[23bb007122] Bijlage 1 behorende bij 23bb007121 over ontwerpbestemmingsplan ‘Terbregseveld Warmoeziersstraat’
Tekst van het document
bestemmingsplan
Terbregseveld/Warmoeziersstraat Rotterdam
DATUM IMRO IDN
18-09-2023 NL.IMRO.0599.BP2214Warmoezier-va01
PROJECT PROJECTLEIDER
BP Terbregseveld /Warmoeziersstraat S. den Breejen MSc
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
gemeente Rotterdam 20220422
AUTEUR STATUS
Rho Adviseurs voor leefruimte Ter vaststelling
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Gekozen planopzet
7
1.3
Ligging en begrenzing
7
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
10
Beleid
12
2.1
Rijksbeleid
12
2.2
Provinciaal beleid
15
2.3
Gemeentelijk beleid
23
Beschrijving van het plangebied
27
3.1
Huidig gebruik
27
3.2
Stadsgezichten, monumenten en landschap
28
3.3
Archeologie
31
Hoofdstuk 4
Planbeschrijving
33
4.1
Opzet van het plan
33
4.2
Bestaande situatie
33
4.3
Beoogde situatie
35
4.4
Visie op plangebied
39
Hoofdstuk 5
Water
44
Hoofdstuk 6
Verkeer
49
6.1
Ontsluiting
49
6.2
Parkeren
50
6.3
Verkeersgeneratie
50
6.4
Verkeersveiligheid
51
6.5
Conclusie
51
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
2/123
Hoofdstuk 7
Milieu
52
7.1
Milieueffectrapportage
52
7.2
Milieuzonering
52
7.3
Geluid
54
7.4
Luchtkwaliteit
59
7.5
Bodem
61
7.6
Externe veiligheid
62
7.7
Natuur
66
7.8
Niet gesprongen explosieven
70
Hoofdstuk 8
Juridische planbeschrijving
72
8.1
Systematiek
72
8.2
Verbeelding
72
8.3
Regels
72
Hoofdstuk 9
Financiële uitvoerbaarheid
76
Hoofdstuk 10
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
77
10.1
Vooroverleg
77
10.2
Zienswijzen
78
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Nota van Uitgangspunten
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
Bijlage 3
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Bijlage 4
Advies VRR
Bijlage 5
Quickscan ecologisch onderzoek
Bijlage 6
AERIUS-berekening
Bijlage 7
Stikstof berekening
3/123
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
96
Artikel 1
Begrippen
96
Artikel 2
Wijze van meten
101
Bestemmingsregels
102
Artikel 3
Agrarisch
102
Artikel 4
Groen
103
Artikel 5
Tuin
104
Artikel 6
Verkeer - Verblijfsgebied
105
Artikel 7
Water
106
Artikel 8
Wonen
107
Artikel 9
Waarde - Archeologie 3
109
Artikel 10
Waterstaat - Waterstaatkundige functie
111
Hoofdstuk 3
Algemene regels
112
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel
112
Artikel 12
Algemene bouwregels
113
Artikel 13
Algemene afwijkingsregels
114
Artikel 14
Overige regels
115
Overgangs- en slotregels
116
Artikel 15
Overgangsrecht
116
Artikel 16
Slotregel
117
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Besluit hogere grenswaarden (ontwerp)
Bijlage 2
Lijst van bedrijfsactiviteiten
4/123
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Twee eigenaren in het Terbregseveld hebben plannen voor woningbouw, ter vervanging van een (voormalig) kassencomplex en een volkstuinencomplex. Voor het grotere gebied Terbregge, waar het Terbregseveld onderdeel vanuit maakt, heeft de gemeente in 2019 een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dat bestemmingsplan zijn echter geen mogelijkheden voor woningbouw opgenomen, waardoor de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk is. Eén van de twee eigenaren, heeft na de vaststelling van dat bestemmingsplan beroep ingesteld. Aanleiding was dat er in het kader van dat bestemmingsplanproces al was verzocht aan de gemeente om op de woningbouwplannen in te spelen. Het ging op dat moment om een ontwikkeling van 3 woningen op de percelen kadastraal bekend gemeente Hillegersberg, Sectie B, 2559 en 4194. Nadat de gemeente op de zitting aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aangegeven dat zij deze ontwikkeling in het bestemmingsplan mee had moeten nemen, heeft de Afdeling dit standpunt overgenomen en het bestemmingsplan 'Terbregge' uit 2019 voor de betreffende percelen vernietigd. In samenhang daarmee, heeft de Afdeling de gemeente opgedragen een nieuw besluit. Met voorliggend bestemmingsplan wordt op het ontstane gat in het bestemmingsplan 'Terbregge' uit 2019 ingespeeld en worden ter plaatse de 3 woningen mogelijk gemaakt.
De beoogde ontwikkeling is in de tussentijd uitgebreid, doordat in samenhang met de eerste drie woningen op een naastgelegen perceel van een voormalig kassencomplex nog 4 woningen beoogd zijn. Dit bestemmingsplan maakt per saldo 7 nieuwe woningen mogelijk. In dit bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling beschreven, getoetst (op beleidskaders en omgevingsaspecten) en juridisch-planologisch mogelijk gemaakt (in de regels en de verbeelding). In aanloop naar dit bestemmingsplanproces heeft de gemeente Rotterdam voor ontwikkeling een Nota van Uitgangspunten opgesteld. Daarin is beschreven en vastgelegd binnen welke kaders de ontwikkeling door de gemeente akkoord is bevonden. Deze Nota van Uitgangspunten is opgenomen als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan en kent een grote ruimtelijke component, met uitgangspunten ten aanzien van landschap en stedenbouw. Die uitgangspunten zijn door vertaald in dit bestemmingsplan, wat de juridische basis vormt om op een later moment de omgevingsvergunningen aan te kunnen vragen en af te kunnen geven.
6/123
Figuur 1.1 luchtfoto Terbregseveld
1.2
Gekozen planopzet
Dit nieuwe bestemmingsplan dient drie doelen. Eerst wordt de beoogde ontwikkeling beschreven, zodat duidelijk wordt welk toekomstbeeld wordt nagestreefd. In de tweede plaats wordt de ontwikkeling in dit bestemmingsplan getoetst en onderzocht, waarbij zowel beleidskaders als omgevingsaspecten aan de orde komen. Tot slot wordt de beoogde ontwikkeling juridisch mogelijk gemaakt met de combinatie van planregels en verbeelding die onderdeel uitmaken van dit plan. Zij vormen samen het juridisch bindende deel waaruit blijkt welke functies en welke bebouwing straks - na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan - toegestaan zijn. Het bestemmingsplan is, anders dan de genoemde NvU, een publiekrechtelijk instrument. De NvU vormt de onderbouwing voor het wijzigen van het bestemmingsplan. Om tot vaststelling van dit bestemmingsplan te komen worden de daarvoor geldende wettelijke en gemeentelijke procedures gevolgd, met als hoofddoel om aan te tonen dat het plan haalbaar is en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.3
Ligging en begrenzing
Het Terbregseveld bevindt zich aan de noordzijde van de gemeente Rotterdam en is onderdeel van een belangrijk Rotterdams landschap, de Rottewig. Het Terbregseveld is een van de karakteristieke velden langs de Rotte, zoals ook het Ommoordse Veld.
7/123
Figuur 1.2 schets regiogebied Terbregge Langs het Terbregseveld wordt momenteel de A16 Rotterdam aangelegd. Deze zorgt voor verbinding tussen de bestaande A16 en A13. Figuur 1.3 geeft een beeld van de toekomstige ligging van deze snelweg. Het plangebied is op deze figuur globaal weergegeven.
8/123
Figuur 1.3 Ligging A16 Rotterdam ten opzichte van het globale plangebied Het plangebied zelf bevindt zich in de zuidwesthoek van het Terbregseveld. De begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.4. Daaruit is af te lezen dat het plangebied aan de westzijde wordt begrensd door bestaande woonbebouwing. De oostzijde wordt begrensd door de bestaande watergang. Aan de noord- en zuidzijde vormen de kadastrale grenzen de begrenzing van het plangebied.
9/123
Figuur 1.4 begrenzing en plattegrond planontwikkeling
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
Voor het plangebied is op 28 mei 2019 het bestemmingsplan 'Terbregge' vastgesteld. Dit is nadien echter via een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deels vernietigd, zoals beschreven in paragraaf 1.1. Dit maakt dat het bestemmingsplan deels in werking is getreden, zoals af te lezen is uit figuur 1.5. Het vernietigde deel van het bestemmingsplan is op deze figuur als een witte vlek te zien, waarmee duidelijk wordt dat dat bestemmingsplan op die locatie niet van toepassing is. De overige gronden, waarvoor dat bestemmingsplan wel van toepassing is, zijn bestemd als 'Agrarisch' met de aanduiding 'glastuinbouw', waarmee naast andere vormen van agrarische bedrijfsvoering ook glastuinbouw is toegestaan. Het ontbreken van een bouwvlak maakt echter dat er ter plaatse geen kassen (meer) gebouwd kunnen worden. Deze zijn ter plaatse eerder al gesloopt.
10/123
Naast bovengenoemde enkelbestemmingen geldt de dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 3. De gevolgen van deze bestemming en de toetsing aan relevante waarde is toegelicht in paragraaf 3.3.1 Archeologie.
Figuur 1.5 vigerend bestemmingsplan 'Terbregge' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Voor het deel waar het bestemmingsplan 'Terbregge' vernietigd is, geldt nu opnieuw het voorgaande bestemmingsplan. Dit betreft het plan 'Terbregge-Oost', zoals vastgesteld op 29 januari 2009. Op basis daarvan gelden ter plaatse de bestemmingen 'Volkstuinen', 'Agrarisch gebied' en 'Verblijfsgebied'.
Figuur 1.6 vigerend bestemmingsplan 'Terbregge-Oost'(bron: ruimtelijkeplannen.nl) De bestemmingen uit deze twee bestemmingsplannen, maken het realiseren van een woningbouwproject niet mogelijk. Voorliggend plan dient om de te voorzien in de benodigde bestemmingswijziging hiervoor. Naast het bovengenoemde plan zijn nog enkele bestemmingsplannen vigerend op deze locatie namelijk: Parapluherziening parkeernormering, onherroepelijk (14-12-2017); Parapluherziening biologische veiligheid, onherroepelijk (14-06-2018); Parapluherziening evenementen, vastgesteld (03-02-2022).
11/123
Hoofdstuk 2
Beleid
In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling zoals die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, getoetst aan de ruimtelijk relevante beleidskaders op zowel Rijksniveau, provinciaal niveau als gemeentelijk niveau. Met deze toetsing wordt beoordeeld of de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke beleidsdoelen op de verschillende overheidsniveaus. Andersom kan het ook zo zijn dat er uit deze beleidstoetsing criteria naar voren komen die in dit bestemmingsplan geborgd moeten worden, om ervoor te zorgen dat daar bij de uiteindelijke ontwikkeling van het gebied aan voldaan wordt. De betreffende beleidsdocumenten worden in dit hoofdstuk per overheidsniveau behandeld en per beleidsdocument is een conclusie opgenomen.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Vastgesteld 11 september 2020 De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten
12/123
en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht.
Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-winsituaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
13/123
Toetsing Dit bestemmingsplan zet in op (her)ontwikkeling van het buitengebied Rotterdam en Terbregge. Hierbij wordt gekozen voor een landschappelijke inpassing van de te realiseren woningen. Dit sluit aan bij de doelstelling uit de NOVI om kenmerken en identiteit van een gebied centraal te stellen. Voor een buitengebied als Terbregseveld, is er daarnaast sprake van een aanzienlijk deel aan groen binnen de gehele ontwikkeling, waarmee de verbinding wordt gelegd met bestaande structuren en het omringende gebied. Hiermee wordt het mogelijk prettig te verblijven en te bewegen door het plangebied. Daarnaast worden er ook een fiets- en voetgangersverbinding gerealiseerd die het gebied ook vanuit de omliggende wijken goed toegankelijk en doorkruisbaar maakt. Dit raakt aan de doelstelling uit de NOVI om een leefomgeving na te streven die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen. Het plan draagt daarnaast ook bij aan de doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie en energietransitie en houdt met bovenstaande kenmerken rekening met de afwegingsprincipes van het nationaal beleid. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de NOVI. 2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In werking getreden op 30 november 2011, laatste gewijzigd per 1 december 2020 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridisch bindende vertaling van de Omgevingsvisie naar lagere overheden. Onder de vlag van de Omgevingswet wordt dit Besluit vervangen door zogenoemde instructieregels, maar vooralsnog geldt het Barro. Hiermee wordt de visie, waarmee op Rijksniveau een toekomstperspectief wordt geschetst, vertaald in bindende regels waar lagere overheden zich bij het opstellen en vergunnen van plannen aan te houden hebben. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn Rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk, buisleidingen en militaire objecten. Toetsing Bij de toetsing aan het Barro is de ligging van het plangebied het uitgangspunt. De zaken die in het Barro geregeld c.q. beschermd zijn, zijn namelijk veelal locatiegebonden. Uit de kaarten behorend bij het Barro, komen ter plaatse van het plangebied geen beschermde objecten of structuren naar voren. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met het Barro. 2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Uitbreiding of nieuwe functies zijn niet zonder meer mogelijk, omdat sprake moet zijn van 'zorgvuldig ruimtegebruik'.
Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten daarom worden getoetst aan Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden.
14/123
Wel of geen stedelijke ontwikkeling De vraag bij de ladder voor duurzame verstedelijking is of de ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat meer dan 11 woningen en andere stedelijke functies groter dan 500 m2 bvo doorgaans worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Wel of geen nieuwe stedelijke ontwikkeling Of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is afhankelijk van de huidige planologische mogelijkheden. Wanneer er met een nieuw bestemmingsplan geen nieuw planologisch ruimtebeslag wordt mogelijk gemaakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet een bestemmingsplan in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat toch sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functies en die onder het vorige plan mogelijk was. Toetsing Binnen deze ontwikkeling is niet te spreken van een stedelijke ontwikkeling en wordt de ondergrens van 11 woningen binnen dit plan niet overschreden.
Verdere toetsing is daarom niet noodzakelijk.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd, maart 2022)
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant:
15/123
Wonen: Voorzien in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur. Uitgangspunten van dit provinciaal beleid die van belang zijn voor deze ontwikkeling zijn: Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte: De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woning op de juiste plek (en op het juiste moment). Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend.
Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame langetermijnstrategie. Verstedelijking: de provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: 1. Bouw naar behoefte; 2. Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; 3. Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; 4. Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; 5. Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving.
Toekomstbestendig bouwen: De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate): 1. energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien; 2. klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland; 3. uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken;
16/123
4. circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst; 5. gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd. Ruimtelijke kwaliteit: De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in standhouden van de specifieke waarden. Toetsing Deze ontwikkeling biedt ruimte aan maximaal 7 woningen.
Deze ontwikkeling sluit aan bij de ambitie van de provincie in het voorzien van voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. In het provinciaal beleid wordt onderbouwd dat de gemeente Rotterdam een grote woningbehoefte heeft. De woningen die mogelijk worden gemaakt liggen binnen bestaand bebouwd gebied en sluit hierbij aan bij de verstedelijkingsambitie van de provincie. Het toevoegen van woningen in een prettige, gezonde en veilige leefomgeving geeft invulling aan de visie. 2.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd, maart 2022)
In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de onderstaande artikelen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij:
17/123
a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. 8.
Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. 10. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g.
18/123
11. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10. De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
Artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 Groene buffers 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
19/123
Figuur 2.1 kaart 14, Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Kwaliteitskaart: Laag van stedelijke occupatie Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. De kwaliteit van het front (contrast) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap.
De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’
20/123
vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’. Contactkwaliteit Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma's vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts.
Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. De overgangskwaliteiten zijn verder uitgewerkt in de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit.
21/123
Figuur 2.2 uitsnede kaart en legenda mate van stedelijke occupatie Toetsing Het plangebied is op de kaart 'Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën' aangemerkt als , beschermingscategorie 2 groene buffer en als beschermingscategorie 3 buitengebied. Dit betekent in het kader van de ruimtelijke kwaliteit. Binnen de cat. 2 gebieden moet er extra rekening worden gehouden met soortenbescherming en andere ecologische aspecten. Voor buitengebieden moet een motivering van de volgende kwaliteiten aanwezig zijn: aansluiting huidige structuur, relatie tot buitengebied, het groene karakter en de samenhang met functies en de herkenbaarheid en ontstaansgeschiedenis. Deze aspecten worden binnen voorliggend plan uitgebreid onderbouwd door middel van kaartbeelden en tekst in hoofdstuk 4. Gezien deze tekstuele en visuele onderbouwing wordt geacht voldoende te hebben gemotiveerd in het kader van deze beschermingscategorieën. De ecologische aspecten worden onderbouwd in paragraaf De percelen zijn momenteel bestemd als agrarisch gebied, echter zijn deze niet meer functioneel in gebruik. Het inpassen van woningen met een brede opzet en het behouden van de huidige natuurfunctie van het gebied, maakt dat het past binnen de huidige structuur. Er is binnen dit plan sprake van inpassen.
Dit past dan ook binnen de kaders voor het uitbreiden van stads-en dorpsranden zoals gesteld binnen de provinciale verordening. De beoogde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de provinciale kwaliteitskaart en de daarbij opgenomen richtpunten. In bovenstaand figuur is daar een uitsnede van opgenomen. Door middel van de bijgevoegde onderbouwing en vormgeving in voorliggend bestemmingsplan geeft voldoende inpassingsvormen voor de bestaande structuur en landschappelijke kwaliteiten. In hoofdstuk 4, planbeschrijving komen deze aspecten grondig aan bod. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Dit sluit aan bij de mate van stedelijke occupatie in dit gebied en vind daarom de juiste inpassing aan en rond het bestaande gebied. Conclusie
Er wordt geen gebruikt gemaakt van een ontheffing van de provincie. Het plan bevat ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan voldoet aan artikel 6.9 "Ruimtelijke kwaliteit" van de Omgevingsverordening.
22/123
Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats binnen beschermingscategorie 1 of 2 (zie Artikel 6.9. Omgevingsverordening). Er is sprake van inpassen. De ruimtelijke kwaliteit blijft per saldo gelijk. Door de ruimtelijke ontwikkeling worden geen wezenlijke kenmerken en waarden significant aangetast (van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen).
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1
Omgevingsvisie Rotterdam - De Veranderstad, Werken aan een Wereldstad Voor Iedereen
Iedereen Vastgesteld op 2 december 2021 door de Rotterdamse gemeenteraad De Omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe visie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei.
Figuur 2.3. De Koers van Rotterdam (bron: Omgevingsvisie Rotterdam)
23/123
De Omgevingsvisie gaat uit van 5 perspectieven compact, inclusief, duurzaam, gezond en productief. Mede aan de hand daarvan worden in de Omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: 1. Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen; 2. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer; 3. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken; 4. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreëerd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties; 5.
Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening; Er is daarnaast een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en RotterdamZuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes. Toetsing De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, draagt bij aan de doelen uit de Rotterdamse Omgevingsvisie. In de openbare ruimte is er veel aandacht voor fiets- en voetgangersverbindingen en groen. Deze combinatie van fysieke inrichting maken dat het plangebied de verbinding tussen het centrum en de stadsdelen versterkt wordt. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Omgevingsvisie. 2.3.2 Woonvisie Rotterdam Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen.
Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.
24/123
Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken.
2.3.3 Addendum Woonvisie 'Thuis in Rotterdam' (2019) Met het Rijk is eind 2018 voor de metropoolregio Rotterdam/Den Haag een actieplan vastgesteld waarmee het Rijk en de regio versneld aan de behoefte van 100.000 woningen in de periode tot 2020-2025 willen voldoen. In 2019 ondertekende de gemeente samen met andere regiogemeenten, de Maaskoepel, de woningcorporaties en de Provincie Zuid-Holland het Regioakkoord, met daarin woningmarktafspraken voor de regio als geheel en gemeenten afzonderlijk. Dit regioakkoord vormt de basis voor het Addendum Woonvisie 2030. Het Addendum vervangt de teksten over de ontwikkeling van de woningvoorraad en duurzaam bouwen in de Woonvisie 2030. De Agenda 2022 in het Addendum vervangt de Agenda 2022 in de Woonvisie 2030. De nieuwe agenda bevat meer maatregelen voor de korte termijn. De kern van het Addendum Woonvisie 2030 is de realisatie van duizenden extra nieuwbouwwoningen en het verminderen van de sloop van woningen. Ook is in het Addendum meer aandacht voor het betaalbaar verduurzamen van woningen. Met het Addendum wil de gemeente de woningvoorraad in Rotterdam nog beter laten aansluiten bij de behoefte van Rotterdammers. Met de huidige woningvoorraad lukt dit nog niet goed.
25/123
Nu valt 69 procent van de woningen in de sociale sector (huur en koop) en 31 procent in het middensegment of hoger (huur en koop). De gemeente wil dat er meer evenwicht in het woningaanbod komt. De hiervoor genoemde verhouding in de woningvoorraad komt namelijk niet overeen met de samenstelling van de Rotterdamse bevolking, waar steeds meer mensen een hogere opleiding en inkomen hebben. Uit het woningbehoefteonderzoek dat de gemeente samen met de andere gemeenten in de regio heeft uitgevoerd blijkt dat er in Rotterdam dan ook een tekort is in het middensegment en het hogere segment, terwijl er juist een overmaat is in het sociale segment. Met alle ingrepen die in het Addendum zijn beoogd zal in Rotterdam in 2030 ongeveer 58 procent van de totale woningvoorraad sociaal zijn. In absolute aantallen blijven er altijd meer sociale woningen dan huishoudens in de sociale doelgroep. Stadsbreed is tot en met 2025 de leidraad voor nieuwbouw (zoals opgenomen in het Coalitieakkoord 2022 – 2026) de volgende segmentering: 20% in het sociaal segment, 35% in het middensegment, 30% in het hoger segment en 15% in het topsegment. Toetsing Met het bestemmingsplan worden 7 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om vrijstaande woningen te bouwen. Deze dragen bij aan de woningbehoefte in Rotterdam.
Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Woonvisie.
26/123
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving van het plangebied
Huidig gebruik
De Rottemeren en het Rottelint behoren tot de meest bezochte buitenstedelijke groengebieden van Rotterdam. Het gebied maakt onderdeel uit van de regionale groen- en waterstructuur en voorziet in een belangrijke recreatieve behoefte.
Figuur 3.1 luchtfoto huidig gebruik plangebied Terbregge bestaat uit een zone langs de Rotte met lintbebouwing (A), een verdichte kern bij de brug over de Rotte (B), lintbebouwing aan de Terbregseweg en Ommoordseweg (C) de grootschalige woonwijk Nieuw Terbregge (D) en het open en agrarische Terbregseveld (E). Qua schaal en sfeer bestaat een duidelijk onderscheid tussen de lintbebouwing, het open en agrarische Terbregseveld, de verdichte kern van Terbregge en de woonwijk Nieuw Terbregge.
27/123
Figuur 3.2 kaartbeeld structuurgebieden
3.2
Stadsgezichten, monumenten en landschap
3.2.1
Algemeen
De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van een bestemmingsplan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.
28/123
Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouw- aandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Desbetreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten.
Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. 3.2.2 Cultuurhistorische Verkenning Terbregge In 2018 is ten behoeve van het bestemmingsplan een cultuurhistorische verkenning opgesteld (Evelien van Es, i.o.v. gemeente Rotterdam, Rotterdam 2018). De cultuurhistorische verkenning geeft de volgende waarderingen:
Figuur 3.3 waarderingskaart - Cultuurhistorische verkenning Terbregge De cultuurhistorische verkenningen met hun waarderingen en aanbevelingen worden gebruikt als afwegingskader bij (her-)ontwikkelingen en als input voor beschermende maatregelen in bestemmingsplannen. Het Terbregseveld heeft de waardering voor beeldbepalende open ruimte en groen.
29/123
3.2.3
Waardering Landschappelijke ondergrond
Voor de wijk Terbregge geldt dat de landschappelijke ondergrond nog steeds het huidige aanzien van het gebied bepaalt, wat in sterke mate bijdraagt aan de identiteit van Terbregge. Van bijzondere waarde is de landschappelijke compositie van de hoger gelegen meanderende zone langs de Rotte met middeleeuwse polderrelicten en de laaggelegen negentiende-eeuwse droogmakerij. Het hoogteverschil is duidelijk waarneembaar en daarmee ook het onderscheid tussen twee historische inpolderingssystemen. Waardevol is de lintbebouwing als verkavelingswijze, die kenmerkend is voor de middeleeuwse ontginning. De onbebouwde zones tussen de clusters met verdichte lintbebouwing bieden zicht op de negentiende-eeuwse polder. Een meer specifieke beschrijving voor de landschappelijke kenmerken van het plangebied en hoe daar bij de ontwikkeling rekening mee wordt gehouden, is opgenomen in 4 3.2.4
Waardering structuurelementen en open ruimten
Waardevolle structuurelementen vormen de ruimtelijke dragers van Terbregge. Waardevolle open ruimten zijn de belangrijkste ontmoetingsplekken.
Zeer waardevol zijn de Rotte en de Bergse Linker Rottekade, omdat ze het gebied in hoge mate structureren. Deze structuurelementen reiken als lange lijnen over de grenzen van het gebied. Waardevol is de ontginningsas Terbregseweg die met name door de verplaatsing van de brug over de Rotte een nog sterkere structurerende rol heeft gekregen. Bijzonder waardevol is de groene zone langs de Rotte en Bergse Linker Rottekade. Deze zone met oever, kade, talud en kwelsloten maakt deel uit van de groene hoofdstructuur die Terbregge met aangrenzende wijken en gemeenten verbindt en vormt nog steeds een sterke referentie naar het oorspronkelijke karakter van Terbregge. Van grote waarde is de open ruimte tussen de woningen in de lintbebouwing aan de Bergse Linker Rottekade, waardoor steeds zicht is op het achterliggende polderlandschap. Waardevol is het open polderlandschap in het noorden van Terbregge dat als enige nog duidelijk herinnert aan de negentiende-eeuwse droogmakerij Prins Alexanderpolder.
Een meer specifieke beschrijving van de structuurelementen in het plangebied en hoe daar bij de ontwikkeling rekening mee wordt gehouden, is opgenomen in 4.
30/123
3.2.5
Waardering objecten
Binnen het plangebied zijn geen aangewezen monumenten of beschermde stadsgezichten aanwezig. Ook beeldbepalende objecten bevinden zich niet binnen het plangebied. Wel is een beeldbepalend object nabij het plangebied aanwezig. Dit betreft Het Blok (Bergse Linker Rottekade 310-314/Kwekerijstraat 1-18/Landstraat 2-30/ Rietstapstraat 1-36/Warmoeziersstraat 2-32). Dit betreft een buurtje met woningwetwoningen uit 1936-1939. Deze woningen voldeden voor die tijd aan moderne eisen, wat onder anderen inhield dat er afzonderlijke vertrekken waren zoals een woonkamer, keuken en meerdere slaapkamers. De waardering van deze woningen heeft met name betrekking op de bouwstijl en de (destijds) moderne indeling van deze woningen. Dit bestemmingsplan en de ontwikkeling die daarmee mogelijk wordt gemaakt, doen daar geen afbreuk aan. 3.2.6
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.3
Archeologie
3.3.1 Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die deel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodem ingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is d bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
31/123
Onderzoek Er is sprake van een verwachtingswaarde voor archeologie binnen het plangebied. Er is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 van toepassing. Hierbij is er sprake van een bouwverbod bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter onder het maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 100 vierkante meter. 3.3.2 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
32/123
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Opzet van het plan
De doelstelling van het nieuwe bestemmingsplan is een nieuw planologische en juridisch kader voor het gebied en de gewenste ontwikkelingen. De basis voor het nieuwe bestemmingsplan zijn de twee oude bestemmingsplan (Terbregge) en het nieuwe beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het bestemmingsplan zal net als de vorige bestemmingsplannen gedetailleerd van aard zijn.
4.2
Bestaande situatie
Historische ontwikkeling De middeleeuwse veenontginning en de negentiende-eeuwse droogmakerij zijn bepalend geweest voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied en de ruimtelijke thema’s die bijdragen aan de identiteit van Terbregge en omgeving. Het gebied was een nat veen- en moerasgebied met veel grillig stromend water. Hoger gelegen veenbulten en een makkelijke oversteekbaarheid bepaalden de locatie van een brug. Dit was de enige plek tussen Gouda en Zevenhuizen waar het water makkelijk oversteekbaar was. In de nabijheid van deze brug over de Rotte is Terbregge ontstaan als een nederzetting met lintbebouwing langs de Bergse Linker Rottekade en de ontginningsas Terbregseweg. De lintbebouwing langs de Rotte is kenmerkend als verkavelingswijze voor de middeleeuwse ontginning. De nog enkele onbebouwde zones tussen de clusters met verdichte lintbebouwing bieden zicht op de negentiende-eeuwse polder. Na de veenontginning en het droogleggen van de polders met strakke watertochten werd het karakter van Terbregge en omgeving hoofdzakelijk agrarisch van aard.
Figuur 4.1 foto deelgebied, bestaande situatie
33/123
Tuinbouwgebied Het Terbregseveld had een belangrijke verbinding met de Rotte, de agrarische producten werden met behulp van een lorriespoor over het landpad vervoerd naar het overslagpunt aan de Rotte vanaf waar ze verder per rivier vervoerd werden. Het was met name een tuinbouwgebied met lage kassen op de grond. Dit is ook terug te leiden uit de straatnamen, Warmoeziersstraat en de Kwekerijstraat. Een groot deel van de gronden is momenteel in gebruik als agrarisch gebied in de vorm van weilanden met een aantal stallen en paardenbakken. De te ontwikkelen percelen vormen hierin een uitzonderingspositie met de bestemming kassen en volkstuinen. Het perceel B heeft als enige nog een glastuinbouw bestemming, waar de laatste resterende grote kassen zijn gesloopt. Kleinschalige agrarische bebouwing Opvallend is de overwegend orthogonale bebouwingsrichting: haaks op het pad en in lijn met de richting van de percelen. De verschillende gebouwen met gelijkwaardige korrelgroottes vormen clusters geconcentreerd rondom het landpad. De bebouwing is te typeren als een kleinschalige agrarische bebouwingstypologie met een zeer lage dichtheid en voornamelijk bestaand uit schuren en stallen met 1 laag en een kap. De bestaande bebouwing aan het landpad heeft met name een gevelbekleding van behandeld of blank hout.