[23bb008722] Bijlage behorende bij 23bb008721 - Erfgoedvisie Renovatie Museum Boijmans Van Beuningen
Tekst van het document
Gemeente Rotterdam
Erfgoedvisie Renovatie Museum Boijmans Van Beuningen "Behoud, versterk en bewerk"
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2
INLEIDING Doel erfgoedvisie Een duurzaam exploitabel museum
3 3 3
1.3
Behoud, versterk en bewerk
4
2 2.1 2.2
HET MUSEUM IN DE STAD EN OMGEVING Baken in Hoboken De veranderende functie van de Mathenesserlaan
4 5 5
2.3 2.4
Geboorte van het Museumpark Doorzetten museum tot aan Westersingel
6 6
2.5
Het Depot en het Museumpark als bestemming
6
3 3.1 3.2
HET MUSEUMENSEMBLE Behouden en versterken symbiose Van der Steur & Bodon Hernieuwde betekenis Henketpaviljoen
8 8 10
3.3 3.4
Onderzoeken en afwegen Robbrecht en Daem Museumtuin revitaliseren en verbinden
11 12
4
ROUTING, ENTREES EN TOEGANKELIJKHEID
12
5 5.1
ARCHITECTUUR & AFWERKINGEN De architectuur van het exterieur
16 16
5.2 5.3
De architectuur van het interieur Afwerkingen
17 18
6
DUURZAAMHEID, KLIMAAT EN VEILIGHEID
19
7
LOGISTIEK EN FACILITAIR
20
BRONVERMELDING
21
Datum
Pagina
25 oktober 2023
2 van 21
1
INLEIDING
1.1
Doel erfgoedvisie Het doel van deze Erfgoedvisie is het leveren van planuitgangspunten op basis van heldere en gefundeerde standpunten ten opzichte van geduide betekenissen als beschreven in de bouw-, tuin- en cultuurhistorische onderzoeken. De Erfgoedvisie heeft zodoende een sturend karakter als vervolgstap op het Programma van Eisen (PVE). Het vult "luisterend naar de gebouwen/tuin/monumenten" richtingen in waar in het ontwerp naar oplossingen gezocht kan worden, zonder oplossingen te beschrijven. Het stipt uitdagingen en conflicten aan en beschrijft wat in het ontwerp bereikt moet worden. Het beschrijft speelruimte, maar ook waarjuist vanaf moet worden gebleven. Daarmee is de Erfgoedvisie een leidraad voor de te plegen interventies in de zoektocht naar een hernieuwde, duurzame balans tussen gebruikersbehoeften, functiebehoeften, (collectie)eisen, regelgeving en de monumentale waarden. De visie luistert naar het gebouw en roept de architect op dit voort te zetten bij ontwerpkeuzes. De visie geeft misschien niet op alle aspecten richting, maar biedt ook een lijn van denken en redeneren bij het maken van ontwerpkeuzes. De visie dient tevens als inspiratiebron en vertrekpunt voor een gewenste onderzoekende ontwerphouding.
1.2
Een duurzaam exploitabel museum Alles begint bij de missie van het museum om de rijke kunstcollectie — de schat van Rotterdam — aan een zo breed mogelijk publiek te tonen en zorgvuldig te beheren. Het bestaande gegroeide museumgebouw met monumentale waardes wordt met een vernieuwingsopgave naar hedendaagse behoeften en inzichten geschikt gemaakt voor de duurzame voortzetting van de missie in de huidige tijd en naar de toekomst. Deze Erfgoedvisie is opgesteld door de opdrachtgever van project Renovatie Museum Boijmans Van Beuningen (MBVB1). De op handen zijnde grootschalige renovatie moet in het ontwerp vanuit gebruik en cultuurhistorie door de schalen overtuigen. Bij het ontwerp van een gebouw met buitenruimte in het algemeen starten de opdrachtgever en het ontwerpteam met een PVE dat via een proces van voortdurend kiezen en beslissen wordt omgezet in plannen en bestekken. Bij het vastleggen van de ontwerpkeuzes moet het ontwerpteam elke deeloplossing en elk samenhangend scenario van deeloplossingen beoordelen op zijn intrinsieke kwaliteiten, op zijn economische haalbaarheid en op zijn interactie met andere ontwerpaspecten. Ontwerpkeuzes gebeuren immers binnen een strikt kader van randvoorwaarden: kosten, wettelijke en functionele eisen, comforteisen, technische mogelijkheden en veiligheidseisen, betrouwbaarheid, stedenbouwkundige eisen en duurzaamheidsaspecten.
Bij het restaureren van een historisch monument wordt aan de standaard randvoorwaarden de historische context toegevoegd. Ontwerpers kunnen hierbij niet alleen uitgaan van het voor de toekomst vrijwaren van het monument. In het geval van Museum Boijmans Van Beuningen wordt gestreefd het gebouw zijn oorspronkelijke functie opnieuw actief en volgens hedendaagse vereisten te laten uitoefenen. De gemeente Rotterdam en Museum Boijmans Van Beuningen maken de keuze voor functiebehoud in het bestaande gebouw. Het gebouw is geen 1 Daar waar we het project renovatie bedoelen, zullen we in het vervolg de afkorting MBVB gebruiken of over het gebouw(deel) of ensemble schrijven. Daar waar we het hebben over het museum als organisatie, schrijven we over 'het museum'. Datum
Pagina
25 oktober 2023
3 van 21
relikwie, maar zal met zorgvuldige ingrepen zijn functie als kunstmuseum dat een kwalitatief hoogwaardige collectie beheert en daarbij een internationale reputatie in de bruikleenwereld heeft kunnen voortzetten.
1.3
Behoud, versterk en bewerk In de visie wordt het rijksmonumentale ensemble in hernieuwd, toekomstbestendig evenwicht gebracht met de gebruiksbehoefte van een duurzaam exploitabel museum en de eisen vanuit wet- en regelgeving. De nieuwe tijdslaag heeft daarbij een dienende en voegende rol in de noodzakelijke verbinding, interactie en vanzelfsprekende routing tussen gebouwdelen, met de museumtuin en de stad. Behouden en versterken van de symbiose en eenheid uit de tijdlaag van Van der Steur en Bodon en hun eigenstandige kwaliteiten vormen de fundamentele basis van de visie. De erfgoedvisie is gericht op behoud en versterking van cultuurhistorische waarden van de monumentale kern van het museumcomplex. Het ensemble kent meerdere tijdslagen. Kernwaarden kunnen behulpzaam zijn om de cultuurhistorische waarde uit te drukken in termen die in een ontwerp bruikbaar zijn. We onderscheiden: » Materiële waarden (zoals historisch waarde volle substantie, materialen, constructies, afwerking); » Structuurwaarden (zoals typologie, ruimtelijkheid, groen, morfologie en stedenbouwkundige structuur); » Immateriële waarden (zoals achterliggende ideeën, concepten of typologieën en de associatieve waarden in relatie tot het gebruik of bijzondere gebeurtenissen). Structuurwaarden zijn daarbij gelijkwaardig aan materiële waarden.
Immateriële waarden zijn van belang voor de denkwijze van concepten bij aanpassingen in de geest van het verleden maar met de kennis en waarden van "nu”. Aanpassingen en ingrepen (interventies) zullen nodig zijn waarbij een uitgewogen nieuwe tijdslaag ontstaat. Hierbij zal een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden tussen alle wensen en de cultuurhistorische waarden. Er moet gezocht worden naar plekken waar de nieuwe balans kan worden gemaakt. Nut, noodzaak en de mate van ingrepen spelen een rol in het ontwerpmatig toe bewegen naar een positieve totaalafweging. Indien ingrijpen in het bestaande monumentale ensemble noodzakelijk is zal dit worden ontworpen met minimale impact op het monument, maar met maximale verbetering van het functioneren als modern, duurzaam en exploitabel museum. Leeswijzer De tekst bevat beschrijvende delen die voor een groot deel zijn opgesteld op basis van onderzoeken en andere informatie. De vet gemarkeerde teksten, anders dan hoofdstukken en andere titel aanduidingen, beschrijven de voornoemde planuitgangspunten van deze visie. Soms zijn deze ook in een tekst vak gevat. De Erfgoedvisie is compact gehouden om tegemoet te komen aan de praktische leesbaarheid en hanteerbaarheid ervan in het verdere ontwerpproces.
2
HET MUSEUM IN DE STAD EN OMGEVING De uitbreidingen van Museum Boijmans Van Beuningen zijn onderdeel van een museumcomplex met een markante situering en continu wisselende oriëntatie binnen het verstedelijkingsproces in dit deel van Rotterdam. De visie op het gebied nam regelmatig een wending en het museumcomplex bewoog daarin mee. Het museum en de omgeving zijn niet afzonderlijk van
Datum
Pagina
25 oktober 2023
4 van 21
elkaar te beschouwen. De gelaagdheid van het complex, bestaande uit verschillende bouwdelen, de inbedding daarvan in de tuinaanleg,het omringende stedelijke landschap van het Museumpark en de Westersingel met de status beschermd stadsgezicht, worden beschouwd als één van de belangrijke kwaliteiten.
2.1
Baken in Hoboken De oeroude polderstructuur van het kleine landgoed ’Land van Hoboken' bleef, in tegenstelling tot omliggende landerijen, tot in dejaren dertig van de twintigste eeuw grotendeels onbebouwd. Aan de verstedelijking van het 'Land van Hoboken' ging een groot aantal niet uitgevoerde uitbreidingsplannen vooraf, voordat het plan van Witteveen uiteindelijk, nadat Rotterdam het gebied in 1924 verwierf, werd uitgevoerd. In de stedenbouwkundige opzet kreeg museum Boijmans Van Beuningen, naar ontwerp van Ad van der Steur, een prominente, beeldbepalende plek aan de nieuwe verbindingsweg tussen Mathenesserlaan en Witte de Withstraat (destijds een nieuwe stedelijke hoofdroute), tussen de achtertuinen van de Westersingel en de groene parkaanleg van villa Dijkzigt (de kern van het land van Hoboken). Het museum werd in 1935 geopend. Directeur was Dirk Hannema (1921-1945) die een hechte samenwerking had met de architect. De architectuur representeerde de voorname publieke functie van een museum met internationale allure. De entree werd langs de drukke verkeersas gemarkeerd met een vooruitgeschoven deel onder een markant vormgegeven toren als stedenbouwkundig landmark.
De poldersloot tussen museumtuin en achtertuinen Westersingel werd doorgetrokken om de noordhoek van het museum en daar sterk verbreed, om in de gebouwreflectie de allure te verhogen en een natuurlijke afstand tussen gevel en trottoir te bereiken. Bij andere delen van de gevel werd deze afstand gerealiseerd met een veel smallere, iets verhoogde gazon-plint. Bij de entrees naar de toren en naar het buitenhof werd dit onderbroken. De overgang van museumgebouw naar de straat voltrekt zich getrapt. Het museum neemt enige distantie van het straatniveau door de (herstelde) verhoogde gazon-plint langs de zuidgevel en van de westgevel tot aan de toren. Ten zuiden van het museum werd de museumtuin aangelegd, in combinatie met het G.J. de Jongh-monument, naar een op dit moment onbekend ontwerp van Van der Steur (zie paragraaf 3.4 voor uitgebreide beschrijving museumtuin). Behoud en versterk de groene omsluiting aan drie zijden van de tuinkamer: achtertuinen Westersingel, Museumpark en richting Westzeedijk. Behoud de betekenis en herkenbaarheid van de polderstructuur als onderlegger voor het structuur- en ruimtebeeld. De erfgrens en waterloop tussen Westersingelkavels en museumtuin zijn nog de enige erfenis van de grote ononderbroken lengtemaat van het polderlandschap.
Respecteer de overgang van het museum (Van der Steur) en straat als een geschakelde opeenvolging van markeringen en ruimtelijke motieven: (a) Voute architecturale' bij oorspronkelijke publieksentree met toren en (b) het buitenhof met poort als toegankelijk plein.
2.2
De veranderende functie van de Mathenesserlaan Het Tracé Mathenesserlaan — Witte de Withstraat lag eindjaren zestig niet meer in de hoofdstructuur, dat werd overgenomen door de Rochussenstraat — Westblaak. De Mathenesserlaan werd als secundaire weg beter toegankelijk voor flanerend publiek met een groeiend bewustzijn. De nieuwe uitbreiding van het museum door Alexander Bodon in 1972 kwam tegemoet aan de culturele veranderingen met een transparante plint met zicht in het museum en een openbaar voorgebied met sculpturen. De entree ervan — die bij het ontwerp als tijdelijk was bedoeld met het oog op de bedachte uitbreidingen richting de Westersingel - kreeg een lange luifel naar de straat en een begeleidende wand naar de Westersingel. De torenentree
Datum
Pagina
25 oktober 2023
5 van 21
bleef de functie behouden als nevenentree. De architectuur van beide gebouwdelen was onderling onderscheidend, maar in hoge mate in architectuur afgestemd. Het door de uitbreiding van Bodon omsloten buitenhof bleef via de bestaande poort een toegang voor logistiek, personeel en ontvangsten. Directeur was Coert Ebbinge Wubben (1945-1978).
2.3
Geboorte van het Museumpark In het overgebleven gedeelte tussen museumtuin en het ziekenhuis ontstond eindjaren '80 het concept 'Museumpark '. Het museum reageerde op het concept met het transparante paviljoen van Henket in de museumtuin als stedelijke toevoeging in het landschap. Vervolgens werden ook de Kunsthal, het Natuurhistorisch Museum (in het oude buitenhuis Dijkzigt), het Nederlands Architectuurinstituut (nu: Het Nieuwe Instituut) en een moderne parkaanleg - ontworpen door OMA - gerealiseerd. Een ontsluiting van het museum aan de parkzijde bleef achterwege. De oriëntatie van het museum bleef aan het inmiddels Museumpark (-straat2), waar ook een uitbreiding voor de Bodonvleugel werd gemaakt met een nieuw entreegebied met commerciële functies, zoals een museumwinkel en een horecagelegenheid aan de straat. Directeur was Wim Crouwel (1985-1993), die een hechte samenwerking had met de architect bij het ontwerp. Het museumgebouw als blikvanger en de toren als landmark in het perspectief vanuit de Mathenesserlaan en de Witte de Withstraat zijn onderdeel van een reeks van blikvangers en landmarks maar vereisen in dit geheel een hoofdrol, die gepast ondersteund kan worden via kunstuitingen in de openbare ruimte. Behoud en waar mogelijk versterk de betekenis van de oorspronkelijke entree van Van der Steur en de toren.
De toren niet alleen als ruimtelijk herkenningspunt, maar ook als beleefbaar onderdeel van het museum en architectuur.
2.4
Doorzetten museum tot aan Westersingel Waar al in de eerste uitbreidingsplannen van Van der Steur de aansluiting met de Westersingel werd gezocht, werd met de uitbreiding van Robbrecht en Daem besloten het museumgebouw daadwerkelijk door te zetten tot aan de Westersingel. De hoofdentree kwam daarentegenjuist verder van de Westersingel verwijderd te liggen aan het buitenhof. De uitbreiding omkraagt de Bodonvleugel en reflecteert de toenmalige ambities van een museum-kenniscentrum, maar moest ook voorzien in noodzakelijke uitbreiding van tentoonstellingsruimte en kantoorruimte voor het personeel. De museale functie werd zo moeilijker afleesbaar. Het museum was daardoor wel aanwezig aan de Westersingel en Museumparkstraat, maar moeilijk herkenbaar en in beleving verminderd toegankelijk. De relatie tussen buiten naar binnen en binnen naar buiten werd door de omkraging van Bodon en de niet-museale functies sterk minder, ondanks de juist zeer open en transparante gevelopzet. Directeur was Chris Dercon (1996-2003). Verzorg een passende aansluiting en overgang hoek Westersingel (rijksbeschermd stadsgezicht) en Museumparkstraat. Behoud de gevel van de 19e -eeuwse villa Westersingel 83 als onderdeel van het rijksbeschermd stadsgezicht.
Bij een eventuele ingreep aan de singelzijde moet deze passend worden uitgewerkt aan de waarden van het beschermd stadsgezicht, met aandacht voor erfafscheidingen, groen karakter voor- en achtertuinen en respectvolle aansluiting op de singelbebouwing.
2.5
Het Depot en het Museumpark als bestemming In 2021 werd het Depot Boijmans van Beuningen geopend, ontworpen door architectenbureau 2 Met de term 'Museumpark' kan zowel het gebied worden bedoeld, alsook de gelijknamige straat. In dit document zal hierna de term 'Museumparkstraat' worden gehanteerd om verwarring te voorkomen. Datum
Pagina
25 oktober 2023
6 van 21
MVRDV. Een geheel autonoom gebouw in het ensemble in het hart van het Museumpark. Het Depot ontlast het museumgebouw van depotfuncties en biedt hoogwaardige werkplaatsen voor conservering. De functie wordt innovatief gecombineerd met publiekstoegankelijkheid waardoor hiervoor ook functies zijn toegevoegd. De architectuurstijl is Supermodernisme waarbij het gebouwconcept van een alzijdig gebouw dat de bouwmassa ontkent op iconische wijze vertaald is naar een komvormig volume bekleed met spiegelende glazen elementen. Het Depotgebouw vormt een onderdeel van het netwerk van Museum Boijmans Van Beuningen in het Museumpark. De iconische vormgeving markeert het Museumpark als culturele bestemming, maar tezamen met de toren van Van der Steur als historisch landmark, ontstaat de motivatie dat het ontwerp van nieuwe delen voor het museum geen iconische vormgeving zou moeten krijgen die zou resulteren in een concurrentieslag in architectonische beeldentaal ten koste van de architectuur van de monumentale delen. Het belang en de bestemmingswaarde van het Museumpark groeit. De landschapsinrichting — die momenteel nog in uitvoering is - wordt fors verbeterd met het plan van Gustafson Porter uit 2015.
De Witte de Withstraat ontwikkelde zich tot een bruisende culturele- en horeca as die zich in meer kalmte en andere stedenbouwkundige kwaliteit en sfeer via de Westersingel voortzet in het Museumpark. Met het plan van Gustafson Porter is het gehele gebied museumparkkwartier geworden. In de visie is, om het kwartier beter met de omgeving te verbinden, ingezet om bij de entrees van het museumparkkwartier de parkfuncties duidelijker te maken. Binnen het nieuwe Museumpark en omgeving wil het museum aansluitingen maken om te reageren op hedendaagse behoeften en gedrag van publiek, zoals verwoord in de visie Museum als Netwerk. Voor het te vernieuwen museumgebouw betekent dit de toevoeging van meerdere entrees en het versterken van de verbinding met park en stad. Ook bestaat een ambitie de museumtuin via een doorgang aan de Westersingel te ontsluiten. Met deze uitgangspunten zal ook de museumtuin veel toegankelijker en bruikbaarder moeten worden en geprogrammeerd. Het werken met rangordening op grond van beleving, gebruik en stedenbouwkundige kwaliteit, kan structuur geven bij het maken van keuzes. Richt straatruimte in invloedsfeer museum integraal in: vergroenen maar tevens rust en samenhang creëren om de gebouwen beter tot hun recht te laten komen. De basis voor het ontwerp is het Masterplan van Gustafson Porter.
Op basis van de verdere uitwerking van het renovatieplan zal worden bepaald of en zoja welke onderdelen van het inrichtingsplan straat Museumpark gewijzigd geanticipeerd moeten worden. Als er door het ontwerp van de renovatie iets aangepast moet worden aan het oostelijk deel van de straat, dan zal hiervoor te zijner tijd naar verwachting een inrichtingsplan-procedure worden gevolgd.
Datum
Pagina
25 oktober 2023
7 van 21
3
HET MUSEUMENSEMBLE Het huidige gebouw van Museum Boijmans Van Beuningen (MBVB) heeft een markante situering en is in bijna negentigjaar ontstaan uit vele gebieds- en gebouwtransformaties met wisselend succes. De uitbreidingen van het gebouw vormen met de uit 1935 daterende basis van Museum Boijmans Van Beuningen het geheugen van het museum dat niet alleen opgesloten ligt in de collectie, maar ook in het gebouw dat - onderhevig aan de veranderlijke culturele ambities van zowel de stad als het museum telkens is aangepast en uitgebreid. Lange tijd gaven de architecten elkaar het stokje door als een estafette in de ontwikkeling.
3.1
Behouden en versterken symbiose Van der Steur ã Bodon Het gebouwdeel Van der Steur met museumtuin en G.J. de Jonghmonument (1935) vormen als een waar Gesamtkunstwerk de basis van het huidige gebouwensemble. Het gebouwdeel werd als een innovatief daglichtmuseum ontworpen. Met licht als grondthema heeft een ogenschijnlijk decoratieve opzet van vorm en materiaal daarbij een duidelijke en weldoordachte functie met betrekking tot de lichtinval gekregen. Ook de keuze voor vloerbedekking (natuursteen, linoleum) hangt hiermee samen, maar ook het schilderwerk. De circulatie met (veelal) enfilades werd rond twee verschillend geprogrammeerde binnenplaatsen gegroepeerd. Er was een sterke samenhang beoogd tussen binnen en buiten (straat en museumtuin). Een gebouw volledig toegesneden op de museale functie en betekenis voor een stad met snelgroeiend zelfbewustzijn; met afwisseling van ruimten en rustpunten tegen 'museumvermoeidheid'; en samenwerking tussen collectie en gebouw. De oostelijke binnenplaats werd opengehouden met de ambitie het museum tot aan de Westersingel te kunnen uitbreiden. Kernwaarden gebouwdeel Van der Steur3 1. Daglichtmuseum. 2. Enfilade principe. 3. Architectonische uitwerking in Traditionalistische stijl ten tijde van het interbellum, de gevels en de interieurs zijn uitgewerkt met hoogwaardige ambachtelijke detaillering en in materiaalgebruik 4.
Integraal ontworpen geklimatiseerde ventilatie-installatie als ademend gebouw met geïntegreerde kanalen door het gebouw. 5. Situatie en context, in het bjzonder de relatie met de museumtuin.__________________________ Voor de uitbreiding van het museum werden meerdere varianten onderzocht, zoals een uitbreiding aan de kop van de bestaande directievleugel en het overkappen van het buitenhof. Uiteindelijk werd besloten tot een uitbreiding naar de Westersingel toen een onteigeningsprocedure van delen van de achtertuinen van de villa's aan de Westersingel succesvol was. Van 1962 tot 1972 werd er ontworpen en gerealiseerd. Voor de uitbreiding door Alexander Bodon werden als uitgangspunten geformuleerd: flexibiliteit, grote openheid naar de toen nog Mathenesserlaan, een niet storende achtergrond voor de kunstwerken en een harmonieus geheel met gebouwdeel Van der Steur. Dit resulteerde volgens functionalistisch-modernistische ontwerpprincipes in een schijnbaar eenvoudig en sober gebouw, maar zeer uitgekiend uitgewerkt en gedetailleerd op een moduulraster van 1,1m wat het museum destijds volgens tijdschriften een "kosmopolitisch allure” gaf. 3 Een volledige beschrijving van de bouw- en cultuurhistorie en de waardering zijn te vinden in de onderzoeken naar de betreffende onderdelen van het gebouwcomplex. Datum
Pagina
25 oktober 2023
8 van 21
De rechthoekige vleugel werd een completerend volume aan het buitenhof die daarmee een nieuwe dimensie en positie kreeg. De voorgevel kwam op dezelfde lijn als de voorgevel van Van der Steur. Maar de klassieke drieledigheid met bel-etage werd niet overgenomen. Via transparante gangen werd Bodon aangehecht met Van der Steur. Daar waar Van der Steur ontworpen is vanuit het tentoonstellen van een vaste collectie, is Bodon hoofdzakelijk ontworpen voor wisseltentoonstellingen. In Bodon ontstonden tentoonstellingsruimten die vrij indeelbaar en goed verlicht waren en de grootst mogelijke vrijheid boden voor het ontwikkelen van tentoonstellingsconcepten en waarin hedendaagse kunstobjecten het beste tot hun recht komen. De open opzet op de verdieping werd door twee corridors met daarin trappen en liften opgedeeld in drie aan elkaar geschakelde ruimten. De geraffineerde keuze voor materialen en de gefilterde daglichttoetreding gaven de nieuwe vleugel een hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit. Kernwaarden gebouwdeel Bodon 3 1. Respectvolle architectonische aansluiting op Van der Steur 2. Daglichtmuseum en de combinatie met nadrukkelijker uitzicht daarbij. 3. Architectonische en bouwtechnische uitwerking ten tijde van het 'uitgewogen' Modernisme van de jaren '70 4. Situering en context - oriëntatie op de straat 5.
Klimaatconcept als ademend gebouw geïnspireerd op Van der Steur Grote ramen in de hoeken van zalen en in de centrale assen van de zalen en corridors boden daglicht en uitzicht naar de omliggende stad en landschap. Bodon voegde zo naast daglicht ook nadrukkelijk landschappelijk zicht toe naar de stad. Van buiten ontstond omgekeerd ook een uitnodigend en laagdrempelig zicht naar binnen. Er werd een continuïteit bereikt van het concept van een daglichtmuseum en de verkeersstructuur met het hoofdgebouw met dezelfde precisie maar op een volstrekt eigen wijze. De symbiotische eenheid werd verder bereikt door de afstemming van materialen, verhoudingen en aansluitingen. De gebouwdelen hebben op onderling verschillende maar hoogwaardige wijze het principe van het daglichtmuseum voortgezet. In het gebouwdeel Robbrecht en Daem speelt daglicht via zijlicht van de gevel een prominente rol, maar dit gebouwdeel ontneemt ook daglicht en uitzicht van Bodon, met name op de begane grond is een sterk versomberend effect ontstaan. Daarnaast verloor Van der Steur door het omvormen van daglicht kokers naar expositieruimten op verdieping van de directievleugel, op de begane grond, in de entreehal en de gang en voorruimte naar het auditorium, de daglichttoetreding. Hierdoor werden deze ruimten donkerder en somberder van karakter. Er wordt niet afgeweken van het principe van het daglichtmuseum.
Dit wordt hooggewaardeerd en is een karakteristiek onderdeel van het museum. Het moet zodoende versterkt en hersteld worden waar het kan. Bij de begane grond van de directievleugel Van der Steur kan met technische mogelijkheden worden gezocht naar een suggestie van daglichttoetreding. De Van der Steur- en Bodonvleugel vormen de kern van het hedendaagse museumensemble. Behoud en versterk de symbiose en eenheid tussen Van der Steurvleugel en Bodonvleugel: beiden zijn opgetrokken in baksteenarchitectuur en gebouwd met vooruitstrevende constructietechnieken, het concept van een daglichtmuseum, zichtassen en ruimtes. Bodon completeert en volgt Van der Steur met respect, maar op een eigen wijze in een eigen tijdsgeest.
Datum
Pagina
25 oktober 2023
9 van 21
3.2
Hernieuwde betekenis Henketpaviįjoen In de periode 1988 — 1991 breidde het museum uit aan de voorzijde van de Bodonvleugel met een uitbouw aan de Mathenesserlaan/Museumparkstraat (geamoveerd) en met een paviljoen aan de zuidzijde van de tuinzaal van de Van der Steurvleugel. Architect Hubert Jan Henket ontwierp dit met betrokkenheid van Alexander Bodon. De aanleiding voor het paviljoen was een legaat voor de collectie archeologische, pre-industriële en industriële gebruiksvoorwerpen van Van Beuningen — De Vriese. Het paviljoen verbeeldt deze collectie bijna letterlijk: de archeologische vondsten in het verzonken souterrain en de moderne serieproducten in de industrieel ogende beletage. De prominente flexibel indeelbare transparante beletage en het terughoudend souterrain zijn subtiel visueel met elkaar verbonden. Op de beletage is gefilterd daglicht met buitenjaloezieën, in het souterrain werd daglichtjuist geweerd. Henket zette zo het principe van daglichtmuseum voort, waarbij de combinatie met uitzicht prominent werd. Het nieuwe gebouwdeel werd eigenstandig gekoppeld aan de museale routing op begane grond. Het resultaat was een vooruitgeschoven transparante tuingerichte 'serre' die als verhoogd uitzichtpunt de visuele relatie tussen het hoofdgebouw en de museumtuin versterkte op een subtiele maar tegelijk contrasterende wijze.
Het paviljoen kent ook knelpunten en zwaktes die naar de toekomst aandacht behoeven. De tuinzaal van het hoofdgebouw is enigszins in de schaduw gezet zonder de functie en het karakter van die zaal opnieuw te definiëren. Ook blokkeert de gesloten personenlift het doorzicht in de middenas van het paviljoen. Tegelįjkertįjd verbrak deze toevoeging de door Van der Steur zo belangrijk geachte fysieke verbinding tussen gebouw en tuinen. Het gebruikskunstwerk van Van Lieshout versterkt dit in verdere mate. Vanaf de aangrenzende zaal op verdieping Van der Steur werd het huidige landschappelijk uitzicht op de museumtuin verminderd aantrekkelijk. Tot slot kent het paviljoen een aantal bouwfysische uitdagingen, zoals koudebruggen, die aangepakt moeten worden om tot een goede toekomstbestendige functionele invulling te komen. De transparantie van het paviljoen is zowel een kwaliteit als een uitdaging in gebruik. Zo kunnen de buitenjaloezieën kunnen weliswaar naar beneden, maar dat doet het transparante karakter van het paviljoen teniet. Recent is door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten om de gebouwen Bodon en Henket (formeel: paviljoen Van Beuningen De Vriese) ook aan te wijzen als Rijksmonument4. Het behoud van het Henketpaviįjoen is een vanzelfsprekendheid en kans.
Vanuit de kernwaarden ervan wordt gezocht naar een nieuwe programmatische betekenis in het ensemble en ten opzichte van de museumtuin. Het paviljoen zal ruimtelijk en technisch anticiperen op de nieuwe programmatische uitgangspunten. Geïdentificeerde knelpunten behoeven aandacht in het ontwerp door aanpassingen en verbeteringen. Kernwaarden paviljoen Henket3 1. Respectvolle aansluiting op Van der Steur en het zich voegen naar de gevelcompositie ervan. 2. De wijze van het voegen binnen de bestaande context van het hoofdgebouw en de museumtuin waarbij dit in een benadering met goede ruimtelijke verhoudingen en het toepassen van contrast is bereikt. 3. De transparante op de tuin gerichte vormgeving op de centrale as daarvan en in de symmetrie.
4 https://monumentenreaister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/513878
Datum 25 oktober 2023
Pagina 10 van 21
4. Grote mate van transparantie en daglicht, technisch gecontroleerd gefilterd door buitenlichtwering. 5. Architectonisch en daarmee vermengde bouwtechnische uitwerking in functionalistische Hightech Stijl en kleur- en materiaalkeuze in harmonieuze samenhang met klassieke ontwerpprincipes.
3.3
Onderzoeken en afwegen Robbrecht en Daem In 2005 breidde het museum onder directeur Chris Dercon uit voor het realiseren van onder andere een bibliotheek, meer expositieruimte en kantoren, onder andere ingegeven door een groeiend belang van publieksbegeleiding en educatie. Doordat de Museumparkstraat verkeersluwer was geworden ontstond de behoefte het museum beter zichtbaar te maken aan de Westersingel. De aangetrokken ontwerpers hiervoor waren de Vlaamse architecten Paul Robbrecht en Hilde Daem. Als bouwruimte voor deze opgave werd alle eigen ruimte genomen aan de Museumparkstraat en rondom de Bodonvleugel. De Bodonvleugel heeft daarbij alleen het zicht naar het landschap aan achterzijde behouden. Het meerlaagse gebouwdeel omkraagt de Bodonvleugel met daarin tentoonstellingsruimten en het prentenkabinet en het sluit aan op Bodon door de vloerpeilen ervan over te nemen. De vormgeving is strak en minimalistisch met sobere kleurstelling onder meer door het gebruik van schoonbeton. De samengestelde gevels hebben een zorgvuldige detaillering en verfijnde afwerking: drie lagen interfereren met elkaar resulterend in een gelaagd en dynamisch gevelbeeld. In het deel naar de Westersingel zijn de bibliotheek en de kantoren gesitueerd met afwijkende vloerpeilmaten. Aan de Westersingel werd de nieuwbouw gerealiseerd met behoud van de gevel van een 19e -eeuwse villa.
De entree werd verlegd in het buitenhof waarbij het hof tot leven is gewekt als een expositieruimte voor sculpturen. Het nieuwe entreegebied kwam deels in de nieuwbouw, overlopend in een deel van de tevens gewijzigde begane grond van Bodon. Door het uitgebreide programma, maar beperkte ruimte ontstond een gespannen relatie waarbij diverse knelpunten ontstonden. De Robbrecht en Deam-vleugel bleek als ingreep minder helder: de vleugel sluit weliswaar stedenbouwkundig aan op de Westersingel en geeft het museum een gezicht aan deze zijde, maar als bouwvolume zorgt het ervoor dat de klare lijn van Bodon uit het zicht wordt onttrokken. Van binnenuit is de heldere routing vertroebeld en is het licht en uitzicht vanuit Bodon deels ontnomen. Ook is met het gebouwdeel het museum weliswaar beter zichtbaar geworden aan de Westersingel, het is niet herkenbaar als museum. Niet museale functies aan de straat versterken een gesloten uitstraling. In het gebouwensemble is het de eerste uitbreiding die ten koste gaat van een eerder gerealiseerd gebouwdeel. Bodon wordt immers aan drie zijden aan het zicht onttrokken en is ook inwendig Verdoosd'. De logistieke ontsluiting voor het laden en lossen van kunst, materialen en afvalstromen vormt in het entreegebied van het museum een barrière.
De heldere routing tussen Van der Steur en Bodon is door de Robbrecht en Daemvleugel niet meer zo krachtig als het was. Algeheel gesproken is de museale routing en leesbaarheid van binnen (bezoekerscomfort en helderheid routing, enscenering) en van buiten (zichtbaarheid/herkenbaarheid Bodon) problematisch. De gehele verkeersstructuur zou met logica en continuïteit van de museale routing aandacht moeten krijgen. Op al deze punten ligt ruimte voor aanpassingen ter verbetering. Met de realisatie van de Bodonvleugel en vervolgens met de komst van het gebouwdeel Robbrecht en Daem is het buitenhof meer en meer gegroeid tot een centraal gelegen hart van het gebouw met ontsluiting naar de openbare ruimte en ontsluitingskansen naar de
Datum 25 oktober 2023
Pagina 11 van 21
delen van het gebouwensemble en de museumtuin, het is daarom belangrijk dit goed te programmeren en toegankelijk te maken. Kernwaarden gebouwdeel Robbrecht en Daem3 1. De strakke, minimalistische en sobere vormgeving, materiaal en kleurstelling. Alsmede de zorgvuldige detaillering en verfijnde afwerking van de gevels in architectuurstijl ’de nieuwe eenvoud'. 2. De terughoudende stedenbouwkundige aansluiting en overgang naar de 19e -eeuwse Westersingel. 3. De terughoudende positie ten opzichte van de Arminiuskerk Het gebouwdeel Robbrecht en Daem is een onderdeel in de ontwikkeling van het museumensemble en heeft zijn eigen kwaliteiten. Anderzijds worden de knelpunten onderkend en dienen deze te worden gewogen naar de toekomst. In het ontwerptraject moeten alle opties — amoveren, gedeeltelijk behoud, hergebruik, circulariteit — op gedegen wijze worden onderzocht en afgewogen vanuit een onderzoekende ontwerpwijze.
3.4
Museumtuin revitaliseren en verbinden Het museum, de museumtuin en het G.J. de Jongh-monument zijn door architect Van der Steur in nauwe ruimtelijke en architectonische samenhang met elkaar ontworpen5. De tuindelen zijn integraal aangemerkt als rijksmonument (complex-nr 513877, 25 september 2000). De tuin is ontworpen in de toen populaire architectonische tuinstijl met verdiepte en verhoogde delen, verbonden door trappen en gescheiden door keermuren en taluds. De hoofdrol in de tuin speelt de lange centrale middenas, met vijvers, gazons en borders, vanaf de Tuinzaal tot aan de beëindiging met het G.J. de Jonghmonument. Niet langer de polderverkaveling maar de Mathenesserlaan als nieuwe verbindingsweg bepaalde de hoofdorde en richting van het museum en de tuin. Die bescheiden verdraaiing van de richting ving Van de Steur op in een schegvormig passtuk met een verhoogde belvedère tussen de centrale middenas en de poldersloot. Op de belvedère is de Italiaanse-populierenlaan aangelegd. Deze laan vormt vanaf de zuidoostvleugel de tweede tuin-as èn is een van twee fysieke verbindingen met het omliggende Dijkzigtpark (nu: Museumpark). De eenheid tussen gebouw en tuin werd ook in materiaaltoepassing en kleurgebruik doorgevoerd. De lichte schelpenpaden waren oorspronkelijk te beschouwen als een vertaling van de travertintegels op de vloer in delen van het museum.
De tuin kenmerkte zich door een verzonken opzet met laaggelegen vijvers en gazons in de centrale as en in hoogte getrapte taluds en keerwanden aan de langs- en korte zijden. Dat getrapte profiel wordt versterkt door de eveneens in hoogte klimmende beplanting: gras, perken, geleidende hagen en boomrijen. Een beschutte opzet met aan de ene zijde de museumvleugels en aan de andere zijde hoge, hagen, met daarachter de boomrijke, parkachtige achtertuinen van de Westersingel en de oude bomen van het Dijkzigt-park als stevige 'wanden' rondom. Een belvedère functioneerde als 'venster op de stad' vanuit de tuin: oorspronkelijk bood dat open blikveld zicht op de nieuwe stadsuitbreiding. De tuin kende een functionele zonering met van noord naar zuid eerst een beeldentuin met vijvers, vervolgens een wandeltuin met gazons, langsliggende borders en hagen, en tot slot een herdenkingstuin met spiegelvijver en monument. De gedenknaald vormt het richtpunt van de zichtlijn vanuit binnenhof en tuinzaal.
5 De bestaande cultuurhistorische verkenning (Broekhuizen, 2010) is vooral gericht op het rosarium. Het verdient aanbeveling om aanvullend cultuurhistorisch onderzoek te doen naar de gehele museumtuin en met name de beeldentuin en de gebruiksgeschiedenis.
Datum 25 oktober 2023
Pagina 12 van 21
De grote buitenhof kreeg langs de open zijde een tuininrichting van een zeer brede groenblijvende haag met drie halfronde nissen en daarachter een dichte rij Italiaanse populieren in een gazonstrook. De buitenhof werd door een keermuur gescheiden van de verbrede sloot. De door vier museumvleugels besloten binnenhof was vooral beleefbaar vanuit de Tuinzaal en had een strak vormgegeven inrichting met centraal gazon en borderranden. Net als het gebouwenensemble kent de tuin meerdere tijdslagen. De Floriade van 1960 vond plaats in Het Park en in het Dijkzigtpark, waarbij ook de museumtuin werd betrokken. De oorspronkelijk tuinaanleg werd voor deze expositie aanzienlijk aangepast naar ontwerp van Jan T.P. Bijhouwer en Meto J. Vroon. Bij de parkentree van de populierenlaan is toen de inrijpoort herplaatst van buitenplaats Muyden (deze 17e-eeuwse buitenplaats in de Esch-polder is in de jaren 1960 gesloopt voor de aanleg van de Van Brienenoordbrug). Om onbekende redenen is de ensemble-gedachte van Van der Steur bij het Bijhouwer/Vroom-ontwerp zo doorkruist en aangetast, dat de museumtuin veel van haar architectonische en botanische kwaliteit verloor. Door deze forse ingreep is de museumtuin nu een min of meer vlak terrein, waarin veel mist van de kenmerkende accidentatie als reactie op het gebouw en als begeleiding van de zichtassen.
Vanwege onderhouds- en inrichtingsbezuinigingen werden in dejaren 1980 veel 'Floriadeonderdelen' weer opgeheven. Daarnaast werd in deze periode op het meest westelijke deel van het vroegere landgoed het ziekenhuis Dijkzigt gebouwd, dat zich daarna steeds oostelijker, richting het oude buitenhuis en het museum Boijmans, zou uitbreiden. De renovatie van museumensemble Boijmans Van Beuningen kan sterk bijdragen aan de beoogde kwaliteitsimpuls van de beleving in het Museumpark in het algemeen en voor de museumtuin in het bijzonder. Bij de gebouwuitbreidingen van Henket en van Robbrecht en Daem zijn kansen blijven liggen om de relatie met het Museumpark te versterken. Door de toegevoegde kwaliteit en functies van omliggende gebouwen zoals (zeer recent) het Depot en eerder al de Kunsthal, Chabot en Het Nieuwe Instituut is de balans binnen het Museumpark wezenlijk gewijzigd. Deze heroriëntatie moet in het ontwerp geadresseerd worden, onder andere en niet in de laatste plaats in relatie tot de museumtuin en het Depot. De museumtuin wordt gerevitaliseerd vanuit de oorspronkelijke ontwerpgedachte van Van der Steur en de wijze waarop gebouw en tuin een samenhangend geheel vormen en in relatie staan met de omgeving van Museumpark en Westersingel. Versterk de relatie tussen museum en tuin in materialisatie en het kleurgebruik in de buitenruimte.
Het gebouwensemble wordt weer toegankelijk vanuit de tuin en vice versa. Respecteer de museumtuin als een omsloten, langs assen georganiseerde, architectonisch uitgewerkte tuinkamer omringd met groene wanden (de bomen van de achtertuinen Westersingel en in het omringende park). Versterk en herstel de historische, sterke ensemble-kwaliteit met de twee tuinassen en hun onderscheiden, gedetailleerde inrichting; die tussen Tuinzaal/ Henket en het G.J. de Jongh-monument en die tussen de zuidoostvleugel en de Muydenpoort/ Grieks-Orthodoxe kerk. De enscenering in het museum werd door Van der Steur in de buitenruimte doorgezet: verschillende tuindelen zijn opgezet langs twee lange noordwest — zuidoost lopende zichtlijnen. De zichtlijnen werden begeleid door hoogteverschillen met strak vormgegeven taluds en een bewust gekozen beplanting, waarvan met name de bomen in rijen door hun nadrukkelijke bolvormige of piramidale kroonvorm de architectonische kwaliteit benadrukten. De zuidelijke zichtlijn, vanaf de tuinzaal, lag verdiept tussen taluds, de noordelijke zichtlijn, vanaf de directievleugel, lag verhoogd op het banket met de populierenlaan. De museumtuin is in tweeën
Datum 25 oktober 2023
Pagina 13 van 21
gesplitst door de watergang met halfronde vijver. De verschillende tuindelen werden ontsloten door een stelsel van geometrische wandelpaden en gemetselde tuintrappen. Behoud en versterk deze kernkwaliteiten, inclusief herstel van vijvers, botanische variatie en daarbij behorend parkbeheer. Het herstel van de historische vijvers, de oorspronkelijke gemengde, bloemrijke beplantingsopzet van de borders èn de herinvoering van het historische meer gefaseerde gazonbeheer betekent 1-op-1 ook ruimte voor een meer ecologische en klimaatadaptieve invulling van de museumtuin. Om doorzichten te vergroten kan overwogen worden de beplanting van gemiddelde cultuurhistorische waarde te reduceren. Het oorspronkelijk landschappelijk ontwerp van de verlaagde zuidelijke zichtlijn met borders en vijvers en de verhoogde noordelijke zichtlijn met het banket met dubbel talud en Italiaanse-populierenlaan kan als inspiratie worden benut voor eventuele nieuwe programmatische invullingen in de tuin. De tijdlaag Van der Steur prevaleert daarbij zowel architectonisch als botanisch boven de (nog aanwezige elementen uit de) tijdlaag Floriade. Daarbij ontstaat er een nieuwe tijdlaag door het netwerkgedachtegoed en impact van verbinding met dit netwerk in en om het Museumpark. Kernwaarden Museumtuin 3 1.
De overgang tussen het museum en de tuin voltrekt zich als een geschakelde opeenvolging van verschillende markeringen en ruimtelijke motieven, namelijk: » Een axiale zichtas van de binnenhof, via de tuinzaal, de vijvers en de gazons naar het G.J. de Jongh-monument » De Italiaanse-populierenlaan ligt als beloopbare lijn opgespannen tussen de kop van de directievleugel en het Grieks Orthodoxe kerkje, maar schakelt - via een 17e-eeuwse poort en wandelpad - alleen in zuidelijke richting door naar de Westzeedijk, en sluit aan op het padenstelsel in het Museumpark 2. De museumtuin is in de Nederlandse (Nieuwe) Architectonische tuinstijl ontworpen als een omsloten, langs assen georganiseerde, geometrisch uitgewerkte tuinkamer met hoogteverschillen door een verzonken opzet met getrapte taluds, die visueel en fysiek verbonden is met een binnenruimte en een duidelijk richtpunt/ beëindiging heeft. De museumtuin is onlosmakelijk onderdeel van het unieke ensemble. Behoud en herstel van de museumtuin en -buitenruimte betekent zowel hernieuwde versterking van het ensemble op zichzelf, als versterking van de Boijmans toekomende plek door in het concept van het Museumpark in breder verband.
4
ROUTING, ENTREES EN TOEGANKELIJKHEID Gebouwdeel Van der Steur had een zeer sterke samenwerking tussen gebouw en collectie. Het bezoek aan Van der Steur begon oorspronkelijk al buiten met de opgang naar de vooruitgeschoven entree onder de toren. Het zette zich binnen voort met een reeks luie trappen naar de centraal gelegen Rotunda als centraal verdeelpunt in de routing. Via de uitbuikende ronde trap met hoge verticale daglichtgevende vensters kon het kunstnijverheidsmuseum worden bereikt op begane grond. Het schilderkunstmuseum op verdieping kon worden bereikt door rechtsaf verder omhoog te gaan waarna een circulatie begon, uitgewerkt als enfilades: een reeks ineenlopende vertrekken. De opvattingen over de hiërarchie in de collectie vertaalden zich in de architectuur. Inmiddels zijn de opvattingen over het tentoonstellen van kunst veranderd. Ook zijn de bezoekersaantallen verveelvoudigd ten opzichte van de tijd van Van der Steur. Dat
Datum 25 oktober 2023
Pagina 14 van 21
heeft gevolgen voor hoe we nu naar de oorspronkelijke lineaire routing kijken. Ook betekent het dat de begane grond meer geactiveerd moet worden dan in de tijd van Van der Steur. Daglicht via plafonds en soms ook de zijkant met hoge verticale vensters uit slanke bronzen profielen bepalen overdag de aanlichting van de kunst. De route wordt ook bepaald door heldere zichtassen. Zicht wordt op enkele strategische punten verticaal gecreëerd in de ruimten met de 17e -eeuwse trap en in de rotunda. Hier zijn verbindingen tussen begane grond en verdieping. Tegen 'museumvermoeidheid' werden op de route rustpunten gelegd. Dit waren de bankjes voor de gevel op de verdieping, de gaanderijen op verdieping en begane grond (tuinzaal) ten noorden van de binnenhof, het buitenhof en het uitzichtterras in de museumtuin. Via een met een smeedijzer poort naar het buitenhof kon de dienstentree en de entree naar de directieruimten worden bereikt naar de bibliotheek, kantoren en auditorium op begane grond. Een niet publiekstoegankelijk — met uitzondering van het auditorium — gebied voor museumbezoekers. Dit bleef zo tot de uitbreiding van Robbrecht en Daem. Het benutten van de hoven van Van der Steur als schakels tussen straat en tuin, maar ook als verbindingselement en knooppunt van grote ruimtes van het museum en de verschillende gebouwdelen is een kans.
De voormalige buitenhof heeft tegenwoordig een prominente positie in het hart van het ensemble die publiek versterkt moet worden. Ook bij Bodon begon de museale beleving al buiten met een voorplaats met sculpturen en zicht naar binnen. Na een betrekkelijk informele entree op maaiveld konden net als Van der Steur in uitvergrote vorm van enfilades de geschakelde zalen met een totaal andere beleving worden bezocht. Bezoekers konden hier vrijer rondwandelen dan de meer geleide route in Van der Steur. Twee corridors met luie trappen, liften en dag- en uitzicht gaven structuur. Bodon werd aan de uiteinden van Van der Steur verbonden, behalve met de dienstwoning, waardoor de routing moeiteloos in elkaar kon doorlopen. Een koppeling met de entree en routing van Van der Steur werd niet gerealiseerd. Met de komst van het Henketpaviljoen ontstond aan de route een afzonderlijk bereikbaar deel vanuit de Tuinzaal. Het paviljoen heeft een beletage als een open vrije ruimte gevuld met daglicht met een vide en trap verbinding naar de kelder, wat ook een open vrije ruimte was. Buiten het zicht van het publiek zaten aan zuidzijde van de kelder een reeks restauratieateliers. Henket had als nadelig effect dat de museumtuin feítelijk niet meer publiekstoegankelijk werd. Met de uitbreiding van Robbrecht en Daem werd een nieuwe hoofdentree gecreëerd aan het buitenhof.
Het buitenhof werd hiermee voorruimte van de entree voor publiek geprogrammeerd wat zeer positief was. Tot daarvoor was het buitenhof immers niet publiek toegankelijk. Robbrecht en Daem kozen als nieuw vertrekpunt in de museale route het uiteinde van de Van der Steurvleugel waar een eikenhouten trap als evenknie van de 17e -eeuwse trap werd gelegd. De kraag die Robbrecht en Daem om Bodon creëerde resulteerde ook hier in opeenvolgende expositiezalen die daarnaast in verbinding werden gelegd met bestaande aanliggende zalen van Bodon. Ook waren bewegingen naar het oostelijke deel richting Westersingel met niet of minder publieke functies. Het geheel veroorzaakt in de museale route een desoriënterend effect. Er moet een heldere museale routing worden bereikt met oriëntatie tussen niveaus en als gebouwensemble in het geheel. Het is gebleken dat Robbrecht en Daem hierin nu een op te lossen knelpunt heeft.
Datum 25 oktober 2023
Pagina 15 van 21
De routing voor mindervalide bezoekers moet zo gelįjkwaardig als mogelijk ten opzichte van andere bezoekers worden uitgewerkt zonder afbreuk te doen aan essentiële belevings- en monumentwaarden. Ook de museumtuin en binnenhof worden voor een aanzienlijk deel toegankelijk voor mindervaliden. Het vernieuwde museum en de museumtuin moeten betere aansluitingen zoeken met het openbare domein, om zo een betere verbinding tussen museum en stad te realiseren en als onderdeel van de visie van het museum als netwerk. Onderdeel daarvan zijn in elk geval een hoofd- en nevenentree(s), waarvan de positionering onderdeel is van het ontwerpproces, en het behouden van de entree onder de toren als krachtig gebaar aan de straat. Een centraal oriëntatiepunt kan een ontvangstgebied zijn met bredere passende publieksfaciliteiten. De stads- en parkentrees leiden naar een bijbehorend ontvangstgebied uitgerust met passende publieksfaciliteiten, en helderheid brengen in de verschillende gebouwdelen en de museale routing. De entrees moeten met overtuigende positionering voldoen aan het groeiend aantal bezoekers, maar ook passen bij het monument en recht doen aan de oorspronkelijke entree van Van der Steur. Geef de oorspronkelijke entree Van der Steur vleugel een duidelijke rol en betekenis geschakeld binnen de totale onderhavige vernieuwingsopgave.
5
ARCHITECTUUR & AFWERKINGEN
5.1
De architectuur van het exterieur De architectonische ontwikkeling in de stedenbouw van de gebouwdelen is hierboven beschreven. Een Traditionalistisch gebouw met klassieke ontwerpprincipes en ambachtelijke toegepaste en verwerkte materialen waarnaast in zeer overtuigende symbiose een Modernistische uitbreiding ontstond. Aansluiting werd bereikt in materiaalkeuzes van rood metselwerk en koperen daken en ook in uitlijning, verhoudingen en aansluitingen. Ook werden de gebouwdelen los van elkaar gehouden door transparante verbindingen. De open publieke relatie van Bodon naar de openbare ruimte toe verminderde bij de uitbreiding in 1991 en verdween met uitzondering van de zuidgevel in 2005. Er wordt een versterking gezocht van de symbiose tussen de gebouwdelen Van der Steur en Bodon en hun eigenstandige kwaliteiten als kern van het ensemble, met een eigen identiteit en structuur. Aanpassingen en toevoegingen mogen dit niet afzwakken, indien mogelijk moeten ze de symbiose en de eigenstandige kwaliteiten en identiteitenjuist versterken of herstellen. De gevels van zowel Van der Steur als Bodon hebben een relatie met de museumtuin die hooggewaardeerd wordt. Bij de Tuinzaal in Van der Steur met daarvoor het Henket paviljoen ligt een uitdaging de relatie met de tuin te versterken.
De gevels van alle gebouwdelen kennen een verschillende mate van transparantie, met daarbij passende kozijnen, ramen en deuren, passend bij de tijdsgeest, en als onderdeel van het toelaten van daglicht. Bij het gebouwdeel Bodon is het zicht naar buiten via de corridors en gevels sterk verminderd. De transparantie met uitzicht naar buiten en omgekeerd zicht naar binnen behouden, versterken en herstellen waar dit kan. De ramen in de gevels van Van der Steur
Datum 25 oktober 2023
Pagina 16 van 21
zijn doserend in de mate van transparantie en uitzicht, maar er was altijd doorzicht en dieptewerking, wat in bij nieuwe kozijnen en beglazing behouden moet blijven. Voor de gevels wordt gestreefd naar het oorspronkelijke kleurbeeld. Voor de vormgeving van de ramen, tralies en andere gevelelementen wordt naar het oorspronkelijke beeld gestreefd. Van der Steur had de filosofie dat gebouwen gracieus moeten kunnen verouderen. Patina is daarbij een belangrijk onderdeel. Het koper verkleurt groen en het metselwerk verdonkert door aanhechting van roet uit de lucht. Patina moet zoveel mogelijk worden behouden om de ouderdom af te lezen. Storende vervuiling is wel te verwijderen in balans met het patina. Vanuit de symbiose geldt dit zowel voor het gebouwdeel Van der Steur als Bodon.
5.2
De architectuur van het interieur Het Traditionalistische Beaux-Arts gebouwdeel Van der Steur met klassieke ontwerpprincipes biedt bezoekers een museumbeleving die buiten begint en naar binnen wordt doorgezet als een route-architecturale. Met spectaculaire delen, bijzondere ruimten alsook meer generieke ruimten voor expositie. Er was veel aandacht om ,museumvermoeidheiď tegen te gaan met rustpunten in interieur en exterieur. Het gebouw bestond uit een kunstnijverheidsmuseum en prentenkabinet op begane grond wat zich aan de voor- en westzijde toont als basement en aan achterzijde als beletage. De afwerking op dit niveau is vooral steenachtig met veel natuursteen. Iets wat zich overigens ook in de gevels van het exterieur vertaalt. Op de verdieping bevond zich het schilderkunst museum dat meer gestoffeerd was en afgewerkt met eikenhouten lambriseringen, parket en linoleumvloerafwerkingen, gordijnen en gestoffeerde zitbanken. Over het algemeen zijn de interieurs sober, maar met een hoge perfectiegraad uitgewerkt. De belevingswaarde wordt in Van der Steur bepaald door het onlosmakelijke samenspel van architectonisch ruimtelijke en ambachtelijk vervaardigde onderdelen. In opvolgende gebouwdelen werd in moderne architectuur gebouwd.
In het gebouwdeel Bodon is de begane grond net als in Van der Steur steenachtiger van karakter en de verdieping meer gestoffeerd met teakhouten parketvloeren, tapijt (oorspronkelijk) enjute wandbekleding. Henket zette het karakter van harde materialen op begane grond door in diens paviljoen. Bij gebouwdeel Robbrecht en Daem verdween dit onderscheid naar de toepassing van harde materialen op alle niveaus en delen. In de loop van de tijd werden aanpassingen gedaan in de architectuur van de interieurs, met name in Van der Steur en Bodon. Zo werden ruimten samengevoegd ofjuist verdeeld met bijvoorbeeld een entresol, doorgangen werden aangepast en materiaalafwerkingen in hun aard veranderd zoals bij diverse vloeren. Hierdoor is op diverse plaatsen de afleesbaarheid van de structuur van ruimten ten opzichte van elkaar vervaagd. Voor brandveiligheidsmaatregelen werden vrije loopbewegingen en zichtlijnen gehinderd door het plaatsen van puien. Het entreegebied van de voormalige directievleugel met ander karakter werd onderdeel van de museale route. De komst van de gebouwdelen Henket en Robbrecht en Daem had ook invloed op de belevingswaarde in interieurs en tussen interieur en exterieur.
Architectonische principes tussen gang en naastgelegen expositiezalen die geaccentueerd werden door de aard van de vloerafwerking zijn ook vervaagd waardoor het ontbreekt aan de eens zo duidelijke helderheid.
Datum 25 oktober 2023
Pagina 17 van 21
Er moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van de oorspronkelijke ontwerpbedoelingen en deze weer duidelijk uit laten komen om te komen tot een heldere architectuurbeleving in algemene zin. Er moeten vrije doorgaande loopbewegingen en zichtlijnen in het gebouw ontstaan en hersteld waar dat kan. Daarvoor moeten onder meer opgeworpen barrières zoals puien verdwijnen en nieuwe barrières worden voorkomen. Dit kan de flexibiliteit en museumgedachte, in het bijzonder in Bodon, voor grotere publieksstromen ondersteunen en versterken. Bij ruimtelijke aanpassingen moeten deze worden bezien op de meerwaarde in het gehele gebouwensemble. Waardevolle 'key-elements' die hierin specifiek te benoemen zijn, onder andere: de Rotunda, de Hannemazaal, de ruimten met zeventiende-eeuws houten trappenhuis ('Oudhollandse trap'), de oorspronkelijke Bibliotheek in de directievleugel, het Auditorium, de Beeldenzaal in Van der Steur en het idee van 'rustpunten' op de museale route. In Bodon betreft het de grote expositiezalen op verdieping, de zuidzaal met nog origineel aanwezige interieurbouw onderdelen op begane grond en bijzondere relatie ervan met het exterieur. Bijzonder aandachtspunt is het middengebied van de begane grond van Bodon dat vraagt om een veel betere beleving.
5.3
Afwerkingen Het gebouwensemble bestaat uit een boeiende combinatie van traditionele en moderne architectuur. Het traditionele gebouwdeel Van der Steur is gebouwd met Beaux-Arts (schone kunst) principes, waarbij ambachtelijke, handmatig bewerkte onderdelen zijn toegepast in materialen als natuursteen, fijnhout, smeedwerk, stucwerk, plafondkoepels en vitrines en tezamen met de ruimtelijk thema's een onderling onverbrekelijk geheel zijn van de belevingswaarde. De moderne gebouwdelen zijn het resultaat van conceptuele ontwerpprincipes met vooral industrieel vervaardigde afwerkingen ter ondersteuning van de ontwerpdoelstellingen. Onderdelen van belang voor een consistente belevingswaarde moeten worden hersteld. Dat geldt ook voor onderdelen, afwerkingen en kleurstellingen die de architectuur ervan ondersteunen, bijvoorbeeld de vloerafwerkingen die de afleesbaarheid tussen zalen versus ontsluiting uitdrukken. Bij herstel en eventuele aanpassingen van ambachtelijke onderdelen en afwerkingen, dienen afwegingen en keuzes scherp langs de restauratieladder (Charter van Venetië 1964) te worden gemaakt. Ten aanzien van de stofferingen wordt niet letterlijk teruggegrepen op reconstructie van het oorspronkelijk, maar selecteert de ontwerper deze passend bij de architectuur van het gebouw in de huidige tijd.
Bij industrieel vervaardigde onderdelen en afwerkingen in moderne gebouwdelen zijn de oorspronkelijke ontwerpbedoelingen belangrijker indien materialen worden hersteld of vanuit een onderbouwde noodzaak moeten worden vervangen. Een voorbeeld daarvan is ook de ver doorgevoerde moduulmaat raster in Bodon. De karakterwerking in de belevingswaarde moet daarbij overeind blijven. Ook kan de uniciteit van industriële materialen de materiële waarde en daarmee de aanpak bepalen.
Datum 25 oktober 2023
Pagina 18 van 21
6
DUURZAAMHEID, KLIMAAT EN VEILIGHEID Het verduurzamen van het gebouw is een programmatisch kernpunt. Daarnaast en in het verlengde daarvan speelt vanuit de conservering van kunstwerken en de bruikleenpositie het belang van een goed binnenklimaat. Het betreft zodoende aanpassingen in de bouwfysica van de schil van het gebouw en ook de gebouwinstallaties. Zowel Van der Steur als Bodon zijn ontworpen als een ’ademend gebouw', wat destijds zeer innovatief was. De gevels van met name Van der Steur zijn kwetsbaar door het unieke maar erg zachte metselwerk en de ambachtelijke betimmeringen en het plafondstucwerk aan de interieurzijde. Omwille van het behoud van monumentale waarden moet worden gekomen tot uitgewogen oplossingen op maat, waarbij de richtlijnen6 hiervoor van de RCE en ERM vertrekpunt zijn. Een manier voor het ontwerpteam om balans te vinden is naast afstemming met de RCE ook het gebruik van de DUMO-methodiek. Behalve het onderzoeken van oplossingen aan de gevels zelf kunnen ook andere manieren worden onderzocht, bijvoorbeeld door te overwegen het geheel of deels overkappen van de binnenhof. De voorwaarde om te overkappen is om gemotiveerd en aantoonbaar allerlei knelpunten op te lossen en/of elders zware ingrepen te voorkomen.
De rol van de binnenhof ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp en structuur van het gebouw en de relatie met de buitenruimte dienen in gewijzigde vorm en betekenis behouden te blijven. Het is en blijft een introverte ruimte, die wel meer betekenis kan krijgen. De afwerkingen, rol van het groen, daglicht, gevels en interieur moeten bij deze afweging worden betrokken. Met de gebouwinstallaties moet worden bereikt dat deze zoveel mogelijk de oorspronkelijke principes van het ademende gebouw hergebruiken zodat onder andere de originele roosters weer gebruikt kunnen blijven en installaties zoveel als mogelijk aan het zicht en de belevingswaarde van de ruimten worden onttrokken. Hierbij moet aanvullend rekening gehouden worden met de vijfde gevel (dak) die vanuit het Depotgebouw en het Erasmus MC waargenomen kan worden. Vanaf de verdieping is het dak van het Henketpaviljoen zichtbaar. Gebouwinstallaties moeten zodoende uiterst terughoudend, verzorgd en dienend aan de (landschappelijke) beleving worden vormgegeven. De huidige ramen zijn niet origineel, maar een globale kopie van de oorspronkelijke ramen, waarvan veel in brons waren uitgevoerd. Als vanuit het oogpunt van verduurzaming en schadebeelden ramen en tralies worden vervangen, dan dient de oplossing te worden gebaseerd op vormgeving en kleur van het origineel, zie ook 5.1.
De brandveiligheid in scheidingen en installaties moet enerzijds voldoen aan hoge eisen, maar anderzijds zo terughoudend mogelijk geïntegreerd in het gebouw om de belevingswaarde van vrije doorloop en zichtlijnen zo hoog mogelijk te kunnen houden. Barrières met puien moeten zodoende zoveel mogelijk worden voorkomen.
6 Duurzame Monumenten (DUMO), RCE Het binnenklimaat in het programma van eisen van erfgoedinstellingen 2020, ERM-uitvoeringsrichtlijnen URL 1001, 2001, 2003, 2004, 2007, 3001, 4001, 4003, 4005, 4006, 4007, 4009, 4011,4012, 4013, 5001, 6001, 6010. Datum 25 oktober 2023
Pagina 19 van 21
Brandinstallaties - net als de gebouwinstallaties - zo terughoudend mogelijk geïntegreerd met het gebouw. Vanuit het oogpunt van gezondheid en toekomstvastheid is het asbest op ingrijpende wijze uit het gebouw verwijderd. De schade aan het gebouw door de asbestsanering moet worden hersteld geïntegreerd met de onderhavige renovatieopgave van het gebouw.