[24bb001735] Bijlage 1 behorende bij 24bb002447 over Ontwerpbestemmingsplan Zomerhofkwartier
Tekst van het document
In ruimtelijke zin loopt de hoogte van de bebouwing daarbij op vanaf de kleinschalig bebouwde Noordsingel richting het hoger bebouwde stadscentrum en de Hofbogen. Voor de hoogteaccenten van de STAD-laag zijn minimale en maximale bouwhoogten bepaald. Ten opzichte van het Masterplan, zijn de bouwhoogten van de hoogteaccenten op een aantal punten iets gewijzigd. Het participatietraject heeft ertoe geleid dat gekozen is om de bouwhoogte langs de Teilingerstraat iets te verlagen. Om voldoende ruimte voor het beoogde programma te behouden, is de bouwhoogte richting de Zomerhofstraat iets verhoogd, om zodoende toch een gebalanceerd totaalplan te kunnen realiseren. De ruimtelijke principes zijn op verschillende manieren geborgd in dit bestemmingsplan. Zo zijn diverse rooilijnen en bouwhoogten vastgelegd. Tussen de gebouwen gelden bepaalde minimale afstanden waaraan voldaan dient te worden. Deze zijn weergegeven op een kaart, die als bijlage bij de planregels is gevoegd.
4.3
Juridische planbeschrijving
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe functie in het plangebied gerealiseerd. De van toepassing zijnde bestemmingen zijn hieronder nader toegelicht. 4.3.1
Gemengd
Bestemmingsregels en specifieke gebruiksregels De beoogde bebouwing binnen het plangebied heeft de bestemming "Gemengd" gekregen. Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn diverse functies toegestaan (o.a. wonen, bedrijvigheid, horeca, een gemakswinkel, dienstverlening, cultuur en ontspanning alsmede maatschappelijke voorzieningen). Ook is een parkeergarage binnen deze bestemming mogelijk. Deze wijze van bestemmen is in lijn met de wijze van bestemmen op andere locaties waar diverse functies aanwezig zijn dan wel zijn toegestaan. In de planregels zijn de maximale woningaantallen en het maximaal aantal vierkante meters aan overige
45
functies vastgelegd. Ten aanzien van het totale metrage b.v.o. dat aan niet-woonfuncties wordt toegestaan, geldt dat 1.500 m2 aan horeca van het totaal wordt uitgesloten. De reden hiervoor is dat de reeds bestaande horeca in het gebied (met een omvang van 1.500 m2 bvo) niet tot het totale metrage van 15.860 m2 b.v.o. toegekend moet worden. Op de locaties van bestaande horeca (ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van gemengd - horeca 2' en 'specifieke vorm van kantoor - horeca' in de bestemming Kantoor) wordt naast daghoreca ook avondhoreca toegestaan, conform de huidige situatie. Op de overige locaties (ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - horeca') is uitsluitend daghoreca toegestaan. Bovendien is een voorwaardelijke verplichting voor horeca opgenomen, om te borgen dat rekening gehouden wordt met stemgeluid en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit (en/of eventuele maatwerkvoorschriften die van toepassing kunnen zijn). Voor de (groen)voorzieningen op het dak, wordt onderscheid gemaakt tussen dakterrassen (enkel toegankelijk voor bewoners) en daktuinen (openbaar toegankelijk verblijfsgebied). Bouwregels De maximale bouwhoogte is op de verbeelding vastgelegd met bouwhoogten en middels bouwaanduidingen.
Middels de specifieke bouwaanduidingen genummerd 1 t/m 5 zijn de maximale hoogten van de LAND-laag alsmede de maximale en minimale hoogte van de STAD-laag geborgd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' wordt tevens een specifieke kunstuiting toegestaan, om de beoogde ZOHO letters op het dak mogelijk te maken. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 6' is een bebouwingsverbod opgenomen, zodat een afstand van 10 meter tussen kavel 3.0 en de bedrijfsbestemming gehandhaafd blijft. Onder voorwaarden kan worden afgeweken van deze bouwregels. Deze regeling is opgenomen voor het geval dat het bestaande bedrijfspand toch herontwikkeld wordt. Indien de locatie wordt herontwikkeld tot een functie met een lagere of geen milieu impact, staat realisatie van woningen op kortere afstand een goed woonen leefklimaat immers niet meer in de weg. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het echter te allen tijde wenselijk om doorgang van 6,4 meter te behouden, zodoende is deze afstand als voorwaarde opgenomen. Verder zijn ter plaatse van het overdekte sportveld en de tribune specifieke aanduidingen opgenomen. Ter plaatse van kavel 1.0 is de parkeergarage beoogd. Hier is op de verbeelding een aanduiding 'parkeergarage' opgenomen en middels de regels is geborgd dat hier een parkeergarage gerealiseerd wordt.
Daarnaast zijn de minimale maatvoeringsafstanden die aangehouden dienen te worden tussen de (hoogteaccenten van) de gebouwen, op basis van de zogeheten LAB-, LAND- en STAD-lagen uit het Masterplan, vastgelegd in de bouwregels (met bijbehorende verwijzing naar de betreffende bijlage bij de regels). Balkons worden niet buiten het bouwvlak toegestaan. Voor balkons is een regeling opgenomen, om de bouwdiepte en toegestane hoogte vanaf maaiveld van de overhangende balkons te borgen. Denk hierbij aan bijv. een balkon aan een hoogteaccent van de STAD-laag, dat zich - welliswaar binnen het bouwvlak - boven de LAB- en/of LAND-laag kan bevinden. Tot slot is een aanduiding opgenomen om de beoogde uitkraging te verankeren op de verbeelding. 4.3.2
Kantoren
Ter plaatse van de bestemming 'Kantoren' zijn zowel kantoren en bedrijvigheid als horeca en een hotel toegestaan, met daaraan ondergeschikt berg- en stallingsruimten, dakterrassen en daktuinen en groen en water. In de planregels zijn de maximale vierkante meters van de toegestane functies dan wel het aantal hotelkamers vastgelegd. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding vastgelegd. Daghoreca en/of avondhoreca is enkel ter plaatse van de aanduiding voor horeca toegestaan. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, om te borgen dat rekening gehouden wordt met stemgeluid en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit (en/of eventuele maatwerkvoorschriften die van toepassing kunnen zijn). Er is een aanduiding opgenomen om de beoogde uitkraging te verankeren op de verbeelding.
46
4.3.3
Verkeers- en verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs en parkeergelegenheid. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). Sportvoorzieningen zijn eveneens toegestaan binnen de bestemming 'Verkeers- en verblijfsgebied', aangezien een sportveldje beoogd is. 4.3.4
Waarde - Archeologie 1
Het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. Vanwege de archeologische verwachtingswaarde is voor een deel van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Dit betekent dat deze gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1.0 meter beneden maaiveld (ongeacht het terreinoppervlak), is een omgevingsvergunning nodig en zal middels een archeologisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord. 4.3.5
Waarde - Archeologie 2
Het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. Vanwege de archeologische verwachtingswaarde is voor een deel van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Dit betekent dat deze gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1.0 meter beneden maaiveld die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m2 beslaan, is een omgevingsvergunning nodig en zal middels een archeologisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord. 4.3.6
Waarde - Cultuurhistorie - 2
Het zogenoemde "Gele Gebouw" kent cultuurhistorische waarde. Ter plaatse van het cultuurhistorisch waardevolle pand is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' opgenomen. Dit betekent dat deze gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor het behoud van de aan het gebied eigen zijnde cultuurhistorische waarden. Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders het bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen.
47
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2
Provinciaal beleid
Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe samen met de partners wordt gewerkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Dit regionaal waterprogramma is onderdeel van het Zuid-Hollandse omgevingsprogramma. 5.1.3
Rotterdams en regionaal beleid
Waterplan 2 De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: » » »
Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.
Gemeentelijk Rioleringsplan Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2021-2025 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2021-2025 heeft Rotterdam vijf doelen geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5.
Een goed functionerend stedelij kwatersysteem voor een aantrekkelijke stad; Klimaatbestendig stedelijk watersysteem; Robuust grondwatersysteem; Actieve communicatie en participatie; Innovatie, digitalisering en automatisering.
48
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Daarnaast heeft het hoogheemraadschap een waterbeheerprogramma opgesteld. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1.
2.
3.
Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Ter plaatse van en aangrenzend aan het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten noorden van het plangebied is de Noordsingel gelegen. 5.3.2
Grondwater
Er ligt een grondwaterpeilbuis in het plangebied (nummer 129568 - 98). Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij de betreffende peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. 5.3.3
Waterkering
In en rondom het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig en er is derhalve ook geen sprake van beschermingszones waar rekening mee moet worden gehouden. 5.3.4
Riolering
In de huidige situatie is een gemengd rioleringstelsel in het plangebied aanwezig, waar zowel hemelwater als afvalwater in terechtkomt. De wens is echter om hemelwater zo veel mogelijk af te koppelen.
49
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
In het plangebied is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Op grond van de Keur van het hoogheemraadschap geldt een watercompensatieopgave wanneer meer dan 500 m2 verhard oppervlakte wordt toegevoegd. Het plangebied is in de huidige situatie reeds grotendeels verhard. De toevoeging van verhard oppervlak beperkt zich hooguit tot een plot van 600 m2 dat in de huidige situatie onverhard is. Een dergelijke toename in verharding, resulteert derhalve in een watercompensatie verplichting. Over de wijze van compensatie heeft afstemming plaatsgevonden met het hoogheemraadschap. Op basis van de beleidslijn van het hoogheemraadschap, kan middels de waterberging die in het plangebied is voorzien, worden voldaan aan de voorwaarden voor compensatie. De beoogde ontwikkeling voorziet in klimaatadaptieve maatregelen waaronder groen/blauwe daken. Vooruitlopend daarop kan worden aangegeven dat in ZOHO toonaangevende oplossingen voor klimaatadaptatie worden toegepast. Door een samenspel van natuurlijk vegetatie, verdamping, retentie en berging wordt er een eigen waterkringloop gemaakt, die de rest van de stad minimaal belast. Dit resulteert in een goed leefklimaat voor flora en fauna en hiermee worden actuele thema's als biodiversiteit, klimaatadaptatie, hittestress en fijnstof geïmplementeerd.
In natte periodes wordt het regenwater maximaal gebufferd, om vervolgens in droge periodes het groen in ZOHO te kunnen bevloeien vanuit de eigen voorraad, zodat gebruik van schoon drinkwater niet nodig is. Dit systeem is afgestemd op het beleid van de gemeente Rotterdam en het hoogheemraadschap. Daarnaast zorgen actieve en passieve oplossingen bij extreme hitte voor een aangenaam en koel verblijfsklimaat, ook in de buitenruimte. 5.4.2
Grondwater
De beoogde ontwikkeling leidt, rekening houdend met de toename van het verhard oppervlak en de daktuinen die worden gerealiseerd, niet tot een versnelde afvoer van hemelwater. Mede gezien de aanlegdiepte van de parkeergarage (op maaiveld) heeft de ontwikkeling in zijn geheel geen invloed op de grondwaterstand. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkering (langs de Nieuwe Maas). Deze primaire waterkering is ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 100.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks (bij een dijkdoorbraak) zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire waterkering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied bij een dijkdoorbraak zal overstromen, waarbij de waterstand op het maaiveld kan oplopen tot circa 1,20 meter. Bij deze overstromingsdiepte is er kans op slachtoffers, en is bij een overstroming evacuatie noodzakelijk. 5.4.4
Riolering
De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van vooral het aantal woningen. Omdat woningen voor aanzienlijk meer afvalwater zorgen dan de andere functies krijgt het riool een flinke hoeveelheid afvalwater meer te verwerken. In de huidige situatie is een gemengd rioleringsstelsel aanwezig. Als onderdeel van de gebiedsontwikkeling, zal het bestaande gemengde gemeenteriool worden vervangen door een gescheiden gemeenteriool, waarvan de (minimaal) benodigde capaciteit wordt bepaald op basis van het (maximaal) te realiseren programma. Het afgekoppelde hemelwater wordt uiteindelijk geloosd op de Noordsingel. Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden geen belemmeringen verwacht.
50
5.5
Conclusie
Voor bepaalde onderdelen van het plan kan een vergunning van het hoogheemraadschap nodig zijn, op basis van de Keur van HHSK. Bij de planuitwerking wordt hier rekening mee gehouden. Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
51
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effectrapportage
6.2.1
Algemeen
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
m.e.r.-bcoordeling {l)ij besluiten uit korom4}
plan-flva.r. {bij plannen uil kolom 3)
drímpįtwWrCl* Ç.Jijţr
drempel*aarde U-Njit
vormvrijo m.e.r-beoordeling
Figuur 6.1 Overzicht verschillende m.e.r.-procedures
(bron: www.infomil.nl )
Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, een aanmeldnotitie te worden opgesteld.
52
6.2.2
Plangebied
Het bestemmingsplan Zomerhofkwartier maakt woningen en een diversiteit aan daarbij behorende voorzieningen mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een activiteit (categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r.
D 11.2
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
De aanleg, In gevallen waarin de wijziging of activiteit betrekking heeft uitbreiding van op: een stedelijk 10. een oppervlakte van ontwikkelings 100 hectare of meer, project met 20. een aaneengesloten inbegrip van gebied en 2000 of meer de bouw van woningen omvat, of winkelcentra 30. Een of bedrijfsvloeroppervlakte parkeerterrein van 200.000 m2 of meer. en.
De structuurvisie, De vaststelling van bedoeld in de het plan, bedoeld in artikelen 2.1,2.2 en artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, van de Wet ruimtelijke en het plan, bedoeld ordening dan wel bij in artikel 3.1, eerste het ontbreken daarvan lid, van die wet. van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Tabel 6.1 Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
Een stedelijk ontwikkelingsproject is niet direct MER-plichtig. Wel is het formeel m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat de ontwikkeling niet boven de drempelwaarde van 2000 woningen dan wel 200.000 m2 of meer bvo uitkomt, ligt het totale plan onder de drempelwaarden waarvoor een formele m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (kolom 2). Op basis van Europese regelgeving dient wel een vormvrije-m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel van deze vormvrije-m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in voorliggend hoofdstuk van dit bestemmingsplan. Afbakening van het project De grens van het stedelijk ontwikkelingsproject wordt gevormd door de plangrens van het bestemmingsplan.
Het plangebied wordt begrensd door de volgende straten: Vijverhofstraat, Teilingerstraat, Almondestraat, Zomerhofstraat (deels), Schoterbosstraat (deels). Op korte afstand vinden nog twee ontwikkelingen plaats: Pompenburg en Katshoek. Het project Pompenburg gaat uit van de nieuwbouw van ca. 1.100 woningen met een aanvullend programma en ook bij Katshoek worden ca. 200 nieuwe woningen ontwikkeld. Beide projecten zijn net als Zomerhofkwartier zelfstandige stedelijke ontwikkelingsprojecten, er is geen sprake van samenhang in de zin van het Besluit m.e.r., omdat: » »
»
Er geen sprake is van financiële samenhang. Iedere ontwikkeling heeft een eigen financiële onderbouwing (bijvoorbeeld een grondexploitatie met bijbehorende bestuurlijke besluitvorming); Er is geen organisatorische samenhang. De projecten worden door verschillende ontwikkelaars gerealiseerd en hebben ieder een eigen planning en fasering. De ontwikkeling van Zomerhofkwartier is niet afhankelijk van de ontwikkeling van de andere twee projecten; Er is geen sprake van bouwkundige samenhang. De projecten staan los van elkaar en vormen geen onderdeel van een grotere bouwkundige constructie die de grens van de afzonderlijke stedelijke ontwikkelingsprojecten overschrijdt.
Voor het project Pompenburg is bij de terinzagelegging een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Voor
53
Katshoek zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden zodra de ruimtelijke procedure gestart wordt. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op grond van de resultaten van de milieuonderzoeken van dit bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Het resultaat is dat er geen belangrijke effecten op het milieu te verwachten zijn waardoor het opstellen van een MER niet noodzakelijk is. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is door B&W genomen voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het besluit is opgenomen in Bijlage 5. 6.2.3
Conclusie
Het opstellen van MER is niet noodzakelijk omdat uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
6.3
Milieuzonering
6.3.1
Algemeen
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Functiemenging In sommige gevallen wordt niet gewerkt met de systematiek waarbij gebruik wordt gemaakt van richtafstanden. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven, geldt dit bijvoorbeeld vanwege bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging.
Vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies in dergelijke gebieden is de 'standaard' systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemening of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de Staat van Bedrijven (SvB) 'functiemenging' toegepast. Rotterdams beleid De gemeente Rotterdam heeft de VNG-lijst vertaald naar de Rotterdamse situatie en heeft een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden.
54
6.3.2
Plangebied
Voor het beschouwen van milieuzonering, wordt onderscheid gemaakt tussen twee systematieken. Enerzijds zijn de activiteiten die binnen het plangebied zelf plaatsvinden relevant, waarbij wordt uitgegaan van de systematiek van functiemenging. Anderzijds zijn de activiteiten buiten het plangebied (in relatie tot de beoogde woningen in het plangebied) relevant. Hierbij wordt uitgegaan van de systematiek met richtafstanden. Activiteiten binnen het plangebied Op planniveau is sprake van functiemenging. Binnen het plangebied worden naast woningen ook diverse andere activiteiten toegestaan, zoals horeca, bedrijvigheid en cultuur en ontspanning. De activiteiten ter plaatse van de bestemming 'Kantoor' vallen binnen de milieucategorieën 1 en 2, waardoor die gezien de daarbij behorende richtafstand op deze locatie gerealiseerd kunnen worden; de afstand tot de nabijgelegen woningen bedraagt immers meer dan 10 meter. Voor de activiteiten ter plaatse van de bestemming 'Gemengd' kan worden aangesloten bij de systematiek die geldt voor functiemenging. Binnen de bestemming 'Gemengd' worden bedrijven tot milieucategorie 2 toegestaan. In de staat van functiemenging vallen de beoogde activiteiten in categorie B1.
Deze categorie betreft bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen of andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan, mits bouwkundig afgescheiden. Aangezien de activiteiten zodanig weinig milieubelastend zijn mag ervan worden uitgegaan dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Daarbij zullen de inrichtingen moeten voldoen aan de eisen die in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Ten aanzien van de beoogde activiteiten binnen het plangebied worden geen belemmeringen geconstateerd. De bedrijvigheid die in het plangebied mogelijk wordt gemaakt, is derhalve aanvaardbaar naast de beoogde woningen. Ten aanzien van horeca binnen het plangebied wordt opgemerkt dat, bij de verdere vorming en uitvoering van het plan, aandacht zal zijn voor mogelijke geurhinder voor woningen als gevolg van horeca. Een en ander is geborgd in het kader van het Activiteitenbesluit en benodigde omgevingsvergunningen. Activiteiten buiten het plangebied Rondom het plangebied zijn direct naast woningen functies aanwezig, zoals onderwijsinstellingen, kerken, fitnesscentra en verschillende andere bedrijfsruimtes/kantoren. Gesteld kan worden dat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden kunnen als gevolg hiervan met één stap worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar.
Allereerst zijn de toegestane activiteiten ter plaatse van de omliggende percelen beschouwd. Hiervoor is gekeken naar de planologische mogelijkheden volgens het bestemmingsplan Bestemmingsplan Agniesebuurt (2010) alsmede het vastgestelde (maar nog niet onherroepelijke) bestemmingsplan Bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt (2021). Hierbij zijn een aantal bestemmingen relevant, te weten de bestemmingen 'Maatschappelijk - 1', 'Maatschappelijk - 2', 'Gemengd - 1', 'Gemengd - 2', 'Gemengd - 3', 'Gemengd - 4' en 'Gemengd - 5'. Op basis van de vigerende bestemmingen gelden richtafstanden. Hieruit blijkt dat een aantal richtafstanden gedeeltelijk reiken tot in het plangebied. Daarom zijn ook de daadwerkelijk aanwezige bedrijfsactiviteiten bezien. Bij de beoordeling van de richtafstanden is zoals eerder toegelicht uitgegaan van een gemengd gebied. Aan de noordzijde van het plangebied is de Horeca Vakschool Rotterdam aanwezig. Voor onderwijsinstellingen geldt een richtafstand van 10 meter. Daarnaast is aan de noordzijde de Rehobothkerk aanwezig. Voor kerkgebouwen geldt eveneens een richtafstand van 10 meter.
Aan de oostzijde van het plangebied zijn aan de Zomerhofstraat de volgende bedrijven aanwezig: Studie Bas Sala (ontwerpbureau), het Gele Gebouw (bedrijfsverzamelgebouw met verschillende ondernemers in de creatieve en duurzame sector), Mes Print Club (grafische werkplaats), de Pinksterkerk (Stichting Eglise Foi Audacieuse Int.) en Holland Harbour productions (film en tv productie). Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren), bedrijven met grafische afwerking en 'reproductiebedrijven opgenomen media' kennen conform de VNG-publicatie een richtafstand van 0 meter. Voor 'grafische reproductie en zetten' alsmede 'overige grafische activiteiten' geldt een richtafstand van 10 meter. Voor Mes Print Club wordt uitgegaan van een richtafstand van 10 meter. Deze richtafstand geldt eveneens voor de Pinksterkerk.
55
Aan de Almondestraat/Schoterboshof zijn de Fit For Free en MMA Rotterdam Ruthless Fight Company gesitueerd. Voor fitnesscentra en sportscholen geldt een richtafstand van 10 meter. Aan de Heer Bokelweg is de Capabel Onderwijs Groep gesitueerd. Voor een dergelijke onderwijsinstelling geldt een richtafstand van 10 meter. Daarnaast zijn aan de Heer Bokelweg verschillende bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) gevestigd. Deze kennen een richtafstand van 0 meter. Voornoemde richtafstanden in gemengd gebied zijn opgenomen in onderstaande figuur. 4- 4'vį 4 4-' /S 4 HH9 +Z + + "*" + 4- tŕ' 44 ^ +V+ 4- -Ps4 4- y-į 4 4 -vdb 4
4 4-4-
tįr + + ^
4- 4-
4-/4- -K
Z V+ -14^+44,
4- 4vv4- 4
4- 4^4 Å 4
4-4-44 W+ 4.
4 4 V
Ċ+ 4- -K^- I + +
4-4-4-
-L -L -L
yr É + 4* 4- -F-..+/4-
4-4-4-
L 4- 4-
4-4-44 4 4 4- 4-y 4- Á- 4- 4-'
4M 4- 4
44
4 4- 4-'
4-4-4-
4 4 -K
4 +JŬ
44
l 4\A4 4- 4\
S.4 4 4*
4 4 -K 4
4- 4- 4
v4- + 4-4-4-4-
444444 ŕ 4 4 4'-'■4^4 4 ,4 4 4 4 4 4* 4 + 4 4 + 44 4 4 4
4 4/
4 4
K+
r
+
4 +S'
4 ^
4+4 .4+4 4+4 4 4 -F' 4 4 4^ 4 + 44 44444 4 4 4' 44+4 4-4 + 44 4+4 4 4 4 T 4 4 4
4+44*
-t‘'4S4 4, 4
iÿ
4 4- 4Ä
\4 -P 4 4
Í+ 4 4
4 4 4
4+4 4 + 44 4+4 4 + 4 4+4 4 4 4 444 4 4 4 4 4 4+4 v4 4 4 4 . 4 4 4 -P 4 44 sį- 4 4
4-4 4
/I 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4s
44
4 + 4 «.4 4
/h\4 4 4
4 4 4
4 4 4
4 4 4 jį-4"' 4 4
4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4
4 4
4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 44444 4,44
4 4 4
'' 4 4
4\4 4 4
+X +
Figuur 6.2 Vigerende bestemmingsplannen met daarop weergegeven het plangebied (rode stippellijn) met de voorlopige bouwenveloppe, en de van toepassing zijnde richtafstanden voor relevante bedrijven buiten het plangebied (groene contouren)
Uit deze figuur volgt dat de richtafstanden aan de noordwestzijde van het plangebied over de beoogde bebouwing heen lopen. Dit betreft echter alleen de lagere delen en daarin zullen geen woningen worden gerealiseerd. De bebouwing met hogere hoogte, waarin wel woningen worden gerealiseerd, bevindt zich net buiten de richtafstand. Dit vormt dan ook geen belemmering. Daarbij kunnen de ten noordwesten van het plangebied gesitueerde activiteiten ook als functiemenging worden beschouwd waardoor mag worden aangenomen dat bouwkundige maatregelen volstaan. Op de figuur is tevens te zien dat de richtafstand aan de zuidzijde reikt tot in het plangebied. Dit betreft op de verbeelding het bouwvlak met de bestemming 'Kantoor', waardoor dit geen belemmering vormt voor het plan. Binnen de bestemming 'Kantoor' worden immers geen woningen toegestaan. 6.3.3
Conclusie
Voor de activiteiten binnen het plangebied zelf, geldt dat enkel bedrijfsactiviteiten worden toegestaan die die direct naast of beneden woningen gerealiseerd kunnen worden (mits bouwkundig afgescheiden). Aangezien de activiteiten zodanig weinig milieubelastend zijn mag ervan worden uitgegaan dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Daarbij zullen de inrichtingen moeten voldoen aan de eisen die in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. De bedrijvigheid die in het plangebied mogelijk wordt gemaakt, is derhalve aanvaardbaar naast de beoogde woningen. De beoogde ontwikkeling kan niet geheel aan de richtafstanden voldoen die van toepassing zijn wanneer wordt gekeken naar de planologische mogelijkheden van naastgelegen bestemmingen buiten het
56
plangebied. Wanneer wordt ingezoomd op de feitelijk aanwezige bedrijvigheid, dan kan worden geconcludeerd dat de nieuwe woningen wel degelijk voldoen aan de richtafstanden die in dat geval van toepassing zijn. De huidige bedrijven worden dan ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Gezien voorgaande zal ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in het kader van bedrijven en milieuzonering.
6.4
Verkeer en parkeren
6.4.1
Algemeen
Het plan omvat woningen en diverse niet-woonfuncties. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: » »
Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.
Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een plan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in de zone 'centrum'. 6.4.2
Plangebied
Steeds meer stadsbewoners hebben geen auto. Ze prefereren het gebruik van het openbaar vervoer of de fiets. Dat vraagt een andere benadering op het gebied van mobiliteit. De centrale ligging van het Zomerhofkwartier, met het Centraal Station op tien minuten loopafstand, biedt een goede bereikbaarheid en vervoersmogelijkheden. Het autogebruik staat niet meer centraal in het denken over mobiliteit. Parkeren Onder andere vanwege de lange doorlooptijd van de ZOHO-ontwikkeling, biedt dit bestemmingsplan een bepaalde flexibiliteit ten aanzien van het te realiseren programma. In de planregels van dit bestemmingsplan is een regel opgenomen, waarmee wordt geborgd dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen en bij het wijzigen van het gebruik moet worden aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Zodoende is geborgd dat wordt voldaan aan de parkeereis. Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aan te tonen, is een parkeeronderzoek uitgevoerd. De flexibiliteit ten aanzien van het te realiseren programma is hierbij naar de parkeerbehoefte vertaald door een waarschijnlijk scenario met realistische invulling als functieprogramma mee te nemen. Het parkeeronderzoek is uitgevoerd door Goudappel Coffeng en is opgenomen als bijlage 6.
Het functieprogramma is volledigheidshalve berekend inclusief de 31 woningen van de Almondestraat (Kavel 6.0 - MOODZ) waarvoor geen bestemmingswijziging nodig is en waar voorliggend bestemmingsplan dan ook geen betrekking op heeft. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht. Volgens het parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam is het plangebied gelegen in 'Zone A'. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de normen die voor dat gebied gelden. Uit de parkeerbalans blijkt dat 120 parkeerplaatsen nodig zijn op eigen terrein (inclusief 15 deelauto's)
57
ten behoeve van vaste gebruikers (bewoners/werknemers). In de parkeergarage zijn 121 parkeerplaatsen opgenomen. Er is daarmee sprake van een acceptabele parkeersituatie. Ontsluiting en verkeersgeneratie Voor langzaam verkeer staat ZOHO in goede verbinding met het Oude Noorden en de binnenstad. De Zwart Janstraat en het Eudokiaplein, de belangrijkste plekken voor de dagelijkse voorzieningen, liggen op slechts op vijf minuten loopafstand. In ZOHO is een deelmobiliteitsconcept (Mobility as a Service) beoogd. Om de verkeerssituatie in beeld te brengen, is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Goudappel Coffeng en opgenomen als bijlage 7. In het verkeersonderzoek is tevens aandacht besteed aan de verkeersgeneratie op basis van een maximale invulling van het planologisch toegestane programma (worst-case scenario). Daarbij is het planeffect bepaald. Uit het onderzoek en de uitgevoerde kruispuntberekeningen volgt dat de doorstroming op het kruispunt Heer Bokelweg Boekhorststraat niet substantieel wijzigt tussen de referentie- en planvariant(en) 2033. In beide varianten is er sprake van een acceptabele doorstroming in 2033. 6.4.3
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied voor de verschillende vervoerswijzen is goed. Op eigen terrein kan worden voldaan aan de berekende parkeerbehoefte, mede gebaseerd op de Rotterdamse parkeernomen. Bovendien geldt dat de ontsluitingswegen, zowel in de huidige als toekomstige situatie, voldoende capaciteit hebben om de verkeersstromen op een goede manier af te wikkelen. De te realiseren parkeervoorziening en ontsluiting is hiermee afdoende en staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
6.5
Geluid
6.5.1
Algemeen
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorweg- en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet-wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.5.2
Plangebied
Weg- en railverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Heer Bokelweg, Noordplein, Noordsingel,
58
Pompenburg en Schiekade en van het spoor rondom station Rotterdam Centraal. Het plan is eveneens gelegen in de nabijheid van een aantal 30 km/uur-wegen. Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure is daarom een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd, zie ook bijlage 8 en 10. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevels van het project als gevolg van zowel het wegverkeer op de Heer Bokelweg, Noordplein, Pompenburg en Schiekade de voorkeursgrenswaarde (van 48 dB) niet overschrijdt. Ook de geluidbelasting als gevolg van railverkeer op de trajecten rondom Rotterdam Centraal overschrijdt de voorkeursgrenswaarde (van 55 dB) niet. Ten gevolge van de 30 km/uur wegen binnen en rondom het project is wel een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde berekend. Deze geluidbelasting is echter niet hoger dan 53 dB (inclusief aftrek conform art. 110g Wgh). Derhalve geldt dat alle gevels en de daaraan gelegen buitenruimten kunnen worden aangemerkt als geluidluw. Hogere waarden zijn niet benodigd. Wel zal bij de verdere uitwerking van het plan (in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen, zie ook hierna) rekening worden gehouden met deze geluidbelasting.
In het kader van een goed woon- en leefklimaat, en op basis van het gemeentelijk geluidbeleid dient bekeken te worden of voorzieningen ten behoeve van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies benodigd zijn. Als toetsingskader kunnen de eisen met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten conform het Bouwbesluit gebruikt worden, waarbij in plaats van de hogere waarde wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting. In het akoestisch onderzoek is dan ook de cumulatieve geluidbelasting bepaald (van alle bronnen gezamenlijk). De cumulatieve geluidbelasting van alle wegen en spoortrajecten bedraagt maximaal 57 dB (exclusief aftrek art. 110g Wgh). Geconcludeerd wordt dat, bij toepassing van de juiste geluidwerende voorzieningen in de gevels, voor alle woningen binnen het plangebied een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd is. De eisen zijn reeds geborgd in het Bouwbesluit. Voor de bestemmingsplanprocedure vormt dit dan ook geen belemmering. Volledigheidshalve wordt bovendien opgemerkt dat de nieuwbouw aardgasloos wordt gerealiseerd en dat met stadswarmte gewerkt wordt, waardoor het aantal dakinstallaties en eventuele hinder daarvan beperkt zal zijn.
Industrie- en horecalawaai In het kader van de ontwikkeling is bovendien een akoestische beoordeling uitgevoerd aangaande de bescherming tegen geluid afkomstig van de binnen het nieuwbouwplan gelegen inrichtingen en sportvoorziening en de om het plan gelegen bestaande inrichtingen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 en 10. De geluidbelasting op de gevels van het nieuwbouwplan is bepaald ten gevolge van alle geluidrelevante activiteiten van voornoemde inrichtingen en sportvoorziening. Aan de hand hiervan is enerzijds bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwbouwwoningen en bestaande woningen in de directe omgeving van het plangebied (en de nieuwe inrichtingen kunnen voldoen aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit). Anderzijds mogen de bestaande omliggende inrichtingen akoestisch gezien niet worden belemmerd door het planvoornemen en zodoende zijn ook de activiteiten buiten het plangebied onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In het onderzoek zijn uitgangspunten aangehouden met betrekking tot de terrassen binnen het plangebied.
De uiteindelijke exacte geluidbelasting ten gevolge van de terrassen is afhankelijk van de exacte invulling en omvang van deze terrassen en eventuele bouwkundige maatregelen die in de nieuwbouw worden opgenomen. In de planregels van dit bestemmingsplan is geborgd dat voordat de gronden in gebruik worden genomen voor de horeca-activiteiten en bijbehorende terrassen er een akoestisch onderzoek overlegd moet worden, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en/of de eventuele van toepassing zijnde maatwerkvoorschriften. Uit het onderzoek volgt dat op basis van de resultaten in combinatie met het juist borgen van enkele maatregelen in het bestemmingsplan en het eventueel opstellen van maatwerkvoorschriften, geconcludeerd kan worden dat voor alle nieuwe woningen en alle omliggende bestaande woningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat kan
59
worden gewaarborgd in de toekomstige situatie. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond. Gelet op voorgaande, vormt industrie- en horecalawaai geen belemmering voor de vaststelling dit bestemmingsplan. 6.5.3
Conclusie
Het geluid ten gevolge van weg- en railverkeer voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder en vraagt daarmee in het kader van het bestemmingsplan niet om nadere aandacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is industrie- en horecalawaai bovendien onderzocht, waaruit blijkt dat voor alle nieuwe woningen en alle omliggende bestaande woningen een akoestisch goed woonen leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het aspect geluid vormt geen belemmering.
6.6
Luchtkwaliteit
6.6.1
Algemeen
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » » « » »
er door (de ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren
60
beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. 6.6.2
Plangebied
In het bestemmingsplan worden nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Toetsing van het plan aan het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve aan de orde. Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, betreffen woningen en niet-woonfuncties. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (30Zo van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan "Zomerhofkwartier" blijven hier ruim onder. Volledigheidshalve is op basis van de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plan (zie ook paragraaf 6.4) de NIBM-tool ingevuld. Immers worden met de beoogde ontwikkeling, naast woningen, ook andere voorzieningen mogelijk gemaakt.
Daarbij is in lijn met het verkeersonderzoek uitgegaan van werkdaggemiddelden terwijl de NIBM-tool normaliter wordt ingevuld op basis van weekdaggemiddelden. Daarmee is sprake van een worst case inschatting; het weekddaggemiddelde is namelijk lager dan een werkdaggemiddelde. Uit de NIBM-tool volgt dat de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentraties. Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit planrMltSfliie
2Ü21
Extra verkeer ais gevolg van hel plan Extra voertuigbewegingen bvŕckdagge-nr-tedtldc) Aanteel vt Hchlver Maximale bijdrage extra verkeer
577 S.OSį
NŪj in pÿ/m3
0.4Ů
PMif in gg-TTť
Û,1Ū
Grens voor Tl iel In Betekenende Male' in norm1
1,2
Conclusie De bijdrage van liet extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 6.3 Uitsnede NIBM-tool
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 gg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 gg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 gg/m3 voor fijnstof PM2i5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van de dichtstbijzijnde rekenpunten nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 1 september 2022).
61
Rekenpunten NQ2 lig/1113
PM 10 ĮigZm3
PM2.5 Ųg/rïiĴ
Jaar
15957773
2020
15957779
2020
16008875
2020
N02 Įig/mS
PM10 ĮigZm3
PM2.5 ŲgZm3
Jaar
15957773
2030
15957779
2030
16008873
2030
Figuur 6.4 Totale concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2020 en 2030 (bron: NSL Monitoringstool)
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. 6.6.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
6.7
Bodem
6.7.1
Algemeen
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.2
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 11. Uit het onderzoek volgt dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Deze verontreinigingen geven aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen bij toekomstige grondwerkzaamheden in het kader van herontwikkeling. De locatie wordt zonder saneringsmaatregelen niet geschikt geacht voor de beoogde woonbestemming. Voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden zal er met behulp van een saneringsplan of BUS-melding (gestandaardiseerd saneringsplan) het voornemen tot saneren worden ingediend bij het bevoegd gezag (DCMR). Dit vormt een randvoorwaarde voor de aanvraag omgevingsvergunning. De saneringsmaatregel en/of het grondwerk zal uitgevoerd dienen te worden door een voor de BRL 7000 erkende aannemer en begeleid dienen te worden door een voor de BRL 6000 erkende milieukundig
62
begeleider. Na beëindiging van de saneringswerkzaamheden dient er een (BUS-)evaluatie van de sanering te worden opgesteld. Dit verslag dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overlegd, waarna de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen zonder tuin). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het bodemonderzoek in bijlage 11 eveneens betrekking heeft op de deellocatie aan de Almondestraat 141-247 (ook wel bekend als kavel 6.0), hoewel deze deellocatie geen onderdeel uitmaakt van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Vanwege de aangetroffen verontreinigingen is voor een aantal deelgebieden een vervolgonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder opgenomen. Nader bodemonderzoek Schoterbosstraat en Zomerhofstraat Het nader bodemonderzoek, naar de Schoterbosstraat en Zomerhofstraat (deellocaties ook wel bekend als kavel 4.0 en kavel 5.0) en de openbare weg van de Zomerhofstraat, is bijgevoegd als bijlage 12. Ter plaatse van kavel 4.0 (in het onderzoek aangeduid als kavel 4.2) zal nieuwbouw worden gerealiseerd en kavel 5.0 zal verbouwd zal gaan worden. Ter plaatse van de Zomerhofstraat zal nog een rioolreconstructie worden uitgevoerd. De aanleiding tot het nader onderzoek wordt gevormd door aangetoonde verontreinigingen met PAK, lood en asbest. De aanleiding tot het verkennend onderzoek is het ontbreken van resultaten m.b.t. het riooltracé.