[23bb008814] Bijlage 1 behorende bij 23bb008817 - Ontwerpbestemmingsplan De Kaai Toelichting
Tekst van het document
Een goed functionerend stedelijk watersysteem voor een aantrekkelijke stad Klimaatbestendig stedelijk watersysteem Robuust grondwatersysteem Actieve communicatie en participatie Innovatie, digitalisering en automatisering
55
Hemelwaterverordening en waterberging Het klimaat verandert, extreem weer komt steeds vaker voor. Daardoor neemt de kans op overlast en schade door hevige neerslag toe. Om de stad voor te bereiden op een extremer klimaat zijn de volgende regelingen ingesteld: « »
Bestaande situaties: de Hemelwaterverordening voor het afkoppelen van verharding van bestaande gebouwen en terreinen. Nieuwbouw: de eis van 50 mm waterbergen bij nieuwbouw in de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR).
4.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard en is gelegen in de nabijheid van een oppervlaktewater. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Daarnaast heeft het hoogheemraadschap een waterbeheerprogramma opgesteld. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1.
2.
3.
Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.
4.3
Huidige watersysteem
4.3.1
Oppervlaktewater
In (de omgeving van) het plangebied zijn een aantal havens aanwezig, namelijk de Koningshaven, de Entrepothaven, de Binnenhaven en de Spoorweghaven. Deze havens staan in directe verbinding met de Nieuwe Maas. De waterkwaliteit in de havens wordt daarom voornamelijk worden bepaald door de waterkwaliteit van het water uit de Nieuwe Maas. Het plangebied ligt buitendijks. De waterbeheerder hier is Rijkswaterstaat.
56
4.3.2
Grondwater
Ten behoeve van het bepalen van de grondwaterstand zijn er een aantal peilbuizen in de "Kop van Feijenoord" aanwezig. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de ontwateringsdiepte in het plangebied minimaal 90 centimeter is, en soms veel dieper (ruim 3 meter). Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte ruim lager is dan 80 centimeter is de kans op grondwateroverlast in het plangebied zeer gering. 4.3.3
Waterkering
Het waterbeheer in het buitendijksgebied wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat. Het plangebied ligt in het buitendijks gebied en is derhalve geheel gelegen binnen de grens van het waterstaatkundig beheer door Rijkswaterstaat. Waterbe heerg renzen
D
Vrijstelling Vergunningsplicht Waterstaatkundig Beheer
Figuur 4.1: Uitsnede Legger RWS, planlocatie rood gestreept omlijnd (bron: rijkswaterstaat.nl)
In artikel 6.16 van het Waterbesluit is bepaalt dat g 6 Gebruik van rijkswaterstaatswerken niet van toepassing is op de bij bijlage IV bij het Waterbesluit aangewezen gebieden. In g 6 van het Waterbesluit is opgenomen dat voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, een watervergunning is vereist. Gezien de ligging van het plangebied in een gebied waar een vrijstelling van de vergunningplicht geldt, worden geen beperkingen onderworpen aan het gebruik op grond van de Waterwet. Onverminderd gelden wel regels ten aanzien van waterkwaliteit (lozen) en waterkwantiteit (onttrekkingen) en het in werking hebben van een open bodem energiesysteem. 4.3.4
Riolering
Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict 28 (Zuiden). In het plangebied is grotendeels sprake van een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Op sommige plaatsen is het regenwater afgekoppeld en stroomt dit rechtstreeks naar de haven.
57
4.4
De wateropgave
4.4.1
Oppervlaktewater
Het plangebied is in de huidige situatie voor het overgrote deel verhard, op een aantal beplantingsvakken na. De beoogde ontwikkeling kan derhalve een bijdrage leveren aan het toevoegen van onverhard oppervlak. Continuïteit van materialisatie en vormgeving van de kade langs de Koningshaven is van belang vooreen samenhangende openbare ruimte richting Entrepot en Kop van Zuid. Naast de traditionele harde kade is er aanleiding om de kade te voorzien van een goede groenstructuur (bomen en plantvakken). Op de kop van Koningshaven en Nassauhaven is een 'zachte kade' op zijn plaats: kade is dan vooral een zachte en autonome schil. Bijvoorbeeld in de combinatie van halfverharding met bomen (en ruimte voor terrassen en informeel verblijf) of grasveld en plantvak. Hiermee worden meerdere doelen gediend: zachte oppervlakten warmen minder snel op, zijn in staat water te bergen. 4.4.2
Grondwater
Aangezien het plangebied in de huidige situatie reeds volledig is verhard, is een impact op de grondwaterstand als gevolg van een toename in verharding niet te verwachten. Er wordt rekening gehouden met de mogelijke invloed op het grondwater als gevolg van beoogde realisatie van een ondergrondse parkeergarage. Bij de realisatie van nieuwbouw mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt op plaatsen, die in contact zouden kunnen komen met hemelwater. De voorgenomen ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. 4.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Door de positie van het plangebied in het buitendijks gebied van Rotterdam is het kwetsbaar voor overstromingen. Lager gelegen kades in de binnenstad krijgen steeds vaker te maken met wateroverlast door hogere zee- en rivierwaterstanden. In het plangebied worden maatregelen genomen om gebouwen en openbare ruimte te beschermen tegen extreme hoogwatersituaties en wateroverlast. Binnen de contouren van de Kaai krijgt het maaiveld van de nieuwbouw een veilige hoogte van ca. 4.00+ NAP. Rondom de monumenten wordt het huidige maaiveldpeil aangehouden (3.00+NAP). De Nassaukade zorgt voor hoogwaterbescherming voor de lagere kades en monumenten. Hier is straks sprake van een in hoogte gedifferentieerd maaiveld met een lager gelegen deel langs het water (3.00+NAP) en een verhoogd deel van de kade (minimaal 3.60+NAP) aan de zijde van de Kaai. Overgangen tussen de verschillende maaiveldpeilen gebeurt op een wijze die toegankelijk is voor mindervaliden en/of zorgt voor een meerwaarde in het gebruik van de openbare ruimte zoals zitranden. De groene kade met getijdenpark zorgt voor een natuurlijker, beleefbaarder en aantrekkelijke ruimte tussen water en stad.
Het zorgt vooreen ecologische en recreatieve continuïteit langs de rivier waar door de toepassing van verschillende hoogtes een diversiteit aan waterbiotopen gemaakt kan worden als voorzetting van het getijdenoever in de Nassauhaven en stapsteen richting de Maas.
58
Naar 4-3,20 NAP tot 4-3,60 NAP
Bestaand Maaiveld 4-3,00 NAP ca.
Bestaand Maaiveld
Figuur 4.2: Waterveiligheid (bron: Ambitiedoument De Kaai)
4.4.4
Riolering
Het beleid van het hoogheemraadschap is erop gericht schoon hemelwater niet af te voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater. De bebouwing binnen het plangebied zal worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. 4.4.5
Klimaatadaptiviteit
Door de ligging in het buitendijkse gebied is er geen directe noodzaak voor grootschalige hemelwaterberging op locatie. Er kan immers worden afgevoerd naar de rivier. Toch is het van belang het concept van 'de stad als spons' als vertrekpunt te nemen bij de inrichting van de leefomgeving. Regenwater kan daarbij worden vastgehouden waardoor het bij schaarste, bijvoorbeeld in tijden van droogte, weer kan worden teruggegeven. Dit kan door gebruik te maken van een hemelwatercascade waarin regenwater als eerste op daken wordt opgevangen waar het vervolgens in het gebied kan worden vastgehouden en hergebruikt voor het bewateren van beplanting, te gebruiken voor afkoeling van de (openbare) ruimte of de toepassing als spoelwater voor toiletten. Bomen zijn het efficiëntst bij reductie van hittestress in steden. Bomen zorgen met hun schaduw voor koele plekken (gevoelstemperatuur al snel 15 graden lager) en verdamping. De aanwezigheid van voldoende water is voor de bomen noodzakelijk. Op zeer korte afstand zorgen de schaduwrijke gangen, stegen, straatjes en pleinen voor verkoeling door effectieve verkoelende maatregelen toe te passen als een boomrijke inrichting of fonteinen en vernevelingsinstallaties die de luchttemperatuur merkbaar verlagen. Dit is nodig omdat wind weinig invloed heeft en hitte lang blijft hangen. Dit in tegenstelling tot
59
de kade. Hier heeft wind meer invloed waardoor in de zomer verkoeling plaatsvindt. Ook zijn er op de kade door de diverse oriëntatie, zowel plekken in de zon als in de schaduw te vinden en zorgt de royale groenstructuur voor een brede schaduwrijke zone aan het water. Voor de verschillende onderdelen van het plangebied zijn natuurinclusieve voorstellen een meerwaarde voor het ecosysteem van de locatie of de omgeving. Voor het getijdenpark betekent dit dat het onderdeel is van het estuariën ecosysteem en kan de stedelijke en groene kade een meerwaarde zijn als corridor, bijvoorbeeld voor vogels en vleermuizen. In het binnengebied kunnen groene stegen, pleinen en het daklandschap door het gebruik van specifieke beplanting en water een rol spelen voor het ecosysteem op een kleiner schaalgebied. De kwalitatieve benadering van een klimaatadaptieve en natuurinclusieve stedelijke inrichting heeft ook een direct positief effect op de belevingswaarde van de leefomgeving voor de mens. Zichtbare afstroming van regenwater zorgt er bijvoorbeeld voor dat de wateropgave niet langer verscholen ligt in ondergrondse infrastructuren.
60
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave.
De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treed. 5.2.1
Relatie tot het plangebied
Archeologie Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden en Beleidskaart Rotterdam (2005) wordt aan het gebied een redelijk tot hoge archeologische verwachting toegekend. Het plangebied is conform het geldende bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Aangezien ten gevolge van de beoogde ontwikkeling mogelijk een verstoring van de archeologische waarden optreedt, geldt een vergunningplicht waarbij een archeologisch rapport dient te worden overlegd. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, dient de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate te zijn vastgesteld.
61
De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden die gekoppeld zijn aan de archeologische dubbelbestemmingen. Archeologie Rotterdam heeft aangegeven dat afhankelijk van het palenplan eventueel een archeologisch onderzoek nodig zal zijn. Indien sprake is van een extensief grid, dan is bijvoorbeeld geen archeologisch onderzoek nodig. Om te borgen dat de eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd zijn in voorliggend bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemmingen conserverend overgenomen. Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat de gemeente Rotterdam beschikt over een Erfgoedagenda en een monumentenkaart. In de Erfgoedagenda worden de uit te voeren projecten rond de monumenten in Rotterdam tot en met 2020 benoemd. In het plangebied is volgens de monumentenkaart een gemeentelijk monument aanwezig. Dit betreft de Margarinefabriek 'Simon van den Bergh Limited' (conform het aanwijzingsbesluit met kenmerk BS21/01601 - 21bb014834). Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht. Het plangebied is conform de monumentenkaart wel in de buurt gelegen van het beschermd stadsgezicht Noordereiland en in de buurt van het Rijksmonument Koninginnebrug, Rijksmonument De Hef en toekomstig monument v.d. Bergh en Jurgens. zz Bwcttemd siadųÉīífï;
4t BrttľWŕ™ Siaaų«iyir T Mcnun^ilenUdi:
Į rųnimpfiŲmcfVl GOTCćwtp ironumeni
| TsehorttKjg nwiwrwAl
Figuur 5.1: Gemeentelijk monument ter plaatse van plangebied (Bron: www.gis.rotterdam.nl)
Figuur 5.2: Gemeentelijk monument ter plaatse van plangebied (Bron: Uittreksel monumentenregister)
Op grond van artikel 10 van de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de
62
instandhouding daarvan noodzakelijk is. Om de bebouwing die is aangewezen als gemeentelijk monument te slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, is op grond van artikel 11 van de Efgoedverordening Rotterdam 2020 een omgevingsvergunning nodig. De volgende waardevolle elementen kunnen (conform de uitgevoerde cultuurhistorische verkenning, zie bijlage 4) op complex- en gebouwniveau worden onderscheiden (zie ook figuur 5.3): »
»
»
»
«
»
Het fabriekscomplex als een conglomeraat van gebouwen, met rondom doorlopende gevelwanden, een gevarieerd daklandschap en de iconische verschijningsvorm aan de Koningshaven: het monumentale fabrieksgebouw met daarboven als tweede laag het zwevende volume van de Brug. De havenkades (Nassaukade en Nassauhaven) als onderdeel van het complex, inclusief bebouwing, groen, een industriële bestrating en expeditie. De openheid van de kades is complementair aan de beslotenheid van het fabriekscomplex. De kades zijn de buitenruimte van het complex. Historisch gezien was de Nassaukade voorzien van lage bebouwing op de kadewand, de kade van de Nassauhaven was open (ten behoeve van het afmeren van schepen) en op de ontmoeting van beide havens was groen. De oorspronkelijke klinkerbestrating met spoorrails maakte plaats voor stelconplaten. De doorlopende schil om het blok heen (besloten en begrensd); met wisselende verschijningsvorm: representatief aan de Nassaukade, utilitair aan de overige straten; fors van maat bij de Nassauhaven en pandsgewijs in de Roentgenstraat. Dit stedelijk gebied is ontsloten met toegangspoorten en stegen. Interne structuur, bepaald door zeer oude en inmiddels met glas overdekte stegen door het complex heen (IJsgang, Verlengde IJsgang, Multiplexgang, Technische Gang, Klokkengang, Brandweerplein). Bijzondere gebouwen: a.
Het representatieve front aan de Nassaukade (in combinatie met deBrug), gebouwd in 1891 en 1897; b. De emballagehal met het aangrenzende magazijn met gietijzeren kolommen uit 1891 (oorspronkelijk oliebergplaatsen), inclusief nog aanwezige delen op de verdiepingen, de schil en/of de kap, alsmede de historische bouwdelen aan de Klokkensteeg (zoals 3.07). c. Voormalige machinekamer (nu: compressor hal ammoniak) in de Roentgenstraat, d. Technische werkplaats aan de Roentgenstraat (tegen de machinekamer aan) e. Entreegebouw hoek Nassauhaven-Roentgenstraat met daarop het oude laboratorium voor de melkontvangst met twee tongewelven met een daklicht. Fabrieksonderdelen met cultuurhistorische waarde: oude gevels aan de interne stegen, delen van de kap van de korte en lange poot, leidingenstelsels, opslagtanks, bijzondere ruimten in de laboratoria en kantoren, diverse magazijnen, bestratingen, etc.
63
Legenda: Monumentale gebouwen 1.
Voorgebouw
Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen 2. 3.
Emballagehal (begane grond) Machinekamer
4. 5.
Technische werkplaats Melkontvangst en laboratorium
I 1 II 111 Will .......... . Belangrijke structuren
6.
IJsgang
7.
Klokkengang
8. 9.
Technische gang Multiplexgang
10. Doorlopende gevelwand rondom het complex Historische muren: 11. Hisiorische buitenmuren Bebouwing met cultuurhistorische waarde: 12. Korte en Lange Poot (delen kapconstructie) 13. Kīsîenzolder en opslag (gebouw) 14. Inpakafdeling (kapconstructie)
1
A
Szřl
Figuur 5.3: Kaart met monumentale en cultuurhistoriesche bebouwing (Bron: cultuurhistorische verkenning, zie bijlage 4)
In de planvorming voor De Kaai gestudeerd is op behoud van hetgeen als waardevol benoemd in de cultuurhistorische verkenning, naast het gemeentelijke monument. De interne structuur, de Emballagehal en de Machinekamer zijn naast het Hoofdgebouw opgenomen als te behouden in het plan. Voor de werkplaats en het laboratorium is dat niet het geval. De werkplaats zelf is lastig her te bestemmen, heeft beperkte architectonische kwaliteit en maakt het goed herbestemmen en integreren van het Machinegebouw in nieuwbouw veel lastiger. Op basis daarvan is keuze gemaakt deze niet te behouden. Het laboratorium wordt niet behouden omdat aan de kadezijde een nieuwe rooilijn aangehouden wordt, wat inpassing van het bestaande gebouw onmogelijk maakt. Bovendien zijn de beschreven waarden in de cultuurhistorische verkenning met name interieur en de functie van het lab en rol ervan in de ontwikkelingsgeschiedenis/groei van Unilever. Deze elementen/immateriële waarden worden meegenomen in de nieuwbouw op deze plek. De monumentale bebouwing is beschermd door de Erfgoedverordening. Om ervoor zorg te dragen dat de in de cultuurhistorische verkenning als waardevol aangemerkte bebouwing én voor zover het wenselijk is deze te behouden ook wordt beschermd, is deze bebouwing op de verbeelding voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. 5.2.2
Conclusie
De monumentale bebouwing is beschermd vanuit de Erfgoedwet. De cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is - voor zover het wenselijk is deze te behouden - op de verbeelding voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', zodat de cultuurhistorische waarden worden beschermd. In het kader van de verdere uitwerking van de plannen en de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen zal hier rekening mee worden gehouden.
5.3
Bezonning
Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie, wordt in dit bestemmingsplanprocedure gebruik gemaakt van de 'lichte TNO-norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober.
64
5.3.1
Relatie tot het plangebied
Het voornemen bestaat om een gemengd programma te realiseren ten behoeve van maximaal 1.100 woningen en 17.000 m2 aan voorzieningen, in de vorm van horeca aan de kade, werk- en bedrijfsruimte voor lokale ondernemers, culturele of maatschappelijke invulling als stedelijke trekker, wijkgerichte winkels en/of dienstverlening en kantoorruimte in de bestaande bebouwing. De nieuwbouw bestaat onder andere één toren met een hoogte van 73 meter. Gezien het beoogde bouwvolume is het bezonningseffect van deze nieuwbouw op de omliggende bebouwing inzichtelijk gemaakt. De bezonningsduur op de gevels van de maatgevende woning(en) en grondgebieden is beschouwd en getoetst aan het Afwegingkader bezonning 2021 van de gemeente Rotterdam. Deze eis biedt het kader voor bezonningsuren op gevels (zie 2.3.7 Afwegingskader bezonning). De beoogde ontwikkeling is niet getoetst aan de gemeentelijke Hoogbouwvisie, omdat de bovenkant verdiepingsvloer van het hoogstgelegen verblijfsgebied lager ligt dan 70 meter. De rapportage is als Bijlage 6 Bezonningsstudie opgenomen. Voor dit onderzoek heeft DGMR gebruik gemaakt van het 3D-computer-simulatieprogramma Rhino in combinatie met Grasshopper. Van de situatie en de omliggende bebouwing is een 3D-model gemaakt. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. 5.3.1
Relatie tot het plangebied
Figuur 5.4: Uren zon in de nieuwe situatie, aanzicht vanaf het Noorden (bron: Bezonningsstudie De Kaai Rotterdam Nassaukade Feijenoord, DGMR)
Op de figuur zijn de volgende situaties aangeduid met zwarte, groene en rode cirkels: »
»
»
De gevels gemarkeerd met zwarte cirkels bevinden zich al in de schaduwen in de bestaande situatie. Deze blijven in de nieuwe situaties hetzelfde. Hier is geen procentuele afname van het aantal uren zon. Door de aanwezigheid van het project De Kaai is er sprake van een kleine vermindering van het aantal zonuren aan de westkant van het project De Kaai (gemarkeerd met groene cirkels). In vergelijking met de bestaande situatie is er ongeveer 1-2 uur afname van het aantal uren zonlicht. Deze woningen krijgen nog steeds meer dan 2 zonuren, dus wordt hier aan het afwegingskader voldaan. Tenslotte ontvangen gevels gemarkeerd in rood langs de Nassaustraat en Roentgenstraat minder dan 2 uur zonlicht. Dit betekent dat ze niet voldoen aan de tweede stap uit het afwegingskader van minimaal 2 zonuren per etmaal. Voor deze kritieke gebieden zijn zodoende nauwkeurigere resultaten gegenereerd. In de bezonningsstudie is verder ingegaan op gedetailleerde zonuren en de
65
procentuele afname (stap 2 uit het afwegingskader).
In de bezonningsstudie wordt het volgende geconcludeerd: » «
»
»
»
»
In de bestaande situatie zijn er weinig locaties waar zonlicht minder dan 2 uur is. In de nieuwe situatie met De Kaai zijn er ongeveer zeven locaties waar een kleine vermindering optreedt in het aantal zonuren. Deze woningen krijgen echter nog steeds meer dan 2 uur zonlicht en voldoen daarmee aan het Rotterdamse Afwegingskader. De woningen langs de Nassaustraat (gevel A) krijgen in een bestaande situatie al minder dan 2 uur zonlicht. Het nieuwbouwproject De Kaai verslechtert de resultaten. Aangezien de woningen aan twee zijden zonlicht ontvangen, krijgen deze woningen in totaal meer dan 5 uur zonlicht en voldoen daarmee aan het Rotterdamse Afwegingskader. De nieuwbouw De Kaai zal ervoor zorgen dat het aantal zonuren op een deel van de gevel aan de Nassaustraat (gevel B1) licht afneemt. Het gaat echter om hoekappartementen die ook een gevel aan de Nassaukade hebben. Als gevolg hiervan ontvangen deze appartementen meer dan 2 uur zon. De appartementen gemarkeerd met B2 (eveneens aan de Nassaustraat) hebben een voor- en achtergevel. Deze ontvangen samen meer dan twee uur zonlicht. De woningen aan de gevels B1 en B2 voldoen aan het Rotterdamse Afwegingskader. De appartementen langs de Tapstraat (gevel C) krijgen hinder van de schaduw die het nieuwe De Kaai werpt en krijgen minder dan 2 uur zonlicht.
Deze woningen zijn tweezijdig georiënteerd en zoninval op de achtergevel wijzigt niet. Ze ontvangen meer dan 2 uur zonlicht en voldoen daarmee aan het Rotterdams Afwegingskader. Tot slot zal de nieuwbouw van De Kaai schaduw veroorzaken op de woningen (gevel D) langs de Roentgenstraat. De hoeveelheid zonlicht op de gevel aan de Roentgenstraat neemt met meer dan 150Zo af maar zoninval op de gevel aan de Nassauhaven wijzigt niet. Het totaal aantal zonuren op beide gevels voldoet aan het Rotterdamse Afwegingskader.
5.3.2
Conclusie
Het aspect bezonning voldoet in de onderzochte situatie aan de van toepassing zijnde kaders.
5.4
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 5.4.1
Relatie tot het plangebied
Gemeente Rotterdam beschikt over een indicatieve bodemkwaliteitskaart. De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied, de bodem is aangemerkt als 'Industrie (matig verontreinigd)' voor zowel bodemtoepassing als bodemkwaliteit 1 m-mv tot 2 m-mv (zie onderstaand figuur).
66
nu
V-V ~b
Bodemkwaliteit 1 m-mv tot 2m-mv Natuur (Schoon)
c* <
Landbouw (Zeer licht ver wonen (Licnt verontreimc industrie (Matig verontrei
verontreinigd (Sterk verc Sporen/Snelwegen (Math —* Lintbebouwing (Matig ver
97B
"De Hef
Figuur 5.5: Bodemkwaliteitskaart 1 m-mv tot 2 m-mv (bron: Bodemkwaliteitskaart Rotterdam 2013, DCMR), plangebied zwart gestreept omlijnd
In het kader van de voorgenomen stopzetting van activiteiten en de beëindiging van de milieuvergunningen is een eindsituatie-bodemonderzoek en het daarmee gepaard gaande historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 Eindsituatie bodemonderzoek bij voorliggende toelichting. Het doel van het eindsituatie-bodemonderzoek is te verifiëren of (bodembedreigende) activiteiten uitgevoerd in het verleden op de Upfield-locatie geresulteerd hebben in een verslechtering van de bodemkwaliteit ter plaatse. Het historisch bodemonderzoke heeft als doel om de onderzoeksopzet voor het eindsituatie-bodemonderzoek te bepalen. Voor het historisch onderzoek zijn de volgende archieven, databases en websites geraadpleegd als bron: « » » » » «
De Bodemloket-website voor publieke informatie over bodemgegevens; De Topotijdreis-website welke onder andere de beschikbare digitale luchtfoto's en topografische kaarten weergeeft ten opzichte van tijd; De TNO Dinoloket-website welke informatie verschaft met betrekking tot hydrogeologie en geologie van de Nederlandse bovengrond; Kadaster.nl met landregistratie; Reeds uitgevoerde historische bodemonderzoeken, bodemonderzoeken en bodemrisicoanalyses in het kader van de NRB; en Locatiebezoek op 3 maart 2022 voor beëindiging van de activiteiten.
Onderzoeksopzet eindsituatie Op basis van het historisch gebruik van de locatie en de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken, is de locatie als verdacht beschouwd met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in grond en grondwater. De volgende verdachte locaties zijn geïdentificeerd: » » « »
Buitenterrein zijnde Röntgenstraat; Buitenterrein Nassaukade; Stomerij; Ketelhuis;
67
« » » » « » » » « »
Compressorruimte; Technisch magazijn; Centrale werkplaats; Productiehal pindakaas; Condensor gebouw; Afvalwaterzuivering; Visolielosplaats; Pomphuis; Ondergrondse riolering; en Acculaadstation.
De apotheek en Publicatielijst Gevaarlijke Stoffen (PGS)-ruimte, die wel worden vermeld in het Nederlandse Richtlijn Bodem (NRB)-overzicht, bevinden zich op de eerste verdieping van het gebouw. Daarom zijn deze activiteiten niet als bodembedreigend beschouwd en zullen ze niet worden onderzocht tijdens het eindsituatie bodemonderzoek. Ter plaatse van de palletloods is voorheen onderzoek uitgevoerd en in 2009 is een sanering uitgevoerd. Ter plaatse van deze loods zijn geen bodembedreigende activiteiten uitgevoerd. Om die reden is de palletloods niet meegenomen in het eindsituatie bodemonderzoek. Ter plaatse van het voormalige tankstation is voorheen bodemonderzoek uitgevoerd. Dit voormalige tankstation maakt geen deel uit van de huidige milieuvergunningen en is om die reden niet meegenomen in het eindsituatie bodemonderzoek. Op basis van het vooronderzoek is een onderzoeksstrategie geformuleerd. De onderzoeksstrategie is afgeleid van de NEN5740. De te volgen strategie per verdachte locatie is gebaseerd op het historisch gebruik en de oppervlakte van het deelgebied.
Door het ontbreken van een nulsituatie onderzoek en omdat van de beschikbare bodemonderzoeken niet altijd is te achterhalen waar boringen en peilbuizen zijn uitgevoerd, is besloten om voor alle verdachte deelgebieden uit te gaan van de NEN5740 strategie NUL (onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting). Hieronder zijn enkele locatiespecifieke elementen behandeld die van invloed zijn op de concrete invulling van de strategie van enkele deelgebieden: »
» «
«
»
Ter plaatse van de verdachte deelgebieden zal de bodemlaag tot 0,5 meter onder de bodem beschermende voorziening of 0,5 meter onder een ondergrondse bodembedreigende activiteit worden bemonsterd. Daarnaast zal de zone van 0,5 meter rondom de gemiddelde grondwaterstand (op circa 1,5 m-mv) worden bemonsterd. Het grondwater zal tevens worden bemonsterd. Eventuele uitzonderingen op het bovenstaande worden in de onderstaande punten vermeld; Alle peilbuizen zullen stroomafwaarts van of in de kern van de verdachte deellocaties worden geplaatst; De peilbuizen en boringen in deellocaties 1,2 'Opslag plantaardige olie in tanks' en 1,3 'Schraapinstallatie' en 9 'Condensor gebouw', zullen naast het tankenpark of buiten het gebouw worden geplaatst omdat het niet mogelijk wordt geacht deze in de lekbak van de tanks of in het gebouw te plaatsen; De locatie heeft een lange industriële historiek met sinds circa 1875 bebouwing. De verwachting is dat het veldwerk zal worden bemoeilijkt door aanwezige verhardingslagen, puinlagen, ondergrondse infrastructuur, funderingen etc. Voorafgaand aan het veldwerk zal de Sub Surface Clearance (SSC)-procedure worden uitgevoerd waarbij de boorlocaties zoveel als mogelijk worden gescreend.
Het is echter niet uit te sluiten dat boringen in het veld toch dienen te worden gestaakt; en De boringen en peilbuis van deellocaties 6,1,6,2 en 6,3 zullen worden gecombineerd.
In navolging van het eindsituatie onderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de algemene bodemkwaliteit vast te leggen (zie ook bijlage 8 Verkennend bodemonderzoek). Uit het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het binnenterrein en het kadeterrein: »
Binnenterrein: In de zintuiglijk schone grond direct onder de verharding tot 4 m-mv zijn in het algemeen licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond.
68
«
Uitzondering is de bodemlaag ter plaatse van de boringen B17 en B41waar een matig tot sterk verhoogd gehalte PAK is aangetoond. De matig tot sterk puin en koolashoudende boven- en ondergrond is matig tot sterk verontreinigd met asbest, koper, lood, nikkel en zink. De puin en koolashoudende bodemlagen zijn aanwezig op nagenoeg het gehele binnenterrein met verschillende dikte en op verschillende diepten. In de grond op het binnenterrein (zowel zintuiglijk schoon als met een matige tot sterke bijmenging met puin en koolas) zijn PFAS niet aangetoond boven de achtergrondwaarde. In het grondwater op het binnenterrein licht ten opzichte van de streefwaarde verhoogde concentraties barium, nikkel en minerale olie aangetoond. Daarnaast zijn PBFA, PFPeA, PFHxA, PFOS en PFOA aangetoond boven de risicogrenswaarde RIVM. De matig tot sterk puin en koolashoudende grond is niet toepasbaar. De zintuiglijk schone grond ter plaatse van boring B41, B36, B38, B45, B52, B55 is niet toepasbaar. De overige vrijkomende zintuiglijk schone grond op het binnenterrein voldoet in het algemeen aan de klasse industrie. Kadeterrein: In de grond (zand en klei) zijn vanaf de verharding tot 3 m-mv in het algemeen licht verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde voor zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond.
Nabij de palletloods (boringen S08 en B03) is in de ondergrond een sterk verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. Op basis van de fractieverdeling en het gaschromatogram wordt de minerale olie gekarakteriseerd als diesel. In horizontale richting is de verontreiniging nog niet volledig in beeld. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten in de nabijgelegen boringen is de omvang van de sterke verontreiniging met minerale olie beperkt. In de toplaag van de onbedekte bodem ter plaatse van de palletloods is PFOS aangetoond in een gehalte boven de hergebruiksnorm. In zowel de zintuiglijk schone boven- en ondergrond als de bodemlagen met een bodemvreemde bijmenging, is asbest niet aangetoond. In het grondwater op het kadeterrein zijn licht ten opzichte van de streefwaarde verhoogde concentraties barium, lood en nikkel aangetoond. Daarnaast zijn PBFA, PFPeA en PFHxA aangetoond boven de risicogrenswaarde RIVM. Ter plaatse van de met minerale olie verontreinigde grond in boring B03/S08, is in het grondwater een concentratie minerale olie aangetoond net onder de interventiewaarde. Vrijkomende grond binnen het kadeterrein voldoet in het algemeen aan de klasse variërend van altijd toepasbaar tot industrie. De met olie verontreinigde grond ter plaatse van boring B03/S08 en de matig puinhoudende grond ter plaatse van boring 32 is niet toepasbaar.
De onbedekte toplaag rond de palletloods is eveneens niet toepasbaar als gevolg van de overschrijding van de hergebruiksnorm voor PFOS.
Op de locatie is sprake van een sterke verontreiniging met koper, lood, nikkel en zink. De omvang van de sterke verontreiniging bedraagt meer dan 25 m3. Derhalve is sprake van een geval van bodemverontreiniging en daarmee een saneringsnoodzaak. Binnen de huidige inrichting (volledig verhard) en het gebruik (bedrijfsmatig) is geen sprake van een actueel humaan-, ecologisch- of verspreidingsrisico. Het geval van bodemverontreiniging hoeft niet met spoed te worden gesaneerd. De locatie is vooralsnog niet geschikt voor het gewenste toekomstige gebruik (wonen, infrastructuur, openbaar groen). Voor graafwerkzaamheden in de sterk verontreinigde grond en om de locatie geschikt te maken zijn sanerende maatregelen noodzakelijk afgestemd op de toekomstige inrichting en het gebruik. Hier zal dan ook invulling aan worden gegeven. In dit kader wordt op dit moment gewerkt aan een saneringsplan. Deze zal ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Door de iniatiefnemer is reeds rekening gehouden met de beoogde aanvullende werkzaamheden en sanering, zodat dit het plan niet in de weg staat. 5.4.2
Conclusie
Aangezien invulling zal worden gegeven aan de saneringsnoodzaak vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
69
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 5.5.1
Relatie tot het plangebied
Het voorgenomen initiatief zelf is geen risicovolle activiteit. Voor de beoordeling van de risico's is de risicokaart via Atlas Leefomgeving geraadpleegd (zie onderstaande figuur). Daarnaast wordt aangesloten bij de door DGMR opgestelde 'Onderbouwing externe veiligheid project De Kaai'. De rapportage is als Bijlage 9 Onderzoek externe veiligheid opgenomen. Daarin is ook het advies van de Veiligheidsregio verwerkt.
70
ManneMraa*
Figuur 5.6: Uitsnede risicokaart, plangebied ter plaatse van grijs vlak (bron: Atlas Leefomgeving)
De risicobronnen in de omgeving (1,5 km) van het plangebied op basis van de Atlas Leefomgeving betreffen: » « » « »
transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas direct langs het plangebied; transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam Lombardijen - Rotterdam Centraal op een afstand van ongeveer 250 meter; een opslag van verpakte gevaarlijke stoffen bij Hunter Douglas op 600 meter ten zuiden van het plangebied; een LPG-tankstation op 600 meter ten oosten van het plangebied; een bunkerstation op 260 meter ten noordwesten van het plangebied.
Hierna wordt nader op deze risicobronnen ingegaan. Vaarweg Nieuwe Maas De planlocatie ligt aan de Nieuwe Maas, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Deze vaarroute maakt als belangrijke binnenvaarweg (zwarte route) deel uit van het Basisnet water. De Nieuwe Maas valt onder CEMT-klasse VI en het Basisnet gaat uit van 196 transporten GT3 en geen transporten van LT2 over deze vaarweg. Het invloedsgebied van een vaarweg wordt daarmee op basis van GT3 1.070 meter. Uit berekeningen (zie ook bijlage 9) volgt dat bij planrealisatie van het groepsrisico gelijk blijft, namelijk kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Langs de Nieuwe Maas geldt een vrijwaringszone van 25 meter als plasbrandaandachtsgebied. Met ingang van de Omgevingswet wordt dit een brandaandachtsgebied van 30 meter. De effectafstand van een plasbrand op het water is 40 meter landinwaarts. Theoretisch zou een plasbrand op het water tot deze afstand tot een secundaire brand of slachtoffers kunnen leiden. Het plasbrandaandachtsgebied van 25 meter en de effectafstand van 40 meter komen overeen met de veiligheidszones die de provincie Zuid-Holland heeft gesteld in haar Omgevingsverordening. Dit beleid verbiedt gebouwen binnen 25 meter van de oever en staat bebouwing tussen 25 meter en 40 meter van de oever alleen toe bij groot maatschappelijk belang.
Van deze eisen kan worden afgeweken als bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid op orde zijn en na advies van de VRR. Deze vrijstellingsmogelijkheden komen vrijwel geheel overeen met de eisen uit het Bevt. Met het ingaan van de Omgevingswet komt waarschijnlijk langs alle vaarwegen uit het Basisnet een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Dit geldt daarmee ook voor de Nieuwe Maas. Binnen deze zone moet de gemeente een afweging maken om het gebied
71
als explosieaandachtsgebied aan te wijzen of niet. In dat geval is Bbl-artikel 4.96 met daarin de bouwkundige maatregel om letsel door scherfwerking te voorkomen verplicht. Voor zeer kwetsbare gebouwen binnen een explosieaandachtsgebied is deze maatregel van rechtswege verplicht. De vrijwaringszone van 25 meter is op de verbeelding voorzien van een gebiedsaanduiding en daar is nieuwe bebouwing alsmede horeca expliciet niet toegestaan. Binnen de vrijwaringszone gelden vanuit het Barro eisen om hinder te voorkomen met betrekking tot: a. De doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. De zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. Het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. De toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; en e. Het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. De nieuwe bebouwing komt volledig buiten de vrijwaringszone te staan, zodat de beperkingen die voor een vrijwaringszone gelden niet van toepassing zijn. Spoorttraject Rotterdam Lombardijen - Rotterdam Centraal Station Het spoor ligt op circa 250 meter van de planlocatie en wordt gebruikt voor het vervoer van brandbare en toxische vloeistoffen en gassen (Basisnet route 30: Barendrecht vork 2 - Breukelen).
Deze spoorlijn ligt echter ondergronds; de tunnelmond ligt op 750 meter ten zuiden van het plangebied. Omdat de ontwikkeling op meer dan 200 meter van de transportroute ligt, is artikel 8 van het Bevt niet van toepassing en zijn een berekening van het groepsrisico en een afweging van maatregelen niet nodig. Wel is een beperkte verantwoording nodig, waarbij wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Omdat de spoorlijn grotendeels ondergronds ligt, kan alleen een toxische wolk vanaf het niet overdekte gedeelte een extern risico voor de planlocatie vormen. Unilever (koelinstallaties) Ter plaatse van het plangebied is momenteel een risicovolle inrichting aanwezig. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen de activiteiten ter plaatse worden beëindigd (en de aanwezige ammoniakkoelinstallatie wordt verwijderd), zodat geen sprake meer zal zijn van risicovolle activiteiten. Hunter Douglas Hunter Douglas beschikt over een PGS 15-opslag. Het onderzoek EV dat voor het bestemmingsplan Piekstraat punt (d.d. 8 juli 2021) is uitgevoerd geeft aan dat het gaat om een opslag met beschermingsniveau 1, namelijk een verfloods met een gasblusinstallatie. Voor deze opslag geldt vanuit de Revi een invloedsgebied van 90 meter. Het plangebied ligt op 600 meter van de opslag en daarmee buiten het invloedsgebied.
Een verantwoording van het groepsrisico van deze risicobron is daarmee niet nodig. LPG-tankstation Het LPG-tankstation aan de Maasboulevard staat op circa 400 meter van het plangebied. Voor LPG-tankstations geldt vanuit de Revi een 10-6/jaar PR-contour van maximaal 45 meter en een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstanden, zodat aan de grenswaarde van het PR wordt voldaan en een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. Bunkerstation Op 260 meter ten noorden van het plangebied ligt aan de Maaskade 33 een bunkerstation. Voor dit bunkerstation geldt vanuit het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 20 meter. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidsafstand, zodat dit bunkerstation geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. Omdat het bunkerstation niet onder het Bevi valt, is geen afweging nodig van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas en over de spoorlijn Rotterdam Lombardijen - Rotterdam Centraal. Voor het transport over de Nieuwe Maas is aan de hand van een berekening aangetoond dat het groeprisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Voor het vervoer over het spoor is de bijdrage aan het groepsrisico minimaal vanwege
72
de afstand van meer dan 200 meter tot de transportroute. Daarmee volstaat voor beide risicobronnen een beperkte verantwoording, waarbij we alleen ingaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Vanwege de hoogte van het groepsrisico is volgens het Rotterdamse beleid een lichte verantwoording nodig. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een calamiteit op het water of het spoor verandert niet door de realisatie van het plan. De oever van de Nieuwe Maas wordt in de nieuwe situatie openbaar terrein en is daarmee beter bereikbaar dan in de huidige situatie. Ten opzichte van het spoor ligt het plangebied op zodanige afstand, dat het geen invloed heeft op de bereikbaarheid. Omdat in het plangebied enkele hoge gebouwen zijn voorzien, is in geval van brand meer bluswatercapaciteit benodigd. Voor gebouwen tussen 20 en 70 meter schrijft de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019 een droge blusleiding voor en in de nabijheid een aansluitpunt met een capaciteit van 1.500 l/minuut. Hoogbouw boven 70 meter moet over een eigen blussysteem beschikken door middel van een hydrofoor. De eisen hiervoor moeten met maatwerk worden vastgesteld. Zelfredzaamheid De ontwikkeling voorziet in woningen en tevens in niet-woonfuncties. Daarbij kan het ook gaan om maatschappelijke voorzieningen in de vorm van kinderopvang en zorgwoningen.
Naar verwachting zal het merendeel van de aanwezige personen zelfredzaam zijn. Eventuele aanwezige, niet of verminderd zelfredzame personen, kunnen onder leiding van andere zelfredzame volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn, zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. In het ontwerp van de bebouwing zal rekening gehouden worden met vluchtwegen voor aanwezige personen, zodat ze van de bron af (Nieuwe Maas) kunnen vluchten. Op het moment dat bebouwing ten behoeve van horeca op de kade wordt gerealiseerd, dan zijn afhankelijk van de exacte situering van de bebouwing - van rechtswege de brandwerende maatregelen verplicht die gelden voor het bouwen binnen een plasbrandaandachtsgebied. Voor het realiseren van kinderopvang is vastgelegd dat deze op voldoende afstand van de Nieuwe Maas moet worden gerealiseerd, zodat hier in geval van een calamiteit veilig inpandig kan worden geschuild. De toekomstige bevolking dient goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld moeten worden. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijde van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden.
5.5.2
Conclusie
Het plangebied is op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
73
5.6
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.
Rotterdams beleid Wanneer in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen mogelijk wordt gemaakt moet onderzocht worden of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 5.6.1
Relatie tot het plangebied
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van onder andere woningen in een stedelijk gebied met enkele drukke wegen in de omgeving. Conform de Wet geluidhinder worden woningen geclassificeerd als geluidgevoelig, waarbij het van belang is om de optredende geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen in beeld te brengen. De geluidsbelasting als gevolg van het omliggend wegverkeer en varende schepen is door DGMR onderzocht (zie bijlage 10 Akoestisch onderzoek). Spoorweglawaai speelt voor deze ontwikkeling geen rol omdat het spoor hier ondergronds ligt. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. De toetswaarden voor de zoneringsplichtige bronnen zijn samengevat in de volgende tabel. Voorkeur Wegverkeer 50 km/u wegen
Geluidluwe gevel í53 (ï'ncl. aftrek)
Figuur 5.7: Zoneringsplichtige bronnen in Lden (dB) (bron: Akoestisch onderzoek De Kaai, Rotterdam Nassaukade Feijenoord, DGMR)
In onderstaande tabel zijn de beoordelingswaarden weergegeven voor de niet-zoneringsplichtige bronnen. Deze bronnen worden meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voorkeur Wegverkeer 30 km/u wegen Varende schepen Nestgeluid
55
Figuur 5.8: Niet-zoneringsplichtige bronnen in Lden (dB) (bron: Akoestisch onderzoek De Kaai, Rotterdam Nassaukade Feijenoord, DGMR)
Uit de rekenresultaten blijkt het volgende: « »
«
Op alle gevels wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. De bijdrage van het geluid van varende schepen is op een aantal gebouwen boven de streefwaarde van 55 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting is 61 dB scheepvaartlawaai. De maximale waarde van 68 dB wordt nergens overschreden. De bijdrage van het nestgeluid van afgemeerde schepen is op alle gebouwen ruim onder de
74
streefwaarde van 55 dB. Uit de resultaten blijkt dat op de meeste rekenpunten in de omgeving de geluidssituatie niet verslechtert als gevolg van de verkeersaantrekkende werking (Lden verschil van 0 of 1). Op deze woningen zorgt het plan niet voor een verslechtering van het woon- leefklimaat, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bij rekenpunten 31 t/m 47 is echter een verschil (toename) tussen de 1 en 10 dB berekend. Deze toename wordt veroorzaakt door de Nassaukade en Nassaustraat (30 km/u wegen), welke niet in het referentiemodel waren opgenomen. Op deze woningen is in de nieuwe situatie de gecumuleerde geluidsbelasting (als gevolg van alle wegen zonder aftrek) tussen de 51 en 56 dB. Als dit wordt vergeleken met de Wet geluidhinder en een aftrek van 5 dB wordt toegepast volgens artikel 110g, dan ligt de geluidsbelasting bij deze woningen tussen de 46 en 51 dB. Het plan zorgt daarmee vooreen acceptabele geluidsbelasting bij deze omliggende woningen, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn geluidsbelastingen door scheepvaartlawaai boven de 55 dB niet gewenst. Voor het creëren van een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat is het aan te raden om bij de stedenbouwkundige uitwerking van het plan rekening te houden met de geluidsbelasting door scheepvaart.
Met een goed stedenbouwkundig plan kan het aantal geluidsbelaste gevels en woningen worden beperkt. Ook op woningniveau kunnen maatregelen worden getroffen om een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat te garanderen. In het ontwerp zal dan ook rekening worden gehouden met de hoge geluidbelasting, zodat wel degelijk sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. 5.6.2
Conclusie
Alleen als gevolg van scheepvaartlawaai is sprake van relatief hoge geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling. Desondanks hoeven hiervoor geen hogere waarden te worden verleend. In het ontwerp van de woningen zal rekening worden gehouden met de geluidsbelasting door het scheepvaartverkeer.
5.7
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » »