ veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige vindplaatsen door fysieke bescherming, dan wel het veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige - maar niet in situ te handhaven - vindplaatsen door documentatie ervan door opgraving voorafgaand aan de werkzaamheden in het plangebied, dan wel het verifiëren dat geen archeologische informatie ongedocumenteerd verloren gaat door archeologische begeleiding van de werkzaamheden in het plangebied. Het voorliggende rapport bevat het verslag van de eerste stap van de inventarisatie van archeologische waarden in het plangebied Rotterdam Zomerhofkwartier: het bureauonderzoek. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden aanbevelingen gedaan ten aanzien van de omgang met aanwezige archeologische waarden en archeologische verwachtingen in het plangebied. Het onderzoek komt voort uit de, door het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam
7
verrichte, plantoets (A2020021) en is uitgevoerd conform de ‘Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek in de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne (versie 2.9)’ uit september 2019. Het bureauonderzoek is tevens uitgevoerd conform de specificaties LS01 tot en met LS05, vastgelegd in het protocol 4002 Bureauonderzoek van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen). Het bureauonderzoek is gerapporteerd conform de specificatie LS06 van dat protocol.
1.3
Administratieve gegevens onderzoek
Soort onderzoek Plangebied Naam Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Oppervlakte Kadastrale gegevens Opdrachtgever Bevoegd gezag Uitvoering onderzoek Organisatie Senior KNA Prospector Periode onderzoek Archis-zaakidentificatienummer BOOR-vindplaatscode(s) Plaats en beheer documentatie
bureauonderzoek Zomerhofkwartier ZoHo Rotterdam Rotterdam 92.484, 438.268 (Centrum coördinaat) circa 2 hectare RTD08, sectie AD, meerdere nummer(s) Leyten Bouwplanontwikkeling BV gemeente Rotterdam Archeologie Rotterdam Archeologie Rotterdam, team Beleid en Beheer drs. N. Witte maart 2020 4788651100 niet van toepassing archief Archeologie Rotterdam onder de projectcode BOORrapporten 701
8
92.200
92.700
438.500 438.000
438.000
438.500
´
plangebied
´
0
50m
Schaal 1:5.000
Esri Nederland, Community Map Contributors
92.200
92.700
Afb. 1. Ligging van het plangebied ROTTERDAM ZOMERHOFKWARTIER.
9
(
92.700
(
439.000
439.000
92.200
(
(
438.500
05-34
438.500
(
(
(
(
05-62
(
05-25
05-35
15 (
(
05-16 438.000
438.000
(
05-61
05-03 (
05-29 (
(
05-33
(
05-17
(
437.500
1 (
05-36
Nieuwe Tijd Middeleeuwen Romeinse tijd Prehistorie onbekend
(
(
05-30
(
05-18
05-27
21
05-19
(
05-45 (
05-47 05-23 05-54
(
06-45
05-28
(
(
(
labels (BOORvindplaatscode)
(
1. Archeologisch Belangrijke Plaats.
12-81
(
06-31 13-55 13-81
437.500
(
12-70 22 12-11 12-34 1. Archeologisch Belangrijke Plaatsen. 13-04 13-56 13-26 2. Zeer hoge archeologische verwachting. 20 12-33 13-84 13-100 3.1 Redelijk tot hoge archeologische verwachting direct onder mv of dieper. 12-88 13-95 12-90 0m NAP. 3.2 Redelijk tot hoge archeologische verwachting beneden 19 13-54 12-31 12-59 13-47NAP. 3.3 Redelijk tot hoge archeologische verwachting dieper dan 3 m beneden (
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
(
´
0
250m Schaal 1:8.000
Kaart: Gemeente Rotterdam (
12-96
(
(
(
(
4. Redelijk tot hoge archeologische verwachting, waterbodems. plangebied
(
12-37
12-32 (
(
92.200
12-52
92.700
(
(
13-88
(
(
( (
Afb. 2. Bekende archeologische waarden en vindplaatsen in de omgeving van het plangebied geprojecteerd op de AWK van Rotterdam. (
(
(
(
(
(
(
( (
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doel
Het uitvoeren van een bureauonderzoek is de eerste stap in de inventarisatie van archeologische waarden in een plangebied. Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het gebied. Aan de hand hiervan wordt de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied opgemaakt en wordt een beslissing genomen over het al dan niet uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek en de wijze waarop dit moet worden verricht. De gespecificeerde archeologische verwachting wordt door middel van het inventariserend veldonderzoek getoetst en eventueel aangevuld.
2.2
Plangebied en onderzoeksgebied
2.2.1 Plangebied Het Zomerhofkwartier ligt in de Agniesebuurt te Rotterdam. Het plangebied ligt ten noorden van de Boekhorststraat, Zomerhofstraat en Almondestraat en wordt begrensd door de Tellingerstraat (zie afb. 1). De centrumcoördinaat van het plangebied is 92.484/438.268. De maaiveldhoogte van het plangebied bedraagt circa 1,4 m - NAP.
2.3
Huidige situatie plangebied
Op luchtfoto’s uit Google Earth staat het plangebied afgebeeld als bebouwd. Bij de Milieudienst Rijnmond zijn meerdere rapportages aanwezig over de milieukundige kwaliteit van het plangebied. Er zijn aanwijzingen voor verontreiniging door (kleinschalige) industriële activiteiten waarvan de meeste vanaf de jaren 40 zullen hebben plaasgevonden. Na het bombardement van mei 1940 is het plangebied heringericht als een noodlocatie voor getroffen bedrijfsgebouwen. In hoeverre de bodem is geroerd dan wel afgegraven bij de bouw van noodbebouwing is niet bekend. Wel is bekend dat een deel van de vooroorlogse funderingen is hergebruikt.1 In het plangebied is tevens een aantal grote en onderkelderde wederopbouwpanden aanwezig, zoals de voormalige groothandel Kramer en Röder IJzerwaren, Vijverhofstraat 47 en de Co-op bakkerij, Zomerhofstraat 71 (nu bekend als “het blauw-witte gebouw”).
2.4
Geplande en reeds uitgevoerde werkzaamheden
Het Zomerhofkwartier zal worden herontwikkeld met als doel een vernieuwd woon/werkgebied. Hierbij zullen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd. Vooralsnog is er geen definitief ontwerp. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Naar verwachting zal de bodem tot 2,5 meter onder maaiveld geroerd kunnen worden. Verder zullen heipalen worden aangebracht ten behoeve van de nieuwe bebouwing.
1 Stadsarchief Rotterdam en MijnAdres.org
11
2.5
Aandachtspunten
2.5.1 Beleidsinstrumenten 2.5.1.1 Archeologische Waardenkaart Rotterdam Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam ligt het plangebied in een zone met een redelijk tot hoge archeologische verwachting direct onder mv of dieper. Deze verwachting betreft een trefkans op bewoningssporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen op het veen en een middelmatige trefkans op bewoningssporen uit vroegere perioden onder het veen. Voor het gebied geeft de AWK aan dat alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2 dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek (BOORIS). 2.5.1.2 Archeologische Monumentenkaart Volgens de Archeologische Monumentenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (bijgehouden tot 2014) bevinden zich binnen het plangebied geen terreinen van hoge archeologische waarde, geen terreinen van zeer hoge archeologische waarde en geen terreinen van zeer hoge archeologische waarde tevens wettelijk beschermd (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
2.5.1.3 Cultuurhistorische atlas Zuid-Holland Volgens kaart 1b Archeologische waarden van de Cultuurhistorische atlas van Zuid-Holland (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas) maakt het areaal van het plangebied geen deel uit van een terrein met rijksbescherming en/of een terrein van provinciaal belang.
2.5.1.4 Bestemmingsplan Agniesebuurt Conform het vigerend bestemmingsplan geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,5 meter mv en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m2 beslaan (https://www.ruimtelijkeplannen.nl).
2.5.2 Geologische gegevens 2.5.2.1 Geologische gegevens regio Rotterdam (naar Hijma e.a. 2009, 15-17) De regio Rotterdam is gesitueerd in het West-Nederlandse Bekken, een actief depocenter van het Noordzeebekken. Vanaf 60.000 jaar geleden waren zowel de Rijn als de Maas actief in het gebied. De afzettingen van de Rijn en Maas behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De overgang van het laatste glaciaal (Weichselien) naar het huidige interglaciaal (Holoceen) resulteerde in een verandering van het riviertype van ‘vol’ vlechtend gedurende het Laatste Glaciale Maximum (LGM) – circa 21.000 jaar geleden – naar meanderend in het Midden-Holoceen. Ten noorden en zuiden van het LGM-dal van de Rijn en de Maas vormden zich eolische zanddekken (dekzanden, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Tussen 14.500 en 9.000 jaar geleden ontwikkelden zich stroomgordels die de bodem van het rivierdal verlaagden. Bij vergrote waterafvoer werden dunne lagen siltige klei als leem afgezet in de komgebieden (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen). Op het moment dat de verlaging van de overstromingsvlakte tot een eind kwam in het vroege Holoceen en de rivieren volop gingen meanderen, nam de sedimentatie van de Laag van Wijchen toe. De stroomgordels uit de periode Jongere Dryas - Vroeg-Holoceen worden gekenmerkt door diep ingesneden geulen.
Aan de noordoostzijde van de stroomgordels ontstonden tot 15 meter hoge rivierduinen (Laagpakket van
12
Delwijnen), die gevormd werden door zand dat uit de rivierbeddingen werd geblazen gedurende perioden van lage waterafvoer (debiet). Een gevolg van vooral het stijgen van de zeespiegel door het afsmelten van de ijskappen na het LGM was het onderlopen van het Noordzeegebied; de kustzone met strandwallen en dergelijke verschoof geleidelijk in de richting van de huidige Nederlandse kust. De stijgende zeespiegel had ook gevolgen op land door de daaruit resulterende stijgende grondwaterstand. Hierdoor ontstonden hier vanaf het Boreaal moerassen waarin zich veen vormde (Basisveen Laag, voorheen Basisveen). Zo’n 9.000 jaar geleden, op de overgang van het Boreaal naar het Atlanticum, kwam het gebied direct binnen de mariene invloedssfeer te liggen. Door de holocene transgressie veranderde het Rijn-Maas riviersysteem in een complex estuarien systeem met frequente stroomgordelverleggingen en verschillende grote zeegaten. De hiermee geassocieerde getijdenafzettingen worden tot het Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais). Vóór 7.000 jaar geleden mondde de Rijn in de regio Rotterdam uit, maar tussen 7.000 en 2.000 jaar geleden deed de rivier dat in de Leidse regio. De Maas mondde gedurende het gehele Holoceen uit in de Rotterdamse regio.
Na de forse landwaartse verschuiving van de zone met fluviatiele sedimentatie in het Laat Boreaal – Midden-Atlanticum verminderde de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging; sindsdien bleef het zeeniveau mondiaal gezien ongeveer constant. In de periode na het Atlanticum was het voornamelijk de verdergaande isostatische bodemdaling die bijdroeg aan de relatieve zeespiegelstijging in Nederland. Uiteindelijk veranderde na het Midden-Atlanticum het evenwicht tussen het creëren van bergingsruimte voor het sediment en het aanbod van sediment ten gunste van de laatste en kwam een eind aan de landwaartse verschuiving van de kustafzettingsmilieus. Dit geschiedde diachroon langs de kust als een gevolg van variaties in sedimentaanbod. In de volgende millennia sloten de zeegaten één voor één: in Zuid-Holland onderbraken alleen het Rijn-estuarium bij Leiden en het Maas-estuarium bij Rotterdam het strandwallensysteem in het kustgebied. Gedurende het Subboreaal ontwikkelde zich een uitgestrekt veenpakket (Hollandveen Laagpakket, Nieuwkoop Formatie, voorheen Hollandveen) tussen de riviertakken, lokaal als oligotrofe hoogveenkussens.
De mariene transgressies in het Subatlanticum - met vorming van de Laagpakket van Walcheren (voorheen Afzettingen van Duinkerke) - gaan vanaf de Late Middeleeuwen samen met menselijke activiteiten als ontginning en indijking van stukken land en het winnen van veen. In 2003 is de nieuwe lithostratigrafische indeling van Nederland ingevoerd (Westerhoff, Wong en De Mulder 2003). In deze rapportage wordt echter - vooruitlopend op het ontwikkelen van een regionale lithostratigrafische indeling van de holocene afzettingen in het Maasmondgebied - uitgegaan van de oude lithostratigrafische indeling zoals die door de toenmalige Rijksgeologische Dienst in 1975 is opgesteld (Zagwijn en Van Staalduinen 1975). Voor de volledigheid wordt zowel de van toepassing zijnde term van de nieuwe en de oude indeling vermeld.
2.5.2.2 Geologische gegevens plangebied Afgaande op de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, Kaartblad Rotterdam Oost (37O) (NITGTNO 1998) is de globale opbouw van de bovenste delen van de bodem in het plangebied als volgt; In de diepere ondergrond zijn klastische afzettingen van Calais (thans Laagpakket van Wormer) aanwezig. Hierboven ligt het Hollandveen (thans Formatie van Nieuwkoop). Op het veen bevinden zich afzettingen van Duinkerke I en/of Duinkerke III (Laagpakket van Walcheren). De bovenste 1 à 2 meter zal waarschijnlijk uit een opgebracht pakket bestaan. Aanwijzing hiervoor zijn de resultaten van booronderzoek langs de Noordsingel 90-92 (Moree 2003).2
2 Moree 2003.
13
2.5.3 Archeologische gegevens 2.5.3.1 Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied (zie afb. 2) Voor het bureauonderzoek zijn de bekende waarden binnen een straal van 500 m van het plangebied geïnventariseerd. Het gaat om een tiental vindplaatsen, waarvan de meerderheid dateert uit de Nieuwe tijd. Daarnaast zijn drie archeologische onderzoeken in de nabijheid uitgevoerd, Noordsingel 90-92, Spoortunnel en Kasteel Weena. De belangrijkste vindplaatsen voor dit onderzoek zijn: Vindplaatsnummer 1 BOOR-vindplaatscode(s)
05-33
Archis-vondstmeldingsnummer(s)
geen
Archis-waarnemingsnummer(s)
geen
Toponiem
spoortunnel bij Pompenburg
Gemeente
Rotterdam
RD-coördinaten
92.570/437.870
Complextype(n) en datering(en)
divers, Neolithicum, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd, de vondsten zijn deels in situ en deels verspoeld
Diepteligging
divers
Soort onderzoek
waarnemingen tijdens uitgraven spoortunnel
Bron(nen)
Carmiggelt en Guiran 1997, 78 en 92-93
Vindplaatsnummer 2 BOOR-vindplaatscode(s)
05-03
Archis-vondstmeldingsnummer(s)
geen
Archis-waarnemingsnummer(s)
24572
Archeologisch Belangrijke Plaats
object 15, kasteel Weena
Toponiem
voormalig station Hofplein
Gemeente
Rotterdam
RD-coördinaten
92.554/437.939
Complextype(n) en datering(en)
funderingen en vondsten van voormalig kasteelterrein; kasteel bestond uit een woontoren op een omgracht eiland (aardewerk), 13e en 14e eeuw
Stratigrafische positie
onbekend
Diepteligging
onbekend
Soort onderzoek
waarneming 1914, tijdens bouw station Hofplein; verkennend onderzoek 1941 en 1991
Bron(nen)
Renaud 1943 en Carmiggelt, Guiran en van Trierum 2007, 34-35
Vindplaats 1 (BOOR 05-33) betreft de resultaten van de onderzoeken aan de Spoortunnel Pompenburg. De oudste middeleeuwse aardewerkscherven, uit de 8e-9e eeuw, zijn gevonden in een jonger (12e-eeuws) gedeelte van de geulsedimenten, samen met ander verspoeld materiaal uit de Romeinse tijd en de 10e en 12e eeuw. Vindplaats 2 (BOOR 05-03) is de locatie van het voormalige kasteel Weena, waarvan resten zich mogelijk nog bevinden onder station Hofplein en in de omgeving van de kruising Katshoek en Hofdijk. Het kasteel Weena dateert uit de 13e eeuw en bestond uit een omgrachte woontoren van 10x12 meter. Het was de woonplaats van het geslacht Bokel. Het kasteel is in de 15e eeuw vernield. Over de bouwgeschiedenis is weinig bekend. In de jaren 1905, 1941 en 1991 werd onderzoek verricht naar het kasteel, waarbij funderingen/muurwerk en wat materiaal uit de 13e en 14e eeuw werd aangetroffen. De locatie ligt langs de Rotte en een zijtak die mogelijk genaamd de Wijde A is. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de naam van het kasteel (‘Wijde A” als oorsprong voor ‘Weena’). Ook wordt vermoed
14
dat bij de aanleg van het grachtenstelsel van kasteel Weena gebruik is gemaakt van de restgeul van het riviertje (Hoek 1972). 2.5.3.2 Bekende archeologische waarden in het plangebied Zoals in paragraaf 2.5.1 Archeologische Monumenten is aangegeven ligt het plangebied niet op een archeologisch monumentterrein. In het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. Er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht.
2.5.4 Historische situatie 2.5.4.1 Bewoningsgeschiedenis regio Rotterdam Mesolithicum De oudste aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in de regio Rotterdam dateren uit het Mesolithicum (9000-5300 voor Chr.). Dit betekent niet dat er voordien geen mensen in deze streken verbleven. Archeologische resten uit deze oudere periode zijn echter lastig op te sporen. Het gaat namelijk om overblijfselen van kampementen van jagers, verzamelaars en vissers die zich kenmerken door een beperkte omvang en een geringe vondstdichtheid. Daarnaast was de bevolkingsdichtheid uiterst laag en worden de lagen waarin eventuele vindplaatsen zijn aan te treffen afgedekt door jongere pleistocene sedimenten en/of een 15 tot 20 meter dik holoceen pakket, bestaande uit zand, klei en/of veen. Door de zeespiegelrijzing vanaf het einde van de laatste ijstijd (circa 12.000 jaar geleden) als gevolg van het afsmelten van de ijskappen, veranderde het voorheen droog liggende gebied van de Noordzee geleidelijk (weer) in een zee. De stijgende zeespiegel had ook gevolgen op land door de daaruit resulterende stijgende grondwaterstand. Hierdoor werd het landschap in West-Nederland in de loop van de tijd steeds natter. De mensen uit het Mesolithicum benutten de waterrijke streken als jachtgebied, om plantaardig voedsel te verzamelen en om te vissen.
De tijdelijke, seizoensgebonden kampementen werden opgezet in het gezamenlijke dal van de oer Rijn en Maas dat geleidelijk aan veranderde in een deltagebied. In de regio Rotterdam zijn de hoge en droge rivierduinen in deze periode bewoonbaar, gelet op bijvoorbeeld op de nederzettingssporen in Rotterdam Yangtzehaven (Moree en Sier 2014) en - zeer bijzonder - een grafveldje in Rotterdam Beverwaard Tramremise (Zijl e.a. 2011). Het is zeer aannemelijk dat ook de oevers van waterlopen bewoonbaar waren; er zijn echter nog geen vindplaatsen uit een dergelijke landschappelijk situatie bekend. De hogere rivierduinen werden ook later in de prehistorie nog wel als verblijfplaats gebruikt. In de regio Rotterdam zijn de duinen al ver voor de bedijkingen in de Late Middeleeuwen zonder uitzondering geleidelijk aan volledig afgedekt door jongere natuurlijke afzettingen. Neolithicum Met de komst van een boerenbevolking uit Midden-Europa in Limburg begint in Nederland het Neolithicum (5300-2000 voor Chr.). In de regio Rotterdam nemen de jagers, verzamelaars en vissers echter maar zeer geleidelijk elementen van dat boerenbestaan over; tot in de Bronstijd wordt een substantieel deel van het voedsel op de traditionele manier verkregen uit de natuur. De eerste sporen van het boerenbestaan in de regio Rotterdam dateren uit het vijfde millennium voor Chr.
In deze periode worden de rivierduinen (Meirsman en Peters 2006, Swifterbant-cultuur) en de oevers van kreken en rivieren (Lelivelt 2006, Swifterbant-cultuur; Moree 2006, Swifterbant-cultuur; Moree, Schoonhoven en Van Trierum 2010, 99-101, Hazendonk 3; Modderman 1953 en Louwe Kooijmans 1986, Vlaardingen-cultuur) bewoond. In het westen van de regio is een vindplaats op een kwelderwal aangetroffen (Goossens 2009, Vlaardingen-cultuur)
15
Bronstijd Uit de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) zijn zeer weinig vindplaatsen bekend in de regio Rotterdam. De oorzaak moet gezocht worden het ontstaan van een min of meer gesloten strandwallenkust met een steeds nauwer wordende monding van de Maas. Hierdoor vernatte het achter de kust liggende gebied, waardoor moerassen zich konden uitbreiden en op grote schaal veengroei optrad. De bewoningsmogelijkheden in zo’n landschap waren beperkt. De enige bekende nederzettingsterreinen zijn te vinden in Barendrecht Zuidpolder. Ze zijn te dateren in de Vroege en Midden-Bronstijd (Moree e.a. 2011). Uit Vlaardingen Krabbeplas is het skelet van een man uit de Midden-Bronstijd afkomstig (Van den Broeke 1992). Niet ver daarvandaan - locatie Vlaardingen De Vergulde Hand - komt een vooralsnog niet te duiden structuur van hout uit de Midden-Bronstijd (Eijskoot e.a. 2011, 66-67). Vindplaatsen uit de Late Bronstijd ontbreken tot nu toe in de regio. IJzertijd In de IJzertijd (800 voor Chr.-begin jaartelling) raakt de regio Rotterdam weer intensiever bewoond. Nederzettingen zijn in eerste instantie aan te treffen op de oevers van kreken en riviertjes die het omliggende veengebied ontwateren, en vervolgens ook in het veengebied dat door het ontwateren bewoonbaar en toegankelijk geworden is.
Een mooi voorbeeld van de ontwikkeling van het landschap gedurende de IJzertijd en de plek van de mens daarin is te vinden op Putten (Van Trierum 1992). Daar ontwikkelde zich aan het einde van de Bronstijd - begin IJzertijd een krekensysteem in een moerasgebied waarin zich in de voorgaande millennia een dik pakket veen had ontwikkeld. Dat geulenstelsel mondde tussen Spijkenisse en Geervliet in de Maas uit. In de Vroege en Midden-IJzertijd ontwaterde het stelsel aangrenzende stukken veen, die daardoor geschikt werden voor de bouw van boerderijen, het aanleggen van akkers en het houden van vee. Later, op de overgang van de Midden- naar de Late IJzertijd, werd vanuit de geulen klei en zand op het veen afgezet. In de Late IJzertijd werden op de oevers van de geulen opnieuw boerderijen gebouwd: nu niet meer op het veen, maar op een klastische ondergrond. Bij Spijkenisse is op Rotterdams grondgebied een dam met duiker uit de Late IJzertijd gedocumenteerd tijd (Rotterdam Hartelkanaal, Van Trierum, Döbken en Guiran 1988, 45-46). De aanleg ervan maakt misschien deel uit van het treffen van voorzieningen waardoor de eerste aanzet tot de grootschalige ontginningen van het landschap in de Romeinse tijd. Romeinse tijd In het gebied ten noorden van de Maas loopt de bevolking aan het eind van de Late IJzertijd - vanaf 100 voor Chr.
- sterk terug (De Bruin 2017, 289-290); ook ten zuiden van de Maas lijkt dit het geval te zijn geweest. In het begin van de Romeinse tijd - de eerste decennia na het begin van de jaartelling is de regio Rotterdam dan ook spaarzaam bewoond geweest. Vanaf de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. neemt het aantal nederzettingen ten noorden van de Maas weer toe. Ze zijn gesticht door nieuwkomers in het gebied, die daar later de Cananefaatse gemeenschap gaan vormen (De Bruin 2017, 290-292). De nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd worden aangetroffen op de oevers van kreken en rivieren en in het direct aangrenzende (klei-op-) veengebied. In de Romeinse tijd worden in het Maasmondgebied de eerste poldertjes aangelegd: gebieden waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld door voorzieningen als greppels, sloten en dammen met duikers aan te brengen (Moree, Van Trierum en Carmiggelt 2018, 20-21). De eerste dam met duiker werd in 1966 ontdekt in Schiedam, aan de Fokkerstraat (Ter Brugge 2002, 74-75). Door een goede regulering van de waterhuishouding kon de agrarische productie worden vergroot. Hierdoor kon tegemoet worden gekomen aan de toegenomen vraag naar voedsel als gevolg van het groeien van de bevolking in de Romeinse tijd in het gebied tussen de mondingen van de Maas en de Rijn en langs de Limes met de militairen in de forten.
Op verschillende plaatsen in de regio zijn begraafplaatsen uit de Romeinse tijd
16
bekend. De best onderzochte is die van Spijkenisse-Hartel West (Döbken 1992). Van de ongeveer 200 bijgezette individuen was de overgrote meerderheid gecremeerd. Slechts zes personen waren geïnhumeerd: vijf pasgeborenen en een volwassen man. Middeleeuwen en Nieuwe tijd Aan het einde van de derde eeuw na Chr. nam de bevolking in de Rotterdamse regio drastisch af, net als elders in de gebieden in Nederland die onder Romeins gezag hebben gestaan (Heeren 2016). Mogelijk voerden de Romeinen een bewuste ontvolkingspolitiek. Bewoningssporen uit de laatRomeinse tijd en uit de Vroege Middeleeuwen tot de 8e eeuw zijn in de regio nauwelijks bekend. Pas vanaf de 8e-9e eeuw neemt de bewoning in het weer Maasmondgebied toe, zo blijkt uit historische bronnen en archeologische vondsten. In Vlaardingen stond al in de jaren twintig van de 8 e eeuw een kerk, die net als de bewoning uit deze periode op de westelijke oever van de Vlaarding moet worden gezocht (Hoek 1973). Op de zuidoever van de Maas lag Witla, de exacte ligging van de nederzetting is echter vooralsnog niet bekend. Witla wordt genoemd in de annalen van het in Duitsland gelegen klooster Fulda nadat het in 836 door Vikingen was verwoest (Koch 1970, nummer 5). Verder naar het oosten dateren de oudste in situ gedocumenteerde bewoningssporen langs de benedenloop van de Rotte uit de 10e eeuw (Carmiggelt 2016).
Deze kunnen in verband worden gebracht met de in een schenkingsoorkonde uit 1028 genoemde kerk van Rotta. In de zone ten zuiden daarvan wijzen geïsoleerde en verspoelde vondsten uit de Karolingische periode erop dat er al enige bewoning in de voorgaande eeuwen in het gebied kan worden verondersteld, verspreid op zowel de oevers van de Rotte als die van de Merwede (Nieuwe Maas). Van de nederzetting Rotta - met vermoedelijk lintbebouwing op beide oevers van de Rotte - zijn op enkele plaatsen in de binnenstad van Rotterdam resten gedocumenteerd; in de nederzetting werden zowel agrarische als handelsactiviteiten ontplooid (Carmiggelt en Guíran 2001; Vredenbregt en Van Trierum 2012). In de 10e eeuw wordt in de regio een aanvang gemaakt met de systematische ontginningen van de veen- en kleigebieden. Ze begonnen kleinschalig en schoven vanaf de Maasoevers op, waarbij gebruik werd gemaakt van natuurlijke kreken en riviertjes. Archeologisch is aangetoond dat de bewoning zich langs de zijriviertjes van de Maas in de 9e en 10e eeuw stroomopwaarts verbreidde (IJsselstijn 2016, 37). Door de voortdurende ontwatering daalde het maaiveld in de ontgonnen gebieden; het land werd kwetsbaar voor overstromingen.
In de 12e eeuw teisterden verschillende overstromingen het Maasmondgebied, waarbij ontginningen en nederzettingen als Vlaardingen en Rotta verloren gingen en forse overstromingsdekken werden afgezet (Hoek 1973; IJsselstijn 2016, 37). De overstromingen maken herontginning van het land noodzakelijk, waarbij ook dijken, dammen en sluizen worden aangelegd. De Late Middeleeuwen worden gekenmerkt door een toenemende bewoningsdichtheid. Langs de ontginningskaden en dijken en op en bij de dammen en ontstaan dorpen en steden. De stad Rotterdam zelf ontwikkelde zich vanaf ongeveer 1270, het moment dat een dam in de Rotte wordt aangelegd op de plaats van de huidige Hoogstraat (Carmiggelt 2016; Carmiggelt en Guíran 1997). In de loop van de 14e eeuw groeide Rotterdam uit tot een marktstadje voor de naaste omgeving; ook daarna bleef het zich voortdurend uitbreiden. Ook worden in deze tijd kastelen gebouwd. Rond 1500 ligt Rotterdam nog binnen het gebied dat omsloten wordt door Coolsingel, Blaak, Nieuwe Haven en Goudsesingel. De grote bloei zette in de tweede helft van de 16 e eeuw in, toen de stad uitgroeide tot de tweede handelsstad van Holland. Uit die periode stammen de grote uitbreidingen naar de Maas toe, waardoor de stad haar karakteristieke driehoekige vorm kreeg (Van der Schoor 1999).
Binnen de gemeentegrenzen van het huidige Rotterdam ligt, behalve de stad Rotterdam, een reeks van andere laatmiddeleeuwse bewoningskernen en -linten, bijvoorbeeld Overschie, Delfshaven, Hillegersberg, Kralingen, Hoogvliet, Pernis, Charlois, Katendrecht en Oud-IJsselmonde. De genoemde nederzettingen hebben allemaal een eigen ontwikkeling doorgemaakt (Van der Schoor 2013).
17
Afb. 3 Het Hof van Weena ingericht als lakenlanden, kaart uit 1645.
Zomerhofkwartier ligt ten noorden van het voormalige kasteel Weena in de voormalige Blommerdijkse polder. Zoals hierboven al vermeld, is het kasteel in de 15e eeuw afgebroken. De polder Blommerdijk werd na de aanleg van de Rotterdamsche Schie in twee delen gesplitst. Het oostelijk deel strekte zich uit vanaf de Schie tot aan de Oude Dijk, de huidige Hooglandstraat, en van de Rotte tot aan de Blommersdijk, de huidige Bergweg. Ter weerszijden van de Schie bevonden zich haaks op de kade percelen van zo’n honderd meter diepte, tot aan de achterliggende scheisloot. De Noordmolen zorgde voor ontwatering van de Oost-Blommersdijkse polder op de Rotte. In 1590 besluit het stadsbestuur van Rotterdam de lakenramen, gebruikt voor het drogen van geverfde wollen stoffen van de lakenindustrie, vanuit de stad te verplaatsen naar het terrein van het Hof van Weena, (zie afb. 3). De stad kocht de gronden en richtte ze in ten behoeve van de lakenindustrie. Omdat de stad in de 17e eeuw binnen de vesten volledig uit haar voegen barstte, werd het verbod op het zogenaamde ‘buitentimmeren’ opgeheven en werd langs de wegen, kades en dijken in de OostBlommersdijkse polder gebouwd, (zie afb. 4)
18
Figuur 1 Het grondgebied van het voormalige Hof van Weena, dat is ingericht als raamgebied voor de lakenindustrie.
Afb. 4 kaart De Vou 1694 met tuinen en bebouwing buiten de vesten en rechtsboven de Schoterbosstraat (rood).
Afb. 5 Rotterdamse uitbreiding in de Blomerdijkpolders omtrent 1784.
19
Afb. 6 Temminck 1839, centraal het plangebied.
In de 18e eeuw ontstond een mix van kleine industrieën, zoals blekerijen, houtzagerijen, loodwitfabrieken, azijnplaatsen, kwekerijen en recreatieve functies zoals tuinen, lusthoven en kolfbanen. Vanwege ruimtegebrek en overlast zochten nijverheidsbedrijven naar geschikte locaties buiten de stadsvest. Tegelijkertijd trok het lommerrijke buitengebied ook welgestelden aan om hier in de zomermaanden te verblijven. Een voorbeeld van een laan met tuinen en kleine buitenverblijven is de haaks op de Hofdijk gelegen Schoterboslaan, de tegenwoordige Schoterbosstraat. Deze laan werd halverwege de 17e eeuw aangelegd. In de 19e eeuw werden de zomerverblijven omgevormd tot permanente buitenhuizen en sloot de bebouwing aan beide zijden van de Rotte en de Schie zich aaneen, (zie afb. 6). Het gebied ontwikkelde zich in rap tempo, mede door komst van de stations Delftse Poort (1877) en Hofplein (1908). Met de aanleg van de spoorlijn van Rotterdam naar Den Haag wordt het kenmerkende spoorviaduct Hofplein (de Hofbogen) gerealiseerd. Het gebied rondom de Delftsepoort en het Hofplein wordt een druk en rommelig verkeersknoop (zie afb. 7). Van deze vooroorlogse omgeving en het Zomerhofkwartier is door het bombardement van 1940 vrijwel niets bewaard gebleven. Na de grootschalige egalisatie blijven in het plangebied alleen enkele huizen in de Almondestraat staan (zie afb. 8).
Het gebied wordt aangewezen voor bedrijfsnoodgebouwen. Deze worden grotendeels op bestaande funderingen gebouwd. Vanaf de jaren vijftig en zestig van de 20e eeuw krijgt het Zomerhofkwartier zijn huidige aanzicht (zie ook 2.3 Huidige situatie plangebied).
20
Afb. 7 Station Hofplein en omgeving circa 1930, nr. 166873 collectie Het Utrechts Archief.
Afb. 8 Station Hofplein en omgeving 1946/1947 op de locatie Zomerhofkwartier staan noodgebouwen (linksboven).
21
2.5.5 Bouwhistorische gegevens Voor bouwhistorische waarden in het plangebied kan de cultuurhistorische verkenning Zomerhofkwartier & Pompenburg, Heliport en Rottekwartier een overzicht bieden (Galema & Terpstra 2019). In de rapportage worden in de analyse voor het Zomerhofkwartier de volgende tijdlagen aangegeven: • 1875-1900: de bebouwing aan de Almondestraat dateert uit 1888 en heeft, ondanks de gerenoveerde gevels, nog authentieke elementen. • 1945-1970: meest dominante tijdslaag, in het plangebied, kleinschalige bedrijfsarchitectuur • 1970-1985: stadsvernieuwing, woningbouwprojecten • 1985-heden: transformatie bestaande gebouwen, tijdelijk gebruik van panden en openbare ruimte, Slow-Urbanism.
Afb. 9 Waardenkaart cultuurhistorische verkenning, groen; beeldbepalend, geel; monument, rood; Rijksmonument.
Voor het Zomerhofkwartier (zie afb. 9) komt de waardering tot de volgende beeldbepalende panden: Zomerhofstraat 52,56, 60-64, 66-68, 76 en Vijverhofstraat 47. In de bodem kunnen nog resten van de bovengenoemde bouwfasen in meer of mindere mate verstoord nog aanwezig zijn. Ook valt niet uit te sluiten dat er nog oudere bouwfasen aanwezig zijn.
22
2.5.7 Hoogtebestanden Bestudering van het Hoogtebestand Rotterdam 2018 en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) leverden geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied (BOORIS). Het maaiveld ligt op circa 1,2 m - NAP.
2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op grond van de verworven informatie over onder meer de historische situatie, de bodemopbouw en de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied kan de archeologische verwachting voor het plangebied worden opgesteld (Tabel 1). Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum. Deze vindplaatsen kunnen aangetroffen worden op rivierduinen van de Formatie van Boxtel en onder het veen gelegen stroomgordelafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Wormer) en/of Formatie van Echteld. Uit de beschikbare geologische informatie blijkt echter dat de kans op aanwezigheid van stroomgordels en rivierduinen niet groot is. De verwachte vindplaatsen - voornamelijk kleine kampementen - kenmerken zich door het voorkomen van onder meer haardkuilen, vuursteen, houtskool en (verbrand) bot. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld). Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld) geldt een hoge verwachting.
Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf de 12e – 13e eeuw) en de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. De bewoningssporen en vondsten bevinden zich op klei, (Formatie van Echteld) of op het overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase). De verwachte vindplaatsen vanaf de IJzertijd kenmerken zich door het voorkomen van onder meer ophogingslagen en aardewerk, houtskool, (verbrand) bot, mest en een zogenaamde ‘vuile’ laag.
Datering
Archeologische verwachting
Complextype
Stratigrafische positie
Omvang
Diepteligging in m - NAP
Mesolithicum
onbekend
kleine kampementen, off-site activiteiten
op stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld)
< 200 m2
vanaf circa 9 m en dieper
Neolithicum
laag
kleine kampementen, off-site activiteiten
op stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld)
< 200 m2
vanaf circa 9 m en dieper
Bronstijd
geen
-
-
-
-
IJzertijd
redelijk hoog
top veen (Formatie van Nieuwkoop)
divers
vanaf circa 96 m en hoger
Romeinse tijd
redelijk hoog
nederzettingsterreinen , verkavelingspatronen nederzettingsterreinen , verkavelingspatronen
divers
vanaf circa 6 m en hoger
Middeleeuwen (tot in 12e eeuw)
hoog
nederzettingsterreinen , verkavelingspatronen
divers
vanaf circa 6,5 m en hoger
Middeleeuwen (vanaf 12e / 13e eeuw)
hoog
Nederzettingsterreinen , ophogingslagen en sloten
top veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld, jongere fase) top veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld, jongere fase) op klei (Formatie van Echteld) of op overstromingsdek
divers
vanaf circa 6 en hoger
23
Nieuwe tijd
hoog
Nederzettingsterreinen , ophogingslagen en sloten (kades 1500)
(Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase) op klei (Formatie van Echteld) of op overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase)
divers
vanaf circa 5 en hoger
Tabel 1. Gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
2.7
Conclusie en vervolg
Op basis van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat er in het plangebied Zomerhofkwartier in Rotterdam archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Aangezien de geplande werkzaamheden gepaard zullen gaan met grondroerende activiteiten, kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast of vernietigd. Door het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam is een verkennend inventariserend veldonderzoek geëist om de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied te toetsen en aan te vullen.
24
3
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In maart 2020 is voor het plangebied Zomerhofkwartier in de gemeente Rotterdam een bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is verricht, omdat bij de geplande nieuwbouw in het plangebied grondwerkzaamheden plaatsvinden. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze hierbij worden aangetast of vernietigd.
3.1
Conclusies
Op basis van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat er in het plangebied Zomerhofkwartier in Rotterdam archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld). Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld) geldt een hoge verwachting. Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf de 12e – 13e eeuw) en de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. De bewoningssporen en vondsten bevinden zich op klei, (Formatie van Echteld) of op het overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase). De verwachte vindplaatsen vanaf de IJzertijd kenmerken zich door het voorkomen van onder meer ophogingslagen en aardewerk, houtskool, (verbrand) bot, mest en een zogenaamde ‘vuile’ laag. 3.2
Advies
Op basis van bovenstaande conclusies luidt het (selectie)advies voor het plangebied Rotterdam Zomerhofkwartier om de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied te toetsen en eventueel aan te vullen. Hiertoe is door het bevoegd gezag een besluit (A2020021) genomen. Het bevoegd gezag in deze is de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam. Archeologie Rotterdam t.a.v. de heer dr. A.H. Carmiggelt Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Tel. 010-4898501 E-mail ah.carmiggelt@rotterdam.nl
25
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Literatuur Broeke, P.W. van den, 1992: Een menselijk skelet uit Vlaardingen-West. Bronstijdbewoning in het veengebied? Terra Nigra 124, 7-13. Brugge, J.P. ter, 2002: Duikers gemaakt van uitgeholde boomstammen in het Maasmondgebied in de Romeinse tijd, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum (red.), BOORbalans 5. Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 63-86. Bruin, J. de, 2017: Rurale gemeenschappen in de Civitas Cananefatium 50-300 na Christus, (Academisch proefschrift Universiteit van Leiden). Carmiggelt, A., 2016: De vroegstedelijke ontwikkeling van Rotterdam tot circa 1400. Dertig jaar archeologisch onderzoek in de Maasstad, ARCHEObrief jaargang 20, nummer 3, 11-21. Carmiggelt, A. en A.J. Guiran, 1997: De oorsprong van de stad Rotterdam. Archeologisch onderzoek van de middeleeuwse dam in de Rotte, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum, BOORbalans 3. Archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel te Rotterdam, 113137. Carmiggelt, A. en A.J. Guiran, 2001: Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de uitwateringssluizen in de dam van Rotterdam: synthese en discussie, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum, BOORbalans 4. Archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel te Rotterdam. Sluizen en schepen in de dam van de Rotte, 197-205.
Döbken, A.B., 1992: Een grafveld uit de Romeinse Tijd te Spijkenisse-Hartel West (Voorne-Putten), in: A.B. Döbken (red.), BOORbalans 2 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, 145-222. Eijskoot, Y., M. van der Heiden, R. Torremans en A.H.L. Vredenbregt, 2011: Sporen en fenomenen, in: Y. Eijskoot, O. Brinkkemper en T. de Ridder (red.), Vlaardingen-De Vergulde Hand-West. Onderzoek van de archeologische resten van de middenbronstijd tot en met de late middeleeuwen, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 200), 23-67. Galema, W. en A. Terpstra, 2018: Zomerhofkwartier & Pompenburg, Heliport en Rottekwartier, cultuurhistorische verkenning, Rotterdam 2019. Goossens, T.A. (red.), 2009: Opgraving Hellevoetsluis-Ossenhoek. Sporen van een nederzetting uit de Vlaardingen-cultuur op een kwelderrug in de gemeente Hellevoetsluis, Leiden (Archol-rapport 87). Guiran, A.J., 2015: Rotterdam Weena Boulevard I en II, Een bureauonderzoek en verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam,BOORrapporten 586. Heeren, S., 2016: Over ontvolkingen en Germaanse Romeinen. Zuid-Nederland van de derde tot de vijfde eeuw, ARCHEObrief jaargang 20, nummer 3, 2-10. Hijma, M.P., K.M. Cohen, G. Hoffmann, A.J.F. van der Spek en E. Stouthamer, 2009. From river valley
26
to estuary: the evolution of the Rhine Mouth in de early to middle Holocene (western Netherlands, Rhine-Meuse delta), Netherlands Journal of Geosciences- Geologie en Mijnbouw 88, 15-17. Hoek, C, 1973: De Hof te Vlaardingen, Holland 5, 57-91. IJsselstijn, M., 2016: De Grote Ontginning 950-1200, in: J.E. Abrahamse, A. van der Zee en M. Kosian, Atlas van de Schie. 2500 jaar werken aan land en water, Bussum, 34-51. Koch, A.C.F., 1970: Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 I, eind van de 7e eeuw tot 1222, Den Haag. Lelivelt, R.A., 2006: Rotterdam Van Ghentkazerne 2. Een karterend en waarderend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 334). Louwe Kooijmans, L.P., 1986: Het loze vissertje of boerke Naas? Het een en ander over het leven van de steentijdbewoners van het Rijnmondgebied, in: M.C. van Trierum en H.E. Henkes (red.), Rotterdam Papers V, landschap en bewoning rond de mondingen van Rijn, Maas en Schelde (a contribution to prehistoric, roman and medieval archaeology), Rotterdam, 7-25. Meirsman, E. en F.J.C. Peters, 2006: Rotterdam Groenenhagen-Tuinenhoven. Het documenterend archeologisch veldonderzoek van neolithische bewoning op de top van een rivierduin vindplaats 1378, Rotterdam (BOORrapporten 284).
Modderman, P.J.R., 1953: Een neolithische woonplaats in de polder Vriesland onder Hekelingen (eiland Putten) (Zuid-Holland), BROB 4, 1-26. Moree, J.M., 2003: Rotterdam Noordsingel 90-92, een archeologische inventarisatie door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 128). Moree, J.M., 2006: Barendrecht Gaatkensplas vindplaats 20-126. De waardering, Rotterdam (BOORrapporten 303). Moree, J.M., C.C. Bakels, S.B.C. Bloo, D.C. Brinkhuizen, R.A. Houkes, P.F.B. Jongste, M.C. van Trierum, A. Verbaas en J.T. Zeiler, 2011: Barendrecht-Carnisselande, bewoning van een oeverwal vanaf het Laat Neolithicum tot in de Midden-Bronstijd, in: A. Carmiggelt, M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.), BOORbalans 7 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 15-154. Moree, J.M., A.V. Schoonhoven en M.C. van Trierum, 2010: Archeologisch onderzoek van het BOOR in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 2001-2006, in: A. Carmiggelt, M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.), BOORbalans 6 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 77-240. Moree, J.M. en M.M. Sier (red.), 2014: Twintig meter diep! Mesolithicum in de YangtzehavenMaasvlakte te Rotterdam, Rotterdam (BOORrapporten 523). Moree, J.M., M.C. van Trierum en A. Carmiggelt, 2018: Onderzoeksagenda Archeologie van de gemeente Rotterdam.
Prehistorie en Romeinse tijd, Rotterdam. NITG-TNO, 1998: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Rotterdam Oost (37O), Haarlem
27
RGD, 1979: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Rotterdam West (37W), Haarlem. RGD, 1994: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Gorinchem West (38W), Haarlem. Schoor, A. van der, 1999: Stad in aanwas. Geschiedenis van Rotterdam tot 1813, Zwolle. Schoor, A. van der, 2013: De dorpen van Rotterdam van ontstaan tot annexatie, Stichting Historische Publicaties Roteradamum 190. Trierum, M.C. van, 1992: Nederzettingen uit de IJzertijd en de Romeinse Tijd op Voorne-Putten, IJsselmonde en een deel van de Hoekse Waard, in: A.B. Döbken (red), BOORbalans 2 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 15-102. Trierum, M.C. van, A.B. Döbken en A.J. Guiran, 1988: Archeologisch onderzoek in het Maasmondgebied 1976-1986, in: M.C. van Trierum, A.B. Döbken en A.J. Guiran (red.), BOORbalans 1 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 11-104. Vos, P.C., 2015: Origin of the Dutch coastal landscapes, Delft, Paleogeografische kaarten, in: Cohen, K. en E. Stouthamer, 2012: Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht. Vredenbregt, A.H.L. en M.C. van Trierum, 2012: Rotterdam Markthal - Archeologisch onderzoek 1. Bewoningssporen en vondsten uit de Romeinse tijd en de prestedelijke periode (10e-11e eeuw); zes opeenvolgende huizen op terpophogingen in de nederzetting Rotta, Rotterdam (BOORrapporten 469 deel 1). Westerhoff, W.E., T.E.
Wong en E.F.J. de Mulder, 2003: Opbouw van de ondergrond, in: E.F.J. de Mulder, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.), De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352. Zagwijn, W.H. en C.J. van Staalduinen (red.), 1975: Toelichting bij de geologische overzichtskaarten van Nederland, Haarlem. Zijl, W., M.J.L.Th. Niekus, P.H.J.I. Ploegaert en J.M. Moree, 2011: Rotterdam Beverwaard Tramremise. De opgraving van de top van een donk met sporen uit het Mesolithicum en Neolithicum (vindplaats 13-83), Rotterdam (BOORrapporten 439).
Overige bronnen Archis, Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl) BOORIS, Archeologisch informatiesysteem van het BOOR (maart 2020) Het landelijk portaal voor ruimtelijke plannen (https://www.ruimtelijkeplannen.nl) HisGIS, kadastrale kaarten uit 1832 (https://hisgis.nl)
28
Nationaal Archief (https://www.nationaalarchief.nl) Platform Wederopbouw Rotterdam (https://wederopbouwrotterdam.nl/buurten/zomerhofkwartier) Provincie Zuid-Holland, 2007. Cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, kaart 1b (Archeologische waarden) (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas). Stadsarchief Rotterdam (https://stadsarchief.rotterdam.nl/) Spoorwegen Archief (https://hetutrechtsarchief.nl/spoorwegen) Uitgeverij 12 Provinciën, 2005: Luchtfoto-Atlas Zuid-Holland. Loodrechtluchtfoto’s provincie ZuidHolland, schaal 1:14.000, Landsmeer. Topotijdreis, Tijdreis over 200 jaar topografie van het Kadaster (http://topotijdreis.nl)
Overzicht bronnen in BOORIS Archeologie
Archis AMK BOORvindplaatsen BOORrapporten Archeologische rapporten derden Programma’s van Eisen
AWK
Archeologische Waardenkaart van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne
Bestemmingplannen
Gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne
Bodemkaarten
Bennema, J., 1955: Rapport betreffende de bodemgesteldheid van de Prins Alexanderpolder bij Rotterdam. Stiboka rapport 134, Wageningen, ondergrondkaart.
Bouwhistorie
rijksmonumenten rijks- en gemeentelijke monumenten beschermde stadsgezichten
Geologie
GeoTOP driedimensionaal model van de Nederlandse ondergrond door TNO Hijma, M., 2009. From river valley to estuary: the early-mid Holocene transgression of the Rhine-Meuse valley, The Netherlands, Utrecht. NITG-TNO, 1998: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Rotterdam Oost (37O), Haarlem RGD, 1979: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Rotterdam West (37W), Haarlem RGD, 1994: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Gorinchem West (38W), Haarlem
Historische kaarten
HisGIS Hingman collectie
29
Kadastrale minuten 1811-1832 TMK: Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden Hoogte
AHN: Actueel Hoogtebestand Nederland Hoogtebestand Rotterdam
Overige boringen
Milieutechnische boringen DCMR DINO: Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl)
Paleogeografie
Vos, 2015: Origin of the Dutch coastal landscapes, Delft, Paleogeografische kaarten Cohen, K. en E. Stouthamer, 2012: paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht
Topografie
BGT Basisregistratie Grootschalige topografie DKK Digitale Kadastrale Kaart
Verstoringen
Funderingstypekaart LVZK: Leidingverzamelkaart
WO2
IKME: Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) Brandgrens Kennisbank Tweede Wereldoorlog
30
AFKORTINGEN
AHN AMK AMZ Archis AWK BGT BOOR BOORIS DCMR DINO DKK HisGIS GNSS gps IKME KLIC KNA LGM LS LVZK mv NAP RD RGD SIKB TMK TNO VS
Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumentenkaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Archeologische Waardenkaart Basisregistratie Grootschalige Topografie Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam Archeologisch informatiesysteem van het BOOR Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond Digitale Kadaster Kaart Historisch Geografisch Informatiesysteem Global Navigation Satellite System Global Positioning System Indicatieve Kaart Militair Erfgoed Kabels en Leidingen Informatie Centrum Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Laat Glaciaal Maximum Afkorting voor specificatie Bureauonderzoek (binnen de KNA) Leidingverzamelkaart maaiveld Normaal Amsterdams Peil Rijksdriehoek Rijks Geologische Dienst Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden Nederlands organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek Afkorting voor specificatie Inventariserend Veldonderzoek (binnen de KNA)
31
Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam
Opgesteld door: gemeente Rotterdam 7 juni 2022
Marktruimteverkenning detailhandel ZoHo