CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007316] Bijlage 3b behorende bij 23bb7325 - Advies commissie m.e.r. Gebiedsontwikkeling Oostflank Rotterdam

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van de eerste herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam en de bijbehorende Gebiedsuitwerking Oostflank.7.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gebiedsontwikkeling Oostflank Rotterdam Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 21 september 2023 / projectnummer: 3677

1

Advies over het MER in het kort

De gemeente Rotterdam wil de oostflank van de stad verder verstedelijken. Het gaat om het gebied tussen Alexander en Zuidplein (‘A tot Z’). De gemeente wil in dit gebied ongeveer 30.000 nieuwe woningen en 30.000 nieuwe arbeidsplaatsen realiseren. Ook wil zij ruimte creëren voor voorzieningen, waaronder groen, sport en onderwijs. Een randvoorwaarde hiervoor is een forse investering in het hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) inclusief een nieuwe oeververbinding over of onder de Nieuwe Maas. Voor het besluit hierover is een aanvulling op het omgevingseffectrapport (OER) voor de omgevingsvisie opgesteld.1 De gemeente Rotterdam heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en volledigheid daarvan. Het OER voor de Oostflank is ter inzage gelegd samen met het MER voor de MIRT-verkenning voor de oeververbindingen regio Rotterdam,2 zodat een samenhangend besluit over de ontwikkeling van de Oostflank en de realisatie van een nieuwe oeververbinding en OV-verbinding kan worden genomen. Dit samenhangende besluit wordt vastgelegd in een herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam.3 Over het MER voor de oeververbindingen en HOV brengt de Commissie een apart toetsingsadvies uit. Beide adviezen moeten nadrukkelijk in samenhang worden gelezen.

Wat blijkt uit het OER? Het OER vergelijkt twee alternatieven voor de ontwikkeling van de Oostflank. Het alternatief ‘Concentreren’ gaat uit van concentratie van de verstedelijking rond knooppunten, zoals Alexander, De Esch en Feyenoord City. In het alternatief ‘Spreiden’ wordt de verstedelijking gelijkmatiger gespreid over het hele plangebied. Het aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen is in dit alternatief iets lager.4 Uitgangspunt voor beide alternatieven is de realisatie van een brug over de Nieuwe Maas, met een hoogwaardige tramverbinding en voorzieningen voor langzaam verkeer en beperkt autoverkeer. In het OER staat dat beide alternatieven negatieve gevolgen hebben voor bodem, water, natuur, geluid en veiligheid. Beide hebben positieve gevolgen voor de woonomgeving en economie. Het alternatief Spreiden scoort iets negatiever op bodem en water en iets minder positief op economie. Met het oog op de gevolgen voor bodem en water zijn in het OER twee subvarianten ontwikkeld, waarin extra maatregelen zijn opgenomen (zoals meer groen en meer ruimte voor water). Uit de beoordeling van de alternatieven en subvarianten is een voorkeursmodel samengesteld (zie figuur 1), dat de basis vormt voor de verdere uitwerking in deelgebieden.

1

Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in

2

Integraal verkenningenrapport en milieueffectrapport MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam, versie

aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.

november 2022. Over dit milieueffectrapport brengt de Commissie een separaat toetsingsadvies uit.

3 4

Omgevingsvisie Rotterdam. De Veranderstad. Vastgesteld door de gemeente Rotterdam, december 2021.

Het alternatief Concentreren gaat uit van 28.000 nieuwe woningen, bovenop de 6.000 woningen waarover al eerder is besloten. Het alternatief Spreiden gaat uit van 20.000 nieuwe woningen.

-1-

Wat is het advies van de Commissie? Het OER is helder geschreven, relatief beknopt, voorzien van duidelijke tabellen, illustraties en kaartmateriaal en daardoor goed toegankelijk voor besluitvormers en insprekers. De keuze om een samenhangend besluit te nemen over de ontwikkeling van de Oostflank én de oeververbinding en HOV heeft potentieel een belangrijke meerwaarde. Dit zorgt voor een integrale en samenhangende afweging. De Commissie constateert echter bij toetsing van het OER dat belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de herziening van de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten: 

Keuze voor oeververbinding onvoldoende onderbouwd. Er is nog geen formeel besluit genomen over de oeververbinding en er zijn meerdere alternatieven onderzocht. Het OER gaat echter uit van een bestuurlijke voorkeur voor een brug met tramverbinding en voorzieningen voor langzaam en (beperkt) autoverkeer.5 Daardoor draagt het OER niet bij aan integrale en samenhangende besluitvorming over de oeververbinding en de ontwikkeling van de Oostflank. Daarnaast is de uitvoerbaarheid van dit alternatief onvoldoende aangetoond en is geen rekening gehouden met het vervallen van een nieuw Feyenoordstadion, dat deels in de rivier zou komen.6

Lange termijn risico’s water en bodem onvoldoende meegenomen. Voor herverdeling van functies binnen het plangebied is in de alternatieven vooral gekeken naar de korte termijn: de realisatie van woningen en arbeidsplaatsen. De gevolgen voor de lange termijn en voor de wijdere omgeving krijgen te weinig aandacht. De verstedelijking moet plaatsvinden in een kwetsbaar gebied met veel uitdagingen en onzekerheden. Vooral randvoorwaarden vanuit de ondergrond en de rivier (bodem en water) zijn waarschijnlijk bepalend, mede vanwege de gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling. Deze randvoorwaarden zijn echter niet bepalend geweest voor het ontwerp van de alternatieven.

Ambities voor gezondheid en leefbaarheid onvoldoende meegenomen. De alternatieven ‘Concentreren’ en ‘Spreiden’ zijn vooral ontwikkeld vanuit de verstedelijkingsopgave. Ambities op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en leefbaarheid hebben hierin geen (herkenbare) rol gespeeld. De gemeente hecht hier juist veel waarde aan in haar Omgevingsvisie (2021).

De Commissie adviseert de ontbrekende informatie in een aanvulling op het OER op te nemen, in samenhang met een aanvulling op het MER voor de oeververbinding, en dan pas een besluit te nemen over de herziening van de omgevingsvisie. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

5

In het MER voor de oeververbinding zijn zes alternatieven onderzocht voor de verbinding tussen Kralingen en Feyenoord,

6

De huidige onbelemmerde ruimte voor de scheepvaart zou het uitgangspunt voor de oeververbinding moeten zijn,

uitgaande van een brug of tunnel, tram of metro, verschillende locaties en het wel of niet toestaan van beperkt autoverkeer. waardoor ook andere opties voor een brug of tunnel in beeld komen. Andere of aangepaste alternatieven voor de

oeververbinding kunnen tot andere afwegingen voor de Oostflank leiden. Zo is de realisatie van een ‘getijpark’, één van de schaarse mogelijkheden voor het versterken van de natuur, volledig afhankelijk van de ruimtelijke inpassing van de oeververbinding. Deze ontwikkeling lijkt niet mogelijk bij de huidige brugalternatieven.

-2-

Figuur 1: Voorkeursmodel verstedelijking, omgevingsvisiekaart (bron: OER). Aanleiding OER De gemeente Rotterdam wil voor het gebied tussen Alexander en Zuidplein de omgevingsvisie (uit 2021) herzien. Deze herziening zal keuzes bevatten die een nadere uitwerking vormen van de verstedelijkingsopgave. Het gaat om de realisatie van 20.000 tot 30.000 woningen, inclusief bijbehorende voorzieningen.7 Voor de herziening van de omgevingsvisie is een MER (OER) opgesteld8, omdat de herziening activiteiten mogelijk maakt waarvoor mogelijk een MER opgesteld moet worden, waaronder stedelijke ontwikkeling (categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage). Samenhang met MER en MIRT-verkenning oeververbindingen Rotterdam De beoogde ontwikkeling van de Oostflank kan volgens de gemeente alleen plaatsvinden als een nieuwe oeververbinding over of onder de Nieuwe Maas, inclusief hoogwaardig openbaarvervoer (HOV) wordt gerealiseerd. Voor de nieuwe oeververbinding en HOV is een apart MER opgesteld,9 dat samen met het OER de basis vormt voor de herziening van de omgevingsvisie. Over dit MER brengt de Commissie een eigen toetsingsadvies uit. De conclusies en aanbevelingen uit dit toetsingsadvies zijn van belang voor de conclusies en aanbevelingen over het OER voor de Oostflank. De beide adviezen moeten daarom nadrukkelijk in samenhang worden gelezen. 7

De omvang van het programma is uit de verschillende documenten over de gebiedsontwikkeling Oostflank en de MIRTverkenning Oeververbindingen niet eenduidig af te leiden. In sommige documenten wordt gesproken over 35.000 woningen. Ook worden verschillende aantallen nieuwe woningen in de gemeente Capelle aan den IJssel genoemd.

8

In de NRD wordt gesproken over de ‘Aanvulling ROER’, om te benadrukken dat de procedure betrekking heeft op een

partiële herziening van de omgevingsvisie voor een specifiek deelgebied. Procedureel is echter sprake van een nieuwe en volwaardige m.e.r.-procedure. Zie ook paragraaf 2.1 van dit advies.

9

Voor informatie en de adviezen van de Commissie over deze procedure, zie www.commissiemer.nl, projectnummer 3439.

-3-

Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het OER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Rotterdam - besluit over de herziening van de omgevingsvisie. De Commissie heeft eerder adviezen uitgebracht over het OER voor de Rotterdamse Omgevingsvisie. In 2022 heeft zij een advies voor reikwijdte en detailniveau voor het OER voor de gebiedsontwikkeling Oostflank (A tot Z) uitgebracht. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken, die bij het advies zijn gebruikt, zijn te vinden door nummer 3677 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

2

Toelichting op het oordeel

In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe. Aan deze beoordeling koppelt zij adviezen en aanbevelingen. Als deze in een tekstkader staan dan is het uitvoeren ervan volgens de Commissie essentieel voor het volwaardig meewegen van het omgevingsbelang bij het besluit over de herziening van de omgevingsvisie. Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

2.1

Keuze oeververbinding onvoldoende onderbouwd Samenhang oeververbinding en ontwikkeling Oostflank De ontwikkeling van de Oostflank is volgens de gemeente afhankelijk van de realisatie van een nieuwe oeververbinding over of onder de Nieuwe Maas met hoogwaardig openbaarvervoer en het accommoderen van langzaam verkeer. Zonder deze nieuwe oeververbinding wordt de realisatie van het (woningbouw)programma in de Oostflank niet als reëel gezien door de gemeente. Het type verbinding kan sterk van invloed zijn op de mogelijke invullingen van het programma (aantallen woningen, ruimtelijke verdeling, infrastructuur en andere voorzieningen). In het MER voor de oeververbinding zijn zes alternatieven onderzocht, waarvan drie alternatieven uitgaan van een brug en drie van een tunnel. Andere keuzemogelijkheden zijn de locatie van de verbinding, de keuze tussen een metro of een tram en het wel of niet toelaten van autoverkeer. In het OER voor de Oostflank is uitgegaan van een brug met tramverbinding, en voorzieningen voor langzaam verkeer en (beperkt) autoverkeer. Deze oplossing is in het OER voor de Oostflank gepresenteerd als het voorkeursalternatief voor de oeververbinding. De andere alternatieven voor de oeververbinding komen niet aan bod. Hierdoor draagt het OER voor de Oostflank niet bij aan een integrale afweging en een samenhangend besluit.

Dit leidt volgens de Commissie tot het ontbreken van essentiële informatie voor de besluitvorming. Dit heeft zowel procedurele als inhoudelijke redenen.

-4-

Procedureel: geen formeel besluit over de oeververbinding De MIRT-verkenning en het bijbehorende MER zijn in november 2022 openbaar gemaakt. Ze zijn door de betrokken overheden10 gebruikt om zich uit te spreken over een bestuurlijk voorkeursalternatief voor de oeververbinding. Op deze keuze en de daarbij behorende documenten (waaronder het MER) was op dat moment geen inspraak en advies mogelijk. Het MER voor de oeververbinding is in mei 2023 tezamen met het OER ter inzage gelegd voor de besluitvorming over de herziening van de omgevingsvisie. Op dat moment was er dus nog geen formeel besluit genomen over de oeververbinding. Verschillende zienswijzen en ook de reactie van DCMR gaan hier op in.11 Om die reden kan het voorkeursalternatief niet als referentiesituatie voor de Oostflank beschouwd worden.

Inhoudelijk: in het MER voor de oeververbindingen ontbreekt essentiële informatie In haar toetsingsadvies over het MER voor de oeververbindingen geeft de Commissie aan dat essentiële informatie ontbreekt voor het meewegen van het milieubelang bij het besluit. Op hoofdlijnen gaat het om het volgende: 

Alternatieven zonder nieuw stadion ontbreken. In alle alternatieven is uitgegaan van de realisatie van een nieuw Feyenoordstadion langs de Nieuwe Maas, inclusief de daarbij behorende versmalling van de rivier aan de zuidelijke Maasoever. Dit uitgangspunt leidt tot een kortere overspanning van een nieuwe brug en daarmee tot knelpunten voor de scheepvaart. Aangezien het plan voor het nieuwe stadion is vervallen, veranderen ook de uitgangspunten voor de invulling van dit deelgebied12, en voor de oever en vaarweg. Dit verruimt de zoekmogelijkheden voor brug- en tunnelalternatieven. Zo lijkt bijvoorbeeld een brug met grotere overspanning mogelijk. Dit is cruciaal voor de nautische aspecten, daarmee samenhangende maatregelen en de effecten daarvan.

Uitvoerbaarheid voorkeursalternatief onvoldoende aangetoond. De vergelijking van de alternatieven in het MER laat zien dat de realisatie van een brug grote nautische bezwaren heeft. Daarvan is onduidelijk of en onder welke condities deze oplosbaar zijn.13 De nautische knelpunten zijn aanleiding voor het grotendeels vergraven van het natuuren recreatiegebied De Esch14. Omdat dit gebied onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) moeten negatieve gevolgen worden voorkomen óf moet worden aangetoond dat er geen reële alternatieven zijn.15 Daardoor is de uitvoerbaarheid

10

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), de provincie Zuid-Holland, de metropoolregio Rotterdam Den Haag

en de gemeente Rotterdam. 11

In een brief aan de gemeente Rotterdam (23 mei 2023) geeft DCMR aan verschillende risico’s te zien voor de besluitvorming

over de herziening van de omgevingsvisie en adviseert zij de betreffende stukken nog niet ter inzage te leggen. De

samenhang tussen de te nemen besluiten over de oeververbinding en de ontwikkeling van de Oostflank wordt daarin expliciet benoemd. 12

Het OER maakt nog niet duidelijk hoe in dit deelgebied wordt omgegaan met het vervallen van het stadion. Wel geeft het

OER aan dat er in dit deelgebied een groter aantal woningen wordt gerealiseerd dan volgens het oorspronkelijke

(bestemmings)plan. Het is niet duidelijk of de ruimte voor deze woningen gevonden moet worden binnen het bestaande oppervlak, of dat ervan wordt uitgegaan dat de ruimte die gereserveerd was voor het stadion en bijbehorende

voorzieningen – en de daarmee gepaard gaande versmalling van de vaarweg - nu ook gebruikt zal worden voor de bouw van meer woningen. 13

Het MER voor de oeververbindingen geeft aan dat de alternatieven in de huidige vorm niet voldoen aan de

randvoorwaarden, en dat nader onderzoek moet uitwijzen of dit oplosbaar is. Ook verschillende zienswijzen gaan in op de nautische bezwaren. Zie verder het toetsingsadvies over dit MER. 14

Veel zienswijzen maken bezwaar tegen de (gedeeltelijke) vernietiging van dit gebied, vanwege het belang daarvan voor de

biodiversiteit, gezondheid (wandel- en andere recreatiemogelijkheden), klimaatadaptatie (zorgen voor voldoende water en groen) en cultuurhistorische en landschappelijke waarde ervan. 15

Het MER voor de oeververbinding en HOV geeft terecht aan: “Voor aantasting van het NNN dient, in de volgende fase van

het project, een ontheffing op grond van artikel 6.29 van de Omgevingsverordening Zuid Holland, te worden aangevraagd

-5-

van het voorkeursalternatief onzeker. Het is de vraag of het vergraven van De Esch in deze omvang nodig is als de ruimte die gereserveerd was voor het nieuwe stadion anders benut kan worden. Verder maakt het VKA voor de oeververbinding waarschijnlijk de ontwikkeling van een getijdenpark onmogelijk, een ambitie van de gemeente volgens het OER en een maatregel in het kader van de KRW (Kaderrichtlijn Water). Verder blijkt uit het MER voor de oeververbinding dat het toelaten van autoverkeer op de oeververbinding leidt tot negatieve effecten op de leefomgeving aan weerszijden van de Maas. Dit komt door toename van geluidhinder en verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit lijkt in strijd met de ambities van de Rotterdamse omgevingsvisie voor een ‘veilige en gezonde leefomgeving’ (zie verder paragraaf 2.3 van dit advies). Op grond hiervan is niet goed te volgen waarom het OER voor de Oostflank uitgaat van een brug met tramverbinding en het (beperkt) toelaten van autoverkeer. Naast de onzekerheden over de uitvoerbaarheid en de nadelige omgevingseffecten blijkt uit het MER voor de oeververbinding dat de kosten van een brugverbinding minstens zo hoog zullen zijn als van een (korte tram)tunnel. Daarbij is nog niet volledig rekening gehouden met de complexiteit van de inpassing ervan, mede door de maatregelen voor scheepvaartveiligheid, waterveiligheid en natuur.

Een aangepaste kosten-batenanalyse zou tot een andere afweging kunnen leiden. Zoals aangegeven in het toetsingsadvies over het MER voor de oeververbinding, adviseert de Commissie om dit MER aan te vullen voordat een formeel besluit wordt genomen over het voorkeursalternatief. Zij adviseert daarin aangepaste alternatieven (zónder nieuw stadion) te onderzoeken en de uitvoerbaarheid van de alternatieven nader te onderbouwen. Tot die tijd dienen andere alternatieven voor de oeververbinding te worden meegenomen in het OER voor de Oostflank, zodat een integrale afweging kan worden gemaakt. De Commissie adviseert om, voordat wordt besloten over de herziening van de omgevingsvisie: 

het MER voor de oeververbindingen aan te vullen conform het toetsingsadvies (zie 3439);

de bevindingen daarvan - vooral de uitgangspunten voor de oeververbinding, de inpassing en de effecten daarvan - te verwerken in een aanvulling op het OER voor de Oostflank. Dit kan betekenen dat in deze aanvulling meerdere alternatieven voor de oeververbinding en HOV worden meegenomen.

2.2

Water en bodem niet als uitgangspunt genomen Principes ‘water en bodem sturend’ Steeds vaker lopen we in Nederland aan tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem, mede door klimaatverandering en bodemdaling. In de laag gelegen delen van Nederland hebben deze factoren een extra grote invloed. Door al deze omstandigheden neemt het belang van water en bodem toe. In een brief aan de Tweede Kamer van 25 november 2022 geeft de Minister van IenW daarom aan dat water en

bij Gedeputeerde Staten, waarbij moet worden voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit artikel 6.31 (beoordelingsregels ontheffing natuur). Dit betekent dat het realiseren van het voorkeursalternatief alleen mogelijk is, als er het groot openbaar belang aangetoond is, er geen reëel alternatief mogelijk is en er vervolgens mitigatie- en compensatiemaatregelen getroffen worden.”

-6-

bodem sturend moeten zijn in (onder andere) de ruimtelijke ordening. De (lange termijn) effecten van klimaatverandering en bodemdaling spelen een belangrijke rol op verschillende niveaus (nationaal, regionaal, lokaal). Dit geldt ook voor de woningbouwopgave. Dit leidt dan ook op ieder niveau tot complexe afwegingen. De beleidsbrief ‘Water en bodem sturend’16 noemt een aantal principes en uitgangspunten – deels al verwoord als ‘hoofdkeuze’ in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) - die relevant zijn voor de ontwikkeling, waaronder: 

Niet afwentelen. De gevolgen van een ontwikkeling mogen niet afgewenteld worden op volgende generaties, andere gebieden of functies en niet van privaat naar publiek.

Meer rekening houden met extremen. In het beleid – en dus bij ruimtelijke besluiten – moet meer rekening worden gehouden met extreme wateroverlast, droogte en hitte.

Wateroverlast, droogte en bodem in samenhang. Omgaan met wateroverlast en droogte vraagt een samenhangende aanpak, waarbij voldoende ruimte wordt gereserveerd voor buffer- en afvoercapaciteit.17 Door dit in te vullen met natuurlijke, groene oplossingen wordt ook hittestress tegengegaan en het leefmilieu versterkt

Integrale aanpak in de leefomgeving. Doelen voor klimaatadaptatie, waterkwaliteit en bodem kunnen niet los gezien worden van verstedelijking, woningbouw, natuurherstel, landbouw en energievoorziening. Een integrale aanpak van alle opgaven in de fysieke leefomgeving is dan ook noodzakelijk, waarbij het water- en bodemsysteem sturend is. In sommige gevallen betekent ruimte voor water, minder ruimte voor bestaande en nieuwe functies of bebouwing.

Water en bodem in het OER voor de Oostflank In het OER is veel aandacht uitgegaan naar de thema’s water en bodem. Zo is in de deelrapportage ‘ondergrond’ per deelgebied een beschrijving en beoordeling opgenomen van de huidige situatie en autonome ontwikkeling van bodem, grondwater en oppervlaktewater, zowel vanuit kwantiteit als kwaliteit. Hieruit blijkt dat in verschillende deelgebieden knelpunten voorkomen. De samengevatte resultaten in het OER tonen dat de aspecten bodem en water zich in de huidige en autonome situatie negatief ontwikkelen (matig tot negatieve score, zie figuur 6.2 van het OER). Uit het OER blijkt vervolgens dat de onderzochte alternatieven deze situatie nog verslechteren (zie figuur 6.3 en 6.5 van het OER). Om die reden zijn twee subvarianten ontwikkeld, waarin maatregelen zijn opgenomen om de negatieve effecten op bodem en water te verzachten.18 De subvarianten scoren iets beter dan de oorspronkelijke alternatieven, maar leiden nog altijd tot de scores ‘matig’ tot ‘negatief’.

16 17

Brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer, 25 november 2022. De beleidsbrief bevat hiervoor onder andere de volgende structurerende keuzes: 

Keuze 10: “We staan in de uiterwaarden (die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe. Daarmee maken we onze rivieren klimaatrobuuster en voorkomen we toenemende schade.”

Keuze 11: “We actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee

reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk. Ruimtelijke plannen en instrumenten van de gemeenten en provincies worden hierop aangepast.” 

Keuze 13: “We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. We

voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen.”

18

Subvariant 1 gaat ervan uit dat de ondergrond sturend is voor de mate van verstedelijking, subvariant 2 stuurt alleen de

inrichting van de verstedelijking in deelgebieden. Beide subvarianten gaan op hoofdlijnen uit van hetzelfde

bouwprogramma voor wonen en werken, en voegen daaraan maatregelen toe om negatieve effecten op water en bodem te voorkomen of te beperken.

-7-

Vanwege de risico’s op lange termijn en het kwetsbare plangebied heeft de Commissie in haar advies voor reikwijdte en detailniveau geadviseerd om de randvoorwaarden vanuit de ondergrond als basis te gebruiken voor de alternatievenontwikkeling. DCMR heeft de gemeente daarop geadviseerd om in het OER een volwaardig alternatief vanuit bodem en water te ontwikkelen.19 De Commissie constateert dat de verstedelijkingsopgave leidend is geweest in de ontwikkeling van de alternatieven en dat water en bodem daarin geen rol heeft gespeeld. Water en bodem zijn alleen in de subvarianten en toetsingscriteria meegenomen. De subvarianten geven onvoldoende inzicht in de mogelijkheden om het gebied voor de lange termijn ‘klimaatrobuust’ in te richten. Dit brengt grote risico’s met zich mee.

Risico’s voor de lange termijn Zonder een goede analyse van de randvoorwaarden vanuit de ondergrond ziet de Commissie een aantal grote risico’s en strijdigheden met de principes van water en bodem sturend: 

Verslechtering van de water- en bodemkwaliteit, biodiversiteit en gezondheid is in strijd met (internationale) wet- en regelgeving20 en met de ambities van de gemeente volgens de omgevingsvisie. Klimaatverandering en bodemdaling zorgen in toenemende mate voor problemen, waaronder wateroverlast, droogte, verzilting en hittestress. Veel extra verharding in het plangebied kan ertoe leiden dat er onvoldoende ruimte overblijft voor water en groen. Daardoor neemt de kans op wateroverlast en hittestress toe. Dit heeft vervolgens ook negatieve gezondheidseffecten.

Wateroverlast, droogte en bodem moeten in samenhang worden bekeken. Nieuwe buitendijkse bebouwing is in principe (vanaf 2025) niet toegestaan. Ook moet ruimte gereserveerd worden voor toekomstige dijkaanpassingen en voor waterberging.21 Het voornemen leidt tot extra belasting van de bodem, door de keuze om te bouwen op de laagste en meest zettingsgevoelige delen van het plangebied.22 Veel hoogbouw – bijvoorbeeld door ruimtegebrek23 – leidt tot een nog grotere belasting.

Afwenteling van gevolgen24 naar toekomstige generaties is niet toegestaan. De gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling zullen na de huidige planperiode (2040) steeds groter worden. Door versnelling van de zeespiegelstijging zal dit versneld en versterkt gaan optreden, bijvoorbeeld in die gebieden waar nu al veel bodemdaling en -opbarsting plaatsvindt.25

19

In haar Adviesbrief aan de gemeente Rotterdam geeft DCMR aan: “De twee sub-varianten zijn ontwikkeld op basis van,

zogenaamde mitigerende, klimaatadaptieve, maatregelen met als uitgangspunt de verstedelijkingsalternatieven. De

mitigerende maatregelen zijn toegevoegd om de negatieve effecten op wateroverlast en bodemdaling te beperken. Er is

geen gelijkwaardig zelfstandig alternatief “verstedelijking op basis van bodem en water sturend” ontwikkeld. Oftewel een alternatief waarbij de bodemgesteldheid en het watersysteem leidend zijn voor de ruimtelijke keuzes.” 20 21

Zoals het Biodiversiteitsverdrag en de Kaderrichtlijn Water.

Het rapport “Analyse van bouwstenen en adaptatiepaden voor aanpassen aan zeespiegelstijging in Nederland (Deltares

september 2022)” geeft aan dat vanwege zeespiegelstijging in Rotterdam vrijwel zeker dijkaanpassingen noodzakelijk zijn. Dit betekent dat hiervoor ruimte gereserveerd moet worden. Het OER maakt niet duidelijk of dit (in voldoende mate) is

gebeurd. De zienswijzen van het waterschap Hollandse Delta en van het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard wijzen hier ook op. 22

De beleidsbrief stelt dat 5 tot 10% van de diepe polders gereserveerd moeten worden voor waterberging. In het OER is

alleen aangegeven dat in de laagste en slapste gebieden 5% tot 10% water moet worden gecreëerd. 23

Als het bouwprogramma hetzelfde blijft en de ruimte voor water/groen groter moet worden, lijkt hoogbouw de enige

mogelijkheid. 24

Te denken valt aan bijvoorbeeld hoge kosten voor beheer en onderhoud, schade, noodzakelijke maatregelen en mogelijke

versnelde afschrijving van woningen, andere bebouwing en infrastructuur. 25

Enkele polders kennen al veel opbarsting. Dit betekent dat de bodem de druk van het grondwater niet meer kan weerstaan

en er wellen ontstaan. Deze wellen zorgen voor een sterke vergroting van de hoeveelheid kwel. Dit leidt tot effecten op

bestaande bebouwing en noodzaakt tot ingrijpende maatregelen die ook weer tot negatieve effecten leiden. Ook bestaat het risico dat huizen onbewoonbaar worden, voordat de fysieke levensduur van de woning is bereikt.

-8-

Afwenteling op andere gebieden is niet toegestaan. Bovenstrooms en in andere deltagebieden ontstaan er waarschijnlijk grotere risico’s, doordat er in en rond het plangebied weinig ruimte is voor buffer- en afvoercapaciteit (sponswerking) van bijvoorbeeld de Nieuwe Maas.26 Natuurgebieden met buffercapaciteit, zoals De Esch en Boszoom, dreigen kleiner te worden.

Ook voor infrastructuur en voorzieningen voor drinkwater, afvalwater en energie moet – bovengronds en ondergronds - ruimte worden gereserveerd.27 Omdat in het plangebied veel diepe polders en slappe (zettingsgevoelige) bodems voorkomen is extra aandacht nodig voor de benodigde ruimte en extra maatregelen die nodig kunnen zijn om de benodigde infrastructuur aan te leggen en (ook op lange termijn) onderhouden. Daarbij is ook de draagkracht van de ondergrond voor het versterken of verhogen van waterkeringen van belang.

Op basis van deze risico’s en op grond van het gemeentelijke klimaatambities28 acht de Commissie het nodig om een volwaardig alternatief te ontwikkelen waarin ‘water en bodem sturend' centraal staat. Het doorschuiven hiervan naar latere fasen van ontwikkeling heeft als risico dat de aandacht verschuift naar (technische) mitigerende maatregelen in plaats van naar strategische afwegingen. Op basis van de effectbeoordeling verwacht de Commissie dat dit kan leiden tot een alternatief met een aangepast bouwprogramma (beperkter programma, andere verdeling daarvan over het plangebied en/of in bouwhoogtes). De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat wordt besloten over de herziening van de omgevingsvisie: 

de principes van water en bodem sturend en bestaande kaders voor water en klimaatadaptatie te vertalen naar randvoorwaarden voor de ontwikkeling van de Oostflank;

een volwaardig alternatief te ontwikkelen dat deze randvoorwaarden en de gevolgen op de lange termijn als uitgangspunt neemt (zie ook paragraaf 2.4 van dit advies).

2.3

Ambities leefbaarheid en gezondheid Vertaling ambities naar concrete doelen voor de Oostflank De Commissie gaf eerder een advies29 over de inhoud van het MER voor de Oostflank: vertaal de ambities van de gemeente naar toetsbare doelen voor de ontwikkeling van de Oostflank.

26

Voor buitendijks wonen geldt dat er in beginsel ruimte voor de rivier wordt ingenomen, terwijl daarvoor juist meer ruimte

nodig is. Daarmee zorgt buitendijks bouwen voor afwenteling bovenstrooms (daar neemt de kans op wateroverlast toe of moeten extra maatregelen worden genomen). ‘Klimaatadaptief bouwen’ biedt ook mogelijkheden, maar daarbij moet er voldoende aandacht zijn voor veiligheid en sociale acceptatie van toekomstige forse waterdieptes en snelle en goede evacuatiemogelijkheden. 27

In de zienswijze op de NRD is door HHSK aangegeven dat de voorgenomen ontwikkelingen uitbreiding van de

afvalwaterzuivering noodzakelijk maakt, In de zienswijze op het OER vraagt HHSK om innovatief met het afvalwater om te

gaan, om deze uitbreiding te voorkomen. Drinkwaterbedrijf Evides wijst er in haar zienswijze op dat geen rekening lijkt te

zijn gehouden met de hoofd drinkwaterinfrastructuur. Stedin vraagt in haar zienswijze om het integraal meenemen van het gas- en electriciteitsnetwerk, mede om toekomstige congestie te voorkomen: “Ondergrond dient volgens ons structureel

onderdeel te worden van alle relevante ruimtelijke processen en waarbij het gebruik én bescherming van bodem zorgvuldig afgewogen dient te worden." 28

Rotterdams Weerwoord (2019) geeft invulling aan deze ambities. Daarnaast heeft de gemeente via het Rotterdam Climate

Initiative (Green Deal) op internationaal niveau een vooraanstaande positie opgebouwd betreffende het klimaatbeleid. 29

Advies voor reikwijdte en detailniveau, 18 november 2022.

-9-

Dat is van belang voor het onderscheiden van zinvolle alternatieven en varianten en voor het beoordelen van het doelbereik: de mate waarin ambities gerealiseerd kunnen worden. In de omgevingsvisie en andere beleidsdocumenten heeft de gemeente ambities opgenomen voor onder andere een goede omgevingskwaliteit en een veilige gezonde fysieke leefomgeving.30 Vanwege de schaarse ruimte, de druk op de kwaliteit van de leefomgeving en de grote woningbouwopgave ligt het voor de hand dat niet alle ambities in dezelfde mate gerealiseerd kunnen worden. Het bouwen van een groot aantal woningen en realiseren van meer arbeidsplaatsen heeft enerzijds positieve gevolgen voor het huisvestigingsvraagstuk en zorgt voor meer werkgelegenheid, maar heeft anderzijds potentieel grote negatieve gevolgen voor duurzaamheid, gezondheid en leefkwaliteit. De Commissie constateert dat de ambities in het OER niet zijn vertaald naar toetsbare doelstellingen. De ambities voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige gezonde fysieke leefomgeving hebben geen (herkenbare) rol gespeeld in de ontwikkeling van de alternatieven, hoewel een deel van de ambities wel impliciet terugkomt in het beoordelingskader.

De ambities en de mate waarin deze realiseerbaar zijn hadden het uitgangspunt kunnen zijn voor onderscheidende alternatieven.31 Niet alleen voor het plangebied als geheel, maar vooral voor de invulling van het programma per deelgebied. Het plangebied kent nu al knelpunten voor gezondheid, sociale aspecten en leefkwaliteit. Gezien de knelpunten in de referentiesituatie (zie bijvoorbeeld figuur 6.1 en 6.2 van het OER) is het volgens de Commissie van belang dat in het OER wordt gezocht naar oplossingen die tot verbeteringen leiden. Uit het OER blijkt echter dat de situatie voor deze aspecten bij beide alternatieven nog verder zal verslechteren.

Knelpunten voor leefbaarheid en gezondheid De effecten van de alternatieven op deze aspecten zijn in het OER op hoofdlijnen en kwalitatief beoordeeld. Zo geeft het OER geen kwantitatieve informatie over aantallen (ernstig) gehinderden door geluidhinder en de effecten van (varende) schepen op geluidhinder, luchtkwaliteit en het groepsrisico (externe veiligheid).32 Hoewel kwantitatieve effectbeschrijvingen grotendeels ontbreken blijkt dat de effecten op geluidhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid in alle deelgebieden overwegend negatief zijn (zie bijvoorbeeld tabel 5.9 en figuren 6.3 en 6.5). Ook de keuze om de oeververbinding open te stellen voor autoverkeer heeft ingrijpende gevolgen voor de leefomgeving en gezondheid. Dit lijkt in strijd met de ambities verwoord in de omgevingsvisie voor een ‘veilige en gezonde leefomgeving’.33 Het toestaan van autoverkeer is niet als ‘essentiële functionaliteit’ van deze verbinding gedefinieerd, zo blijkt 30

De Visie openbare ruimte heeft bijvoorbeeld als ambitie ‘Rotterdam heeft in 2030 een duurzame, groene en gezonde

openbare ruimte die bijdraagt aan een prettig leefklimaat voor bewoners, bezoekers en ondernemers’. 31

De alternatieven die in het OER zijn onderzocht zijn weinig onderscheidend en de ‘hoeken van het speelveld’ zijn

onvoldoende verkend. ‘Het alternatief ‘concentreren’ gaat uit van concentratie van de verstedelijking bij knooppunten, het alternatief ‘spreiden’ spreidt de verstedelijking meer over het plangebied en gaat uit van een lager aantal woningen en

arbeidsplaatsen. Hoewel de naamgeving en de beschrijving van de alternatieven de suggestie wekken dat zij fundamenteel van elkaar verschillen, maakt de effectbeoordeling duidelijk dat deze verschillen beperkt zijn. 32

In de adviesbrief van DCMR is voor een aantal beoordelingscriteria aangegeven dat meer kwantitatieve informatie nodig is

om de effecten goed te kunnen beoordelen. 33

Deze ambities richten zich onder andere op het afwikkelen van autoverkeer via het hoofdwegennet en het zoveel mogelijk

vermijden van autoverkeer en prioriteit geven aan OV en langzaam verkeer in de directe woon- en leefomgeving.

-10-

uit het MER voor de oeververbinding. Dit klemt des te meer omdat bij de beoordeling van de effecten op de luchtkwaliteit nog geen rekening is gehouden met de aanstaande aanpassing van de normen daarvoor. De beoordeling zou uit moeten gaan van de nieuwe strengere normen, of melding moeten maken van het feit dat de WHO-normen niet gehaald worden.34 Ook de plannen om doorstroming op de A16 te verbeteren leiden potentieel tot meer geluidoverlast.35

Effecten op natuur en landschap negatief Het OER laat zien dat de effecten op natuur, waterkwaliteit, landschap en erfgoed veelal negatief zijn. Ook in de referentiesituatie (die is afgeleid van de effectbeoordeling in het OER voor de omgevingsvisie) is de situatie voor natuur in de meeste deelgebieden van de Oostflank slecht tot zeer slecht (zie tabel 5.5 van het OER). De keuze voor de oeververbinding heeft vooral grote gevolgen voor de deelgebieden waarin de brug en de aansluitingen aan beide zijden van de rivier moeten worden ingepast. De effecten op het natuur- en recreatiegebied De Esch zijn daardoor per definitie ingrijpend. Ook aan de zuidzijde is de inpassing van de brug, inclusief het tramverkeer en autoverkeer, ruimtelijk moeilijk te verenigen met bestaande en geplande woningen. De enige kans voor versterking van natuurwaarden in het plangebied lijkt een betere ecologische verbondenheid (Bos-as, en een eventueel getijdepark). Voor deze ontwikkelingen geldt echter steeds dat de kans erop volledig afhankelijk is van ruimtelijke inpassing van de hoofdinfrastructuur. Die is nu niet uitgewerkt. Het getijdepark zal met de huidige keuze voor de oeververbinding zelfs verzwakt worden in plaats van versterkt. Analoog hieraan kan de functie van de Bos-as juist afbrokkelen door ontwikkeling van woningen of bedrijven in deelgebied Boszoom.

Meer aandacht nodig voor sociale gevolgen De ontwikkeling van de Oostflank leidt tot grootschalig en langdurig ingrijpen in de bestaande ruimte. Dit heeft voor de huidige bewoners grote sociale gevolgen. De bestaande gemeenschappen worden bijvoorbeeld geconfronteerd met veel nieuwe bewoners in aanpalende wijken. Ook kan verdringing op de woning- en arbeidsmarkt optreden bij de realisatie van veel nieuwe woningen en arbeidsplaatsen. In het plangebied zijn nu diverse voorzieningen voor recreatie en sport aanwezig, waaronder (sport)parken en volkstuincomplexen. Het eventueel veranderen of verplaatsen hiervan heeft consequenties voor de leefbaarheid, gezondheid en sociale cohesie (zeker wanneer er sprake is van verplaatsing). Veel zienswijzen gaan hier uitgebreid op in.36 Door verschillende ingrepen kan ook stapeling van negatieve effecten optreden. De sociale gevolgen komen onvoldoende in het OER tot uitdrukking. Uit veel zienswijzen spreekt zorg

34

Zie hierover ook de adviesbrief aan de gemeente Rotterdam van DCMR: “De nieuwe WHO advieswaarden kennen “interim

targets” voor de luchtkwaliteit. Het is dus niet de bedoeling van de WHO dat direct naar de eindwaarden wordt gestreefd,

hier wordt vaak overheen gelezen. Mogelijk dat hier nog rekening mee kan worden gehouden. De ambitie beschreven in de beantwoording zienswijzen NRD en de ontwerp omgevingsvisie leidt niet tot het stellen van eigen (interim) targets. En eventueel kunnen daarbij ook de nieuwe nog vast te stellen EU grenswaarden als interim target worden getoetst.” 35 36

Zie het eerder genoemde MER voor de oeververbindingen Rotterdam en het toetsingsadvies.

Zie bijvoorbeeld de zienswijzen van volkstuinverenigingen en hun leden, sportverenigingen en huidige bewoners van het

plangebied, die veel gebruik maken van het gebied De Esch en andere groengebieden.

-11-

en onvrede over de wijze waarop met de situatie voor bestaande bewoners en gebruikers van het plangebied en met (de resultaten van) participatie wordt omgegaan. Zoals eerder aangegeven in haar advies over het OER voor de omgevingsvisie is participatie van bewoners van groot belang bij de uitwerking van de omgevingsvisie.37

Maak ambities voor leefbaarheid en gezondheid concreet Het OER beschrijft geen alternatief vanuit de ambities om het woon- en leefklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld op basis van een minder ambitieus bouwprogramma, minder doorsnijding van woonwijken met wegverkeer38 en meer aandacht voor het instandhouden van bestaand groen en daaraan gekoppelde voorzieningen. Daardoor bestaat het risico dat deze ambities ook onvoldoende worden meegenomen bij de nadere uitwerking van de omgevingsvisie in de deelgebieden. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voordat wordt besloten over de herziening van de omgevingsvisie: 

de ambities uit de omgevingsvisie te vertalen naar meer concrete doelstellingen voor de integrale ontwikkeling Oostflank inclusief de oeververbinding;

de effecten van de alternatieven hier expliciet aan te toetsen;

aan te geven op welke manier deze ambities zullen meewegen bij de nadere uitwerking van de omgevingsvisie in de Oostflank, door deze te vertalen naar ‘spelregels’, waarbij naast de ambities voor leefbaarheid en gezondheid ook de belangen van de bewoners en gebruikers van het gebied centraal staan.

2.4

Effecten op de lange termijn en buiten plangebied onvoldoende onderzocht De effecten van de twee alternatieven zijn op hoofdlijnen beoordeeld op basis van het beoordelingskader en de gebruikte methodiek uit het OER voor de omgevingsvisie. In hoofdstuk 6 van het OER zijn de effecten van de herziening van de omgevingsvisie (en dus van de ontwikkeling van de Oostflank) snel en eenvoudig te overzien. De basis hiervoor wordt gevormd door de beoordeling van ‘bouwstenen’ per deelgebied in hoofdstuk 5.39 In hoofdstuk 7 is de effectbeschrijving per deelgebied nader uitgewerkt en vertaald naar aanbevelingen voor het vervolg. Zoals ook blijkt uit de voorgaande paragrafen is de Commissie van mening dat de gevolgen van de ontwikkelingen in de Oostflank en de oeververbinding in ruimte en tijd nog onvoldoende zijn onderzocht. De ‘hoeken van het speelveld’ vanuit de verschillende ambities voor dit gebied zijn niet het uitgangspunt geweest voor de alternatievenontwikkeling in het

37

Rotterdam heeft een zekere traditie van “samen stad maken” en de Rotterdamse identiteit is er een van aanpakken. Het

‘DNA’ van de stad voor verandering is zonder meer gunstig te noemen. Dit biedt een kans om de bewoners van Rotterdam mee te laten denken over en samen vorm te laten geven aan de ontwikkeling van de stad. Ook het werken aan een

klimaatadaptieve en natuurinclusieve stad is gebaat bij herkenning, erkenning en kapitalisering van de inbreng van bewoners. 38

Hierbij kan worden gedacht aan het op afstand te leggen of bundelen van hoofdontsluitingswegen met reeds bestaande

bronnen (bijvoorbeeld aan de oostzijde langs de A16) en het nemen van mitigerende maatregelen in deelgebieden waar de geluidhinder toeneemt. 39

De bouwstenen bestaan uit (verschillende) aantallen woningen en ruimte voor werkgelegenheid en voorzieningen.

Daarnaast zijn in de bouwstenen kwaliteitsmaatregelen (zoals vergroening) opgenomen.

-12-

OER voor de Oostflank. Voor herverdeling van functies binnen het plangebied is in plaats daarvan vooral gekeken naar de relatief korte termijn: het realiseren van woningen en arbeidsplaatsen. De ambities en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving voor de lange termijn krijgen hierdoor te weinig aandacht in de belangenafweging. Dit geldt bijvoorbeeld voor de benodigde maatregelen (en kosten) voor beheer en onderhoud en de groeiende vraag naar ruimte binnen en buiten het plangebied, om de gevolgen van klimaatverandering en natuurverlies tegen te kunnen gaan. Daarnaast geldt dit voor maatregelen die nodig zijn om te zorgen dat de Oostflank op lange termijn een gezonde en leefbare wijk wordt en blijft. De effectbeoordeling in het OER heeft vooral betrekking op de effecten van de alternatieven op de situatie in de Oostflank. In figuur 6.2 worden de twee referentiesituaties met elkaar vergeleken. Dit laat zien dat de uitgangspositie van de Oostflank slechter is dan die van Rotterdam als geheel. In het OER worden vervolgens de effecten van de twee alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie van de Oostflank in beeld gebracht. De effecten van de ingrepen beperken zich echter niet tot de Oostflank, maar hebben uitstralingseffecten in een groter gebied.

Aansluitend op de adviezen in de voorgaande paragrafen adviseert de Commissie om in een aanvulling op het OER, voordat wordt besloten over de herziening van de omgevingsvisie: 

een beschouwing (op hoofdlijnen) te geven van de effecten op de lange termijn (bijvoorbeeld 2100) en voor een groter studiegebied, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan ‘afwenteling’;

daarbij in te gaan op de onzekerheden op lange termijn en op maatregelen die achter de hand gehouden kunnen worden;

een aanzet te geven voor een monitoringsprogramma om het doelbereik en de effecten te volgen, met het oog op te maken afwegingen bij de uitwerking van de gebiedsontwikkeling en het eventueel bijsturen met extra maatregelen.40

Dit maakt integrale afwegingen mogelijk over de verstedelijking in de Oostflank en de realisatie van een nieuwe oever- en HOV-verbinding, waarbij afwenteling in ruimte (andere gebieden) en tijd (op toekomstige generaties) voorkomen wordt.

40

Ontwikkel bij voorkeur een ‘reflexief’ monitoringprogramma dat gedurende de looptijd van het transformatieproces zowel

de harde feiten en cijfers in beeld brengt van de veranderingen en de effecten daarvan als laat zien hoe de inwoners van de verschillende deelgebieden in de Oostflank een en ander ervaren. De verzamelde data en analyses kunnen worden gebruikt om betrokkenen regelmatig te informeren over de monitoringsresultaten en de acties die daarop volgen.

-13-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep in

een eerdere fase het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: drs. John Dagevos prof. dr. ir. Rob van der Heijden drs. Pieter Jongejans (secretaris) ing. Wim van der Maarl Margo Meeuwissen MSc ing. Gert Schouwstra BPM ir. Kees Slingerland (voorzitter) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Herziening van de omgevingsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D11.2, “stedelijke ontwikkeling”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden op kunnen treden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Rotterdam. Initiatiefnemer besluit College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 24 juli 2023 heeft toegestuurd.

Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3677 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8646aa35-8922-4470-927f-392389e9dc82