CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001735] Bijlage 1 behorende bij 24bb001745 over Ontwerpbestemmingsplan Zomerhofkwartier

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 9 april 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting39.310 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Zomerhofkwartier

Inhoudsopgave Toelichting

Toelichting

5

Hoofdstukl

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

6

Beschrijving van het plangebied

9

2.1

Huidig gebruik

9

2.2

Archeologie

9

2.3

Stadsgezichten, monumenten en cultuurhistorie

11

Beleid

19

3.1

Rijksbeleid

19

3.2

Provinciaal beleid

21

3.3

Gemeentelijk beleid

30

Hoofdstuk4

Planbeschrijving

42

4.1

Inleiding

42

4.2

Projectbeschrijving

42

4.3

Juridische planbeschrijving

45

Water

48

5.1

Beleidskader

48

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

49

5.3

Huidige watersysteem

49

5.4

De wateropgave

50

5.5

Conclusie

51

Milieu

52

6.1

Inleiding

52

6.2

Milieu effectrapportage

52

6.3

Milieuzonering

54

6.4

Verkeer en parkeren

57

6.5

Geluid

58

6.6

Luchtkwaliteit

60

6.7

Bodem

62

6.8

Externe veiligheid

63

6.9

Natuur

66

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk5

Hoofdstuk6

2

6.10

Duurzaamheid

68

6.11

Bezonning

69

6.12

Windhinder

71

Hoofdstukľ

Handhaving

73

Hoofdstuk8

Financiële uitvoerbaarheid

74

Hoofdstuk9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

75

9.1

Participatie

75

9.2

Vooroverleg

76

9.3

Zienswijzen

76

Bijlagen Bijlage 1

Archeologisch bureauonderzoek

Bijlage 2

Bouwkundige opname kavel 2.1

Bijlage 3

Marktruimteverkenning gemakswinkel

Bijlage 4

Masterplan

Bijlage 5

M.e.r.-beoordelingsbesluit

Bijlage 6

Parkeeronderzoek

Bijlage 7

Verkeersonderzoek

Bijlage 8

Akoestischonderzoek weg- en railverkeerslawaai

Bijlage 9

Akoestischonderzoek industrie- en horecalawaai

Bijlage 10

Addendum akoestischonderzoek en bezonningsstudie

Bijlage 11

Bodemonderzoek

Bijlage 12

Nader bodemonderzoek Schoterbosstraaten Zomerhofstraat

Bijlage 13

Quick scan flora en fauna

Bijlage 14

Nader ecologisch onderzoek

Bijlage 15

Stikstofdepositieonderzoek

Bijlage 16

Bezonningsstudie

Bijlage 17

Windhinderonderzoek

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het Zomerhofkwartier (ZOHO) is gelegen aan de noordoostzijde van het centrum van Rotterdam. Het voornemen bestaat om het Zomerhofkwartier te herontwikkelen. Dit bestemmingsplan is opgesteld om deze herontwikkeling mogelijk te maken en vormt een vertaling van het door het college vastgestelde Masterplan "ZOHO Rotterdam". Door de herontwikkeling ontstaat een levendig, gemengd stedelijk gebied nabij het stadscentrum en openbaar vervoer. Zo kan het gebied meer betekenis krijgen voor de stad. Door de beoogde toename in programma, vindt een verdichting plaats ten opzichte van de huidige situatie. De functie wonen zal een prominente plaats gaan innemen. Daarnaast zullen ook andere functies, waaronder bedrijvigheid, kantoren, horeca, sportvoorzieningen, een gemakswinkel, een hotel, dienstverlening, voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning en maatschappelijke functies onderdeel uitmaken van de herontwikkeling. De gebiedsontwikkeling is niet mogelijk volgens de regels van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat een planologische procedure benodigd is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Vanwege de gewenste flexibiliteit, is gekozen voor het opstellen van een bestemmingsplan om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

Een bestemmingsplan bestaat onder andere uit een toelichting waarin wordt beschouwd in hoeverre sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document bevat deze toelichting.

1.2

Gekozen planopzet

Het plan heeft een ontwikkelingsgericht karakter, zodat de beoogde herontwikkeling mogelijk wordt gemaakt en tevens de nodige flexibiliteit wordt geboden. De drie belangrijkste uitgangspunten voor het bestemmingsplan zijn: »

»

*

Realistisch bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen waarvan aannemelijk is dat deze in de planperiode worden verwezenlijkt, of waarvan in elk geval te verwachten is dat er op enig moment in de planperiode een begin mee gemaakt wordt. Globaal bestemmingsplan. Omdat niet met zekerheid is te voorspellen welke ontwikkelingen zich precies gaan voordoen binnen de planperiode, is het essentieel dat - binnen de kaders van het bestemmingsplan en passend binnen de milieuwet- en regelgeving - voldoende speelruimte is om gedurende de planperiode effectief in te spelen op de feitelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat het bestemmingsplan flexibel moet zijn. Om zoveel mogelijk flexibiliteit te bieden is in het bestemmingsplan uitwisseling van functies mogelijk gemaakt. Bestemmingsplan dat duurzaam ruimtegebruik bevordert. Het bestemmingsplan bevordert duurzaam ruimtegebruik, doordat de kavels binnen het plangebied optimaal benut worden.

In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de wijze van bestemmen.

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de Agniesebuurt in de wijk het Oude Noorden. Het plangebied wordt begrensd door de volgende straten: Vijverhofstraat, Teilingerstraat, Almondestraat, Zomerhofstraat (deels), Schoterbosstraat (deels). Binnen het plangebied is voornamelijk bedrijvigheid gevestigd. In de omgeving zijn verschillende functies aanwezig, waaronder wonen.

5

ļ Legenda r.VĴ plangebied

'i N*?» V

150 m

Figuur 1.1. Indicatieve begrenzing van het plangebied weergegeven op een topo achtergrondkaart (Bron: Qgis; eigen bewerking)

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeert bestemmingsplan "Agniesebuurt". Dit bestemmingsplan is op 28 januari 2010 vastgesteld (onherroepelijk op 30 april 2010). Op basis van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Gemengd - 2’, 'Gemengd - 3’, 'Verkeer - Verblijfsgebied’, 'Groen' en 'Tuin'. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied A' van kracht. Tevens gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingsplannen "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam" en "Parapluherziening biologische veiligheid". Opgemerkt wordt dat het plangebied niet is meegenomen in het bestemmingsplan "Oude Noorden en Agniesebuurt", welke op 8 juli 2021 is vastgesteld door de gemeenteraad.

6

+ -PsK

ļtf 4^4XF f

-t4N4.-ŕ"'*4 4-4-

W Legenda

'4

-ŕ' -4

+Z+ Z/+ 4 4 K-

X. 4

jĒ LVĴ plangebied

/4 X 4 N^/4 /VX.+

+4-X+ 4)4/4

4/řN: 4 4 444 4^*-,

\\v -4- +A

Z

v i

4 /4

4 4

'•-tX X -Nį 4 X 4 X+/

.4\4 4\4 4 4/4 -Ì-Vį4*”4

4

4 4 4 4/4 4 V...+ 4

^ 4 4 4. 4

+X + +X,

X

4 + 4 4'--/ 4 4

4 X/t +X + 4 4 X...+ 4,4 4^4^ 4" ^4 4 4""X 4

,+yx +'

4

A- +

/,

į-

-•X^ \4'X,:..XX4

Ţň

.4 4

+4

4

W+ 4 ^" 4,

4 4 4 4 4 X+ X

4/4--.

A 4 V,

V+

44 j

4 4 4 j

j

j

.4/4 4 4 4.4 4444

.4 4 + 4 4:. 4 4 4 + 4 4 4 4 4/4 4/: V V+i

ż +Ar pK 7YT Ŵ it +T 7 T +Z# y+^-k 4 4 y+Zf +Y+/+ 4 4 444444 4 ZÀ+ 4 + 44 4 4 4 4 4 Y H+M

4 4 4 4 4 4 4v 4' •4-4"' f 4 + 4 4-

"

4 4

4 4 4 4 4 -F 4 Xy

"

4 4

Y4 4 + 4

4)4

X. j. . j. . . . 4/4 4 4 4 4 4 4 NW ^ y 4 4444444

4- ĴX-I.4- ' Z+ 4 "4/4 4 -K+ -ŕ

4 4/4 4 4.

4X4

'4 4 4 4

v4 4 4 4 4 4 4

4 ;..4 4 4X4^ 4 ' X.4

v.M

..4-4'

^4 4 4 4/4'-4/4

V 4 4;

4/4

4 4 X^4 4/4 4 4 4

4/4 4

4444444 4 4 4 4 4 H/+ 4 + 4 4/4 4/ 4 '•'XáPĮ 4- 4/^4 4 s -i- î/iwv + ,t-L-Ki zcO jy/x Axx-xx. -L 4 -u 4 -L 4

Z+ +X+

'4 4 /4 4

+ 444

4/4 4 4

4-""-4 4,

4 4'

4 4 4- 4 4

yf' 4 4

■S+ 4+4

X.+Nį 4 4 4Vv^ 4 4 4N4 ^4X4 4 4'

4 4 .4/ 4 4 4 -F

4 4 -4 -P 4 4.4 "K 4 4 4

N4 4\4 4'

a- 4 4

y +Hİ+

4 H4X + -Ky

4 4 4/4 4 4 4 4 4- 4 Y 4/4/ 4 4

+ VXF

+ 4'

4

4 4 4 4 4 X + 4s

J Ái 4 4 4 4.............L 4 .4 4 4 A- y

'

+4

4

4 4 4 4 + 4/4 .4 4

4 4 4 4"4 4 4N4 4 4Nţ 4 4 4 4\4 4

4

4 + 4 -X + 4 4X+ 4 4\f 4 4X4 4 X 4 -X4 4\4 4 4 H- 4 4 4 4 4s 4 4\4 4 4\4 4/4 4 4* + + + + + + + -F 4 4\4 4 +Y+ 4+44 4 4 4 4 4

XX4 4 4\4 4 -4 4

'

.4

+4

4

-h 4 4 4

+ 4

+ 44 +1'-

4

...--•'4 4 4 4

,.4iyXļC4 4 ^4^4 Y* 4

+.--+X4' 4 4

jf 4

44444 44

4 4 4 4 4 4 4 ...4/4- +V+ 4 4 4 4 4 4

4444444 44444444444 4444444444

4

+4

+H+ +Í

/4 4 +W 4 4

4444444

4 4 4 4 4 4 4 -K+v 4+44 4/4 V4 + + + / + A+ + + + ++ + +

+ + x ■4 4 4 4

f.

150 m

4 4 4 4 4

4 4 .4-

V Í+

71 '4....4""4 V 4 \4 4 ļ

Figuur 1.2. Uitsnede vigerende bestemmingsplannen mei 2021)

4,

+X+

4 4

■4 4 4 4 4 4 4 4. -4 4 ļ 4 4

4 4 4 --"4 -h

/'4 4 4 + 4 4 4- 4' 4 4 4/4 4

X + + + + + + +,

.4 4 4

.-•4^4 +V

į 4à

4 /4 4 4 4 4 .-4)'K"4 4\ 4

4

+X+ 4 4\4 4 '-4 4 + 4

4'"-4

■V'':'4 4 4 + 4 4 .4 4

A+ 4-

HA + 4X\V

4 + 4,

.4 4 4 4

'4 4 4 1A+V

4/14 4+14 + 4 -K+ 4 + 4 + 4, 4

+4

4i 4 4

4 +İ+1++.

en daarop aangegeven het plangebied (Bron Qgis; PDOK, geraadpleegd op 4

Volgens het bestemmingsplan Agniesebuurt zijn de gronden met een gemengde bestemming onder andere bestemd voor: bedrijven tot en met categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten in geval van de bestemming ’Gemengd - 2’ en tot en met categorie 3.2 in geval van de bestemming ’Gemengd - 3’, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bij de functies behorende voorzieningen. De gronden rondom de bebouwing zijn voorzien van de enkelbestemming ’Verkeer - Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn bestemd voor: voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen, voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen, bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bestemming, terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. Ter plaatse van het hele plangebied geldt de dubbelbestemmingen ’Archeologisch Waardevol gebied A’.

Dit betekent dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren. Dit geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan 2,5 meter beneden het maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2. In de parapluherziening parkeernormering Rotterdam is een regeling opgenomen, een voorwaardelijke verplichting, die verwijst naar de parkeernormen voor auto’s en fietsen in het geldende beleid. De parapluherziening biologische veiligheid omvat regels over laboratia waarin gewerkt wordt met biologische agentia. Aangezien dit voor de beoogde ontwikkeling niet relevant is, wordt hier in voorliggend bestemmingsplan niet nader op ingegaan. Wel worden dergelijke activiteiten in voorliggend bestemmingsplan uitgesloten. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan

7

"Agniesebuurt". Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plangebied

Huidig gebruik

Het Zomerhofkwartier is een wijk in de Agniesebuurt, gelegen aan de rand van het centrum van Rotterdam. Het plangebied is een voormalig bedrijventerrein uit de jaren '50, grenzend aan de vooroorlogse bebouwing van Rotterdam Noord. Het Zomerhofkwartier heeft zich in de afgelopen jaren 'organisch' ontwikkeld als gevolg van een door de gemeente vormgegeven slow-urbanisme aanpak. Dit heeft geleid tot veel dynamiek in bedrijvigheid en de aanwezigheid van vele creatieve ondernemers. In de huidige situatie is veel van de aanwezige bebouwing gevuld met creatieve- en maakondernemers die zorgen voor een aantrekkelijke uitstraling. In totaal is ter plaatse van het plangebied sprake van circa 20.000 m2 bvo aan bedrijfsvloeroppervlak. Daarvan is 1.500 m2 in gebruik ten behoeve van horeca. Binnen het plangebied is daarnaast aan de Schoterbosstraat een Cruyff Court aanwezig waar kinderen gezamenlijk buiten kunnen sporten en bewegen. i ^auuumuismHiiii uuťbuuiy

J

.GjįéTŕJŨĮ^ŗdÄ.

* 4.

Sm .Hosťěl'Dēļîvlaíkees^ *

IŜpoCsgfíoolRottemag?,

'JtM

gadkmeì(HòofcilOcatie) -

‘■"Grafise^Lyceui «Ŗotterdai

: Ï3ĩ\ļ

Figuur 2.1. Huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps)

2.2

Archeologie

Beleidskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die deel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het

9

rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bewoningsgeschiedenis Oude Noorden en Agniesebuurt De wijk waarin het plangebied is gelegen, maakte in de prehistorie lange tijd deel uit van een uitgestrekt veengebied ter weerszijden van de Rotte. Bewoningssporen zijn in dit veengebied bekend uit de Late IJzertijd, zoals stroomopwaarts langs de Rotte bij Terbregge. Oudere bewoningssporen uit de Steentijd en de Bronstijd kunnen in de diepere ondergrond aanwezig zijn. In de Romeinse tijd werd in een groot deel van het plangebied klei afgezet op het veen. Uit de directe omgeving zijn aanwijzingen dat er in de Romeinse tijd op deze kleiige zone langs de Rotte is gewoond.

Het gebied werd in de Middeleeuwen vanaf de 10e eeuw ontgonnen, mogelijk vanuit iets oudere nederzettingen, die vanaf de 8e^e eeuw direct bij de Rotte op de oevers waren gevestigd. Het gaat dan om de nederzetting 'Rotta', die in de 11e eeuw voor het eerst historisch is vermeld. Archeologische verwachtingen plangebied Vanwege de archeologische verwachtingswaarde is door BOOR een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 1. Uit het onderzoek volgt dat ter plaatse van het plangebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum. Daarnaast geldt voor het plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld). Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld) geldt een hoge verwachting. Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf de 12e - 13e eeuw) en de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. De bewoningssporen en vondsten bevinden zich op klei, (Formatie van Echteld) of op het overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren, jongere fase).

De verwachte vindplaatsen vanaf de IJzertijd kenmerken zich door het voorkomen van onder meer ophogingslagen en aardewerk, houtskool, (verbrand) bot, mest en een zogenaamde ‘vuile’ laag. Op grond van het bureauonderzoek luidt het advies voor het plangebied Zomerhofkwartier in Rotterdam dat er voorzieningen moeten worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. Vervolgonderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg wordt aanbevolen. Op dit moment is de exacte omvang van de bodemverstorende werkzaamheden onbekend. Het BOOR zal in het kader van de omgevingsvergunning en op basis van een uitgewerkt funderingsplan toetsen of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De op de gronden van toepassing zijnde dubbelbestemming blijft derhalve in dit bestemmingsplan van toepassing. Dubbelbestemmingen archeologie Het plangebied kent twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Dit in tegenstelling tot het vigerend bestemmingsplan "Agniesebuurt" (2010), op basis waarvan slechts één archeologische dubbelbestemming aan het plangebied was toegekend. De dubbelbestemmingen in voorliggend bestemmingsplan zijn toegekend op basis van de 'plankaart archeologie' uit het vigerend bestemmingsplan "Oude Noorden en Agniesebuurt" (2021), aangezien dit inzicht geeft in het actuele archeologische kader.

Met toepassing van deze dubbelbestemmingen, is de bescherming van archeologische waarden geborgd. Waarde - Archeologie 1 Aan het centraal gelegen deel van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' toegekend. Hiervoor geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en

10

graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld, ongeacht het terreinoppervlak. Waarde - Archeologie 2 Het overige deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor dit deel van het plangebied geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

2.3

Stadsgezichten, monumenten en cultuurhistorie

Algemeen De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde.

De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Cultuurhistorischewaarde van het plangebied in relatie tot omgeving In relatie tot de omgeving, zijn diverse cultuurhistorische aspecten te onderscheiden. Achtereenvolgens wordt ingegaan op: de verbinding met de Agniesebuurt en de versterking van de brandgrens. Verbinding met Agniesebuurt De stedenbouwkundige structuur van het Zomerhofkwartier heeft een fijnmazige verankering met de Agniesebuurt, de gebiedsontwikkeling wordt zowel visueel, fysiek en programmatisch verbonden met de omliggende straten, rooilijnen, groenstructuren en bebouwingshoogten.

De structuur volgt en herstelt ten dele de opzet van de vooroorlogse Agniesebuurt dat zich kenmerkt als een slagenlandschap met langgerekte percelen haaks op de Blommerdijk (huidige Bergweg) en de Hofdijk (Cultuurhistorische verkenning 19e-eeuwse wijken in Noord: Oude Noorden, Agniesebuurt en Provenierswijk, 2013). De gebiedsontwikkeling sluit aan op deze historische opzet door het in stand houden van de noord-zuid verbinding van de Agniesestraat met de Schoterbosstraat en door de smalle verkaveling tussen de Schoterbosstraat en de Almondestraat te behouden. De huidige en de toekomstige korrelgrootte,

11

parcellering en massa-opbouw van het Zomerhofkwartier vormt een overgang tussen de grote korrel van de stadsvernieuwing langs de Schiekade en de heer Bokelweg, de binnenstad en de pandsgewijze bebouwing van de Agniesebuurt.

PTCr.*fVfrrï.A1|"

Figuur 2.2. Onderzoeksgebied

Cultuurhistorische

verkenning 19e-eeuwse wijken in Noord (2013)

Lr’jripJj

PiÇWfnkĩMrŕM TfHw»*

AļŕH-vcMì**! Jriťŭfa Lť.ViIrJil I * Hqrüřsīnilradl HuNpnrtui H.vi i-ii.rfn.il**! Vì-i^-.-Ua1^Wĵ

ZuSmŭh-ťnlïHi: Orj-J SctofenTfliufl VkbriwnikvfruA

ļjmļįr*ií

Eki'yíiiienīn ftXnilmwļ

turundw -.liiirn

Figuur 2.3. Kaart van de secundaire straten en het slagenlandschap, de structuur waar de wijk op gebaseerd is. (Cultuurhistorische verkenning 19e-eeuwse wijken in Noord: Oude Noord, Agniesebuurt en Provenierswijk, 2014)

12

vj^ļ 'V.-,

įįV-ŗ!

ř

i

EEHEENTf DOTTEflOtfl ,ZŪI"IE RHDFKfŤAŪI ţB.

Figuur 2.4. Het wederopbouwplan voor het Zomerhofkwartier uit 1962 met daaronder de vooroorlogse opzet nog zichtbaar. Deze wordt in de gebiedsontwikkeling weer gedeeltelijk hersteld. (Cultuurhistorische verkenning Zomerhofkwartier, 2018)

Versterking van de brandgrens De gebiedsontwikkeling Zomerhofkwartier is inherent verbonden en gerelateerd aan de brandgrens. De brandgrens markeert een sterke scheiding en soms harde confrontaties van de verschillende tijdslagen van de bebouwing en architectonische uitstraling (Cultuurhistorische verkenning Zomerhofkwartier, 2018). Binnen de brandgrens staat de Wederopbouw architectuur centraal, buiten de brandgrens is de vooroorlogse bebouwing van de Agniesebuurt nog zichtbaar. De bebouwing is contrastrijk met de rode bakstenen en ornamenten van de vooroorlogse bebouwing en de robuuste structuren en geleding van beton, staal en glas van de wederopbouw. In de Wederopbouw van het Zomerhofkwartier, onder invloed van de cityvorming, is in functie, schaal en bouwstijl aansluiting gezocht bij de Schiekade en de Coolsingel (Cultuurhistorische verkenning 19e-eeuwse wijken in Noord: Oude Noorden, Agniesebuurt en Provenierswijk, 2013).

13

ť Mřf/A, WÏMţš

WjĚĘįìÊt ļVV iāř-;

:ÊŜįļ«5

mmãmm

sC?ï' 3āW L?c?ťţ

Figuur 2.5. Brandgrens markeert een scheiding tussen de vooroorlogse Agniesebuurt en de Wederopbouw van het Zomerhofkwartier. In het beeld is zichtbaar dat de Agniesestraat doorliep tot de Zomerhofstraat. Deze wordt in de gebiedsontwikkeling weer hersteld. (Cultuurhistorische verkenning Zomerhofkwartier, 2018)

Cultuurhistorischewaarden binnen het plangebied In relatie tot het plangebied zelf, zijn diverse cultuurhistorische aspecten van belang. Achtereenvolgens wordt ingegaan op: ontstaansgeschiedenis Zomerhofkwartier, beeldbepalende gebouwen, gelaagde ontwikkeling en karakteristiek van de Teilingerstraat. Ontstaansgeschiedenis Zomerhofkwartier Het Zomerhofkwartier werd grotendeels verwoest tijdens het bombardement van mei 1940. De wederopbouw kwam echter pas in de jaren zestig van de vorige eeuw op gang. In de periode tussen het bombardement en het in 1960 vastgestelde Wederopbouwplan Zomerhofkwartier werd het gebied tijdelijk ingericht met noodbebouwing voor bedrijven en vond een enkele kerk of kantoor hier een plek. De geplande, maar nooit gerealiseerde aanleg van een nieuwe spoorlijn en een invalsweg voor autoverkeer hielden de ontwikkeling van het gebied jarenlang in hun greep. In de periode van de stadsvernieuwing werden de laatste lege plekken bebouwd. Het hart van het gebied wordt gevormd door een binnenstedelijk bedrijventerrein met een mix van kantoren, groothandel, opslag en kleine industrie. Daaromheen bevinden zich scholen, kerken en enkele woningbouwprojecten. Vanaf de jaren negentig raakte het Zomerhofkwartier in verval. De oorspronkelijke bedrijven trokken weg en door de aanleg van de spoortunnel raakte het gebied verder geïsoleerd van de binnenstad.

Rond de eeuwwisseling vond een kentering plaats. Woningbouwcorporatie Havensteder en de gemeente kopen vastgoed op met het idee woningbouw te realiseren. Door de economische crisis zijn deze plannen verlaten en in plaats daarvan is een proces van geleidelijke transformatie ingezet. Een aantal kantoorgebouwen werd getransformeerd tot verzamelgebouwen voor de creatieve industrie (Cultuurhistorische verkenning Zomerhofkwartier, 2018). Op basis van de cultuurhistorische verkenning kan worden geconcludeerd dat het Zomerhofkwartier een voor de wederopbouw van Rotterdam bijzondere ontstaansgeschiedenis heeft, waarin verschillende ideeën over de invulling van het gebied elkaar opvolgen. Het gebied kent drie dominante tijdslagen: vooroorlogse infrastructuur van water en spoor, wederopbouwarchitectuur van bedrijven en scholen en woningbouw uit de stadsvernieuwingsperiode. Dit heeft geresulteerd in een zeer gevarieerd bebouwingsbeeld met opvallende contrasten en soms harde confrontaties van tijdlagen.

14

Het ensemble is een vervolg op de noodbebouwing die hier tijdens de Tweede Wereldoorlog is gerealiseerd. Een dergelijk voor nijverheid en kleinindustrie ontwikkeld bouwblok is uniek in de Rotterdamse binnenstad en van hoge cultuurhistorische waarde. De gebouwen in het Zomerhofkwartier onderscheiden zich door hun industriële en modernistische bouwwijze en zijn perceelsgewijs ontwikkeld. Het door middel van stevige hoek- en kopblokken verankeren van het bouwblok in maat en schaal van de omgeving is typerend voor de wederopbouw van Rotterdam. Er zijn dan ook een aantal ruimtelijke randvoorwaarden bepaald. Zo is tijdens de planuitwerking zoveel mogelijk ingezet op hergebruik van bestaande gebouwen. De beeldbepalende objecten uit de cultuurhistorische verkenning maken deel uit van het verhaal over het toekomstig Zomerhofkwartier. De historische gelaagdheid (van de 19e eeuw tot heden) dient zichtbaar te blijven en de wederopbouwarchitectuur blijft als prominente laag zichtbaar. De combinatie van de typische wederopbouwarchitectuur en de vele creatieve bedrijfjes in het gebied geeft ZOHO de identiteit waar het om bekend staat. Het behoud van deze identiteit vormt de kern van de opgave voor de herontwikkeling van ZOHO. Beeldbepalende gebouwen Binnen het bestemmingsplangebied liggen geen beschermd stadsgezichten en monumenten.

Wel is sprake van een aantal beeldbepalende gebouwen, zie onderstaande figuur. Binnen het ensemble van bedrijfspanden bevindt zich een aantal panden met een meer hoogwaardige architectonische uitwerking zoals een bijzondere opzet, materiaalgebruik en detaillering of kunsttoepassing, waarmee ze boven het gemiddelde uitstijgen.

15

K I ks monument

Waarde^ol ie structuur

Geimeeirttcl 11 k Monument

Betcheirmd stadswacht

BftfkiljepdHeiid ubjetl

FrktiťliļnífPi

Arrhpolnqi-whr belangni kf pluih

Fuctieo le-kken

Figuur 2.6. Uitsnede waarderingskaart, Zomerhofkwartier 2018)

beeldbepalende objecten binnen het plangebied (Bron: Cultuurhistorische

Verkenning

In de cultuurhistorische verkenning van het Oude Noorden zijn de panden aan de Zomerhofstraat 52, 56, 60-64 en 66-68 reeds aangemerkt als beeldbepalend pand. Op grond van deze studie worden het hoekpand Zomerhofstraat 76 (het zogenaamde Gele Gebouw) en het kantoorgebouw Vijverhofstraat 47 (Glazen gebouw) hieraan toegevoegd. In het plangebied voor dit bestemmingsplan zijn de onderstaande gebouwen opgenomen. »

"Gele Gebouw" aan de Zomerhofstraat 76 (Gele Gebouw): Zomerhofstraat 70 t/m 90 Bedrijfsverzamelgebouw, voormalig Waalveem Opdrachtgever: Waalveem NV, Heinrich Hanno & Co bv Architect: L. Kolpa 1967-1969 Het Gele Gebouw (kavel 5) blijft gehandhaafd. Dit gebouw krijgt in voorliggend bestemmingsplan een

16

bescherming middels de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2'. »

Bedrijfsverzamelgebouw Vijverhofstraat 47 (het Glazen gebouw): Vijverhofstraat 47, Teilingerstraat 80 Bedrijfsverzamelgebouw Opdrachtgever: Kramer & Röder Architect: A. Krijgsman, W. van Duin 1961-1963 In het kader van de beoogde ontwikkeling (en in lijn met het Masterplan ZOHO Rotterdam), wordt het beeldbepalende gebouw niet voorzien van de eerdergenoemde dubbelbestemming, omdat in het Masterplan ZOHO Rotterdam de afweging is gemaakt dat dit pand niet behouden kan worden. Dit op grond van 2 aspecten: 1. In de eerste plaats de bouwtechnische haalbaarheid. De architectonisch karakteristieke gevel van het Glazen gebouw, bestaande uit stalen profielen en (enkel) glas, is volledig afgeschreven onder andere door onherstelbare roestvorming en de aanwezigheid van asbest. Deze gevels moeten geheel vervangen worden, wat overblijft is een betonskelet. 2. En in de tweede plaats de mogelijkheid om volume in de hoogte toe te voegen aan het bestaande gebouw, zoals voorzien in dit bestemmingsplan, wordt technisch gezien zeer laag ingeschat vanwege de constructieve opzet van het bestaande gebouw. Eventuele mogelijke oplossingen kosten veel geld, vergen een langere bouwtijd en zijn financieel onhaalbaar. Bijlage 2 Bouwkundige opname kavel 2.1 bevat de onderbouwing.

»

Zomerhofstraat 71 t/m 75, Vijverhofstraat 21 t/m 25 (Blauw-witte gebouw): Zomerhofstraat 71 t/m 75, Vijverhofstraat 21 t/m 25 Voormalige Brood- en banketbakkerij Vooruitgang Opdrachtgever: Rotterdamsche Coöperatieve Broodbakkerij en Verbruiksvereniging sinds 1898 Architect: W. Zonneveld 1964-1965 De Voormalige Brood- en banketbakkerij Vooruitgang, is in de cultuurhistorische verkenning niet gewaardeerd als beeldbepalend, en krijgt daarom geen dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie'. Het hele pand is overgeschilderd waarbij vooral het voorgebouw in een opvallende blauw-witte beschildering weinig recht doet aan de oorspronkelijke uitstraling. Dit gebouw wordt door velen als zeer herkenbaar voor ZOHO ervaren. Hoewel het door de programmaomvang, functiemix en de complexe draagstructuur niet mogelijk is het gebouw geheel te behouden, zal de uitstraling van het blauw-witte gebouw in stand gehouden worden door behoud van de compositie en originele geleding van het gebouw: een teruggelegde gevel met kolommen in de rooilijn op de begane grond en daarboven twee verdiepingen. De gevel is opgebouwd uit horizontale stroken van glas en sierbetonnen borstweringen. De betonnen elementen zullen worden gedemonteerd en teruggebracht in de nieuwbouw. Vanuit de circulaire gedachte en -ambitie zal het materiaal dat vrij komt bij de sloop van de rest van het pand worden verzamelend en hergebruikt.

Gelaagde ontwikkeling Voortbouwend op de confrontaties van de verschillende tijdslagen, heeft het concept van de transformatie van ZOHO gestalte gekregen (zie ook Hoofdstuk 4 Planbeschrijving voor een toelichting op de LAB-, LAND- en STADlaag): » »

De huidige wederopbouwstructuur wordt gerespecteerd, behouden, getransformeerd en/of in dezelfde karakteristiek en structuur herbouwd in de LABlaag. De ornamentale karakteristiek en bakstenen materialisering van de Agniesebuurt en het Oude Noorden wordt voortgezet in de LANDlaag. Deze laag kent altijd een set-back ten opzichte van de Wederopbouw-LABlaag en is daarmee minder aanwezig en vriendelijk in het straatbeeld. Het daklandschap van de LANDlaag refereert met zijn (inheemse) beplanting en waterretentie terug naar de veenmoerassen die vóór de ontginning van het stroomgebied van de Schie en de Rotte het gebied van de huidige Agniesebuurt vormden.

17

«

De STADlaag refereert aan de binnenstad en kent lichtere en meer transparante structuren.

Het accentueren van deze drie lagen borduurt voort op het wezen van de brandgrens: harde confrontaties tussen de verschillende tijdslagen van de bebouwing en architectonische uitstraling. Karakteristiek van de Teilingerstraat Het Glazen gebouw is voor de Wederopbouw tijdslaag als beeldbepalend bestempeld. Het Glazen gebouw wordt herbouwd en behoudt daarbij zijn volumetrie, massa, terugliggende plint en kenmerkende stalen vliesgevel. De bebouwing die hierachter en/of op gerealiseerd wordt krijgt een set-back en een andere architectonische karakteristiek (LANDlaag) zodat het profiel van de Teilingerstraat gehandhaafd blijft en gerespecteerd wordt. Er wordt onderzocht of er ter plaatse van de oorspronkelijke toegang van het gebouw een opgang naar het semipublieke daklandschap kan worden gemaakt. De gebouwhoogten, korrelmaat, rooilijn en beukmaat van de naastgelegen panden ten zuiden en oosten van het nieuwe Glazen gebouw blijven overeind en zorgen dat de karakteristiek van het totaalensemble gehandhaafd blijft en de huidige straatbeleving gerespecteerd wordt. De STADlaag op de LANDlaag refereert aan de binnenstad en kent een lichtere en meer transparante open structuren.

De positionering van de stadsblokken ligt nooit in de rooilijn van de onderliggende LANDlaag, de blokken positioneren zich vrijer in het gebied en vormen een hoogte-opbouw naar het Zadkine cluster en de binnenstad. De stadsblokken worden mede gebruikt om stedelijke scharnierpunten te accentueren, zoals bijvoorbeeld de kruising Vijverhofstraat - Teilingerstraat.

18

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid

Rijksbeleid

Algemeen De Nationale Omgevingsvisie zal voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Vastgesteld op 11 september 2020 In de Nationale Omgevingsvisie zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. ŗj\ļ\KĨSCHApp.

TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN

NATIONALE STRATEGISCHE KEUZES

GEBIEDSGERICHT MAATWERK

prioriteiten

nationale belangen en opgaven

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

afwegingsprincipes

duurzaam economisch groeipotentieel

combineren boven enkelvoudig

sterke en gezonde steden en regio’s

kenmerken b identiteit

toekomstbestendige ontwikkeling ran het landelijk gebied

afwentelen voorkomen

Figuur 3.1. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie

19

2. 3. 4.

Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. 2. 3.

Combineren boven enkelvoudig Kenmerken & identiteit Afwentelen voorkomen

Relatie tot het plan In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: » » » » « »

Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.

Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving”, “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in hoofdstuk 6 Milieu aan de orde komen. Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zie hierna onder paragraaf 3.2.2. Voor de nationale belangen “Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid" en “Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater” wordt verwezen naar hoofdstuk 5 Water. Daarbij wordt opgemerkt dat het een lokale ontwikkeling is waarbij de regels met name worden bepaald door de lagere overheden. 3.1.2

Barro

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 1 januari 2017 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) legt nationale ruimtelijke belangen vast. Het beleid is erop gericht om het aantal regels terug te dringen. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Hierdoor is onder andere de aanwijzing van nationale landschappen vervallen. Het Rijk maakt bijvoorbeeld geen landsdekkende woningbouwafspraken meer, alleen nog in de Noord­ en Zuidvleugel van de Randstad. Het Rijk benoemt alleen nog landelijke doelstellingen om de woningmarkt goed te laten werken. Het landschapsbeleid gaat ook naar de provincies.

20

Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er met een gebied moet gebeuren. Relatie tot het plan In het Barro staan regels omschreven voor bijvoorbeeld grote rivieren en defensie. Bovendien staan er relevante regels omtrent natuurbescherming (Natuurnetwerk Nederland), maar het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden (zie ook paragraaf 6.9 Natuur van deze toelichting). Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor het plangebied. 3.1.3

Bro

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 december 2020 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt, vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening, juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot het plan De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstukken 5 Water en 6 Milieu waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. De ladder voor duurzame verstedelijking wordt behandeld in paragraaf 3.2.2.1.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, de Omgevingsverordening Zuid-Holland en het Programma Ruimte. In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2022) Per 15 maart 2022 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. De provincie heeft hiervoor zeven vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving

21

in de provincie. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: «

» »

De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

S-Euit plan aan bij gebiedsrdentiteit?

Voegt plan zich in bestaande structuur^

Inpassen

Figuur 3.2. Soorten ontwikkelingen (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Relatie tot het plan De beoogde ontwikkeling betreft een inpassing, omdat er sprake is van een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het stedelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats op een binnenstedelijke locatie, nabij andere stedelijke functies. Aan de richtpunten wordt voldaan. Derhalve verandert de aard en schaal van het gebied niet als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en sluit de beoogde functie naar aard aan op het omliggende gebied.

22

Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied (steden en dorpen), zie figuur 3.3. Laag van de stedelijke occupatie Ruimtelijke reservering wegennetwerk Ruimtelijke reservering vaarwegennetwerk Rijksweg Provinciale weg I

|

Spoorlijn Stedelijke waterstructuur indicatief Stedelijke groenstructuur indicatief

O

Historisch centrum, historische kern Stedelijk centrumgebied Stads- en dorpsrand (200 meter) G lastu in bo uwge bi ed Ve rbliyfsre creatieg ebied Watergebonden bedrijventerrein Steden en dorpen Water als structuurdrager

Figuur 3.3 Uitsnede kaart Laag van de stedelijke occupatie (Bron: http://gebiedsprofielen.zuid-holland.nl/)

Vanwege de ligging in het gebied aanwezen als 'steden en dorpen' zijn de volgende richtpunten van toepassing: » » »

« » » » » »

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Daarnaast is de locatie aangewezen als 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. Ontwikkelingen binnen dat gebied dienen bij te dragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van woonbebouwing en een diversiteit aan functies. Hiermee biedt het plan ruimte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is reeds deels bestemd voor diverse bedrijfsfuncties. Gezien de ligging nabij in het stedelijk centrumgebied passen de beoogde activiteiten bij de schaal en aard van het gebied. Daarmee is sprake van inpassing. Het plan heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Daarbij dient te worden opgemerkt dat bij de uitwerking van het plan aandacht wordt besteed aan de inpassing van de ontwikkeling in relatie tot de de omliggende wijken. Met de beoogde ontwikkeling wordt gestreefd naar behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is aandacht voor de beeldkwaliteit van de beoogde bebouwing ten opzichte van de omgeving en wijze van ontsluiting. Hiermee past het plan binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2022) Per 15 maart 2022 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de

23

Omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. Relatie tot het plan Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit: 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie is gelegen binnen het gebied dat is aangewezen als grootstedelijke top- en centrumlocatie, zie ook onderstaande figuur.

Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3.

Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. De toetsing aan de ladder is opgenomen in paragraaf 3.2.2.1. Vooruitlopend hierop kan worden gesteld dat de ladder met succes is doorlopen. Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw 1.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt buiten bestaand stads- en dorpsgebied, houdt rekening met een zo hoog mogelijke

24

2.

woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.

Met het beoogde plan wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke woningdichtheid waar sprake is van een goede woon- en leefomgeving. Hiermee wordt voldaan aan artikel 6.10a. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1. 2.

Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.

De gemeente Rotterdam beschikt over parkeerbeleid waarin voor sociale huurwoningen specifieke parkeernormen zijn opgenomen. De norm uit de verordening wordt dan ook niet gehanteerd. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Conform artikel 6.10d is in de verkeersanalyse ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, zie ook paragraaf 6.4 Verkeer en parkeren. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b.

kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m*2 per 1 vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Op de bij de provinciale Omgevingsverordening behorende kaart 10 in bijlage II is het plangebied aangewezen als 'grootstedelijke top- en centrumlocatie'.

25

Omgevingsverondenīng Zuid-Holland pn werking per 20 april 2019) -J detailhandel {grondgebied ZuidHolland)

ļ (bedrijventerrein met) POV-locatie kantoren {grondgebied Zuid-Holland)

ŪD OV-knooppuntlocatie en centrun- en (intercityjstationslocatie

M bijzondere locatie grootstedelijke top- en centrum locatie

Figuur 3.4 Uitsnede kaart 10 Kantoren en detailhandel behorend bij de Omgevingsverordening http://www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl/)

(Bron:

Kantoren zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds toegestaan binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling voorziet daarom niet in een planologische toevoeging van kantoorruimte. De beoogde kantoorruimte is dan ook niet in strijd met de provinciale Omgevingsverordening. In de provinciale Omgevingsverordening worden winkelconcentratiegebieden aangewezen, waar nieuwe detailhandel wordt toegestaan. Het plangebied is niet gelegen in een dergelijk winkelconcentratiegebied. Wel kent de Omgevingsverordening een aantal uitzonderingen, waaronder kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel, kleinschalige detailhandel bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, ondergeschikte detailhandel ten behoeve van ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf, ondergeschikte detailhandel bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, en kringloopwinkels. In onderhavig bestemmingsplan worden enkel dit soort vormen van detailhandel mogelijk gemaakt. Hierdoor is de beoogde detailhandel in lijn met de provinciale Omgevingsverordening. Het nut en de noodzaak van de beoogde gemakswinkel en ondergeschikte detailhandel is onder meer te vinden in het feit dat er veel woningen in het plangebied worden toegevoegd.

De lokale vraag naar deze beoogde functies op de locatie zal daardoor aanzienlijk toenemen. 6.13. Detailhandel 1.

2.

3.

Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra; b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed

26

4.

5.

inpasbaar is in de centra: » r detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; » 2C detailhandel in volumineuze goederen; » 3C meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; » 4C tuincentra; » 5C bouwmarkten; b. kleinschalige detailhandel: » 1c.in de vorm van een gemakswinkel; » 2c.bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; c. ondergeschikte detailhandel: » r in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; » 2C bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming; » 30 bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels; f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=3486f299-c384-4654-b397-2114fc971bb7