[23bb007122] Bijlage 1 behorende bij 23bb008099 over ontwerpbestemmingsplan ‘Terbregseveld Warmoeziersstraat’ ter vaststelling
Tekst van het document
Figuur 4.2 schets bestaande agrarische bebouwing Nieuwe ontwikkelingen De verlenging van de A16 schept andere condities voor het Terbregseveld. Van een geïsoleerd gebied wordt het Terbregseveld opgenomen in het netwerk van groen-recreatieve verbindingen met een randpark en enkel doorgaande routes. De verbinding tussen Warmoeziersstraat en wallenlandschap A16 is onderdeel van deze opgave en biedt kansen voor het toegankelijk maken van het wallenlandschap. Tijdens het planproces van deze woningbouwontwikkeling zijn de condities voor deze ontsluiting en de relatie van een pad naar het wallenpark verder onderzocht. Er wordt ingezet op een smal en landelijk struinpad. Momenteel wordt er nog gestudeerd op de precieze inpassing van de A16 in het Terbregseveld.
34/123
Figuur 4.3 schets nieuwe situatie A16
4.3
Beoogde situatie
Het Terbregseveld blijft een wijds, open groengebied (veld) waarin de cultuurhistorie van het agrarische gebruik de basis vormt. Het veld positioneert zich als ruimtelijke eenheid tussen de Rotte en het nieuwe parklandschap met wallen langs de A16. Ontwikkeling van woningen wordt tot een absoluut minimum beperkt en wordt ingepast op een wijze die recht doet aan het landschap.
Figuur 4.4 perspectiefschets beoogde situatie
35/123
De stedenbouwkundige opzet bestaat uit een paar heldere volumes met strak gedefinieerde bouwvlakken en onderling gescheiden met een zo breed mogelijke groene invulling. Om de dominantere oost-west openheid te versterken zijn de bouwvlakken in dezelfde richting gepositioneerd met de smalle zijde van 12 meter richting het landpad. De oriëntatie en richting van de bebouwing is conform de landelijke structuur, een rechthoekige vorm met de smalle kant haaks op het landpad (12m) en de brede gevel (max. 18 of 20 meter) in lijn van de waterstructuur en perceelrichting. Aan zowel de noordkant, als de zuidkant is één geschakelde typologie (max. 12 x 36 meter) denkbaar met een eenduidige vorm om het veld zo open mogelijk te houden.
Figuur 4.5 plattegrond beoogde situatie Ontsluiting De woningen worden aansluitend op de reeds bestaande agrarische bebouwing ontsloten vanaf de Kwekerijstraat en het landpad. Inritten via de Warmoeziersstraat zijn niet toegestaan. De parkeergarages zitten overwegend aan de kant van de lange zijgevel en daarmee zijn de auto’s uit het zicht ontnomen vanaf het landpad. Het landpad is optioneel af te sluiten met een laag landelijk hekwerk om ongewenst autoverkeer of parkeren te voorkomen.
36/123
Figuur 4.6 positionering en inpandige parkeergelegenheid De oriëntatie en ontsluiting van de nieuwe woningen is gebaseerd op de bestaande structuur van het gebied. Jarenlang is het landpad de centrale as door het Terbregseveld. Typologie en kaprichting Er is één typologie met meerdere varianten voor een afwisselend beeld, maar toch een samenhangende ruimtelijke eenheid. Het gaat om een specifiek agrarische geïnspireerde bebouwingstypologie: 1 bouwlaag met flauwe kap (max. goothoogte: 4,0m en max. nokhoogte: 7,5m). De types en kapvormen zijn zo gepositioneerd dat ze het beste recht doen aan de richting van de kavels en bestaande bebouwing. Het realiseren van dakkapellen is niet toegestaan omdat deze afbreuk doen aan de beoogde heldere hoofdvorm. De maximale nok- en goothoogte bieden de mogelijkheid om een bruikbare tweede verdieping te realiseren zonder dakkapel.
37/123
Figuur 4.7 typologie toekomstige bebouwing Verbinding naar A16 park De ruimtelijke verbinding tussen de Warmoeziersstraat en het wallenlandschap A16 is onderdeel van de opgave. Het struinpad richting het wallenlandschap is een smal landelijk pad met aan weerszijden een brede sloot en groen talud. In totaal is deze zone minimaal 7,0 meter breed (zie doorsnede). De brede sloten versterken en houden de ontginningsgeschiedenis beleefbaar en zorgen tevens voor een aantrekkelijke en route voor voetgangers. Daarnaast creëren de twee sloten op een natuurlijke manier de nodige afstand en gewenste privacy van het struinpad naar de omliggende percelen. Het struinpad is een doorlopende route en publiek toegankelijk. Indien nodig kan het pad afgesloten worden met een laag landelijk hekwerk. Om dit pad te realiseren dient overlegd te worden met het waterschap in verband met eigendomsgrenzen en de aansluiting op de Warmoeziersstraat.
38/123
Figuur 4.8 groenverbinding met A16
4.4
Visie op plangebied
1. Groen en open Laat het Terbregseveld zoveel mogelijk open en onbebouwd. Dit betekent dat er geen vergaande verstedelijking zal plaatsvinden op het Terbregseveld. De bestaande structuur georiënteerd richting het landpad met kleinschalige bebouwingsclusters en de daar omheen gelegen open weilanden dient zoveel mogelijk te worden behouden. Dit resulteert in compacte en afgebakende bouwvelden geclusterd rondom de centrale as, het landpad, met een lage dichtheid en ruim gedefinieerde groenstroken aan de randen en achtererven. 2. Doorzichten Behoud en versterk doorzichten op het achterliggende gebied. Deze nieuwe ontwikkeling biedt kansen om zichtlijnen te herstellen en te vergroten. Nieuwbouw vergroot de 'leesbaarheid' van het gebied door de nieuwbouw te situeren volgens de reeds aanwezige kenmerken van het gebied qua richting, ontsluiting, oriëntatie en korrelgrootte. De typerende luchtigheid wordt behouden en waar mogelijk versterkt door bebouwing zo veel mogelijk op één lijn te clusteren of juist ruim ten opzichte van elkaar te positioneren. De ontsluitingswegen worden zo veel mogelijk open gehouden door geen bebouwing in de zichtlijnen te plaatsen. Het landpad kijkt richting het zuiden uit op een groene zone en de zichtlijn vanaf de Kwekerijstraat naar het oosten, met tevens een langzaamverkeersverbinding, loopt door tot het wallenlandschap.
39/123
Figuur 4.9 analyse kaarten groen en doorzichten
40/123
3. Herkenbare waterstructuur Houd ontginnings-en gebruiksgeschiedenis herkenbaar. Om de waterstructuur herkenbaar te houden wordt ingezet op brede sloten als erfafscheiding in lijn van de bestaande waterstructuur. Het verbreden van de sloten versterkt de typerende waterstructuur en draagt bij aan een natuurlijke manier om het veld open te houden. In het watersysteem zijn verschillende peilvakken aanwezig en vooralsnog zijn een aantal stuwen noodzakelijk tenzij, in overleg met Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, voor minder peilvakken gekozen kan worden. De 2e zaksloot staat los van het watersysteem. Het Terbregseveld is een kenmerkende lager gelegen polder, het terrein zal dan ook niet worden opgehoogd met terpen om aansluiting te zoeken bij de Warmoeziersstraat. Aangezien dit een zettinggevoelig gebied is, is het van belang dat de inrichting rekening houdt met de toekomstbestendigheid met bodemdaling en flexibel is met waterpeilen. De droogligging in dit gebied is naar verwachting niet voldoende met de nieuwbouw dient dan ook rekening worden gehouden met hoge (grond)waterstanden op de percelen. Kenmerkend voor het landschap zijn de watergangen met her en der wilgen en iepen. Er wordt gestreefd naar een landschappelijke uitstraling met soortgelijk gebiedseigen groen en natuurvriendelijke oevers.
Figuur 4.10 analyse kaarten waterstructuur en bebouwing 4. Losstaande bebouwing met agrarische uitstraling
41/123
Sluit nieuwbouw aan op karakteristieken van de omgeving. Om het veld open te houden met een agrarische uitstraling is er gekozen voor een lage dichtheid en bebouwing die refereert naar landelijk gebruik, te denken aan een schuurtypologie met een lage bebouwingshoogte en een flauwe kaphelling. Het Terbregseveld is kleinschalig met afwisselende bebouwing, deze organische gegroeide situatie is typerend voor het veld en wordt doorgezet met het afwisselen van de richting. Nieuwbouw dient te passen binnen de al aanwezige geclusterde orthogonale bebouwing, maar met een eigen compositie. De nieuwbouw wordt haaks op het landpad gepositioneerd. De woningen zijn georiënteerd richting het landpad en worden ook via die weg ontsloten op de Kwekerijstraat.
Figuur 4.11 plattegrond plangebied in samenhang met bestaand gebied
42/123
Bestemmingen In onderstaand figuur zijn de beoogde bestemmingen uit de NvU weergegeven om de uiteindelijke planontwikkeling mogelijk te maken. Dit is niet feitelijke weergave van de verbeelding zoals behorend bij dit bestemmingsplan, maar heeft daar voor als uitgangspunt gediend.
Figuur 4.12 functiekaart plangebied
43/123
Hoofdstuk 5
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2022-2027 'Samen ons gebied voorbereiden op veranderingen', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers.
Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap in Krimpenerwaard: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het inzetten ter bevordering van de verkeersveiligheid en onderhoud van de rijbaan en bermen; het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch werk. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. In aanloop naar de Omgevingswet zal het HHSK meer participatief te werk gaan. Het HHSK zal meer stappen zetten om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te voorkomen en de kansen te benutten. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. In de toekomst zal de Keur vervangen worden door de waterschapsverordening en onderhoudsverordening.
44/123
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit twee percelen, westelijk een perceel bestemd als 'volkstuin' en oostelijk het perceel bestemd als 'agrarisch'. Zie figuur 5.1 voor huidige situatie van het plangebied; het gebied is voornamelijk onverhard. Een groot deel van de gronden is momenteel in gebruik als agrarisch gebied in de vorm van weilanden met een aantal stallen, paardenbakken en kassen.
Figuur 5.1 Huidige situatie van het plangebied (legger HHSK) Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Het plangebied is gelegen in het peilgebied GPG-192. Dit peilgebied heeft een vast peil van NAP – 6,33 m. Waterkwantiteit Volgens de legger van Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) wordt het plangebied ten zuiden, westen en noorden begrensd door meerdere watergangen. De watergangen zijn gedefinieerd als het type 'overige', voor deze watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter. Binnen de beschermingszone gelden conform de waterschapsverordening van HHSK beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. In de ontwerplegger van 2022 is de watergang ten oosten van het gebied een hoofdwatergang geworden. Aan weerszijden van de hoofdwatergang ligt een onderhoudsstrook. Deze strook heeft een breedte van vijf meter, gemeten vanuit de boveninsteek van de watergang.
45/123
Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Toekomstige situatie Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 7 woningen mogelijk. Naast de woningbouw worden tuinen, infrastructuur en watergangen gerealiseerd binnen het plangebied, zie figuur 5.2 voor het stedenbouwkundig ontwerp.
Figuur 5.2 Plattegrond woningbouwontwikkeling Waterkwantiteit Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. De eis van 5% is afgestemd en akkoord bevonden door het hoogheemraadschap. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit merendeel onverhard gebied met een aantal stallen, paardenbakken en kassen. Deze bebouwing komt ter vervallen en zal verwijderd worden uit het gebied. Deze kassen hebben een oppervlak van circa 700m2 en het hoofdgebouw een oppervlakte van 180m2; de huidige totale verharding is circa 880m2.
46/123
Bij de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verhard oppervlak. De totale verharding van de woningen is 1.584m2. Met betrekking tot de tuinen wordt er uitgegaan van een 50 tot 60% verharding; circa 1.500m2 verharding. Ten slotte worden er extra wegen gerealiseerd, resulterend in een toename van circa 2.000m2. Zie tabel voor totaal overzicht.
Tabel 5.1 Waterkwantiteit De totale toename aan verhard oppervlak komt uit op circa 4.704m2. Er is sprake van een waterkwantiteitsopgave van 5% van het totaal toegenomen verhard oppervlak. De waterkwantiteitopgave is 235,2m2. Binnen het plangebied worden er sloten aangelegd. Deze sloten zijn minimaal 3 meter breed en fungeren als erfgoedgrens, zie figuur 5.1. De totale oppervlakte van deze watergangen komt uit op circa 1.000m2. Hiermee wordt er ruim voldaan aan de waterkwantiteitseis van het hoogheemraadschap. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Door het gehele platte dak van het gebouw te voorzien van een mos-sedumlaag die als 'waterbuffer' dient bij stevige regenbuien wordt het gemeentelijke rioolstelsel ontlast op piekmomenten.
47/123
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de waterschapsverordening. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de waterschapsverordening is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is er een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
48/123
Hoofdstuk 6
Verkeer
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of de verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022). Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381.
6.1
Ontsluiting
6.1.1
Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Warmoeziersstraat, een erftoegangsweg-type II binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/u. In zuidelijke richting leidt de Warmoeziersstraat via de Landstraat naar de Bergse Linker Rottekade. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen-type II met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Richting het zuiden leidt de Bergse Linker Rottekade naar het kruispunt Bergse Linker Rottekade – Pr. Irenebrug – Terbregseweg. De Terbregseweg en de Prinses Irenebrug zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen-type II met een maximumsnelheid van 50 km/uur. De Pr. Irenebrug loopt in noordwestelijke richting over in de Molenlaan en leidt naar Hillegersberg – Schiebroek. De Terbregseweg leidt in zuidoostelijke richting naar het kruispunt Terbregseweg – President Rooseveltweg. De President Rooseveltweg leidt in noordelijke richting naar de wijk Prins Alexander en is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type II met een maximumsnelheid van 50 km/u. De Terbregseweg leidt verder in zuidelijke richting naar het kruispunt Terbregseweg – Hoofdweg – Boszoom – Bosdreef. De Boszoom, Hoofdweg en Bosdreef zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen type I buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 70 km/u. De Bosdreef leidt in westelijke richting naar het centrum van Rotterdam, terwijl de hoofdweg aansluit op de A16, tussen Rotterdam en Antwerpen.
Ten noorden van de aansluiting op de Hoofdweg sluit de A6 aan op de A20, tussen Naaldwijk en Gouda.
49/123
6.1.2
Langzaam verkeer
Zoals gebruikelijk op 30 km/u-wegen zijn op de Warmoeziersstraat geen fietsvoorzieningen aanwezig, waardoor het fietsverkeer de rijbaan moet delen met het gemotoriseerde verkeer. Door middel van de lage maximumsnelheid en de inrichting van de Warmoeziersstraat wordt de verkeersveiligheid van het fietsverkeer voldoende gewaarborgd. Vanaf de Terbregseweg zijn aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende fietspaden aanwezig. Aan de zuidzijde van de Warmoeziersstraat is een voetpad aanwezig. 6.1.3
Openbaar vervoer
De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf het plangebied is gelegen op circa 450 meter loopafstand op de Terbregseweg. Bij deze halte halteert buslijn 35 tussen de Melanchthonweg en de Hesseplaats met een frequentie van 20 minuten. Het dichtstbijzijnde metrostation is het station Binnenhof, gelegen op circa 2,3 meter loopafstand van het plangebied in Prins Alexander. Vanaf dit station kan gebruik worden gemaakt van metrolijn A richting Schiedam Centrum. De ontsluiting per openbaar vervoer kan als voldoende worden beoordeeld.
6.2
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen uit de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Conform de gebiedsindeling uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid wordt voor het plangebied een ligging in zone C 'overig gebied' aangehouden. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarisch gebied en heeft daarmee geen parkeerbehoefte. Voor de 7 beoogde woningen wordt uitgegaan van de normen voor een 'Woonfunctie = 120 m² (gbo)'. Voor deze functie wordt een norm van 1,80 parkeerplaatsen per woning aangehouden, wat neerkomt op een totale parkeerbehoefte van 12,3 parkeerplaatsen. de parkeerbehoefte van het plangebied zal inpandig op eigen terrein worden opgelost.
6.3
Verkeersgeneratie
Aan de hand van kencijfers uit CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. Hierbij wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Rotterdam uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'Zeer sterk stedelijk', terwijl voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan van 'rest bebouwde kom'. Per kencijfer wordt het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de kencijfers uit CROW-publicatie 381 worden de weekdagintensiteiten bepaald, terwijl voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de werkdagintensiteiten maatgevend zijn. Conform CROW-publicatie 381 wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd. Tabel 6.1 De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling Functie
Kencijfer
Weekdagintensiteit (mvt/etmaal)
Werkdagintensiteit (mvt/etmaal)
Koop, huis, vrijstaand 3 woningen
7,7 per woning
23,1
25,6
Koop, huis, tweeonder-een-kap
7,3 per woning
29,2
32,4
52,3
58,1
Totaal
50/123
Aantal
4 woningen
De beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeersgeneratie van 52 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 58 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling dient gekeken te worden naar de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling gedurende de maatgevende periode, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het drukste spitsuur zorgt de ontwikkeling van het plangebied voor een verkeersgeneratie van 6 mvt/uur. Deze verkeerstoename is dermate klein dat het geen invloed zal hebben op de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen.
6.4
Verkeersveiligheid
De toename in de verkeersgeneratie zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid. Alhoewel er geen fietsvoorzieningen aanwezig zijn op de Warmoeziersstraat, is de verkeersveiligheid geborgd door middel van de lage maximumsnelheid en de inrichting van de weg.
6.5
Conclusie
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met een parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen. De beoogde parkeerbehoefte zal volledig inpandig op eigen terrein worden opgelost. De berekende verkeersgeneratie van het plangebied is dermate klein dat het geen invloed zal hebben op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de omliggende wegen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
51/123
Hoofdstuk 7
7.1
Milieu
Milieueffectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Toetsing Door de DCMR is dit bestemmingsplan dat 7 woningen mogelijk maakt in het Terbregseveld, getoetst aan het Besluit m.e.r. Uit deze toetsing is gebleken dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is op dit plan, gelet op de aard en omvang van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het besluit m.e.r. Op de huidige locatie zijn een kassencomplex en volkstuinencomplex toegestaan. In plaats daarvan wordt nu ruimte geboden aan woningbouw. Er is daarmee sprake van een rood-voor-rood ontwikkeling waarbij de milieugevolgen ten tijde van het agrarisch gebruik groter zijn dan onder het toekomst gebruik (maximaal zeven woningen). Een verdere vormvrije m.e.r.-beoordeling of m.e.r-procedure zijn om die reden niet aan de orde.
7.2
Milieuzonering
7.2.1
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
52/123
7.2.2 Plangebied Ten zuiden van het plangebied liggen op een afstand van circa 150m enkele bedrijven. Het westen is gekenmerkt door woningen. Ten noorden en oosten liggen percelen bestemd als agrarisch en recreatie, zie figuur. Het gebied kan is getypeerd als 'rustige woonwijk'. Met de komst van de A16 ten oosten van het plangebied kan deze
Figuur 7.1 Plangebied en bestemmingen in de directe omgeving (ruimtelijkeplannen.nl) De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen en daarmee een milieugevoelige ontwikkeling. Ten zuiden bevinden zich o.a. de volgende bedrijven; 1. Een verkooppunt motorbrandstoffen 2. Opslag verhuur 3. AniCura dierenkliniek. 4. Tennisvereniging Verkooppunt motorbrandstoffen – Shell Het tankstation kent de bestemming 'Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. De LPG-doorzet op het tankstation bedraagt meer dan of gelijk aan 1.000 m3 per jaar. De ondergrondse tank heeft een capaciteit van 20 m3. Dit type tankstation behoord volgens de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) tot milieucategorie 4.1. Voor deze milieucategorie vormt gevaar het maatgevende aspect en geldt een richtafstand van 200 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 150m, waarmee niet wordt voldaan aan de richtafstand. De inpasbaarheid wordt in hoofdstuk externe veiligheid onderbouwd.
53/123
Overige bedrijvigheid De overige bedrijven behoren tot maximaal milieucategorie 2. Hierbij is geluid veelal de maatgevende factor en geldt er een richtafstand van 30m binnen een rustige woonwijk. Deze overige bedrijven liggen op een afstand van >150m van het plangebied zodoende wordt er voldaan aan de richtafstanden. 7.2.3 Conclusie Het tankstation wordt in hoofdstuk externe veiligheid nader onderzocht. Voor de overige bedrijven in de omgeving is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
7.3
Geluid
In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Het plangebied ligt binnen de zone (Wet geluidhinder) van de Rijkswegen A16 (in aanleg), Molenlaan, Terbregseweg en de Terbregse Rechter Rottekade. De nabij gelegen 30 km-wegen zijn, in het kader van goede ruimtelijke ordening en in lijn met het ontheffingsbeleid gemeente Rotterdam onderzocht. Het complete onderzoek is toegevoegd als bijlage 1.
Figuur 7.2 Ligging woningen Terbregseveld/Warmoeziersstraat 7.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijke zones langs wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 4.1 weergegeven.
54/123
Tabel 4.1 schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; Methodiek Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). De overdrachtsmodellen zijn opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie 2022.21 van Dgmr-software.
Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving (voor zover aanwezig of geprojecteerd). Gegevens van panden, harde/zachte bodemgebieden en hoogtelijnen zijn afkomstig van de EU-geluidkaart uit 2016 van de gemeente Rotterdam, en zijn met StreetView gecontroleerd. In de bijlagen van het onderzoek zijn de bodemgebieden en gebouwhoogten weergegeven. De invoergegevens van de Rijksweg A16 en A20 zijn ontleend aan het Geluidregister Rijkswegen. Deze gegevens zijn op 8 juni 2022 uit het geluidregister gedownload. 7.3.2
Resultaten
De berekeningsresultaten per weg zijn grafisch weergegeven in de figuren 7.3 t/m 7.5 van b (Lden in dB, inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh). Uit figuur 7.3 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB wordt overschreden met 1 dB wordt overschreden. De hoogste berekende waarde bedraagt Lden = 49 dB.
55/123
Figuur 7.3 geluidbelasting vanwege Rijkswegen (Lden in dB, inclusief 2 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh) Gemeentelijke wegen In figuur 7.4 zijn de berekende geluidbelastingen gegeven op de toetspunten. Vanwege alle gezoneerd gemeentelijke wegen (Molenlaan, Terbregseweg en de Terbregse Rechter Rottekade). Uit figuur 7.4 blijkt dat de voorkeurs-waarde van Lden = 48 dB niet wordt overschreden. De hoogste berekende waarde bedraagt Lden = 42 dB.
Figuur 7.4 geluidbelasting vanwege de omliggende 30 km-wegen (Lden in dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh) 30 km-wegen In figuur 7.5 zijn de berekende geluidbelastingen gegeven op de toetspunten vanwege alle omliggende 30 km-wegen. Uit figuur 7.5 blijkt dat de richtwaarde van Lden = 48 dB niet wordt overschreden. De hoogste berekende waarde bedraagt Lden = 42 dB.
56/123
Figuur 7.5 geluidbelasting vanwege de omliggende 30 km-wegen (Lden in dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh)
57/123
7.3.3
Maatregelen
Bij een overschrijding van de maximaal toelaatbare waarde op de gevel, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Wgh, mogen geen geluidgevoelige bestemmingen in het bestemmingsplan worden toegelaten. Tevens bestaat bij een overschrijding van de voorkeurswaarde de verplichting om te onderzoeken of mogelijkerwijs de geluidbelasting door middel van maatregelen tot de voorkeurswaarde teruggebracht kan worden. De voorkeurswaarde wordt vanwege de Rijksweg wordt op 3 van de woningen met maximaal 1 dB overschreden. Daarbij wordt de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 53 dB vanwege een buitenstedelijke weg voor woningen niet overschreden. Bron- en overdrachtmaatregelen In het kader van het tracébesluit A16 zijn de A16 en een deel van de A20 ter hoogte van het plangebied reeds voorzien van fijn dubbellaags Zeer Open Asfalt Beton (DZOAB-fijn). Daarnaast zijn er verschillende schermmaatregelen genomen rond het Terbregseplein en de verlengde A16. Al deze maatregelen hebben tot doel om de geluidbelasting de omgeving van de verlengde A16 niet te laten toenemen ten opzichte van de huidige situatie (bestuursafspraken Rijkswaterstaat en gemeente Rotterdam rond Saldo 0). Aanvullende geluidreducerende maatregelen in het kader van dit bouwplan zijn daarmee niet doelmatig.
Ontvangermaatregelen Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg in een woning 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar. 7.3.4
Conclusie
Uit berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarden Wgh voor de gemeentelijke wegen niet wordt overschreden. Vanwege de Rijkswegen wordt de voorkeurswaarde met 1 dB overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen aan de Rijksweg zijn in het kader van dit plan niet doelmatig. Gelet daarop, wordt parallel aan dit bestemmingsplan voor de berekende geluidbelasting vanwege de Rijksweg (49 dB) een hogere waardenbesluit genomen. Uit de berekeningen (zie figuur 7.3-7.5) blijkt dat alle gevels geluidluw zijn. De grenswaarde voor geluidluwe gevels voor wegverkeer van de gemeente Rotterdam (53 dB) wordt niet overschreden.
58/123
7.4
Luchtkwaliteit
7.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Tabel 7.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.
59/123
7.4.2
Plangebied
Het bestemmingsplan maakt 7 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Bergse Linker Rottekade, ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 19,1 µg/m³ voor NO2, 16,6 µg/m³ voor PM10 en 9,0 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Tracébesluit A16 Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en de gemeenten Rotterdam en Lansingerland werken samen met Rijkswaterstaat om Saldo Nul te realiseren op gebied van luchtkwaliteit. Dat betekent: geen verslechtering van de luchtkwaliteit in vergelijking met 2012, de situatie zonder A16 Rotterdam. Onderzoek laat zien dat de concentraties stikstofdioxide afnemen en dat op slechts enkele locaties de concentraties fijnstof met een fractie toenemen. Daarom is er geen aanleiding om extra maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren. 7.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
60/123
7.5
Bodem
7.5.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 7.5.2
Plangebied
Binnen het plangebied worden 7 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waar niet eerder een passende bestemming voor was opgenomen. Om die reden is een verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek uitgevoerd. De conclusies hieruit zijn als volgt: Verkennend bodemonderzoek In de grond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, beton, aardewerk, metselpuin, kolen, glas en plastic) aangetroffen; Ter plaatse van boring 19 zijn bijmengingen met slib aangetroffen, welke kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van een gedempte sloot. De slibhoudende grond is licht verontreinigd met molybdeen, lood en PAK; De grond is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en/of OCB’s. Plaatselijk zijn matig tot sterk verhoogde gehalten koper, zink en lood aangetoond; Het grondwater is licht verontreinigd met barium, naftaleen en nikkel. Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese verdacht voor de locatie worden gehandhaafd. De aangetoonde matig tot sterk verhoogde gehalten koper, zink en lood geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Indicatief asbestonderzoek In de halfverharding is visueel en analytisch geen asbest aangetoond; In de grond ter plaatse van inspectiegaten 03 en 30 is visueel en analytisch geen asbest aangetoond; Ter plaatse van inspectiegat 34 zijn zes asbestplaatjes aangetroffen. In het grondmonster van inspectiegat 34 is een gehalte asbest (gecorrigeerd voor de grove fractie) hoger dan de interventiewaarde aangetoond. De aangetoonde overschrijding van de interventiewaarde geeft aanleiding tot het uitvoeren van een nader asbestonderzoek. Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de
61/123
chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. 7.5.3
Conclusie
Het verkennend bodemonderzoek en het indicatief asbestonderzoek geven nog geen sluitende conclusies om de beoogde functie (wonen) mogelijk te maken. Om die reden is nader onderzoek nodig naar beide aspecten. De verplichting om deze onderzoeken uit te voeren en adviezen en conclusies die daaruit volgen in acht te nemen (waaronder mogelijke sanering), is middels een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan geborgd.
7.6
Externe veiligheid
7.6.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
62/123
7.6.2
Plangebied
Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, is er sprake van één risicovolle inrichting. Daarbij is sprake van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A20, de nieuwe rijksweg A16 Rotterdam en het spoor (Rotterdam-Gouda). Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water of via buisleidingen.
Figuur 7.2 Uitsnede risicokaart Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Ten zuiden bevindt zich de spoorlijn Rotterdam - Gouda Roosendaal op een afstand van circa 825 meter. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling voor het spoortraject op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden bevindt zich de A20 op een afstand van circa 700 meter. Omdat de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van de A20 ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het projectgebied. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Ten oosten komt de verbinding tussen de A16 en A13 te liggen, deze snelweg ligt op een afstand van 215 meter. Omdat de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van de verbindingsweg ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording.
63/123
LPG-tankstation President Rooseveltlaan 751 De LPG-doorzet op het tankstation bedraagt groter dan of gelijk aan 1.000 m3 per jaar. De ondergrondse tank heeft een capaciteit van 20 m3. Toepassing van het Bevi/Revi geeft aan dat het plaatsgebonden risico het vulpunt 40 meter bedraagt, van de ondergrondse tank en afleverzuil bedragen deze contouren respectievelijk 25 meter en 15 meter. De beoogde ontwikkeling ligt op een afstand van 135 m en voldoet daarmee aan de risicocontouren. Het groepsrisico is berekend door gemeente Rotterdam ten behoeve van het bestemmingsplan 'Terbregge'. Binnen dit onderzoek wordt er met behulp van de LPG-groepsrisicomodule van het Ministerie van I&M een berekening van het groepsrisico berekend. Het berekende groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling is van kleine omvang en zal geen significant effect hebben op het groepsrisico. Beknopte verantwoording Het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is te vinden in bijlage 4 en is gebruikt bij het opstellen van de beknopte verantwoording van het groepsrisico. Voor het bepalen van het effect en voor het bepalen van gewenste maatregelen voor (beperkt) kwetsbare bestemmingen wordt de 1% letaliteitscontour van het meest geloofwaardige scenario gebruikt.
Met de nog te ontwikkelen A16 in het vooruitzicht, valt deze ontwikkeling in het worstcasescenario van een toxisch incident. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Het plangebied wordt ontsloten via de Kwekerijstraat en de Bergse Linker Rotterkade en de toekomstige oost-westelijk weg. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Rotterdam Terbregge. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Zelfredzaamheid Het uitgangspunt is dat de meerderheid van de aanwezige personen binnen het plangebied zelfredzaam zullen zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als minder zelfredzame personen. Er wordt uitgegaan van het feit dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid kan het hulpsysteem 'Hartveilig Wonen' gehanteerd worden waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren in afwachting van een ambulance.
64/123
Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Ook adviseert de VRR om zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Op de website www.rijnmondveilig.nl is meer informatie te vinden over wat te doen in geval van een incident.
65/123
7.6.3
Conclusie
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject A20, nieuwe rijksweg A16 en het spoortraject tussen Rotterdam-Gouda waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het huidige groepsrisico voor deze wegen en spoort ligt onder de oriëntatiewaarde en zal met de beoogde ontwikkeling niet met meer dan 10% toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende worden beschouwd. Verder is er in de directe omgeving van het plangebied een tankstation aanwezig. Het plangebied valt buiten de contouren van deze inrichting. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
7.7
Natuur
7.7.1
Toetsingskader
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
66/123
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 7.7.2
Plangebied
Soortenbescherming Met het oog op de beoogde ontwikkeling is in het kader van dit bestemmingsplan een ecologische quick scan uitgevoerd. Deze quick scan is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit deze quick scan blijkt ten aanzien van soortenbescherming het volgende: De bebouwing in het projectgebied kan mogelijk dienen als nestlocatie voor de huismus en verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Er is een potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig van boomvalk, buizerd, havik, ransuil of sperwer. De dichte struwelen van het projectgebied kunnen dienen als verblijfplaats voor de boommarter en de steenmarter. De aanwezige oppervlaktewateren en oevers kunnen dienen als leefgebied voor de ringslang. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën en zoogdieren aanwezig zijn.
67/123
Overige, beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
Het is tevens aan te bevelen werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De werkzaamheden kunnen leiden tot de aantasting en vernieling van nestlocaties van de huismus, roofvogels en uilen en verblijfplaatsen van de boommarter, steenmarter en de ringslang. Individuen van de huismus, roofvogels, uilen, vleermuizen, boommarter, steenmarter en de ringslang kunnen worden gedood. Nesten van algemene broedvogels kunnen als gevolg van de werkzaamheden worden vernield. Individuen van broedvogels kunnen worden gedood. Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling en de mogelijk, aanwezige beschermde soorten in het plangebied, is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de huismus, roofvogels en uilen, gebouwbewonende vleermuizen, boommarter, steenmarter en de ringslang uit te voeren alvorens men met de werkzaamheden kan beginnen.
Indien aanvullende onderzoeken aantonen dat het projectgebied functies voor beschermde soorten bevat en verstoring niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Gelet op de te verwachten soorten, diens staat van instandhouding en de mogelijkheden binnen het plan om mitigerende en compenserende maatregelen te nemen, is het reëel te verwachten dat het verkrijgen van eventueel, benodigde ontheffingen geen probleem vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wel kan het nodig zijn in dat kader maatregelen te treffen, die in dat geval door de initiatiefnemers uitgevoerd zullen moeten worden. Nadrukkelijk dienen eventueel benodigde ontheffingen wel te worden verkregen voordat werkzaamheden aanvangen waarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden verwacht. Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bedraagt 11 km en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt 7 km. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden.
Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000gebied Boezems Kinderdijk is wel gevoelig voor stikstofdepositie. Omdat stikstofgevoelige gebieden effecten kunnen ondervinden van ontwikkelingen die op afstand plaatsvinden, is in het kader van dit bestemmingsplan de stikstofdepositie voor de gebruiksfase berekend middels een Aeriusberekening. De berekening en de bijbehorende memo zijn opgenomen in bijlagen 6 en 7.
68/123
Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk.
Figuur 7.3 Plangebied en Natura 2000 (aerius.nl)
69/123
Figuur 7.4 Plangebied en NNN (zuid-holland.nl) 7.7.3 Conclusie De uitgevoerde quick scan geeft nog geen sluitende conclusie op het gebied van soortenbescherming die de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling en de mogelijk, aanwezige beschermde soorten in het plangebied, is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de huismus, roofvogels en uilen, gebouwbewonende vleermuizen, boommarter, steenmarter en de ringslang uit te voeren alvorens men met de werkzaamheden kan beginnen. Gelet op deze te verwachten soorten, diens staat van instandhouding en de mogelijkheden binnen het plan om mitigerende en compenserende maatregelen te nemen, vormt het verkrijgen van eventuele ontheffingen en daarmee het aspecten soortenbescherming geen probleem voor de uitvoerbaarheid van het plan. Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat dit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.