[24bb000157] Afschrift brief van Recreatieschap Rottemeren over verzoek om zienswijze te geven op de voorgestelde aanpassingen van de gemeenschappelijke regeling
Tekst van het document
Bezoekadres
Aan: deelnemers aan de Gemeenschappelijke Regeling Recreatieschap Rottemeren
Postadres Telefoon E-mail KvK Bank BNG BIC-code BTW nummer
Overschieseweg 310 3112 NC Schiedam Postbus 2 3800 AA Amersfoort (010) 298 10 10 info@staatsbosbeheer.nl 53216520 NL24 BNGH 0285 0139 55 BNGHNL2G NL0033.11.764.B.01 www.recreatieschaprottemeren.nl Volg ons:
Contactpersoon
: R. van Raay
Doorkiesnummer
: 010-2981010
Betreft
: Verzoek om zienswijze te geven op de voorgestelde aanpassingen van de gemeenschappelijke regeling
Bijlage
:4 Schiedam, 15-1-2024
Geachte heer/mevrouw, U wordt gevraagd zo spoedig als mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na dagtekening van deze brief uw zienswijze te geven op de voorgestelde aanpassingen van de gemeenschappelijke regeling voor het Recreatieschap Rottemeren, verder de 'GR' te noemen. Voornoemde aanpassingen zijn naar aanleiding van de wijziging van 1 juli 2022 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De wijziging van de Wgr heeft als doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen in relatie tot gemeenschappelijke regelingen te versterken. Om de kaderstellende en controlerende rol van de volksvertegenwoordiging beter in te kunnen vullen en de democratische legitimatie te verbeteren wordt met deze wetswijziging een aantal aanpassingen en aanvullingen geïntroduceerd op de al bestaande wettelijke bevoegdheden en instrumenten. Een aantal van deze wijzigingen is reeds op 1 juli 2022 direct in werking getreden, maar een ander deel zal binnen twee jaar na inwerkingtreding van de Wgr (en dus uiterlijk voor 1 juli 2024) geïmplementeerd moeten worden in alle gemeenschappelijke regelingen. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen die zijn doorgevoerd in de concept GR, zijn de volgende: 1.
Afspraken over participatie: In elke regeling dient te worden opgenomen op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die bij de gemeenschappelijke regeling zijn belegd. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 6 en 7 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat het dagelijks bestuur bij besluiten over ontwikkelingen beslist of de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt aangeboden. Indien de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt geboden, stelt het dagelijks bestuur bij de start van elke participatieprocedure vast op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast. 2. Actieve informatieplicht: Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling speelt. In de gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden gemaakt over de wijze waarop deze informatie wordt aangeleverd. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 21 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat het bestuur via twee manieren informatie, die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, kunnen delen. Dat is schriftelijk aan de raden of via een raadsinformatiebijeenkomst. 1
3. Zienswijze voor besluiten: Er is een verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling afspraken te maken over welke besluiten van het bestuur van een gemeenschappelijke regeling vatbaar zijn voor een zienswijze aan de gemeenteraden. Hierdoor wordt het voor gemeenteraden mogelijk hun opvatting te geven over een voorgenomen besluit. In de gemeenschappelijke regeling kan ook worden afgesproken dat geen besluiten vatbaar zijn voor een zienswijze van de gemeenteraden, maar dat is dan een keuze waar de gemeenteraden bij het voorleggen van de wijzigingsregeling mee in dienen te stem men (art. 1 Wgr). Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 26 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat geen aanvullende besluiten van het bestuur vatbaar zijn voor zienswijze van de raden van de deelnemende gemeenten. De gemeenteraden kunnen bij de vaststelling van beleid voor de GR zienswijzen indienen en bij de P&C cyclus. 4. De GR bevat gewijzigde regels voor de planning- en controlcyclus (met name de begrotingscyclus). De aanpassing van termijnen zien op de indiening van de kadernota, ontwerpbegroting en begroting. Ook nieuw is een verplichting (zie art. 35 lid 4 Wgr) voor het dagelijks bestuur om schriftelijk en gemotiveerd aan de gemeenteraden te laten weten wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid.
In artikel 33 en 35 van de GR zijn voornoemde termijnen gewijzigd en de verplichting van het dagelijks bestuur om een oordeel over de zienswijze kenbaar te maken aan raden, is toegevoegd als lid 4 van artikel 33. 5. Afspraken over evaluatie: Het is verplicht om afspraken te maken over evaluatie van de gemeenschappelijke regeling. De meerwaarde van een evaluatie is dat periodiek wordt stilgestaan bij het functioneren van de gemeenschappelijke regeling. Waar de evaluatie specifiek op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze, wordt niet voorgeschreven. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 3 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat de behartiging van de belangen van de deelnemers aan het recreatieschap (zoals omschreven in artikel 2 lid 2 van de regeling) op verzoek kan worden geëvalueerd. 6. Afspraken over uittreding: Met het oog op mogelijke uittreding uit een gemeenschappelijke regeling kan niet langer worden volstaan met de afspraak dat het (algemeen) bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. Voortaan moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen voor de rechtspersoon, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 41 t/m 48 van de concept GR.
Hierin is, kortgezegd, uitgewerkt dat de gemeente die wenst uit te treden, eerst een voornemen tot uittreding kenbaar maakt, waarna een concept-uittredingsplan wordt opgesteld. In het concept uittredingsplan wordt de voorlopige uittreedsom opgenomen. Na ontvangst van dit concept-uittredingsplan kan de deelnemende gemeente die wenst uit te treden, een definitief besluit tot uittreden aan het algemeen bestuur doen toekomen, waarna een definitief uittredingsplan met een definitieve uittreedsom wordt vastgesteld. In voornoemde artikelen staat voorts omschreven, hoe de (voorlopige) uittreedsom berekend dient te worden. 7. Aan artikel 50 is lid 3 toegevoegd, waaruit blijkt dat het bestuur van de gemeente Rotterdam verantwoordelijk is voor de bekendmaking van de regeling (besluiten tot wijziging, opheffing, verlenging, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding). In de huidige GR is hiertoe namelijk geen gemeente aangewezen en blijkens artikel 26 Wgr dient dan het bestuur van de gemeente waar het schap gevestigd is, zorg te dragen voor bekendmaking. Een verzoek aan het bestuur van de gemeente Schiedam (hier is recreatieschap Rottemeren formeel
gevestigd en om die reden is artikel 2 lid 1 van de GR gewijzigd), is onlogisch en praktisch gezien onhandig omdat deze gemeente geen deelnemer is van de gemeenschappelijke regeling.
8. Aan artikel 19 lid 4 zijn enkele woorden toegevoegd om de bedoeling van dit lid duidelijker en scherper te maken. 9. Tot slot zijn in artikel 1 enkele begrippen toegevoegd (sub i en j) als gevolg van de toevoeging van de artikelen over burgerparticipatie (artikel 6 en 7 van de concept GR). Verzoek om zienswijze en verdere procedure Op grond van artikel 1 lid 3 Wgr kunt u binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling uw zienswijze over de ontwerpregeling geven. Het college ontvangt uw zienswijze echter graag zo spoedig als mogelijk, zodat de GR tijdig gewijzigd en gepubliceerd zal kunnen worden. U mag ook van de mogelijkheid tot het geven van zienswijzen afzien. Uw zienswijze is gericht aan het college. Het college zal deze zienswijze kenbaar maken bij het bestuur van Recreatieschap Rottemeren met het verzoek om uw zienswijze te verwerken. Na verwerking van alle eventuele zienswijzen van de raden van de deelnemende gemeenten, worden de definitieve voorstellen door het Recreatieschap Rottemeren voorbereid. Een definitief concept GR wordt aan de deelnemende colleges van de deelnemende gemeenten voorgelegd. Dan start de definitieve procedure waarbij het college u om toestemming zal verzoeken de GR vast te mogen stellen. Na het verlenen van toestemming zal het college een definitief vaststellingsbesluit kunnen nemen.
Ingevolge artikel 34 van de (huidige) GR, kan de regeling worden gewijzigd bij daartoe unanieme besluiten van de deelnemers, waarna de GR gepubliceerd dient te worden. De GR treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking. Om te voldoen aan de wet, is van belang dat dit voor 1 juli 2024 zal plaatsvinden. Namens het Algemeen Bestuur van Recreatieschap Rottemeren,
De heer R. van Raay bestuurssecretaris
VOORDRACHT ALGEMEEN BESTUUR ROTTEMEREN Onderwerp
:
Kenmerk Bijlagen
: :
Besluitdatum Voorbereid door
: :
1.
Herziening gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren i.v.m. de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen. - Concept regeling (geconsolideerd) - Wijzigingenoverzicht 18 december 2023 mr. M. Schnitker en VAAC
BESLUIT
Het bestuur wordt voorgesteld: - In te stemmen met de herziene gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023 (hierna: herziene GR). - In te stemmen met de hierin opgenomen wijziging van de verhouding deelnemersbijdragen aan het recreatieschap. - Onderling nadere afspraken te maken over een substantiële investering vanuit het recreatieschap Rottemeren in het Rotterdamse deel van de Rotte. - Aan de colleges van de deelnemers voor te stellen de herziene GR vast te stellen (na het opvragen van zienswijzen en toestemming bij de raden van de deelnemers). 2.
ONDERWERP IN KORT BESTEK Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) op verschillende onderdelen gewijzigd. Deze wijziging heeft als doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kader stellende en controlerende rol van gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen in relatie tot gemeenschappelijke regelingen te versterken. Om de kader stellende en controlerende rol van de volksvertegenwoordiging beter in te kunnen vullen en de democratische legitimatie te verbeteren wordt met deze wetswijziging een aantal aanpassingen en aanvullingen geïntroduceerd op de al bestaande wettelijke bevoegdheden en instrumenten. Een aantal van deze wijzigingen is reeds op 1 juli 2022 direct in werking getreden, een ander deel zal binnen twee jaar na inwerkingtreding van de Wgr (en dus uiterlijk voor 1 juli 2024) geïmplementeerd moeten worden in alle gemeenschappelijke regelingen. Deelnemersbijdrage: Sinds 2021 heeft de gemeenteraad van Rotterdam aangegeven dat dat huidige bijdrage van 91% niet meer de juiste verhouding te vinden en vraagt in haar zienswijze dit tegen het licht te houden. De afgelopen periode zijn hierover gesprekken gevoerd tussen de drie deelnemers met als doel te komen tot een objectief criterium voor de verhouding deelnemersbijdragen.
Op 11 december 2023 heeft het DB overeenstemming bereikt en afgesproken dat: • Het objectieve criterium een verhouding naar rato van inwonersaantallen wordt op basis van CBS. • Deze wijziging ingaan per 2025 en dan elke vier jaar worden herzien. • Daarnaast is afgesproken dat het recreatieschap een aantoonbare bijdrage levert aan projecten op Rotterdams grondgebied. De precieze hoogte en momenten hiervan
1
worden in onderling overleg verder uitgewerkt en zullen aan het DB en AB van het recreatieschap Rottemeren worden voorgelegd ter besluitvorming. Herziene gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023 (hierna: herziene GR). De belangrijkste wijzigingen die zijn doorgevoerd in de concept GR, zijn de volgende: 1. Zienswijze voor besluiten: In de gewijzigde Wgr is een verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling afspraken te maken over welke besluiten van het bestuur van een gemeenschappelijke regeling vatbaar zijn voor een zienswijze aan de gemeenteraden. Hierdoor wordt het voor gemeenteraden mogelijk hun opvatting te geven over een voorgenomen besluit. In de gemeenschappelijke regeling kan ook worden afgesproken dat geen besluiten vatbaar zijn voor een zienswijze van de gemeenteraden, maar dat is dan een keuze waar de gemeenteraden bij het voorleggen van de wijzigingsregeling mee in dienen te stem men (art. 1 Wgr). Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 26 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat onverminderd het bepaalde in de Wgr en de GR, er geen aanvullende besluiten van het bestuur vatbaar zijn voor zienswijze van de raden van de deelnemende gemeenten. 2.
Afspraken over participatie: In elke regeling moet worden opgenomen op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die bij de gemeenschappelijke regeling zijn belegd. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 6 en 7 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat het dagelijks bestuur bij ontwikkelingen beslist of de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt aangeboden. 3. Actieve informatieplicht: Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling speelt. In de gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden gemaakt over de wijze waarop deze informatie wordt aangeleverd. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 21 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat het bestuur via twee manieren informatie die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, kunnen delen. 4. Afspraken over evaluatie: Het is verplicht om afspraken te maken over evaluatie van de gemeenschappelijke regeling. De meerwaarde van een evaluatie is dat periodiek wordt stilgestaan bij het functioneren van de gemeenschappelijke regeling. Waar de evaluatie specifiek op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze wordt niet voorgeschreven.
Er kan dus ook worden gekozen voor de afspraak om de regeling niet te evalueren, maar dit is dan een bewuste keuze waar de gemeenteraad bij het voorleggen van de wijzigingsregeling mee dient in te stemmen. Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 3 van de concept GR. Hierin is uitgewerkt dat de belangen (zoals omschreven in artikel 2 van de regeling) worden geëvalueerd. 5. Afspraken over uittreding: Met het oog op mogelijke uittreding uit een gemeenschappelijke regeling kan niet langer worden volstaan met de afspraak dat het (algemeen) bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. Voortaan moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen voor de rechtspersoon, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 41 t/m 48 van de concept GR. Hierin is, kortgezegd, uitgewerkt dat de gemeente die wenst uit te treden, eerst een voornemen tot uittreding kenbaar maakt, waarna een concept-uittredingsplan wordt opgesteld. In het concept uittredingsplan wordt de voorlopige uittreedsom opgenomen. Na ontvangst van dit conceptuittredingsplan kan de deelnemende gemeente die wenst uit te treden, een definitief besluit tot uittreden aan het algemeen bestuur doen toekomen, waarna een definitief uittredingsplan met 2
een definitieve uittreedsom wordt vastgesteld. In deze artikelen staat voorts omschreven, hoe de (voorlopige) uittreedsom berekend dient te worden. _____________________________________________________________________________ 3.
VOORAFGAANDE BESLUITVORMING n.v.t.
4.
JURIDISCHE PARAGRAAF Ingevolge artikel 34 van de regeling, kan de regeling worden gewijzigd bij daartoe strekkende unanieme besluiten van de deelnemers, na daartoe verkregen toestemming van hun raden.
5.
FINANCIËLE GEVOLGEN Niet van toepassing.
6.
COMMUNICATIE Niet van toepassing.
7.
WIJZE VAN TOTSTANDKOMING Ambtelijk voorbereid door Staatsbosbeheer, de VAAC en afdelingen JZ van de deelnemende gemeenten. Vastgesteld door het DB.
8.
VERDERE PROCEDURE -
-
Het algemeen bestuur stemt in met de concept GR en besluit om aan de betrokken bestuursorganen van de deelnemers (colleges) voor te stellen de herziene GR vast te stellen. De colleges verzoeken de gemeenteraden binnen 8 weken een zienswijze bekend te maken. Na ontvangst en verwerking van eventuele zienswijzen nemen de colleges een voorlopig besluit tot vaststelling, waarna de raden van de deelnemers worden verzocht toestemming te verlenen de GR vast te stellen. Na toestemming nemen de colleges een definitief besluit tot vaststelling. Na vaststelling door de colleges van de deelnemers, dient de herziene regeling gelet op artikel 26 lid 4 Wgr onder verantwoording van de gemeente Rotterdam gepubliceerd te worden in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad, waarna deze inwerking kan treden met ingang van de in de gewijzigde regeling aangewezen dag, dat wil zeggen de dag na de datum van de bekendmaking.
Hoogachtend,
R. van Raay Bestuurssecretaris
3
4
1
Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023 De colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Rotterdam, Lansingerland en Zuidplas, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;
overwegende dat de deelnemende gemeenten alsmede de provincie Zuid-Holland sinds 1967 samenwerken ten aanzien van het beheer en de ontwikkeling van natuur en recreatie binnen het werkgebied van de gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren; de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten alsmede Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, per 1 januari 1990 overeengekomen zijn een gemeenschappelijke regeling te treffen; de provincie Zuid-Holland per 1 januari 2018 uit de gemeenschappelijke regeling is getreden en de deelnemende gemeenten hebben besloten per 1 januari 2018 de gemeenschappelijke regeling in herziene vorm (als een collegeregeling) voort te zetten; de gemeenschappelijke regeling opnieuw dient te worden vastgesteld teneinde deze in overeenstemming te brengen met de per 1 juli 2022 gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen, gelezen: de eensluidende besluiten van de raden van de gemeenten Rotterdam, Lansingerland en Zuidplas waarbij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, toestemming is gegeven voor de voorliggende wijziging;
Gelet op:
De Wet gemeenschappelijke regelingen; De Gemeentewet,
Besluiten: de Gemeenschappelijke Regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023 vast te stellen, waarvan de tekst luidt:
2
I. Begripsbepalingen.
Artikel 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
regeling: de gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren; recreatieschap: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van de regeling; deelnemer: een aan de regeling deelnemend college, als bedoeld in artikel 2 van de regeling; deelnemende gemeente: de gemeente waarvan het college deelneemt aan deze regeling; gebied: het gebied zoals is aangegeven op de bij deze regeling behorende en daartoe gewaarmerkte kaart; terreinbeherende organisatie: organisatie die zich ontfermt over het dagelijks beheer van het landschap; gebiedsverordening: de verordening zoals deze door elk van de raden van de deelnemende gemeenten voor het gebied is vastgesteld; Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen. ingezetenen: zij die hun werkelijke woonplaats in een van de deelnemende gemeenten hebben; belanghebbende: belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 Awb, dat wil zeggen degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
II. Naam, belang, taakstelling en evaluatie.
Artikel 2. 1.
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Rotterdam, Lansingerland en Zuidplas vormen een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet, genaamd Recreatieschap Rottemeren, dat is gevestigd te Schiedam.
2.
Het recreatieschap behartigt voor de deelnemers binnen het gebied in onderlinge samenhang de navolgende belangen:
3.
a.
de belangen van de openluchtrecreatie;
b.
de belangen van de natuurbescherming;
c.
het bewaren en bevorderen van het natuur en landschapsschoon.
Het recreatieschap oefent, ter realisering van de door hem te behartigen belangen binnen het gebied, de volgende taken uit: a.
Beheer van en onderhoud aan roerende en onroerende zaken;
b.
Het inzetten en aansturen van derden, waaronder terreinbeherende organisaties, ten behoeve van de uitvoering van de taken van de regeling;
c.
Het uitvoeren van toezicht en handhaving op basis van de gemeentelijke gebiedsverordeningen zoals zij gelden binnen het gebied;
d.
Het uitvoeren van lokaal beleid;
e.
Het vormen en uitvoeren van beleid voor het recreatieschap binnen de daarvoor door de raden van de deelnemende gemeenten gestelde kaders;
f.
Het ondersteunen van de deelnemers bij het voorbereiden en vormen van beleid, regelgeving en programma’s die verband houden met de door het recreatieschap te behartigen belangen;
g.
Het verlenen van vergunningen, ontheffingen en subsidies, waarbij leges kunnen worden geheven;
3
4.
h.
Het uitvoeren van feitelijke werkzaamheden ter uitvoering van gemeentelijke verplichtingen op basis van de Wegenwet;
i.
Het in dienst hebben van ambtenaren of werknemers naar burgerlijk recht.
Over de door de raden vast te stellen kaders en regelgeving vindt tussen de deelnemers periodieke afstemming plaats.
Artikel 3 1.
2. 3.
4.
Op gezamenlijk of afzonderlijk verzoek van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, kan het algemeen bestuur binnen iedere zittingstermijn, de in artikel 2 lid 2 beschreven behartiging van de belangen, evalueren. Het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente die hiertoe verzoekt, zal het verzoek motiveren. Het algemeen bestuur zal na een verzoek als bedoeld in lid 1 van dit artikel overgaan tot evaluatie indien alle colleges van burgemeesters en wethouders van de deelnemende gemeenten instemmen met een evaluatie. Het algemeen bestuur stelt vervolgens vast op welke wijze de behartiging van de belangen van de regeling zal worden geëvalueerd en stelt de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten hiervan in kennis. Het verslag van de evaluatie wordt in ieder geval toegezonden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.
III. Algemene Bepalingen.
Artikel 4 1.
2.
3.
4.
5.
De bevoegdheden die aan het recreatieschap worden overgedragen berusten bij het algemeen bestuur, tenzij in deze regeling anders wordt bepaald. Het algemeen bestuur kan, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen en kan daarbij beperkingen stellen. De in de gebiedsverordeningen aan de colleges toegekende bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid tot de aanwijzing van toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht, alsmede de collegebevoegdheden als bedoeld in artikel 125 Gemeentwet ten aanzien van toezicht en handhaving worden voor wat betreft de behartiging van de belangen en taken van het recreatieschap overgedragen aan het algemeen bestuur. De in de subsidieverordeningen van de deelnemende gemeenten aan de colleges toegekende bevoegdheden worden voor wat betreft de behartiging van de belangen en taken van het recreatieschap overgedragen aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur kan binnen door hem te bepalen grenzen volmacht en mandaat verlenen aan een of meer ambtenaren van de gemeenten van de deelnemende colleges voor het nemen van besluiten en het verrichten van privaatrechtelijke handelingen.
Het dagelijks bestuur houdt een openbaar toegankelijk register bij van gebiedsverordeningen en subsidieverordeningen van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten als bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede van de bevoegdheden uit deze verordeningen die krachtens deze regeling zijn overgedragen aan het algemeen bestuur.
Artikel 5 1.
Het recreatieschap kent de organen: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur;
4
c. de voorzitter. 2.
Het algemeen en het dagelijks bestuur kunnen adviescommissies en bestuurscommissies instellen als bedoeld in de artikelen 23 en 24 op de in die artikelen aangegeven wijze.
IV Burgerparticipatie Artikel 6 1.
Het dagelijks bestuur beslist per ontwikkeling, of de mogelijkheid tot burgerparticipatie aan ingezetenen van de deelnemende gemeente en/of belanghebbenden wordt geboden. Ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden worden, indien de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt geboden, zowel bij de voorbereiding, de uitvoering als de evaluatie van voornoemde ontwikkeling betrokken.
Artikel 7 1.
2. 3.
Indien de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt geboden, stelt het dagelijks bestuur bij de start van elke participatieprocedure vast op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast. Het dagelijks bestuur maakt zijn besluit bekend op een voor die participatieprocedure geschikte wijze. Inspraak bij besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht verloopt door toepassing van afdeling 3.4 van die wet, tenzij het dagelijks bestuur anders beslist. Na afloop van het participatieproces draagt het bestuur zorg voor een terugkoppeling aan de betrokken participanten. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur over de resultaten van de burgerparticipatie.
V. Algemeen Bestuur
Artikel 8 1.
Het algemeen bestuur wordt gevormd door zes leden, door elk van de deelnemers twee uit hun midden aan te wijzen personen, de voorzitter inbegrepen.
2.
De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet in dienst van het recreatieschap werkzaam zijn.
3.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan. De voorzitter van het algemeen bestuur is de voorzitter van het recreatieschap.
4.
De leden van het algemeen bestuur worden benoemd voor de zittingsperiode van de raden.
5.
De colleges besluiten in een van hun eerste vergaderingen van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.
6.
Een lid kan te allen tijde door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen, danwel zelf ontslag nemen. Het college wijst in zijn eerstvolgende vergadering, nadat zijn plaats door ontslag of anderszins is opengevallen, een nieuw lid aan.
7.
Het college dat een lid van het algemeen bestuur benoemt, kan een plaatsvervangend lid benoemen, dat het door hem benoemde lid in geval van ontstentenis of verhindering vervangt. Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel, alsmede artikel 12 is ten aanzien van een plaatsvervangend lid van overeenkomstige toepassing.
8.
De besluiten tot benoeming of ontslag van leden van het algemeen bestuur worden in afschrift aan de deelnemers en aan het algemeen bestuur gezonden.
9.
Het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid anderen uit te nodigen als adviseur aan de vergadering deel te nemen. Het algemeen bestuur regelt deze bevoegdheid nader in het reglement van orde als bedoeld in artikel 11.
5
Artikel 9 1.
2.
3.
De deelnemers plegen tijdig overleg met het dagelijks bestuur over de bij hen in voorbereiding zijnde besluiten waarvan de kennisneming voor de uitoefening van de bevoegdheden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van belang is. Dit overleg wordt voorbereid door de vaste adviescommissie als bedoeld in artikel 23. De deelnemers geven aan het dagelijks bestuur terstond kennis van de hunnerzijds genomen besluiten waarvan de kennisneming voor de uitoefening van de bevoegdheden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van belang is. Onder besluiten als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden in ieder geval gerekend besluiten genomen ingevolge de wetten die het omgevingsrecht betreffen, voor zover betrekking hebbend op het gebied.
Artikel 10 1. 2.
Het algemeen bestuur heeft alle bevoegdheden die het bij of krachtens de Wgr en deze regeling toekomt. Aan het algemeen bestuur behoort in ieder geval: a. het nemen van besluiten op grond van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 4, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de taken, als bedoeld in artikel 2; b. het voorstaan van de belangen van het recreatieschap bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het recreatieschap van belang is; c. het inschakelen van een terreinbeherende organisatie voor de uitvoering van taken van het recreatieschap alsmede het bepalen van de wijze waarop deze taken aan de terreinbeherende organisatie worden opgedragen; d. het besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen; e. het doen van beroep op ambtelijke bijstand van een of meer van de deelnemers; f. het vaststellen en wijzigen van de begroting; g. het vaststellen en wijzigen van de meerjarenbegroting; h. het vaststellen en wijzigen van de personeelsformatie; i. het vaststellen van de rekening; j. het vaststellen van de interne beleidsmatige kaders van het recreatieschap.
Artikel 11 1.
2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur zulks nodig oordeelt, danwel drie van de leden het schriftelijk, met opgave van redenen, verlangen. De vergaderingen van het algemeen bestuur worden in het openbaar gehouden. De deuren worden gesloten wanneer ten minste eenvijfde deel van de aanwezige leden dit vordert of de voorzitter het nodig oordeelt. Daarna beslist de vergadering of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd. Over de punten in besloten vergadering behandeld kan in die vergaderingen ook een besluit worden genomen. Het algemeen bestuur mag niet beraadslagen, besluiten of stemmen, indien niet minstens de helft van het aantal leden, tegenwoordig is. Over de begroting, begrotingswijzigingen en over de rekening kan het algemeen bestuur niet beraadslagen noch een besluit nemen dan in een openbare vergadering. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling, een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers.
Artikel 12
6
De leden, plaatsvervangende leden en adviseurs van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur hebben, indien het algemeen bestuur dit bepaalt, recht op vergoeding van reiskosten, naar een tarief dat door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.
Artikel 13 1.
2.
3.
Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden en de colleges alle inlichtingen die door één of meer leden van die organen worden verlangd, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. Het reglement van orde van het desbetreffende bestuur regelt de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het orgaan dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd, op een wijze die door dit college is bepaald, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid, op de wijze die door dat college is bepaald.
Artikel 14 1. 2.
Het algemeen bestuur brengt jaarlijks vóór 1 juli verslag uit van de werkzaamheden van het recreatieschap over het afgelopen jaar. Dit verslag wordt in ieder geval toegezonden aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.
Artikel 15 Alle stukken die uitgaan van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de voorzitter en de secretaris als bedoeld in artikel 23 ondertekend.
VI. Dagelijks bestuur.
Artikel 16 1.
Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, te weten: a. één van de leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van de gemeente Rotterdam; b. één van de leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van de gemeente Lansingerland; c. één van de leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van de gemeente Zuidplas.
2.
De voorzitter van het dagelijks bestuur is de voorzitter van het algemeen bestuur.
3.
Het dagelijks bestuur heeft het recht personen c.q. instanties aan te wijzen en toe te laten tot zijn vergaderingen als adviseur, al dan niet uitsluitend voor een bepaald onderwerpen/of bepaalde tijd. Het dagelijks bestuur kan deze aanwijzing te allen tijde intrekken. Het dagelijks bestuur regelt deze bevoegdheid nader in het reglement van orde.
4.
Zodra een lid ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt deze tevens op lid te zijn van het dagelijks bestuur.
Artikel 17
7
1. 2. 3.
De leden van het dagelijks bestuur zijn, te zamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur gevoerde en te voeren bestuur nodig is. Zij verstrekken te zamen dan wel afzonderlijk aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die door het algemeen bestuur danwel een of meer leden daarvan hetzij mondeling in een vergadering van het algemeen bestuur, hetzij schriftelijk worden verlangd en wel door: a. mondelinge beantwoording van de gestelde vragen in dezelfde vergadering van het algemeen bestuur; b. toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe; c. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan.
Artikel 18 Het dagelijks bestuur stelt met inachtneming van de bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. Dit reglement wordt aan het algemeen bestuur ter kennis gebracht.
Artikel 19 1. 2. 3.
4.
Het dagelijks bestuur mag niet beraadslagen of besluiten indien niet minimaal twee leden tegenwoordig zijn. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. Indien het bij het eerste lid vereiste aantal leden niet is opgekomen, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering. Tot deze vergadering worden de leden schriftelijk opgeroepen onder vermelding van dezelfde als bij de eerste vergadering te behandelen zaken. In deze vergadering wordt over de in de oproepingsbriefjes vermelde zaken een besluit genomen door de aanwezige leden.
Artikel 20 1.
Het dagelijks bestuur heeft tot taak: a. het voorbereiden van al hetgeen in het algemeen bestuur ter overweging en beslissing moet worden gebracht; b. het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur; c. het afkondigen van besluiten waarvan de afkondiging bij de wet, bij deze gemeenschappelijke regeling of bij besluit van het algemeen bestuur is voorgeschreven; d. het desgevraagd dienen van bericht en raad over alle zaken het recreatieschap betreffende aan de departementen van algemeen bestuur en aan de deelnemers, tenzij zulks bepaaldelijk van het algemeen bestuur wordt verlangd; e. het beheren van de inkomsten en uitgaven, voor zover dit niet bij of krachtens deze gemeenschappelijke regeling aan anderen is opgedragen; f. de dagelijkse zorg voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; g. het toezicht op het beheer en onderhoud van alle werken, inrichtingen en eigendommen; h. het vaststellen van de voorwaarden van aanbesteding of uitvoering van de werken en leverantiën welker vaststelling het algemeen bestuur niet aan zich heeft gehouden; i. het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en bezit;
8
j. te besluiten namens het recreatieschap rechtsgedingen, bezwaar- of administratief beroepprocedures te voeren of voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten; i. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het recreatieschap te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a Wgr; k. het houden van gedurig toezicht op alles wat het recreatieschap aangaat; l. de zorg voor de bewaring van de archiefbescheiden; m. ambtenaren te benoemen, schorsen en ontslaan en zorg te dragen voor de aanstelling of indienstneming, de schorsing en het ontslag van het overige personeel in dienst en tijdelijke dienst of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, voor zover het algemeen bestuur zich deze bevoegdheid niet heeft voorbehouden. 2.
Het dagelijks bestuur zendt zo spoedig mogelijk vastgestelde reglementen, nadere regels of andere regelingen hoe genaamd ook ter kennisname aan de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.
VII. Actieve informatieplicht. Artikel 21 Indien het bestuur van het recreatieschap en ingestelde commissies over informatie beschikken waarbij zij inschatten dat de raden van de deelnemende gemeenten die informatie nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, delen zij die informatie door: -
Rechtstreekse schriftelijke verzending aan de raden van de deelnemende gemeenten; of
-
Mededeling in een raadsinformatiebijeenkomst bij alle deelnemende gemeenten.
VIII. De voorzitter.
Artikel 22 1. 2. 3.
De voorzitter vertegenwoordigt het recreatieschap in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging buiten rechte aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen. Bij afwezigheid van de voorzitter treedt één van de door het algemeen bestuur aangewezen plaatsvervangend voorzitters als zodanig op.
IX De secretaris. Artikel 23 1.
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter worden bijgestaan door een secretaris, aan welke functionaris in de vergaderingen van het algemeen bestuur en die van het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt.
2.
Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris en kan een instructie voor de secretaris opstellen. Bij afwezigheid of ontstentenis wordt de secretaris vervangen op een door het algemeen bestuur te bepalen wijze.
3.
De secretaris woont de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bij.
4.
Het algemeen bestuur kan bepalen, dat de dagelijkse leiding van het recreatieschap berust bij de secretaris.
5.
De secretaris kan in dienst zijn van het recreatieschap, of als (on)bezoldigd ambtenaar bij het recreatieschap worden aangesteld.
9
X Commissies Artikel 24 1. 2.
3. 4.
Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het regelt de bevoegdheden en de samenstelling daarvan. Vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden worden op voorstel van het dagelijks bestuur of de voorzitter door het algemeen bestuur ingesteld. Andere, niet permanente, commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur of de voorzitter zelf ingesteld. Het algemeen bestuur stelt in ieder geval een vaste adviescommissie in voor de periodieke afstemming op het gebied van de beleidsterreinen van de taken en de kaderstelling als bedoeld in artikel 2, vierde lid. In deze adviescommissie neemt van elke deelnemer in ieder geval één ambtelijk vertegenwoordiger plaats, met de mogelijkheid van uitbreiding.
Artikel 25 1.
2. 3.
Het algemeen bestuur kan bestuurscommissies met het oog op de behartiging van een bepaald belang instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling van deze commissies. Het algemeen bestuur kan bevoegdheden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aan een bestuurscommissie overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Voordat het algemeen bestuur overgaat tot het instellen van een bestuurscommissie worden de raden in de gelegenheid gesteld daarover hun wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
XI Zienswijze voor raden bij besluiten van het bestuur Artikel 26 Onverminderd het bepaalde in de Wgr en deze regeling, zijn geen aanvullende besluiten van het bestuur vatbaar voor zienswijze van de raden van de deelnemende gemeenten. XII Regelingen en beleid Artikel 27 1.
De deelnemers spannen zich in om te bewerkstelligen dat de raden van de deelnemende gemeenten voor het gebied zoveel mogelijk eensluidende bepalingen en beleid vaststellen.
2.
Het algemeen bestuur kan de raden verzoeken om door hem in concept opgestelde bepalingen of beleid vast te stellen.
3.
De deelnemers informeren het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk over ieder voornemen van hun de raden inzake het vaststellen van bepalingen en beleid voor het gebied.
XIII Besluitvorming, stemverhoudingen Artikel 28 1. 2. 3.
Zowel in het algemeen bestuur als in het dagelijks bestuur heeft ieder lid één stem. Tenzij anders in deze regeling bepaald, besluiten het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur door middel van consensus. Indien de deelnemers ten aanzien van een te nemen besluit in een vergadering niet tot consensus kunnen komen, wordt door de voorzitter van het betreffende bestuur een volgende vergadering belegd waarin opnieuw over het onderwerp wordt beraadslaagd. Alleen indien de deelnemers
10
a. b. c.
opnieuw geen consensus bereiken, kan ten aanzien van de volgende onderwerpen met een twee derde meerderheid en met inachtneming van het volgende besloten worden: Ten aanzien van de begroting, en wijzigingen daarop, waarbij in ieder geval de vertegenwoordiger(s) van Rotterdam voor moet(en) stemmen; Ten aanzien van beslissingen die raken aan de eigendomsrechten van de roeibaan WillemAlexanderbaan, waarbij in ieder geval de vertegenwoordiger van Rotterdam voor moet stemmen; Ten aanzien van beslissingen omtrent een bepaald gebied, de veiligheid en de ruimtelijke ordening daarvan, waarbij in ieder geval de vertegenwoordiger(s) van de gemeente wier grondgebied het betreft voor moet(en) stemmen.
XIV. Financiële bepalingen. Artikel 29 De huishouding van het recreatieschap wordt, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, ingericht als die van een tak van dienst in de zin van de gemeente, voor zover het betreft: a. b. c. d.
het doen van betalingen; de financiële administratie, de begroting en de rekening daaronder begrepen; het doen van overschrijvingen tussen uitgaafposten en van de begroting en de deugdelijkverklaring van de rekeningcijfers.
Artikel 30 1.
2.
3. 4.
Het algemeen bestuur stelt een financiële regeling vast waarin nader uitwerking kan worden gegeven aan de verdeling van baten en lasten met inachtneming van de verdeelsleutel als bedoeld in artikel 34. Met betrekking tot het financiële beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie van het recreatieschap als mede de controle met betrekking tot de laatste twee onderwerpen zijn in elk geval de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande artikel stelt het algemeen bestuur regels met betrekking tot het financieel beheer vast. Deze regels voorzien in ieder geval in: a. de wijze waarop de betalingen en ontvangsten geschieden; b. de inrichting van de financiële administratie; c. interne externe controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; d. de verzekering van gelden; e. de belegging van overtollige kasgelden.
Artikel 31 Het boekjaar van het recreatieschap is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 32 Jaarlijks stelt het algemeen bestuur met inachtneming van het bepaalde in artikel 33 een begroting op vergezeld van een financieel vijfjarenplan. Het eerste jaar van het vijfjarenplan is gelijk aan de begroting. De cijfers van de overige jaren geven de maximum in die jaren te besteden gelden zonder prijsindexatie aan.
Artikel 33 1.
Het dagelijkse bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. In de ontwerpbegroting wordt als uitgaven- plafond het voor dat jaar in het laatst vastgestelde vijfjarenplan opgenomen bedrag aan uitgaven aangehouden.
11
2.
3.
4.
5. 6.
7.
8.
9.
De ontwerp begroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijging, tussen welke en de behandeling van de ontwerp begroting ten minste veertien dagen moeten verlopen, geschiedt openbare kennisgeving. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen omtrent de ontwerpbegroting hun zienswijze bij het dagelijks bestuur naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. De begroting wordt door het algemeen bestuur uiterlijk 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt, vastgesteld. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur zo nodig de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Indien de begroting geheel overeenkomstig het in lid 1 genoemde ontwerp is vastgesteld, kan worden volstaan met de mededeling hiervan aan de deelnemers. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid van dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, tenzij het dagelijks bestuur op grond van het achtste lid besloten heeft een begrotingswijziging niet voor zienswijze aan de deelnemers aan te bieden. Het totaal van de begroting vormt het autorisatieniveau voor begrotingswijzigingen. Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij voorjaarsnota en/of najaarsnota. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen voor een zienswijze aan aan de deelnemers. Het dagelijks bestuur kan hiervan afzien als: a. Het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt en; b. De wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien door: c. Extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en bijbehorende financiële dekking; d.
Overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen van derden/deelnemers tegenover staan.
Artikel 34 1.
2.
3.
In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken en de organisatiekosten daarvan. De verhouding deelnemersbijdragen wordt per 2025 aangepast naar rato van inwoneraantallen per deelnemer op basis van CBS. Het precieze aandeel per gemeente wordt daarna elke 4 jaar herijkt en de aangepaste aandelen worden verwerkt in de begroting van het recreatieschap Rottemeren. Het bestuur bepaalt op basis van de begroting jaarlijks het voorschot voor de taakuitvoering en de organisatie van het recreatieschap dat het recreatieschap van iedere deelnemer dient te ontvangen. De deelnemers betalen de voorschotten in 12 maandelijkse termijnen aan het recreatieschap. Het bestuur brengt het eerste maandelijkse voorschot jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar bij de deelnemers in rekening. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat het recreatieschap over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
Artikel 35 1. 2.
Het algemeen bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af over de inkomsten en de uitgaven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bescheiden. Hij voegt daarbij het verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door een niet in dienst van het recreatieschap of een van de deelnemers staande, door het algemeen bestuur aan te wijzen deskundige. Zodra de stukken aan het algemeen bestuur zijn aangeboden, worden zij algemeen verkrijgbaar gesteld tegen betaling van de kosten. Van de verkrijgbaarstelling vindt openbare kennisgeving plaats.
12
3. 4.
5.
6.
De bedragen welke betrekking hebben op de voor economische exploitatie gebruikte goederen worden in de begroting en rekening afzonderlijk vermeld. Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening en het concept jaarverslag, alsmede de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor 30 april aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag voor 1 juli vast. De vaststelling van de rekening strekt het algemeen bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden. Na de vaststelling van de rekening wordt een exemplaar aan elk der deelnemers gezonden, vergezeld van de balans en het verslag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Het dagelijks bestuur zendt binnen twee weken na de vaststelling, doch voor 15 juli de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag aan gedeputeerde staten.
Artikel 36 1. 2.
3.
Een nadelig saldo van de rekening van baten en lasten van het recreatieschap wordt vanaf 2025 gebracht ten laste van de deelnemende gemeenten naar rato van het aantal inwoners. In de financiële regeling wordt bepaald op welke wijze met een batig saldo van de in het eerste lid bedoelde rekening wordt omgegaan. Tevens wordt daarin bepaald op welke wijze met reserves wordt omgegaan. Wanneer de begroting een over de deelnemers om te slaan tekort aanwijst, zal de in de begroting geraamde bijdrage door de deelnemers bij wijze van voorschot worden voldaan in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste op 1 februari en de tweede op 1 augustus van het desbetreffende begrotingsjaar vervalt.
XV Archief. Artikel 37 De bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op de archiefbescheiden van de deelnemers, zijn van overeenkomstige toepassing op het recreatieschap.
XVI Toetreding, wijziging en opheffing Artikel 38 Toetreding van een nieuwe deelnemer kan plaatsvinden bij daartoe strekkende unanieme besluiten van alle deelnemers, na daartoe verkregen toestemming van hun raden.
Artikel 39 De gemeenschappelijke regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende unanieme besluiten van de deelnemers, na daartoe verkregen toestemming van hun raden.
Artikel 40 1. 2. 3.
De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven bij besluit van ten minste tweederde van de deelnemers, na daartoe verkregen toestemming van hun raden. Het besluit tot opheffing regelt tevens de gevolgen daarvan voor de deelnemers. Tenzij het algemeen bestuur anders bepaalt, is hij belast met de liquidatie van het recreatieschap.
XVII Uittreding Artikel 41
13
1.De colleges en burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten hebben na daartoe verkregen toestemming van hun raden de mogelijkheid uit de regeling te treden bij daartoe strekkend besluit. 2. Voorafgaand aan een besluit tot uittreding, maakt het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente het voornemen tot uittreding schriftelijk kenbaar aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het voornemen heeft ontvangen. Direct daarna wordt conform artikel 42 gestart met het opstellen van een concept-uittredingsplan waarin de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen die het directe gevolg zijn van de uittreding worden geïnventariseerd en een voorlopige uittreedsom wordt bepaald. 3. De gevolgen voor de eigendomspositie van, of de zakelijke rechten op, de gronden van het recreatieschap zullen door de projectgroep als bedoeld in artikel 42, bij de voorbereiding van het concept- uittredingsplan buiten beschouwing worden gelaten. De deelnemende gemeenten onderhandelen hier zelf over en de uitkomst hiervan zal als bijlage worden toegevoegd aan het concept-uittredingsplan. 4.
Na het doorlopen van de procedure als bedoeld in artikel 42, maakt het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan en de voorlopige uittreedsom aan het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente die wenst uit te treden, kenbaar. 5. Het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente die wenst uit te treden heeft na ontvangst van het concept- uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom, de mogelijkheid definitief uit het recreatieschap te treden bij daartoe strekkend besluit als bedoeld in lid 1, dat binnen twee weken nadat het is genomen aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. 6. Na ontvangst van een definitief besluit tot uittreding als bedoeld in lid 5 wordt overeenkomstig de in artikel 43 genoemde procedure het definitieve uittredingsplan met daarin de definitieve uittreedsom vastgesteld. Het algemeen bestuur stelt het college van burgemeester en wethouders van de uittredende gemeente bij beschikking in kennis van de hoogte van de uittreedsom. 7. De uittreding als bedoeld in het vijfde lid heeft plaats op het einde van het jaar volgend op het jaar waarin het college van burgemeester en wehouders de uittredende gemeente het besluit tot uittreding kenbaar heeft gemaakt aan het algemeen bestuur. 8.
Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot uittreding van de colleges van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente aan de colleges van burgemeester en wethouders van de overige deelnemende gemeenten.
Artikel 42 1. Het dagelijks bestuur stelt ten behoeve van het opstellen van het concept-uittredingsplan een projectgroep samen die onder leiding van een onafhankelijke (externe) deskundige het concept-uittredingsplan en de bepaling van de voorlopige uittreedsom voorbereidt. 2.Het dagelijks bestuur geeft de accountant van het recreatieschap opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept-uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom te toetsen. 3. De kosten voor het toetsen van het concept- uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom zoals genoemd in lid 2 van dit artikel, zijn voor rekening van de deelnemende gemeente die voornemens is om uit te treden. 4. Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor het concept- uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het dagelijks bestuur het voorstel voor het concept- uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom aan de colleges van burgemeesters en wethouders van de deelnemende gemeenten. De colleges van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken na verzending van het voorstel hun zienswijzen over het voorstel voor het concept-uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom bij het dagelijks bestuur indienen.
Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel voor het concept- uittredingsplan en de daarin bepaalde voorlopige uittreedsom dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 5. Uiterlijk 8 maanden na het kenbaar maken van het voornemen tot uittreding, stelt het algemeen bestuur het concept- uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
14
Artikel 43 1. Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor het definitieve uittredingsplan met daarin de bepaling van de uittreedsom ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het dagelijks bestuur het voorstel voor het uittredingsplan met daarin de bepaling van de uittreedsom toe aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. De colleges van burgemeesters en wethouders van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel bij het dagelijks bestuur indienen. Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 2. Uiterlijk 8 maanden na ontvangst van het definitieve besluit tot uittreding stelt het algemeen bestuur bij unaniem besluit het uittredingsplan met daarin de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid van artikel 44 en op een gemiddelde van de jaarrekeningen van de voorafgaande vier begrotingsjaren.
Artikel 44 1. 1.Het uittredingsplan bevat met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen de uittreedsom. 2. De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uit een vergoeding ter compensatie van directe kosten van uittreding (frictiekosten en desintegratiekosten), verminderd met het aandeel van de uittredende deelnemende gemeente in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van het recreatieschap op de datum van uittreding. 3. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het recreatieschap die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemende gemeente, zoals maar niet uitsluitend, de inhuur van deskundigen, een accountant en advocaat. 4. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het recreatieschap die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. Onder desintegratiekosten wordt mede verstaan alle kosten uit overige verplichtingen, zoals de afbouw van risico’s alsmede de door deelnemende gemeenten aangegane langlopende contractuele betalingsverplichtingen. 5.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het recreatieschap die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van 5 jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding. 6. Het recreatieschap brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van het aandeel van de uittredende deelnemende gemeente in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van de gemeenschappelijke regeling zoals genoemd in lid 1, in rekening bij de uittredende deelnemende gemeente. De uittredende deelnemende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, op de wijze zoals genoemd in artikel 47. 7. Kosten die de uittredende deelnemende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van die deelnemende gemeente.
Artikel 45 1. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 2. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemende
15
gemeente dan wel het algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. de wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. de wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 3. De tussen de deelnemende gemeenten tot het moment van uittreding bestaande verhoudingen en afspraken met betrekking tot milieuproblematiek, waaronder bodemverontreiniging, zullen gedurende een periode van 30 jaren ongewijzigd gecontinueerd worden, als waren zij nog gezamenlijk deelnemende gemeenten aan het recreatieschap.