CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008814] Bijlage 1 behorende bij 23bb008817 - Ontwerpbestemmingsplan De Kaai Toelichting

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 20 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken33.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

De Kaai Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstukl

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging en begrenzing

5

1.3

Geldende bestemmingsplannen

7

1.4

Gekozen planopzet

9

Beleid

10

2.1

Rijksbeleid

10

2.2

Provinciaal en regionaalbeleid

12

2.3

Gemeentelijk beleid

23

Planbeschrijving

35

3.1

Inleiding

35

3.2

Opzet van het plan

35

3.3

Stedenbouwkundige uitgangspunten

36

3.4

Juridische planbeschrijving

53

Water

55

4.1

Beleidskader

55

4.2

Samenwerking met de waterbeheerder

56

4.3

Huidige watersysteem

56

4.4

De wateropgave

58

Omgevingsaspecten

61

5.1

Inleiding

61

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

61

5.3

Bezonning

64

5.4

Bodem

66

5.5

Externe veiligheid

70

5.6

Geluid

74

5.7

Luchtkwaliteit

75

5.8

Milieuzonering

76

5.9

Natuur

77

5.10

Verkeer en parkeren

79

5.11

Windhinder

84

5.12

Duurzaamheid

86

5.13

Milieueffectrapportage

88

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk4

Hoofdstuk5

2

Hoofdstuk6

Handhaving

89

Hoofdstukľ

Uitvoerbaarheid

90

7.1

Financiële uitvoerbaarheid

90

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

90

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In 2021 zijn de gesprekken gestart over de herontwikkeling van het voormalig Unilever-terrein, gelegen aan de Nassaukade, in de wijk Feijenoord. Op deze locatie was voorheen de magarinefabriek gevestigd van Unilever. De Europese magarineproductie concentreerde zich in Nederland, in Oss. Hier stonden twee fabrieken, die stevig met elkaar concurreerden: Jurgens en Van den Bergh. Dit tweede bedrijf verhuidse in 1891 naar de Nassaukade in Rotterdam. De haven lag ideaal voor de import van vetten en de export van margarine.De concurrentiestrijd met Jurgens liep in 1927 uit op een fusie. Het was voor beide bedrijven de enige manier om te overleven. Zo ontstond de Margarine Unie, waar zich andere bedrijven bij aansloten, zoals Calvé. De margarineproductie van de drie grootste Nederlandse fabrieken werd in Rotterdam geconcentreerd. Twee jaar later volgde een fusie met het Britse Lever tot Unilever. Deze multinational zou uitgroeien tot een van de grootste bedrijven ter wereld. De boterdivisie werd verkocht aan KKR. Zij hebben het bedrijf Upfield genoemd. Upfield heeft nog 4 jaar boter geproduceerd aan de Nassaukade, tot eind 2021 het laatste pakje boter van de band rolde. Het vertrek van Upfield biedt kansen voor nieuwbouw en transformatie van een oude fabriekslocatie tot een stedelijk woon-werkmilieu in hoge dichtheid.

Ter plaatse van het plangebied, gelegen aan de Nassaukade in Rotterdam, is een gemengd programma beoogd ten behoeve van maximaal 1.100 woningen en 17.000 m2 aan voorzieningen, in de vorm van horeca aan de kade, werk- en bedrijfsruimte voor lokale ondernemers, culturele of maatschappelijke invulling als stedelijke trekker, wijkgerichte winkels en/of dienstverlening en kantoorruimte in de bestaande bebouwing. Het geldende bestemmingsplan "Kop van Feijenoord" (2016) staat de beoogde ontwikkeling niet toe (zie Ŝ 1.3 Geldende bestemmingsplannen), waardoor een planologische procedure moet worden doorlopen om de ontwikkeling mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Nassaukade in Rotterdam. De locatie is gelegen in de wijk Feijenoord. De Kop van Feijenoord ligt in het centrum van Rotterdam, aan de zuidelijke oever van de Nieuwe Maas. De wijk zelf bestaat uit een lappendeken van verschillende kleine buurtjes. Het stedelijk weefsel is ontstaan tussen industriegebieden met haven gerelateerde bedrijvigheid en een groot aantal spoorwegen die nodig waren voor overslag. Onderstaande figuren tonen de ligging van het plangebied.

5

üJ j

m :lļht Group Netherlands Bv Division Liquid...

İ

— r* - . z orld.Rotterdarj

ÜřâSüäeJ

ļ

wmã-

Qfacťoreu

áŕf'T

^įngvaarr

’

Stadhuis Rotterdam'

'

Rotterdam-Kralingen

* 1 kra/ingén ÖOŞT/

.

c~w„

fSjl

gjjŗjg

(]

.

. COOL

CENTRUM Museum Boijmans

/Erasmus

i

IřÏÏlÄ .W

|l

'

MĪeutve^.

; -I ''wVgŞĶ" *' rs*â g ŵ

STRUISENBUR

»

Arboretum

ļ

Xj|áİ/,-V

' . Ųoťel Ňovoţeĩ iotterdam B^amparK

ļpfiejd Europe Bv

N21Ū

' .V \ ļVVJ

■Masha'

RDÉŖĒ íĩ A

î.H.V. Leonidas

® KunşthaľŘottėrdam Erasmusbrug

.Reŝtaùrąŗļ

I Capelle aì I

S '“fll

Schaatsbaan Rotterdam*

îtaffyoù: VAM ' . ‘ŹUlb-EŅTREPOJ ITREPO.T

ĴZalmhùisI

' ì

mŝâ

,' Euroma:

*

Van Oord'Dr^clĝing and Máïine Contractors

, —M Fenix Food Eactoi

É&Oïïţ

' II'•ĵ

ľ'W ŵ Afrifâanĉlérŕuur’t

Eiĩanä varTBrienenö&rû m

sş.Rotterdàŕrî

Rotten

Quaker Oats #

PathĚ ne.Kuin 1

Figuur 1.1: Ligging plangebied in de stad (bron luchtfoto: Google Maps)

Legenda nj Plangebied

150 m

Figuur 1.2: Ligging in directe omgeving, plangebied bij benadering (bron luchtfoto: QGIS)

Het plangebied wordt globaal omsloten door: » » *

Nieuwe Maas (noord- en westzijde); Aanlegplaats Nieuwe Maas (oostzijde) en verderop de Nassauhaven; Nassaustraat (zuidzijde).

Het gebied dat wordt herontwikkeld is kadastraal bekend als de volgende percelen: gemeentecode

6

RTD05, sectie Q, nummers 6483, 6631, 6632, 6634, 6635, 6636, 6637, 6638, 6788, 7287, 7288, 7289, 7290, 7291 en 7292. Daarnaast maken gedeelten van de kadastrale percelen met nummers 5512, 5583, 6425, 6630, 6787 en 7012 onderdeel uit van het plangebied.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Kop van Feijenoord” van de gemeente Rotterdam, onherroepelijk (vastgesteld op 13 oktober 2016). De planlocatie heeft volgens dit bestemmingsplan de enkelbestemming “Bedrijf” en dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2” en "Waarde - Archeologie 3". Voor een deel geldt de functieaanduiding 'kantoor'. Verder geldt een maximum bouwhoogte van 20 of 41 meter. Naast voornoemd bestemmingsplan zijn, ter plaatse van de planlocatie, ook de drie paraplubestemmingsplannen geldend, te weten: 'Parapluherziening parkeernormering Rotterdam' (2017), 'Parapluherzieningen biologische veiligheid' (2018) en 'Parapluherziening evenementen' (2022), van kracht. Tevens geldt het voorbereidingsbesluit "Flitsbezorgsupermarkten met 'dark stores' (2022). Tot slot wordt opgemerkt dat het ontwerp-bestemmingsplan “Parapluherziening industriezones Feijenoord en Maas- en Rijnhaven” (2022) is opgesteld. ?

+ + + + + +

4 4- 4

Legenda

4444444

4 4

4 4 4 4

4 4 4 4 4 -4X1^4

'vy+'-'V

4 4 4 4 4 4

4 4 4ŗ 4

444444444

i

O Plangebied

4-4 4, 4 4

•4-T^F

t ^4

4 4 4

4 4 4

4 4 4

4 4 4 4 4

444444444 4*-

4 4

444444444444 4X4

řk 4 4 4

4 4

4 4 4 4 ►ř» 4 4444444444 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4.4 4a 4

4

4 4 4 4 4 4 4

4 4 4

4 4

4 4*4

4 4 4 4 4 4 4

4 4 4

4 4

4 4

4 4 4 4

4 4 4 4 4

4 4

4 4

+\

4 -į,4 4 4

4 4 4 4 4 4 4 4 4

4 4

4 4 4

4 4 4 4 44444444444444

pĮĮ 4 4

4 4 4 4 4 4 4»

Z -4n4-

\/

•4"X 4 4 4 4 4 4 4 4 4

ťf 4 4 4 4 4.

4 4 4 4 4 4 4

V444444

!ļ

ÿ

Am s Á \ \ 4 4 lrē ——n I IIZĴ !

4"

\

4""4„.4"

4 4 4.....4—ļ...-4" 4 4 4 4

,4 4\4

vSřt.4 4 4 4

X //\\\\ 4 \4 4

A ’444 Y \

'

4/4 4.,

4 4

4, 4 4

4 4 4

4 + 4 Ii \ II

f4 4s

Įiĩĩltsl

\ \ s\ X

,Vf 4\4

Figuur 1.3: Uitsnede plankaart van het geldend bestemmingsplan (bron: QGIS)

Toetsing aan het bestemmingsplan "Kop van Feijenoord" Ter plaatse van de planlocatie zijn ten hoogste 1.100 woningen en maximaal 17.000 m2 bvo aan voorzieningen beoogd. De functies zijn voorzien in een bouwvolume, met een bouwhoogte van maximaal 73 meter. Binnen de bebouwing worden diverse functies toegestaan zoals wonen, horeca, werk- en bedrijfsruimtes t/m categorie 2, culturele of maatschappelijke voorzieningen, wijkgerichte winkels en/of dienstverlening en kantoorruimte. De voor 'Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij de regels, een productie-inrichting, met de daarbij behorende erf en opslag- en werkterrein, met inbegrip van de tot deze bedrijven behorende kantoren (bedrijfsgebonden), met de daarbij behorende ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen,

7

(gebouwde) parkeervoorzieningen, dakterassen. Zowel de beoogde woningen als de beoogde niet-woonfuncties zijn niet toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijf. Daarnaast wordt de maximaal toegestane bouwhoogte overschreden. Toetsing aan het bestemmingsplan "Parapluherziening evenementen" (2022) Het is wenselijk op de kade evenementen te kunnen organiseren. Om dit mogelijk te maken is in het bestemmingsplan De Kaai Rotterdam, vastgelegd dat het bestemmingsplan "Parapluherziening evenementen" van toepassing blijft. Toetsing aan het voorbereidingsbesluit Flitsbezorgsupermarkten met ‘dark stores’ (2022) Flitsbezorgsupermarkten kunnen zich (soms ongewenst) vestigen in panden waar de bestemming detail handel op zit. Aangezien met het bestemmingsplan De Kaai Rotterdam geen zelfstandige detailhandel mogelijk wordt gemaakt, wordt het voorbereidingsbesluit niet nader beschouwd. Toetsing aan het bestemmingsplan "Parapluherziening biologische veiligheid" (2018) De parapluherziening biologische veiligheid omvat regels over laboratia waarin gewerkt wordt met biologische agentia. Aangezien dit voor de beoogde ontwikkeling niet relevant is, wordt hier in voorliggend bestemmingsplan niet nader op ingegaan. Wel worden dergelijke activiteiten in voorliggend bestemmingsplan uitgesloten.

Toetsing aan het bestemmingsplan "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam" (2017) In de parapluherziening parkeernormering Rotterdam is een regeling opgenomen, een voorwaardelijke verplichting, die verwijst naar de parkeernormen voor auto's en fietsen in het geldende beleid. De beoogde ontwikkeling dient te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren. Toetsing aan het ontwerp-bestemmingsplan “Parapluherziening industriezones Feijenoord en Maas- en Rijnhaven” (2022) Aangezien dit (nog) geen vastgesteld bestemmingsplan betreft en deze daardoor nog niet in werking is getreden, kan dit paraplubestemmingsplan nog niet worden beschouwd als geldend planologisch kader. Volledigheidshalve wordt de relatie tot de beoogde ontwikkeling toegelicht. Het paraplubestemmingsplan is opgesteld voor de herziening van de geluidzones rondom de industrieterreinen Feijenoord en Maas- en Rijnhaven, en voor de herziening van de begrenzing van de twee gezoneerde industrieterreinen. Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van de geluidzone van het industrieterrein Feijenoord, als een van de locaties waar bij vaststelling van de toetsingszones in de jaren '90 grote lawaaimakers waren toegestaan. In de huidige situatie zijn deze gezoneerde industrieterreinen echter veel kleiner.

Het plangebied heeft een bedrijfsbestemming gekregen waarbinnen bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Grote lawaaimakers zijn daar in de huidige situatie dan ook niet meer toegestaan. Alleen bij terreinen waar het bestemmingsplan grote lawaaimakers (bedrijven in milieucategorie 4.1 of hoger kunnen een grote lawaaimaker zijn) toestaat is feitelijk sprake van een gezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat de geldende bestemmingsplannen niet door de parapluherziening aangepast hoeven te worden waar het gaat om de (ligging van de) huidige gezoneerde industrieterreinen Feijenoord. Door het met de parapluherziening in bestemmingsplannen opnemen van vijf nieuwe kleine gezoneerde industieterreinen komen de twee huidige gezoneerde industrieterreinen automatisch te vervallen. Voor het plangebied geldt zodoende dat middels de “Parapluherziening industriezones Feijenoord en Maas- en Rijnhaven” (2022) de feitelijke situatie ook planologisch wordt vastgelegd. Conclusie De beoogde ontwikkeling past niet geheel binnen het bestemmingsplan "Kop van Feijenoord". Derhalve is gekozen voor het opstellen van voorliggend (project) bestemmingsplan, om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

8

1.4

Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met voorliggende toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 nader ingegaan op het relevante beleidskader, daarna volgt in hoofdstuk 3 de inhoud van het bouwplan. In hoofdstuk 4 komen de omgevingsaspecten en noodzakelijke onderzoeken aan bod, gevolgd door de juridische planopzet in hoofdstuk 5. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan in hoofdstuk 6.

9

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Vastgesteld op 11 september 2020 In de Nationale Omgevingsvisie zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

muĩmiiu □ NIWKKĮLN&LM

HÙŢiDhůLE ìTtŕTEūíîíHf HU2ES

ůteiEDSŮťflKHT MMTMDC

piuiriLm přļ.

ńįLiöhâlF bs langen

ai opgaven ^ĨOhlMI

Figuur 2.1: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteerd zich rond vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand

10

houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. 2. 3.

Combineren boven enkelvoudig Kenmerken & identiteit Afwentelen voorkomen

Relatie tot het plangebied Het niveau van voorzieningen in de wijk Kop van Feijenoord is relatief laag. Met de groei van de wijk, zal ook het voorzieningenniveau moeten meegroeien om alle bewoners te bedienen. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een gemengd programma met woningen en niet-woonfuncties. Het realiseren van een gemengd programma sluit aan bij het afwegingsprincipe 'Combineren boven enkelvoudig'. Daarnaast zorgt de verdichting die met de beoogde ontwikkeling is beoogd, voor een bijdrage aan de prioriteit 'Sterke en gezonde steden en regio's'. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het beleid voor de ontwikkeling van deze locatie wordt daarom verder overgelaten aan de provincie en gemeente. De nationale belangen, de vier prioriteiten uit de Uitvoeringsagenda en de afwegingsprincipes staan niet in de weg aan de voorgenomen ontwikkeling. Gemotiveerd kan worden dat de ontwikkeling juist een bijdrage kan leveren aan de nationale belangen, waaronder het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving en zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI, die gekenmerkt wordt door een hoog abstractie en schaalniveau. 2.1.2

Erfgoed

Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Relatie tot het plangebied Op het aspect cultuurhistorie wordt nader ingegaan in g 5.2 Archeologie en cultuurhistorie. Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met de Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte. 2.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 1 december 2020 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relatie tot plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich door een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports

11

of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet nabij een vaarweg waarvoor regels zijn opgenomen in het Barro. In paragraaf 5.5 Externe veiligheid wordt hier nader op ingegaan en wordt toegelicht dat voldaan zal worden aan de regels van het Barro. Verder bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Barro. 2.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang dat gericht is op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Relatie tot het plangebied De behoefte aan de beoogde ontwikkeling van ten hoogste 1.100 woningen en 17.000 m2 BVO aan niet-woonfuncties, kan gevonden worden in het beleid zoals beschreven in g 2.2 Provinciaal en regionaal beleid en g 2.3 Gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat ontwikkeling van woningen en niet-woonfuncties tegemoet komt aan de vraag naar deze functies in de gemeente Rotterdam. De behoefte aan de beoogde ontwikkeling is hiermee aangetoond. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Besluit ruimtelijke ordening.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2023) Per 1 april 2023 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit.

12

7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling levert met de realisatie van een gemengd programma bestaande uit woningbouw, niet-woonfuncties een bijdrage aan de ambitie 'een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland'. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit'. De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als het type 'transformatie'. De ontwikkeling past niet binnen de huidige gebiedsidentiteit, te weten: een bedrijventerrein. Voor ontwikkelingen van het type 'transformatie' dient zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de richtpunten van de kwaliteitskaarten. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat naar aanleiding van de transformatie een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. In ieder geval dient sprake te zijn van behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In onderstaande tabel is de toets aan de kwaliteitskaarten weergegeven. Kwaliteitskaart

Gebied

Richtpunten

Laag van de ondergrond

'Rivierdeltacomplex - rivierklei Z Richtpunten 'Rivierdeltacomplex veen' en 'Bijzonder reliëf - jonge rivierklei Z veen' stroomgordels en geulafzettingen' - Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Richtpunten 'Bijzonder reliëf jonge stroomgordels en geulafzettingen' - Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. - Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren mee

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen

N.v.t.

N.v.t.

13

Laag van de stedelijke occupatie

'Steden en dorpen', 'Stedelijk centrumgebied', 'Stads- en dorpsrand (200 meter)', 'Watergebonden bedrijventerrein' en 'Bouwwerken voor energie-opwekking'

Richtpunten 'Steden en dorpen' - Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. - Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. - Daar waar hoogbouw niet samenvalt met 'zwaartepunten' in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. - Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. - Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. - Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. - Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. - Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Richtpunten 'Stedelijk centrumgebied' - N.v.t.

Richtpunten 'Stads- en dorpsrand (200 meter)' - Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

14

Richtpunten 'Watergebonden bedrijventerrein' - Er wordt respectvol omgegaan met aanwezig cultuurhistorisch erfgoed (zoals het industrieel erfgoed langs de Oude Rijn). - Ontwikkelingen in en rond de mainport sluiten aan bij het grootschalig industriële en logistieke havenkarakter. - Ontwikkelingen op en rond natte bedrijventerreinen sluiten aan bij het industriële en logistieke land-waterkarakter en dragen bij aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving. - Omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. Richtpunten 'Bouwwerken voor energieopwekking' - Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Laag van de beleving

N.v.t.

N.v.t.

Tabel 2.1: Toets aan kwaliteitskaarten behorend bij de Omgevingsvisie Zuid-Holland

De provincie kiest vooreen duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid. Dit doet de provincie door primair in te zetten op preventie. Ondanks deze preventie kan een dijkdoorbraak niet geheel worden uitgesloten. Daarom worden er ter beperking van schade en slachtoffers bij een mogelijk optredende dijkdoorbraak ook maatregelen genomen in de ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing. De combinatie van preventie, ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing wordt meerlaagsveiligheid genoemd. Daarbij wordt ook gekeken naar de effecten van klimaatverandering zodat beleid en plannen duurzaam en toekomstbestendig zijn. Maatregelen ter verbetering van de veiligheid tegen overstromingen hebben een ruimtelijke impact. Deze maatregelen moeten dus zoveel mogelijk passen bij het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie. Bij de ruimtelijke inpassing van waterveiligheid (waterkeringen) wordt dan ook rekening gehouden met het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Dit beleid is nog in ontwikkeling (agenderend). Als in een gebied een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt kan dit invloed hebben op potentiële schade of slachtoffers; hier dient rekening mee gehouden te worden bij verstedelijking. Daarom brengt de provincie overstromingsrisico's in beeld en stimuleert zij een waterrobuuste ruimtelijke inrichting. Het plangebied is aan de Nieuwe Maas in buitendijks gebied gelegen.

Voor buitendijkse gebieden in het benedenrivierengebied vraagt de provincie van gemeenten dat zij bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden een inschatting maken voor wat betreft de risico's van overstromingen. In het ontwerp van de Nassaukade wordt een waterkerende functie ingebouwd en de nieuwbouw wordt op een veilige peilhoogte van 4.00 m boven NAP gerealiseerd. Daarnaast worden maatregelen getroffen om overtollig water op te vangen en/of indien nodig af te voeren. Op het aspect water wordt nader ingegaan in

15

hoofdstuk 4 Water van de toelichting. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als het type ontwikkeling: transformatie. Bij de richtpunten die volgen uit de kwaliteitskaarten wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht. Door de verandering van het gebied van een bedrijventerrein naar een gemengd programma met wonen en niet-woonfuncties, zal een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaan. Door de buitendijkse ligging van het plangebied zijn in het ontwerp maatregelen genomen om het risico op overstromingen te beperken. 2.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2023) De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van de provincie Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Relatie tot het plangebied Onderstaande artikelen zijn van toepassing door de ligging in de provincie Zuid-Holland (enkel de meest relevante passages en daarmee wordt niet het volledige artikel weergegeven). Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 5: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden: c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. In onderhavig geval geldt dat gesproken kan worden over transformatie. De beoogde ontwikkeling is voorzien in een gebied waar voornamelijk bedrijven aanwezig zijn. Ten behoeve van het plan, waarbij sprake is van een gemengd programma, woningen en (commerciële) voorzieningen, zal de bestaande gebiedsidentiteit getransformeerd worden. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Lid 1: Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.

Voor het plangebied geldt dat deze is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de Ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toelichting op de toetsing aan de Ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor

16

duurzame verstedelijking). Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw 1.

2.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt buiten bestaand stads- en dorpsgebied, houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.

Aangezien de ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied is dit artikel niet van toepassing. Daarbij wordt opgemerkt dat met het beoogde plan gestreefd wordt naar een zo hoog mogelijke woningdichtheid waar sprake is van een goede woon- en leefomgeving. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van artikel 6.10a. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1. 2.

Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.

De gemeente Rotterdam beschikt over parkeerbeleid waarin voor sociale huurwoningen specifieke parkeernormen zijn opgenomen. De norm uit de verordening wordt dan ook niet gehanteerd. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Conform artikel 6.10d is in de verkeersanalyse ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, zie ook paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b.

kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m*2 per 1 vestiging voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat; c. gemeentehuizen en -kantoren; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Op de bij de provinciale Omgevingsverordening behorende kaart 10 in bijlage II is het plangebied (deels) aangewezen als 'grootstedelijke top- en centrumlocatie'. Binnen een dergelijke locatie kan worden voorzien in nieuwe kantoren. Bovendien voorziet de beoogde ontwikkeling in kantoren op een locatie waar bedrijfsgebonden kantoren en zelfstandige kantoorvestiging (deels) reeds zijn toegestaan. In de planregels is vastgelegd dat - de bestaande monumentale bebouwing uitgezonderd - uitsluitend kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2 per vestiging zijn toegestaan voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat. Artikel 6.12 Bedrijven 1.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch

17

is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of die mogelijk zijn op grond van een 2.

vigerend bestemmingsplan. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.

3.

Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.

4.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste of tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden. Planologische compensatie is nodig bij:

a.

een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur;

b.

een bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur;

c.

een geluidgezoneerd bedrijventerrein;

d.

een watergebonden bedrijventerrein.

5. 6.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de milieucategorie of milieuzone. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.

7.

Compensatie van feitelijk gebruik en m2 voor m2 is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod, vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie.

Op de locatie van het plangebied is in de huidige situatie 28.865 m2 bvo bedrijfsruimte geregistreerd, met milieucategorie 3.2 en een kade voor watergebonden bedrijfsactiviteiten. De onttrekking is contrair met het beleid voor bedrijfsruimte en het collegetarget “behoud van de bedrijfsruimtevoorraad” omdat vestigingsmogelijkheden voor “zwaardere” en grootschalige bedrijven uiterst schaars is in Rotterdam en regio. Het doel van het bedrijfsruimtebeleid in Rotterdam, regio en provincie is wel de maximale belastbaarheid van locaties en de beschikbare ruimte intensief en innovatief te benutten. In de regionale bedrijventerreinenstrategie - welke thans nog in voorbereiding is - wordt deze locatie "Unileverterrein-Nassaukade" genoemd en benoemd als transformatielocatie. Deze locatie is aangemerkt als watergebonden bedrijventerrein, wat volgens artikel 6.12 lid 4 van de Provinciale Omgevingsverordening compensatieplichtig is. Voor deze locatie is nadere uitwerking van de planologische compensatie of een aanvaarde regionale visie op basis van feitelijke compensatie benodigd. Hier wordt invulling aan gegeven. De bestaande bebouwing is niet geschikt voor de beoogde functies.

Het plangebied is - in samenhang met de andere transitielocaties op de Kop van Feijenoord - ook na het vertrek van Upfield en eerder Unilever nog steeds een economisch icoon, dat met voldoende tijd een herontwikkeling kan doormaken met een integrale impact op Rotterdam en in het bijzonder op Zuid. De monumentale bebouwing zal behouden blijven en voor het overige zal aansluiting worden gezocht bij de beeldbepalende elementen, zodat het een iconische locatie blijft. De regionale visie wordt naar verwachting in 2023 vastgesteld en daarbij wordt voorzien in compensatie elders als gevolg van het onttrekken van de bedrijvigheid op deze locatie. Hiermee wordt voldoende invulling gegeven aan artikel 6.12 van de omgevingsverordening. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet-woonprogramma bestaat uit bedrijfsmatige activiteiten tot en met milieucategorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (en daarmee vergelijkbare functies). Ter plaatse van het plangebied blijft dus ruimte

18

bestaan voor bedrijven. 6.21 Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Een bestemmingsplan voor gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas van raainummer 1034 bij Hoek van Holland tot raainummer 995 bij de splitsing van de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 13 in bijlage II, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. in het gebied tot 25 mvanaf de kade wordt geen nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing toegelaten; b. in het gebied tussen de 25 en 40 m vanaf de kade wordt nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing slechts toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond; c. in afwijking van de onderdelen a en b zijn incidenteel nieuwe kleinschalige voorzieningen toelaatbaar ter ondersteuning van het dagrecreatieve karakter van de oever, waaronder restaurants, cafés en kiosken, alsmede voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg of de haven, zoals radarposten en kranen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1.

de bereikbaarheid van de oever voor hulpverleningsdiensten en de mogelijkheden voor optreden van deze diensten worden niet belemmerd 2. er zijn voldoende vluchtmogelijkheden; 3. het scheepvaartverkeer wordt niet belemmerd; en 4. advies is gevraagd van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en de beheerder van de vaarweg of haven; d. in afwijking van de onderdelen a en b is op het havenindustrieel complex, tussen raainummer 1005 tot 1034 aan de linkeroever, nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing toelaatbaar voor bedrijven die vallen onder artikel 2 lid 1 van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, mits wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. De vrijwaringszone is op de verbeelding opgenomen. Binnen de vrijwaringszone wordt geen nieuwe bebouwing en/of functiewijzging van bestaande bebouwing toegelaten. Daarbij is slechts een beperkt deel van de bebouwing is binnen de grens van 40 meter gelegen. Het advies van de VRR is reeds ingewonnen. In paragraaf 5.5 Externe veiligheid wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid. Artikel 6.27a risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte;

alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. In de planuitwerking wordt voldoende rekening gehouden met de risico's ten aanzien van klimaatverandering. Een en ander wordt nader toegelicht in paragraaf 5.12 Duurzaamheid. Daarnaast gelden aanvullende regels voor het plangebied zelf. In onderstaande tabel vindt de toetsing aan deze specifieke regels plaats. Kaart

Inhoud

Relatie tot dit bestemmingsplan

Kaart 4: Gebieden met waterkwantiteitsnorm waterschappen

Artikel 4.2 gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen.

Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta.

19

Kaart 9: Ontgrondingen

Artikel 3.34 bepaalt dat De werkzaamheden in het ontgrondingsactiviteiten die plangebied vallen niet onder de hoofdzakelijk tot doel hebben het vergunningplicht uit artikel 3.34. verkrijgen van oppervlaktedelfstoffen, zoals zand en klei, vergunningplichtig zijn.

Kaart 10: Kantoren en detailhandel

Artikel 6.11 geeft aan waar kan worden voorzien in nieuwe kantoren.

Kaart 10: Kantoren en detailhandel

Artikel 6.13 geeft aan onder De beoogde ontwikkeling voorziet welke voorwaarden detailhandel is in (ondergeschikte) detailhandel toegestaan. op een locatie waar de vestiging van detailhandel grotendeels is toegestaan. Zelfstandige detailhandel is niet toegestaan.

Kaart 13: Veiligheid

Artikel 6.21 bepaalt dat gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuw Maas voorwaarden gelden.

Aan de voorwaarden uit artikel 6.21 van de Omgevingsverordening moet worden voldaan. In g 2.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland is reeds beschreven hoe rekening wordt gehouden met de buitendijkse ligging van het plangebied. In hoofdstuk 4 is getoetst aan het aspect water en waterveiligheid.

Kaart 22: Planoptimalisatie

Artikel 6.10c bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in woningen in een stationsomgeving, een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning hanteerd.

In paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren is getoetst aan het parkeernormenbeleid van de gemeente Rotterdam.

De beoogde ontwikkeling voorziet in kantoren op een locatie waar kantoorvestiging grotendeels is toegestaan.

Conclusie Het voornemen voorziet in een regionale behoefte aan de beoogde functies in het bestaand stedelijk gebied, waardoor wordt voldaan aan artikel 6.9, 6.10 en 6.11 van de Omgevingsverordening en aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Bovendien wordt voldaan aan artikel 6.10a, 6.10b, 6.10d, 6.21 en 6.27a. Vanuit de Omgevingsverordening zijn diverse voorwaarden gesteld waaraan de ontwikkeling moet voldoen. Waterveiligheid en de compensatieverplichting voor bedrijvigheid vragen daarbij nadrukkelijk om aandacht. Ten aanzien van de compensatieverplichting is het van belang met de gemeente en provincie af te stemmen op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven. Hierover vindt reeds afstemming plaats. 2.2.3

Perspectief Toerisme Zuid-Holland 2030

De provincie heeft in oktober 2018 het 'Perspectief Toerisme Zuid-Holland 2030' vastgesteld. In het perspectief wordt de volgende hoofdambitie gesteld: iedere Zuid-Hollander profiteert in 2030 van toerisme. Om er voor te zorgen dat iedere Zuid-Hollander daadwerkelijk in 2030 van toerisme profiteert, zijn vijf ambities opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5.

Benutten van toeristische troeven Versterken van omgevingskwaliteit Verbeteren mobiliteit Samenwerking rond inspirerende concepten en verhaallijnen Versterken van duurzaam toerisme

20

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling kan bijdragen aan de ambitie 'Versterken van omgevingskwaliteit'. Voor deze ambitie is beschreven dat juist met de toenemende toeristische druk de zorg voor de omgevingskwaliteit belangrijker wordt. Investeren in de kwaliteit van bestemmingen, vervoersnetwerken en voorzieningen is gewenst om de toeristische belevingswaarde van Zuid-Holland (totaalervaring van vervoer, verblijf en vermaak) te versterken. Met name (het versterken van) de kwaliteit van de verblijfsvoorzieningen vraagt om aandacht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van bedrijventerrein naar woningbouw, horeca, werk- en bedrijfsruimte, culturele of maatschappelijke invulling, wijkgerichte winkels en/of dienstverlening en kantoorruimte. De horeca is aan de kade beoogd. Dergelijke voorzieningen kunnen een bijdrage leveren aan het versterken van de omgevingskwaliteit ten behoeve van het toerisme. Tevens kan de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan de ambitie 'Verbeteren mobiliteit'. Een aangenaam toeristisch verblijf kan worden bevorderd door ontbrekende 'last mile' oplossingen te introduceren, om eindbestemmingen beter bereikbaar te maken. Dit moet door middel van innovatieve, duurzame vervoersmiddelen bereikt worden. Voor de beoogde ontwikkeling wordt ingezet op deelmobiliteit, echter is nog niet bekend in welke vorm.

In Rotterdam wordt al gebruik gemaakt van deelauto's, deelfietsen en elektrische deelscooters. Met de toevoeging van deze deelmobiliteit kan de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan de ambitie 'Verbeteren mobiliteit'. Conclusie Het plan sluit aan bij de ambities van de het Perspectief Toerisme Zuid-Holland 2030. 2.2.4

Woningbehoefteraming 2021-2030

Ter uitvoering van het provinciale omgevingsbeleid heeft de provincie Zuid-Holland de toegestane woningvoorraadgroei voor alle woonregio's vastgesteld voor de periode 2021 tot en met 2030. Dit heeft de provincie gedaan op basis van de Woningbehoefteraming 2021. Met de woningbehoefteraming wordt antwoord gegeven op de vraag: hoeveel extra woningen zijn er in iedere woonregio van Zuid-Holland nodig in de periode 2021 tot en met 2030 om in de uitbreidingsbehoefte te kunnen voorzien? Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in maximaal 1.100 woningen. Het woonprogramma bestaat uit sociale huur, middeldure huur, middeldure koop, vrije sector huur en vrije sector koop. Het woonprogramma kan daarmee bijdragen aan de woonbehoeften in verschillende segmenten. 2.2.5

Verstelijkingsalliantie

De gemeenten Rotterdam, Leiden, Zoetermeer, Den Haag, Rijswijk, Delft, Schiedam en Dordrecht hebben zich sinds eind 2017, met het oog op de woningbouwopgave, verenigd in de 'Verstedelijkingsalliantie'. Deze alliantie is een samenwerkingsverband met de provincie Zuid-Holland en de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Begin 2018 heeft deze alliantie een pamflet opgesteld, waarin wordt geschetst op welke wijze deze gemeenten de verstedelijkingsopgave (versneld) op zich willen nemen. Gekozen wordt vooreen geconcentreerde verstedelijking langs de bestaande infrastructuur; de spoorlijn Dordrecht-Leiden. De woningbouwopgave en de versterking van de economische toplocaties worden in samenhang met investeringen in hoogwaardig openbaar vervoer op een integrale wijze uitgevoerd. Deze aanpak moet ertoe leiden dat in deze gemeenten tot 2040 in totaal 170.000 extra woningen worden gerealiseerd, waarvan 150.000 in een (centrum)stedelijk milieu en waarvan 75.000 in de directe nabijheid van treinstations. Relatie tot het plangebied Uit de Verstedelijkingsalliantie volgt dat 170.000 woningen gerealiseerd dienen te worden, waarvan 150.000 in een (centrum)stedelijk milieu en waarvan 75.000 in de directe nabijheid van treinstations is gelegen. Dit bestemmingsplan voorziet in circa 1.100 woningen en voorzieningen, zoals kantoren, bedrijvigheid en commerciële en maatschappelijke voorzieningen.

Het plangebied maakt deel uit van de binnenstad van Rotterdam. De dichtstbijzijnde hoogwaardige OV punten voor het plangebied zijn de Metrohalte Wilhelminaplein en Station Rotterdam Zuid, of Station

21

Blaak. Deze locaties bevinden zich op 5-10 minuten fietsen van het plangebied. Het centrum (het gebied rond de Coolsingel) is binnen 10-15 minuten bereikbaar met de fiets via de Willems- dan wel de Erasmusbrug. Het plan sluit aan bij de doelstellingen zoals geformuleerd in de Verstedelijkingsalliantie. Conclusie Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan woningen, zoals door de Verstedelijkingsalliantie inzichtelijk is gemaakt. 2.2.6

Strategische Werklocaties 2029-2030Metropoolregio Rotterdam Den Haag

De 'Strategie Werklocaties 2019 - 2030 Metropoolregio Rotterdam Den Haag' bevat de visie en regionale afspraken over werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De Strategie versterkt kantorenlocaties, bedrijventerreinen en winkelgebieden, en verbetert het ruimtelijk marktevenwicht voor de periode 2019 - 2030 in de regiogemeenten. Het beschrijft de marktdynamiek, actuele kwesties per domein en subregio en de gezamenlijke aanpak om gestelde doelen te realiseren. Relatie tot het plangebied In de Strategie Werklocaties wordt de Kop van Feijenoord aangemerkt als 'Bedrijventerrein met strategische opgave transformatie'. Bij transformatie van een bedrijventerrein naar een andere functie vereist de provincie Zuid-Holland - in bepaalde gevallen - regionale afstemming over het nieuwe bestemmingsplan. De MRDH organiseert deze regionale afstemming en stelt daarvoor een afwegingskader vast. Het nieuwe afwegingskader is opgesteld in samenwerking met de provincie Zuid-Holland en geldt vanaf 1 januari 2019 voor alle nieuwe bestemmingsplannen waarin sprake is van transformatie van een bedrijventerrein naar andere functies. De hoofdgedachte is dat in het belang van het behoud van stedelijk en (sub)regionaal economisch vestigingsklimaat, een adequate inhoudelijke onderbouwing noodzakelijk is om tot een positief regionaal advies te komen overeen gewenste transformatie.

Daarbij moet naar de samenstelling en het belang van het terrein zelf, de kansen voor behoud en menging en de samenhang met andere terreinen binnen het betreffende werkmilieu (binnen het betreffende marktgebied) worden gekeken. Gezien de huidige ruimtevraag naar bedrijventerreinen is de Strategie Bedrijventerreinen in 2022 geactualiseerd. Het is ook een antwoord op de vraag van de provincie Zuid-Holland om een nieuwe visie bedrijventerreinen op te stellen. Daarin is aangegeven dat het mogelijk is om bedrijventerreinen te transformeren naar een woon-werkgebied. Daarbij is het van belang om zorgvuldig af te stemmen en af te wegen op welke wijze hiermee wordt omgegaan. In onderhavig geval wordt wederom voorzien in bedrijfsruimte, zodat ruimte voor werken blijft behouden. In plaats van de invulling van één groot bedrijf binnen het plangebied wordt het gebied bestemd wordt voor een diversiteit aan meerdere kleine bedrijven in de binnenstad van Rotterdam, in de maakindustrie en/of stadsverzorgende bedrijvigheid. Het toestaan dit type bedrijvigheid sluit aan bij de uitgangspunten van de strategie. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij hetgeen in de strategie werklocaties en bedrijventerreinen is omschreven.

2.2.7 Uitvoeringsagenda bereikbaarheid 2016-2025:Uitvoering geven aan de Strategische Bereikbaarheidsagenda Ter voorbereiding op de Vervoersautoriteit is de Strategische Bereikbaarheidsagenda voor de Metropoolregio Rotterdam Den Haag opgesteld. De agenda geeft invulling aan de gezamenlijke regionale mobiliteitsopgaven in de metropoolregio. Deze volgen uit de noodzaak om de gezamenlijke agglomeratiekracht te versterken. Daarbij bouwt de Metropoolregio Rotterdam Den Haag voort op de karakteristieken van de afzonderlijke gemeenten en gebiedstypen. In de Uitvoeringsagenda wordt een samenhangend pakket aan maatregelen voorgesteld voor de periode 2016-2025. Relatie tot het plangebied Conform de Uitvoeringsagenda is het plangebied gelegen in het gebiedstype 'Metropolitaan hoogstedelijk gebied'. De hoofdopgave voor dit gebiedstype is het versterken van de internationale concurrentiekracht en het metropolitaan vestigingsklimaat door levendigheid en multifunctionaliteit, gekoppeld aan internationale connectiviteit. In deze gebieden krijg daarom het gebruik van OV en fiets

22

de overhand ten opzichte van de auto. De hoofdopgave dient gerealiseerd te worden door het toepassen van de volgende opgaven: « » » » » » »

Focus ligt op OV en inpassing van metropolitane fietsroutes; Aantrekkelijkheid van de openbare ruimte is specifiek van belang; Aanwezigheid van voldoende fietsparkeervoorzieningen; Goen vindbare en toegankelijke collectieve parkeervoorzieningen, zowel in het centrum, als bij P+R-locaties aan de rand van de stad; Inzet op schone voertuigen, vervuilend verkeer wordt geweerd; Aandacht voor betrouwbare en veilige stadsdistributie; Kwaliteit van plekken van belang als metropolitane interactie-milieus.

Voor de beoogde ontwikkeling wordt gestreefd naar een zo optimaal mogelijke inrichting voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De parkeerplekken worden gerealiseerd op basis van wat past bij bepaalde doelgroepen. De dichtstbijzijnde hoogwaardige OV punten voor het plangebied zijn de Metrohalte Wilhelminaplein en Station Rotterdam Zuid, of Station Blaak. Op iets grotere schaal ligt de wijk op 10 minuten fietsen van de binnenstad. In Rotterdam is op andere locaties reeds sprake van inzet van deelmobiliteit, in de vorm van deelauto's, deelfietsen en elektrische deelscooters. De voorgenomen ontwikkeling kan met het toepassen van dergelijke deelvoertuigen een bijdrage leveren aan de verwering tegen vervuilend verkeer. Ook wordt in de Uitvoeringsagenda verwezen naar de aanwezigheid van voldoende fietsparkeervoorzieningen. De voorgenomen ontwikkeling zal fietsenstallingen in de nieuwbouw realiseren. In de paragraaf Verkeer en parkeren wordt nader ingegaan op het aspect bereikbaarheid. Conclusie Uitgangspunt is dat de ontwikkeling aansluit bij de opgaven die zijn benoemd in de uitvoeringsagenda bereikbaarheid 2016-2025.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1

Omgevingsvisie Rotterdam

De Omgevingsvisie Rotterdam is een plan voor de fysieke leefomgeving en beschrijft hoe de stad er in de toekomst uit gaat zien. Met de fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreëren. Denk aan gebouwen, water, lucht, bodem, natuur, wegen en gebouwen. De Omgevingsvisie toont aan wat voor stad Rotterdam wilt zijn op de lange termijn: sterk, veerkrachtig en toekomstbestendig. In de omgevingsvisie zijn vijf perspectieven leidend: 1. Compact: Rotterdam ontwikkelt zich als een compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier. 2. Inclusief: Rotterdam is een inclusieve stad, waar niemand in de meerderheid is, het is één stad op twee oevers. 3. Duurzaam: Rotterdam groeit uit tot een stad en haven die leiderschap toont in de transitie naar duurzame energie, circulaire processen en een klimaatneutrale maatschappij. 4. Gezond: Rotterdam maakt een gezond leven voor alle inwoners in de stad mogelijk. 5. Productief: Rotterdam biedt ruimte aan de nieuwe economie. Deze vijf perspectieven zijn doelen op de lange termijn die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving. Om de groei van Rotterdam concreet te maken zijn daarnaast in de Omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd: 1. Verstedelijken & verbinden. 2. Vitale wijken. 3. Schouders onder de energie- en grondstoffentransitie. 4. Verdienvermogen vernieuwen. 5.

Prettig leven in de delta.

23

Bij uitwerking van de vijf hoofdkeuzes is blijvende aandacht voor de omgevingskwaliteit en leefomgeving nodig. Relatie tot het plangebied De locatie is in de Omgevingsvisie aangewezen als een locatie waar de rivier een landschappelijke slagader is van de stad. Daar is het wenselijk in te zetten op het verbinden, vergroenen, verblijven, verbijzonderen en verdichten van de locatie. Daarnaast is de locatie aangewezen als een focusgebied in de aanpak voor klimaatadaptatie. Daar wordt ingezet op vergroening en extra waterberging. Ook is de locatie aangewezen als een zoekgebied voor verstedelijking. De herontwikkeling van het plangebied draagt bij aan de verdichtingsopgave. De ligging van het plangebied aan de Nieuwe Maas is een grote kans om groene plekken en bijzondere openbare ruimtes toe te voegen aan de stad. Het uitgangspunt is om de kade openbaar toegankelijk te maken voor publiek en in te richten als een aantrekkelijke plek om te verblijven. De ambitie is om de kade autovrij te maken. Duurzaamheid komt op verschillende manieren terug in de ontwikkeling. Zowel in de bouw van woningen als in het ontwerp van de buitenruimte speelt duurzaamheid een prominente rol. De ambitie is om circulair en natuurinclusief te bouwen en energieneutrale woningen te realiseren. De buitenruimte zal klimaatadaptief worden ingericht. De kade en de daken worden deels vergroend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=20b50d52-4231-4406-977b-b99100d3dd61