CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008028] Bijlage behorende bij 23bb008027 over Brief van minister van Infrastructuur en Waterstaat over BO’s MIRT november 2023 en moties en toezeggingen MIRT

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 6 december 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen14.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

voor het draaiende houden van de ringen wordt conform de afspraken uit het BO MIRT 2022 ingezet voor de ringen Amsterdam, Utrecht, Rotterdam/Den Haag en Eindhoven. De inzet kent vijf werksporen: 1. Smart Mobility I/informatie: effectiever informeren van de reiziger pré -trip en on-trip via in-car informatie over met name verkeershinder en routering; 2. Smart Mobility II/Incidentmanagement: verminderen van de effecten van ongeplande verstoringen door een snellere start en afhandeling van incidentmanagement in combinatie met in-car veiligheidswaarschuwingen (preventie, detectie, diagnose, aanrijden, afhandeling); 3. Verkeersmanagement: betere benutting van het bestaande netwerk met behulp van investeringen in verkeersmanagementsystemen; 37

Bijlage bij Kamerstuk 36 200-A, nr. 78 P agina 19 van 31

4. Kleine infrastructurele maatregelen, zoals buffercapaciteit op -/afritten, betere inrichting van knooppunten en toeritdosering, enerzijds ter vergroting van de effecten van Smart Mobility en Verkeersmanagement en anderzijds ter verbetering van kleine onvolkomenheden in het netwerk; 5. De netwerkoptimalisaties ring Eindhoven, conform het pakket waarover met de regio is besloten in het BO MIRT najaar 2022. Het aantal en soort mobiliteitsmaatregelen verschilt per ring. De regionale verdeling van de gelden in het BO MIRT 2022 blijft het uitgangspunt.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

De werksporen 1 t/m 4 worden in de komende maanden met de regio (regionale overheden, regionale wegbeheerders) nader ingevuld en uitgewerkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het BKN en de maakcapaciteit van RWS. Het doel is om te komen tot een pakket van afspraken tijdens het BO Leefomgeving van 2024 over de realisatie van concrete maatregelen, passend binnen deze werksporen en de beschikbare capaciteit van RWS. 2.7.5. Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) Op 5 oktober jl. is de Kamer met de negende voortgangsrapportage PHS geïnformeerd over de voortgang van het programma in de eerste helft van 2023.38 Sindsdien is het Tracébesluit PHS Nijmegen onherroepelijk geworden. Hiermee kan ook het laatste station op de PHS-corridor Schiphol – Utrecht – Nijmegen aangepast worden. Het integrale project bevat het maken van een nieuwe westelijke toegang, een extra perron en uitbreiding van parkeerplekken voor treinen. Vanaf dienstregeling 2029 kunnen de intercity’s dan in een optimaal ritme van iedere tien minuten gaan rijden. In 2024 wordt gestart met de bouw van de boogconstructie (de zogenaamde Meterenboog) om vanaf de Betuweroute ook Venlo te kunnen bereiken. In september is de aanbesteding voor dit deel van de PHS Meteren – Boxtel gegund. Ook is de stationsverbouwing van Amsterdam Centraal gegund aan een aannemer. Ten slotte heeft de staatssecretaris op 7 november jl.

het Tracébesluit PHS Alkmaar – Amsterdam ondertekend. Met dit project wordt ook een tienminutendienstregeling tussen Alkmaar en Amsterdam mogelijk gemaakt door onder meer een uitbreiding van het station Uitgeest en e en nieuw opstelterrein met parkeerplekken voor treinen bij Heerhugowaard. 2.7.6. Meerjarige Adaptieve Uitvoeringsagenda Fiets Rijk en regio hebben in het BO MIRT van 2022 afgesproken een meerjarige adaptieve uitvoeringsagenda fiets op te stellen.39 Een eerste concept van deze agenda is gereed. Fietsprojecten maken nog geen onderdeel uit van de uitvoeringsagenda. Dit najaar gaan Rijk en regio nadere criteria uitwerken voor de selectie van fietsprojecten in een afweegkader. Dit afweegkader is leidend voor de verdeling van de per 2024 beschikbare Rijksmiddelen om middels cofinanciering bij te dragen aan een landelijk dekkend netwerk van doorfietsroutes. Rijk en regio streven naar eerste besluitvorming in het BO MIRT van 2024. De regio overweegt om fietsprojecten naar voren te halen omdat de aanleg van weginfra om verschillende redenen vertraagt. Vanuit IenW wordt gekeken hoe hierin kan worden meebewogen. Eerder is de Kamer gemeld dat het streven is om hiervoor 38 39

Kamerstuk 32 404, nr. 110 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9 P agina 20 van 31

structureel jaarlijks € 6 mln. beschikbaar te stellen.40 Voor 2024-2026 wordt een bundeling van de eerste drie tranches (totaal € 18 mln.) voor doorfietsroutes beschikbaar gesteld. Deze bundeling is op verzoek van de regionale overheden om zo de administratieve lasten te beperken. Dit wordt verwerkt in de Voorjaarsnota 2024.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

2.7.7. Fietsparkeren Het belang van goede fietsenstallingen met voldoende plekken bij Nederlandse stations is meerledig. Het draagt bij aan het verkorten van de deur-totdeurreistijd, biedt ruimte aan de groei van het reizigersvervoer en vergroot het reisgemak en de aantrekkelijkheid van de combinatie fiets-trein. Daarmee is er een vermindering van CO 2-uitstoot voor zover mensen van modaliteit veranderen in het voor- of natransport en wordt er gezondheidswinst behaald. Daarnaast zijn er ook dit jaar weer op verschillende locaties nieuwe stallingen bij gekomen. De meest in het oog springende zijn de twee nieuwe ondergrondse fietsparkeerlocaties voor in totaal 12.000 plekken bij Amsterdam Centraal aan het Stationsplein en de IJ-zijde. Daarnaast zijn dit jaar ook in Veenendaal West (ca. 300 plekken) en Sassenheim (ca. 600 plekken) nieuwe stallingen geopend. 2.7.8. Afweegmethode Mobiliteitsfonds De Kamer heeft afgelopen jaren aangegeven beter inzicht te willen krijgen in hoe keuzes in het MF en MIRT worden gemaakt. In het voorjaar is de Kamer geïnformeerd over de eerste uitwerking van de methode die het afwegen van nieuwe investeringen uit het MF ondersteunt.41 Voor de negen thema’s zijn – conform wens van de Kamer – een eerste proeve van indicatoren opgesteld. Deze indicatoren bieden de mogelijkheid om nieuwe investeringen binnen de thema’s te prioriteren.

De Mobiliteitsvisie en nieuwe IMA kunnen aanleiding geven om de indicatoren te herzien. Op die manier blijft de afweegmethode voor allocatie van nieuwe investeringen actueel. Naast het beoordelen van nieuwe maatregelen op onderstaande thema’s zullen mogelijke maatregelen worden getoetst op zaken als bijdrage aan de klimaatopgave, score op brede welvaart, verdelingseffecten , uitvoeringsrisico’s en doelmatigheid. De methode bevordert hiermee de integrale besluitvorming en bijdrage aan de brede welvaartsdoelen. Op dit moment is er geen investeringsruimte in het MF beschikbaar, maar de methode wordt klaargezet zodat deze kan worden gebruikt wanneer wel financiële vrij besteedbare middelen in het MF beschikbaar zijn. Thema’s

Beoogde indicatoren

Nationale Verbindingen

Doorstroming HWN Zitplaatskans HSN

Verkeersveiligheid

Wachttijden sluizen HVWN Maatschappelijke kosten slachtofferongevallen

Internationaal Personenvervoer Bereikbaarheid Stedelijk Gebied

Reizigerspotentie Capaciteit infrastructuur/OV

Leefbaarheid en gezondheid

Emissies Sociale veiligheid Ruimtelijke kwaliteit

40 41

Kamerstuk 31 305, nr. 362 Kamerstuk 29 385, nr. 119 P agina 21 van 31

Bereikbaarheid landelijk gebied Goederenvervoer

Bereikbaarheid essentiële voorzieningen Modal Shift

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Stimuleren nationale corridors Ons kenmerk Mobiliteitsinnovatie Vermeden mobiliteitsbewegingen I E NW/BSK-2023/338535 Instandhouding: Aanvullend op Bijdrage aan bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid Basiskwaliteitsniveau Tabel 1 Investeringsthema's en beoogde indicatoren 2.7.9. Afronding Krachtenbundeling De afgelopen jaren is met impulsfinanciering veel in gang gezet op het gebied van smart mobility, met de Krachtenbundeling smart mobility als een belangrijke aanjager in verschillende programma’s en projecten. Hierdoor is onder andere kennis ontwikkeld op het gebied van automatisch rijden, het inzetten van mobiliteitsdata en digitalisering in de mobiliteitstransitie en is een gezamenlijk programma voor Human Capital ontwikkeling opgezet. Het blijft belangrijk om te ontwikkelen en innoveren, maar de focus zal meer moeten komen te liggen op het vergroten van de impact van smart mobility-toepassingen in dagelijkse praktijk. Dat vraagt in toenemende mate dat overheden (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) smart mobility niet meer als incidenteel maar als structureel onderdeel van beleid en beheer zien.

Dit is ook noodzakelijk om invulling te geven aan Europese regelgeving, zoals de Intelligente Transport Services richtlijn en de General Safety Regulation en om smart mobility in te zetten voor maatschappelijke opgaven op het terrein van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en duurzaamheid. Eind 2023 eindigen lopende afspraken over samenwerking op het gebied van digitalisering overheden en de landelijke Krachtenbundeling. Samenwerking tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen is echter van groot belang om gezamenlijk de implementatie van (internationale/Europese) regelgeving en het inzetten op smart mobility-diensten en -toepassingen voort te zetten, zoals ook in de Kamerbrief over het Digitaal Stelsel Mobiliteitsdata is beschreven. 42 De samenwerking zal dan ook worden gecontinueerd op in ieder geval data en digitalisering, verantwoorde toelating van voertuigen, het aanjagen van het realiseren van hubs en deelmobiliteit. 3. Moties en toezeggingen 3.1. N35 Wijthmen – Nijverdal De motie van de leden Koerhuis en Van der Plas verzoekt de regering om samen met de provincie Overijssel oplossingen te zoeken voor de N35 voor het najaars MIRT, bijvoorbeeld vervanging van bruggen naar voren halen en de omlegging om Mariënheem heen.43 Op dit moment resteert nog € 15 mln. aan budget vanuit het Rijk voor de MIRT-verkenning.

Het is duidelijk dat de meest gewenste maatregel, de rondweg om Mariënheem heen, niet gerealiseerd kan worden uit dit budget; ook niet als de provincie eveneens € 15 mln. bijdraagt uit haar oorspronkelijk toegezegde bijdrage van € 100 mln. De afspraak is immers gebaseerd op een 50/50 financiële dekking en was altijd gebaseerd op de realisatie van het zogenaamde BO MIRT-alternatief, dat ook voorziet in de rondweg om Mariënheem heen. 42 43

Kamerstuk 31 305, nr. 403 Kamerstuk 36 200-A, nr. 93 P agina 22 van 31

Er zijn geen maatregelen die passen binnen het res tbudget die op zichzelf voldoende bijdragen aan de doelstellingen van het project. Voor vervanging en renovatie geldt dat op dit moment geen urgente opgaven gesignaleerd zijn die eventueel vervroegd aangepakt moeten worden. Uiteindelijk zal een aantal kunstwerken aangepast moeten worden om de beoogde maatregelen mogelijk te maken, maar dit betreft in de meeste gevallen geen vervanging van de kunstwerken. De procedure van de verkenning loopt nog. Mochten er kansrijke oplossingsrichtingen gesignaleerd worden die in een eerder stadium gerealiseerd kunnen worden, zal hierover het gesprek worden aangegaan.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

3.2. N35 vertrouwen van de regio De motie van het lid Krul verzoekt het kabinet op korte termijn duidelijkheid te verschaffen over welke acties het kabinet gaat o ndernemen om zich in te spannen het vertrouwen van deze regio in de Rijksoverheid en IenW te herstellen. 44 Specifiek over dit onderwerp zijn meerdere gesprekken geweest met de provincie Overijssel onder meer op bestuurlijk niveau. Het herstellen van het vertrouwen is een complexe opgave. In het verleden zijn diverse N35 projecten in deze regio vertraagd en dat heeft het vertrouwen geschaad. Uit de gesprekken met de regionale partners blijkt dan ook dat de beste manier om het vertrouwen van de inwoners van Mariënheem te herstellen, de realisatie van de rondweg is. Dat is op dit moment niet mogelijk. Het restbudget is niet voldoende om de rondweg te realiseren. Om het vertrouwen zoveel mogelijk te herstellen zet IenW erop in om zoveel mogelijk projecten aan de N35 wél door te laten gaan. Dit gaat dan over MeerVeilig 3 Wijthmen-Nijverdal, knooppunt Raalte en de N35 Nijverdal – Wierden. Voor knooppunt Raalte zijn afspraken gemaakt om het tekort te dekken. Het tekort van ca. € 11 mln. wordt gedekt middels een herschikking van bestaande budgetten. We doorlopen een volwaardige (MER-)procedure in de verkenning om tot een voorkeursalternatief te komen.

Het Rijk spant zich in om tegen die tijd het budget beschikbaar te stellen om ook de voorkeursbeslissing te kunnen nemen, waar de rondweg Mariënheem onderdeel van uitmaakt. Dit is onderdeel van de integrale besluitvorming. 3.3. Bodegravenboog De motie van de leden Van der Molen c.s. verzoekt om een bod van de regio voor de Bodegravenboog (het volledig maken van de aansluiting A12/N11) serieus te bezien en om in overleg met de provincie en gemeente een routekaart op te stellen om binnen drie jaar een veilige ongelijkvloerse fietsoversteek over of onder de op- en afritten van de N11 bij Bodegraven te realiseren.45 Voor Rijk en regio is duidelijk dat de financiële middelen voor het realiseren van de Bodegravenboog bij beiden ontbreken. Ten aanzien van de fietsoversteek is tijdens het BO MIRT 2023 afgesproken dat de provincie met betrokkenheid van IenW (met name het toetsen van het wegontwerp en de kostenraming) het gewenste wegontwerp van de aansluiting (eindbeeld) zal laten ontwikkelen. Op basis van het eindbeeld kan de provincie een veilige fietsverbinding/-oversteek ter plaatse laten ontwerpen, passend binnen dit eindbeeld. 3.4. Ontsluiting Groningen Airport Eelde Het Rijk en de provincie Drenthe zijn in overleg getreden over de besteding van het taakstellend budget van € 6,5 mln. naar aanleiding van het amendement van 44 45

Kamerstuk 36 200-A, nr. 90 Kamerstuk 36 200-A, nr. 31 P agina 23 van 31

de leden Koerhuis en Van der Molen 46 en de motie van de leden Koerhuis, Van der Molen en Graus 47 over de aanleg van weginfrastructuur voor de ontsluiting van Groningen Airport Eelde. Het budget voorziet in de aanleg van een verkeersveilige ontsluitingsweg voor het nieuwe Business Park Bravo en een verkeersveilige aansluiting op de Burgemeester J.G. Legroweg door middel van een rotonde. Partijen streven eind 2024 hierover definitieve afspraken te maken. Hiermee is invulling gegeven aan het amendement en de motie.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

3.5. Ontsluiting Maastricht Aachen Airport (MAA) Het Rijk en de provincie Limburg hebben afspraken gemaakt over de besteding van het taakstellend budget van € 3,5 mln. naar aanleiding van het amendement van de leden Koerhuis en Van der Molen48 en de motie van de leden Koerhuis, Van der Molen en Graus 49 over de aanleg van weginfrastructuur voor de ontsluiting van Maastricht Aachen Airport. Het Rijk heeft ingestemd met het plan van aanpak voor de ontsluiting van MAA. De bijdrage wordt begin 2024 uitgekeerd aan de provincie Limburg. Hiermee is invulling geven aan het amendement en de motie. 3.6. Instandhouding Zeelandbrug De motie van het lid de Graaf verzoekt het kabinet in gesprek te treden met de provincie Zeeland om te onderzoeken of en hoe het Rijk kan ondersteunen bij de instandhouding van de Zeelandbrug.50 De provincie is in dit kader al gestart met de ontwikkeling van een ‘Gebiedsvisie Midden Zeelandroute’, waar de Zeelandbrug een onderdeel van is. In deze visie wordt ook aandacht besteed aan de renovatie/vervanging van de Zeelandbrug. In het BO MIRT is met de provincie gesproken over deze visie en het vervolg daarop.

In 2024 neemt het Rijk daarom vanuit meerdere departementen deel aan het vervolg van de scenariostudie voor de Midden-Zeelandroute (Toekomstbeeld), worden de bereikbaarheidsopgave A58 Zuidwest Walcheren – Vlissingen besproken en spannen Rijk en regio zich in om te komen tot een concreet voorstel voor de regionale hinderaanpak. De resultaten worden geagendeerd op het BO MIRT 2024. 3.7. Maatregelen wegverkeer bij werkzaamheden Haringvlietbrug De motie van de leden Geurts en De Groot over de Haringvlietbrug verzoekt de regering om bij monitoring te bezien of het mogelijk is de maatregelen voor het wegverkeer te verlichten bijvoorbeeld met maatwerk in de spits, uitzonderingen voor hulpdiensten en het ov of trajectcontrole, binnen de grenzen van wat veilig mogelijk is.51 De afgelopen tijd is gedurende de voorbereiding en realisatie van de renovatie van de Haringvlietbrug uitvoering gegeven aan deze motie. De situatie voor het wegverkeer als gevolg van de re novatie is voortdurend gemonitord. In afstemming met de omgeving zijn maatregelen genomen om de hinder voor het wegverkeer te verlichten. Voorbeelden daarvan zijn:  Pendelbusjes tussen P+R-terreinen en de pont bij de Haringvlietbrug;  OV- en hulpdiensten door de 2 e Heinenoordtunnel;  Extra inzet hulpdiensten om aanrijdtijden te borgen bij de Haringvlietbrug.

Kamerstuk 36 200-A, nr. 54 Kamerstuk 36 200 A, nr. 20 48 Kamerstuk 36 200-A, nr. 54 49 Kamerstuk 36 200-A, nr. 20 50 Kamerstuk 36 200-A, nr. 43 51 Kamerstuk 29 398, nr. 947 46 47

P agina 24 van 31

3.8. Versnellingsopties voor verkeersveiligheid en vervanging van bruggen, viaducten en tunnels De motie van de leden Koerhuis c.s. verzoekt de regering om een overzicht van versnellingsopties voor verkeersveiligheid en vervanging van bruggen, viaducten en tunnels voor het najaars-MIRT naar de Kamer te sturen.52 Daarnaast is tijdens het WGO Jaarverslagen IenW op 15 juni jl. toegezegd om de Kamer per brief te informeren over opties om de aanbestedingen voor onderhoud aan infrastructuur van RWS te versnellen. Het uitgangspunt bij de programmering van de instandhoudingsopgave voor RWS is het BKN. Daarbinnen maakt RWS de afweging voor de programmering van het werk aan de hand van urgentie, efficiënte uitvoering, maakbaarheid en hinderplanning. Als gevolg van de tekorten op de arbeidsmarkt kan niet alles tegelijk. Ook moet het werk eerst in de markt worden gezet en dat kost tijd. Daarnaast speelt stikstof mee voor in ieder geval een deel van de Vervanging en Renovatie -opgave.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

RWS gaat daarom de productie op instandhouding de komende jaren stapsgewijs verder opvoeren. Dit is mogelijk door de extra middelen uit het coalitieakkoord en door de eerder aan de Kamer aangekondigde schuif binnen het MF van aanleg naar instandhouding. Om alle middelen zo goed mogelijk te benutten is voor instandhouding met RWS een achtjarige afspraak gemaakt. Zo kan RWS doelmatiger en efficiënter werken. De programmering van RWS tot en met 2026 wordt nu afgerond. Snelheid in de uitvoering wordt de eerste jaren het best bereikt door bestaande afspraken stabiel te houden, zodat dit werk zonder wijzigingen snel door kan gaan. Met de transitieagenda ‘Op weg naar een vitale infrasector’ is begin 20 20 een transitie in gang gezet door RWS. Op 1 juni jl. is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken omtrent de ingezette transitie.53 Met name de portfolioaanpak kan mogelijk een belangrijke bijdrage leveren aan het verhogen van de productie. Met deze aanpak wordt beoogd om pakketten van gelijksoortige werkzaamheden collectief op de markt te zetten, om zo bundels te kunnen vormen van bijvoorbeeld vervanging en renovatie van gelijkvormige bruggen. Over de wijze waarop de instandhoudingsopgave op zowel de korte als langere termijn het meest efficiënt kan worden gerealiseerd vindt intensief overleg met de markt plaats.

Ook wordt de totale planning van vervanging en renovatie en het grootschalig onderhoud voor de komende acht jaar met de regio’s besproken, conform de eerdere toezegging aan de Kamer om dit te doen. 3.9. Maaslijn De punctualiteit en dienstverlening van de treinen op de Maaslijn moet beter voor de duizenden reizigers die dagelijks reizen tussen Roermond en Nijmegen. Daarom werkt IenW samen met de provincies Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en ProRail hard aan de opwaardering en verduurzaming van deze verbinding. Bij de projectbeslissing in december 2021 was het beeld dat de kosten circa € 266 mln. zouden zijn en de maatregelen eind 2024 opgeleverd konden worden. Eerder is de Kamer gemeld dat de gevolgen van de oorlog in Oekraïne op de materiaalketen dusdanig groot zijn dat ProRail de aanbesteding van het project

52 53

Kamerstuk 36 200-A, nr. 94 Kamerstuk 29 385, nr. 135 P agina 25 van 31

Maaslijn had ingetrokken,54 en dat dit heeft geleid tot een nieuwe beoogde indienststellingsdatum van uiterlijk 2027.55 De financiële gevolgen waren op dat moment nog onduidelijk. Wij zijn verheugd te melden dat de opdracht inmiddels definitief is gegund aan een aannemer. Samen met ProRail en gedeputeerde Kuntzelaers van Limburg is de balans opgemaakt en conform toezegging wordt de Kamer nu geïnformeerd. Met deze gunning door ProRail blijft het project op koers om de werkzaamheden uiterlijk 2027 op te leveren. Naar aanleiding van actuele inzichten heeft ProRail de kostenraming herijkt naar € 358 mln. De provincies Limburg, Gelderland en Noord-Brabant en IenW hebben in het addendum Maaslijn met elkaar afgesproken een reservering aan te leggen van € 346 mln. waarbij eventuele meerkosten volgens het principe ‘samen uit, samen thuis’ evenredig word en gedeeld door de risicodragende opdrachtgevers het Rijk en de provincie Limburg. Om de gunning mogelijk te maken is dat ook gebeurd. De extra Rijksbijdrage van ca. € 46 mln. wordt gedekt uit het MF. De Kamer wordt met de Najaarsnota en de bijbehorende 2 e suppletoire begroting nader hierover geïnformeerd.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

Dat de opwaardering van de Maaslijn meer tijd kost dan eerder voorzien is vervelend voor de reiziger en voor de verduurzamingsambities op het spoor, maar de gunning is een belangrijke mijlpaal in de weg naar daadwerkelijke realisatie. Er moet nog een berg werk verzet worden, die in goede samenwerking zal worden geklaard. 3.10. Keervoorziening station Harderwijk De motie van de leden Van der Molen c.s. heeft gevraagd naar een keervoorziening bij Harderwijk en wat daarin de logische eerstvolgende stap zou kunnen zijn.56 Een keervoorziening bij station Harderwijk zou een mooie stap bieden voor het verbeteren van de 3 e en 4 e sprinterdienst tussen Harderwijk en Amersfoort. NS heeft deze dienst helaas sinds de coronapandemie niet meer in dienst kunnen stellen, maar verwacht dat de groei van reizigersstromen binnen niet al te lange tijd hier wel weer aanleiding toe zal geven. Deze spitsdienst rijdt dan – net als voor de coronapandemie – als gevolg van beperkingen in de infra alleen in de spitsrichting met passagiers (’s ochtends richting Amersfoort en ’s middags richting Harderwijk) en rijdt bovendien leeg naar Nunspeet om aldaar te keren. Ook kan de spitsdienst alleen de stations Harderwijk en Nijkerk bedienen. Een eenvoudige keervoorziening in Harderwijk (tot ca.

€10 mln.) kan hier een verbetering in betekenen, zodat deze spitsdienst in beide richtingen met passagiers kan rijden en bovendien een extra stop kan maken naast Harderwijk en Nijkerk. Ook wordt de dienstregeling robuuster waardoor eenvoudiger extra ritten kunnen worden toegevoerd. Een (waarschijnlijk) meer toekomstbestendige keervoorziening vraagt onder meer om het opheffen van een overweg en uit elkaar leggen van sporen waardoor de kosten fors kunnen oplopen. Om meer over deze toekomstbestendigheid te zeggen is eerst een volledige corridorstudie Utrecht – Amersfoort – Zwolle nodig. Met de regio is besproken dat zij liever inzetten op de eenvoudige keervoorziening. Een eerste logische stap zou

Kamerstuk 32 925-A, nr. 69 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9 56 Kamerstuk 36 200-A, nr. 33 54 55

P agina 26 van 31

dan zijn een verkenning te starten naar deze eenvoudige keervoorziening en te bezien of deze zo kan worden aangelegd dat de meer toekomstbestendige keervoorziening niet onmogelijk wordt gemaakt. Op dit moment kan echter, bij gebrek aan zicht op financiering van de uiteindelijke realisatie van die keervoorziening, hiertoe geen opdracht worden verleend. Met deze beantwoording wordt de motie als afgedaan beschouwd.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

3.11. Toekomstbeeld spoorbrug Maastricht (onderdeel aanpak vaarweg Maastricht) De motie van de leden De Hoop c.s. verzoekt de regering om geen onomkeerbare stappen te zetten voordat alle mogelijkheden voor de spoorbrug zorgvuldig zijn onderzocht en zijn besproken in de Maastrichtse gemeenteraad en de Tweede Kamer.57 Naar aanleiding hiervan is er door RWS en ProRail een toekomstbeeld over de spoorbrug Maastricht opgesteld. In de MIRT-brief van het najaar van 2022 is aangegeven dat de Kamer meer informatie zou ontvangen over de geboekte voortgang, echter was er meer tijd nodig.58 Als bijlage bij deze brief is het rapport ‘Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht’ te vinden. Hierin zijn verschillende oplossingsrichtingen beschreven waarbij de sloop van de spoorbrug en een nieuwe brug voor langzaam verkeer als meest kansrijke oplossing wordt gezien. IenW zal samen met alle betrokken partijen in gesprek over het vervolg en verdere uitwerking. Met de regio is afgesproken dit te agenderen op het BO Leefomgeving van 2024. 3.12. Bereikbaarheid Arnhem/Nijmegen/Foodvalley met HOV-maatregelen en Fietsverbindingen De Kamer heeft met de motie van het lid Minhas de regering verzocht om uiteen te zetten hoe HOV-maatregelen en fietsverbindingen kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van de Groene Metropoolregio Arnhem/Nijmegen en de regio Foodvalley, en inzichtelijk te maken wat daarvoor nodig is.

59 De regio heeft een eerste uitwerking opgeleverd met daarin vier fietsverbindingen en twee HOVmaatregelen, die volgens hun een bijdrage leveren aan de bereikbaarheid van beide regio’s. Deze uitwerking wordt nog bestudeerd door IenW. Hierbij zijn door de regio ook de geschatte kosten en gevraagde bijdrage aan het Rijk beschreven. Echter zijn er op dit moment geen vrij besteedbare middelen in het MF. De beschreven maatregelen dienen nog verder onderzocht, verkend en te worden doorgerekend op effecten. Hierbij dient ook aandacht te zijn voor het combineren en/of afzetten van de maatregelen tegen maatregelen gericht op gedragsverandering (werkgeversaanpak, onderwijsaanpak) en flankerend beleid zoals parkeerbeleid. 3.13. Validatie instandhoudingskosten spoor en ontwikkeling uitgesteld onderhoud In het WGO Jaarverslagen IenW van 15 juni jl. is aan het lid Koerhuis toegezegd om het PwC-onderzoek naar de validatie van de instandhoudingskosten voor het spoor te sturen. Dit rapport treft u als bijlage bij deze brief. In dit rapport is ook aandacht voor de ontwikkeling van het uitgesteld onderhoud. PwC heeft de validatie in opdracht van IenW uitgevoerd in het kader van de periodieke herijking

Kamerstuk 29 984, nr. 959 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9 59 Kamerstuk 36 200-A, nr. 57 57 58

P agina 27 van 31

van de instandhoudingsbehoefte van ProRail. De uitkomsten van de validatie worden betrokken bij de besluitvorming over een nieuw basiskwaliteitsniveau voor de spoorweginfrastructuur vanaf 2026, waarover de Kamer naar verwachting in het voorjaar van 2024 wordt geïnformeerd.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

De conclusie van PwC is dat totale instandhoudingsbehoefte een realistische weergave vormt van de benodigde middelen om het spoor bij gelijke prestaties in stand te houden. Daarbij stelt PwC diverse correcties voor, die IenW en ProRail bij de eerstkomende subsidieaanvraag 2024 zullen verwerken of waarover voor latere jaren nog nadere afspraken moeten worden gemaakt. PwC concludeert tevens dat de werkwijze om tot de instandhoudingsbehoefte te komen ten opzichte van hun onderzoek in 2019 op diverse punten verbeterd is. Bijvoorbeeld: het periodiek rapporteren over de staat van de infra, betere kwaliteit van de areaalbasis, verbeterde risico-inventarisatie en meer integrale afwegingen. Tegelijkertijd doet PwC op enkele punten aanbevelingen waar ProRail nog verder kan verbeteren. Deze aanbevelingen zien enerzijds op het explicieter vastleggen van gemaakte afwegingen en uitgangspunten bij het opstellen van de instandhoudingsbehoefte en anderzijds op het beter en integraler kijken naar de lange termijn maakbaarheid en de invulling van de behoefte aan meer efficiency. IenW en ProRail gaan hierover in gesprek met als doel voor de volgende periodieke herijking concrete verbeteringen door te voeren.

PwC concludeerde in de vorige validatie dat het uitgesteld onderhoud grotendeels weloverwogen en bewust ontstaat om efficiënt te zijn (veel infra hoeft in de praktijk niet op de theoretische levensduur vervangen te worden) en gaf als aanbeveling dit periodiek te monitoren.60 IenW heeft PwC daarom gevraagd dit opnieuw te beoordelen. In de huidige rapportage geeft PwC aan dat de omvang van het uitgesteld onderhoud nagenoeg stabiel is. Als PwC inzoomt op enkele specifieke verstoringen aan de infrastructuur, dan ziet zij daarin een lichte toename die een indicatie kan zijn van het mogelijk oplopen van het achterstallig onderhoud; echter is hier meer onderzoek voor nodig. Conform de aanbeveling in de rapportage blijft de toestand van het areaal gemonitord. Dit wordt gedaan via de rapportage ‘Staat van de Infrastructuur’ en periodieke externe validaties op de instandhoudingsbehoefte. Te meer omdat de rapportage van PwC ook wijst op de groeiende instandhoudingsbehoefte en uitdagingen die daarbij spelen zoals toenemende vervoervraag, personeelskrapte en capaciteit op het spoor voor werkzaamheden. 3.14.

Slimme niet-infra-maatregelen Aan het lid Koerhuis is toegezegd dat de Kamer voor de begrotingsbehandeling 2024 een overzicht ontvangt van de investeringen in het verbeteren van de doorstroming, waaronder spitsmijden.61 Om de bereikbaarheid te verbeteren zet IenW in op ‘de juiste mobiliteit op de juiste plaats’. Dat vraagt dat er zo optimaal mogelijk gebruik gemaakt wordt van de bestaande infrastructuur. Daarom investeert IenW standaard in (slimme) niet-infra-maatregelen als onderdeel van het MIRT-proces. Onderstaande lijst geeft een beeld, maar is geen uitputtend overzicht. Veel niet-infra-maatregelen zitten verweven in programma’s van andere partners zoals andere departementen of lokale overheden. Daarnaast wordt er ook binnen de MIRT projecten ingezet op (slimme) korte termijnmaatregelen, zoals het 60 61

Kamerstuk 35 300-A nr. 94 Kamerstuk 36 360-XII, nr. 10 P agina 28 van 31

kortetermijnpakket bij de A2 Deil – ’s-Hertogenbosch – Vught of de verkeersdoorstroming op de ringen van Amsterdam, Rotterdam/Den Haag, Utrecht en Eindhoven. Niet-infra-maatregelen IenW:  Mobiliteitspakketten Woningbouw en Mobiliteit;  Meerjarige Uitvoeringagenda Fiets;  Goederenvervoercorridors (logistiek makelaars, CTC);  Samenwerkingsprogramma Deelmobiliteit;  Programma Veilige, Slimme en Duurzame mobiliteit (diverse maatregelen). Op hoofdlijnen richt de integrale mix aan maatregelen zich op: hinder-aanpak, fietsstimulering, smart mobility en digitalisering, duurzame mobiliteit parkeren, doelgroepen-, onderwijs- en werkgeversaanpak, deelmobiliteit, hubs en logistiek  Invoering Zero-Emissie (bus, reinigingsvoertuigen, doelgroepenvervoer, hubs, stadslogistiek);  Strategisch Plan Verkeersveiligheid;  5G-Blueprint;  Dutch Metropolitan Innovations (DMI);  Slimme, korte termijnmaatregelen binnen de MIRT projecten (bijv. gedragsmaatregelen, smart mobility, verkeersmanagement, netwerkoptimalisaties en kleine infrastructurele maatregelen, zoals extra spitsstroken, extra wisselstroken en een betere configuratie van op- en afritten);  Slimme, korte termijnmaatregelen binnen de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s SBaB, U Ned, MoVe en SmartWayz.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

3.15. City Deal Fietsen voor iedereen In het CD Actieve Mobiliteit van 9 maart jl. is aan de leden Bouchallikht, Van Ginneken en Van der Graaf toegezegd dat de voortgang van de City Deal ‘Fietsen voor iedereen’ in het najaar van 2023 gedeeld wordt. Op 9 oktober jl. hebben 25 organisaties de City Deal bekrachtigd. Het doel van deze City Deal is dat zoveel mogelijk mensen kunnen en gaan fietsen. Hiervoor werken IenW, BZK, VWS, gemeenten, maatschappelijke partners en bedrijven gericht samen. Dit moet zorgen voor toegang tot een goed functionerende, veilige en passende fiets en de vaardigheden om veilig te kunnen fietsen. De dealtekst ‘City Deal Fietsen voor Iedereen’ is als bijlage toegevoegd. De City Deal draagt bij aan de ambitie “Bereikbaarheid voor iedereen”. Met dit onderwerp streven we ernaar dat basisvoorzieningen en werk bereikbaar zijn voor alle inwoners van Nederland, zodat iedereen kan deelnemen aan de maatschappij. Deze City Deal regelt de uitvoering van projecten en de kennis over een werkende aanpak, projectbudget en uitvoeringscapaciteit. Projecten die inzetten op het hebben van fietsen en het kunnen fietsen. De uitvoering van de projecten ligt bij gemeenten, provincies en maatschappelijke partners. IenW coördineert deze City Deal en stuurt op de voortgang en het borgen van de uitkomsten.

De resultaten en inzichten worden breed gedeeld met partijen buiten de City Deal, zodat ook zij met het onderwerp aan de slag kunnen.

P agina 29 van 31

3.16. Werkwijzer MBKA bij MIRT-verkenningen In relatie tot o.a. de vorig jaar ingediende moties door de leden Van Ginneken62 en Kröger63 wordt er gewerkt aan een update van de werkwijzer MKBA bij MIRTverkenningen. Zoals eerder is aangegeven tijdens het Tweeminutendebat Verkeersveiligheid en wegen van 13 april jl. en in een Ka merbrief is de herziening in uitvoering.64 De nieuwe werkwijzer zal voor het zomerreces van 2024 worden opgeleverd.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

3.17. Sidekicks van gedeputeerden voor de herprioritering van het MF Aan het lid Van Ginneken is tijdens het CD MIRT van 5 juli jl. toegezegd in het licht van de mobiliteits- en bereikbaarheidsvraagstukken om met de regio’s in gesprek te gaan over de mogelijkheid tot het aanstellen van 'sidekicks' van de gedeputeerden die zich bezig kunnen houden met de praktische bereikbaarheidsaspecten van de gepauzeerde projecten. In een gesprek met regionale bestuurders bleek men hier geen meerwaarde in te zien. Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging. 3.18. Voortgang herplantingsplicht bomen In de MIRT-brief van 15 december 2021 is er voor het eerst gerapporteerd over de herbeplantingsplicht op grond van de Wet natuurbescherming die geldt bij infrastructurele werken.65 Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Schonis c.s.66 In deze MIRT-brief wordt over de stand van zaken over het jaar 2022 gerapporteerd. Het kappen van bomen wordt gemeld bij het bevoegd gezag; dit is veelal de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De compensatieopgave wordt vervolgens berekend en uitgedrukt in hectares. Het afgelopen jaar is de reg istratie verder opgeschoond en afgestemd met RVO. De gerapporteerde omvang is daardoor en als gevolg van uitgevoerde herbeplanting en nieuwe projecten afwijkend van de vorige opgave.

De herbeplantingsopgave ziet er per 1 januari 2023 als volgt uit:  De herbeplantingsopgave voor RWS bedraagt 602 hectare. Voor ca. 307 hectare daarvan is inmiddels de wettelijke termijn voor herbeplanting verstreken. RWS is in overleg met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de mate waarin door RWS onverplicht aangeplante bomen (in totaal ca. 545 hectare) als invulling van de herplantplicht kunnen worden gezien en beziet op welke wijze daaraan verder gevolg kan worden gegeven.  Wat de feitelijke herplantingsopgave voor ProRail is en of deze binnen of buiten de wettelijke termijn hebben plaatsgevonden, wordt momenteel verder onderzocht. Doelstelling is de wettelijke herplant in 2024 volledig in beeld te krijgen. Ook is verbetering van het proces in gang gezet van registratie en herplant om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen. Hierover is ProRail in gesprek met het bevoegd gezag en gecontracteerde aannemers. Voor het komend plantseizoen wordt een eerste tranche aan herplant vanuit beheer en onderhoud voorbereid. Kamerstuk 36 200-A, nr. 28 Kamerstuk 36 200-A, nr. 37 64 Kamerstuk 32 813, nr. 1167 65 Kamerstuk 35 925-A, nr. 24 66 Kamerstuk 35 300-A, nr. 43 62 63

P agina 30 van 31

4. Tot slot We blijven werken aan de bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid van Nederland. Uitgangspunt daarbij is samenwerken met de MIRT-regio’s en in overleg met de Kamer en we gaan dan ook graag met de Kamer in gesprek tijdens het Notaoverleg MIRT.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat Ons kenmerk I E NW/BSK-2023/338535

In het voorjaar van 2024 vinden de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving plaats. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer zoals gebruikelijk per brief geïnformeerd.

Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Mark Harbers

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

Hugo de Jonge

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

drs. V.L.W.A. Heijnen

P agina 31 van 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=342c4a3d-5804-4eb7-b6d5-bf6818859700