CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007045] Bijlage 1 behorende bij 23bb007046 over Ontwerpbestemmingsplan “Kabels- en leidingenstrook Antarcticaweg”

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 14 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting22.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2

Financiële uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden binnen het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden.

5.2.1

Exploitatieplan

Op grond van artikel 6.12 Wro moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan waarin (bepaalde) nieuwe bouwplannen worden mogelijk gemaakt, tevens een exploitatieplan te worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgezien indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dat is hier het geval. Bij de verzelfstandiging van het (toen nog) Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, zijn tussen de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam N.V. afspraken gemaakt over het beheer van het havengebied. Daarbij is afgesproken dat het Havenbedrijf verantwoordelijk is voor het beheer van het gebied, en wel via een erfpachtconstructie. Het Havenbedrijf sluit als erfpachter van het gebied bij de uitgifte van terreinen (onder)erfpacht- en huurcontracten af met toekomstige gebruikers waarin afspraken worden gemaakt over onder meer het kostenverhaal (privaatrechtelijke exploitatieovereenkomst). In deze afspraken worden de kosten die gemaakt moeten worden voor het bouwrijp maken van het gebied, de aanleg van

31 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte betrokken. Deze kosten komen daarom niet ten laste van de gemeente Rotterdam. Het vaststellen van een exploitatieplan is dus niet nodig.

5.2.2 Planschade Er wordt geen noemenswaardige planschade verwacht. Voor zover er al sprake is van het wegbestemmen van huidige mogelijkheden, zijn de gronden over het algemeen in eigendom van de gemeente en in eeuwigdurende erfpacht gegeven aan het havenbedrijf. De op die gronden gevestigde bedrijven beschikken over tijdelijke huur- of erfpachtovereenkomsten, die - mede gelet op het overgangsrecht - gestand kunnen worden gedaan, zodat naar verwachting geen (plan)schade optreedt. De uiteindelijke bepaling en eventuele vergoeding van planschade vindt plaats conform de Wet ruimtelijke ordening.

32 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Bijlage(n)

BIJLAGE: BUREAUONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Bijlage I | Definitief 02

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Deelonderzoek externe veiligheid Havenbedrijf Rotterdam Bestemmingsplan K&L-strook Neste Haven Rotterdam Havenbedrijf Rotterdam N.V. 120872 Concept 02 10 december 2020 120872/20-018.993 mw. M.K. Wingelaar MSc, Q.V. Tran MSc J.W. Slaa MSc mw. drs.ing. A. van de Werfhorst

Paraaf

Bijlage(n)

Bestemmingsplan leidingenstrook aan de Antarcticaweg

Aan

Havenbedrijf Rotterdam N.V.

Kopie

1

AANLEIDING

Havenbedrijf Rotterdam N.V. wil de bestaande kabel- en leidingenstrook aan de zuidzijde van de Antarcticaweg in Rotterdam uitbreiden. Om de kabel- en leidingstrook planologisch te beschermen, moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Eén van de deelonderzoeken die hiervoor wordt uitgevoerd betreft het thema externe veiligheid. Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu door gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. In dit project wordt alleen (nieuw) vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen mogelijk gemaakt. In deze notitie worden de veiligheidsaspecten onderzocht voor het vastleggen van deze buisleidingen in het bestemmingsplan.

2

SITUATIE

De kabel- en leidingstrook ligt grotendeels in het deelgebied Maasvlakte 1, en in het westen voor een klein deel in Maasvlakte 2. Het Haven Industrieel Complex is aangewezen als concentratiegebied voor bedrijven met activiteiten met gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde woonkernen met kwetsbare objecten liggen op meer dan 5 km afstand van het projectgebied (Hoek van Holland op circa 6 km en Oostvoorne op 7 km afstand). In het projectgebied zijn wel kwetsbare objecten aanwezig, dit zijn kantoren behorende bij risicovolle bedrijven (inrichtingen) die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in dit gebied. Ook zijn er in de omgeving windturbines aanwezig, die een risico vergrotend effect kunnen hebben op de kabel- en leidingstrook. Het onderzoeksgebied is opgenomen in afbeelding 2.1. De gedetailleerde ligging van de kabel- en leidingstrook is opgenomen in bijlage I.

Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

Afbeelding 2.1 Locatie (blauw) van de geplande uitbreiding van de kabel- en leidingstrook in de Maasvlakte in Rotterdam.

3

WETTELIJK KADER

3.1

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het wettelijke toetsingskader voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). Hierin staan de regels voor het vastleggen van de buisleidingen en de externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen, evenals de verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. Alleen leidingen in een leidingenstrook vallen onder het Bevb. Leidingen die niet in de openbare ruimte liggen en nodig zijn voor bedrijfsprocessen, zijn meegenomen in de vergunning van de betreffende inrichting. De volgende soorten buisleidingen vallen onder het Bevb: - buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer, of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor vergiftige stoffen, en - buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Onder deze stoffen vallen de brandbare gassen (o.a. propaan, butaan en waterstof) en giftige stoffen (o.a. chloor, ammoniak, koolmonoxide en formaldehyde).

3.2

Buisleidingen in bestemmingsplannen

In het Bevb is vastgelegd dat de ligging van buisleidingen in het plangebied altijd weergegeven moet worden in het bestemmingsplan. Daarnaast moet er ook een belemmeringenstrook worden vastgelegd van tenminste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Deze strook moet vrij blijven ten behoeve van onderhoud van de buisleiding. Dit betekent dat zonder omgevingsvergunning geen grondroerende activiteiten mogen plaatsvinden en geen andere activiteiten worden uitgevoerd die schadelijk voor de buisleidingen kunnen zijn. Ook mogen binnen de belemmeringenstrook geen kwetsbare objecten aanwezig zijn.

2 | 6

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Concept 02

Er moet met de leidingexploitanten worden afgestemd of tijdens de looptijd van het bestemmingplan het gebruik van de buisleiding onveranderd blijft. De risico's van de omgeving hangen namelijk af van de soort stof en de druk waaronder deze in de leiding getransporteerd wordt. Indien de breedte van de leidingenstrook (binnengebied tussen de belemmeringenstroken) ruimte laat voor meerdere leidingen, is het belangrijk dat in het bestemmingsplan ook wordt aangeven wat voor een soort buisleiding dit maximaal kan zijn.

3.3

Risicoverantwoording

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan zijn volgens het Bevb de volgende risicobegrippen van belang voor buisleidingen: het plaatsgebonden risico (PR), het groepsrisico (GR) en (beperkt) kwetsbare objecten. De twee risicobegrippen en de wijze van toetsing zijn in de volgende paragrafen nader toegelicht. Voor de definitie van (beperkt) kwetsbare objecten verwijst het Bevb naar het Bevi. Verder worden ook de relevante externe veiligheid aspecten van windturbines beschouwd in dit rapport.

3.3.1

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een buisleiding. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de buisleiding. Voor buisleidingen die onder het Bevb vallen (en die geen hogedruk aardgasleidingen zijn), mag het PR op 5 meter afstand aan weerszijden van de buisleiding niet hoger zijn dan 10-6 per jaar (artikel 6 Bevb). Er wordt gemeten uit het hart van de buisleiding. Dit betekent dat de PR 10-6-contour bij een nieuwe buisleiding binnen de belemmeringenstrook komt te liggen. Kwetsbare objecten mogen nooit binnen de belemmeringenstrook van de buisleiding liggen. Voor beperkt kwetsbare objecten geld de 10-6 contour als richtwaarde, wat betekent dat deze hierbinnen alleen aanwezig mogen zijn als hiervoor voldoende verantwoording is gegeven.

3.3.2 Groepsrisico Het groepsrisico is de cumulatieve kans per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een ongeval met een buisleiding met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt weergegeven op een fN-curve met op de y-as de cumulatieve kans per jaar (f) op een ongeval met een aantal slachtoffers (N). Op de x-as is het aantal slachtoffers (N) weergegeven op een logaritmische schaal (een voorbeeld is weergegeven in Afbeelding 3.1). Deze curve wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, waarbij de fN-curve zich bij voorkeur onder de oriëntatiewaarde moet bevinden. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde niet als norm, maar is gekoppeld aan een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag wordt geacht zich zoveel mogelijk aan deze waarde houden, maar mag hiervan wel goed onderbouwd van afwijken. De overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt daarmee bewust verantwoord.

3 | 6

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Concept 02

Afbeelding 3.1 Voorbeeldweergave van een groepsrisico-curve

OE-QA

0 E -05

OEM

0 E -07

0 E -08

QE-o»

Oriënterend» waarde Groepsrisico-curve

DE-10

Aantal slachtoffersINI —^

3.3.3 Windturbines Windturbines hebben mogelijk een risico vergrotend effect op nabijgelegen buisleidingen, omdat falende windturbines schade kunnen veroorzaken aan ondergrondse leidingen. Hierdoor kunnen windturbines een domino-effect veroorzaken, waarbij falen van de windturbine ook falen van de buisleiding tot gevolg heeft. In de Handreiking Risicozonering Windturbines zijn voor ondergrondse buisleidingen adviesafstanden gegeven om aan te houden waarbuiten geen significant additioneel risico van een windturbine is te verwachten.1 2 Deze afstand hangt samen met de gevolgen voor de omgeving wanneer de windturbine omvalt of een blad afbreekt. Voor ondergrondse buisleidingen zijn de volgende afstanden geadviseerd: - maximale werpafstand bij nominaal toerental; - ashoogte + V2 rotordiameter.

4

ANALYSE EXTERNE VEILIGHEID

4.1

Plaatsgebonden risico

Zoals eerder beschreven is de grenswaarde voor het PR van een buisleiding 10-6 op 5 meter vanuit het hart van de buisleiding. De insteek van het Bevb is dat vaststelling van een belemmeringenstrook op (tenminste) 5 meter van de buisleiding conform artikel 14 van het Bevb er inherent toe leidt dat er geen kwetsbare objecten te realiseren zijn binnen de PR 10-6 contour. Voor de bestaande leidingen hebben de exploitanten als gevolg van het inwerkingtreding van het Bevb op 1 januari 2011 drie jaar de tijd gehad om het PR tot dit niveau te reduceren, indien dat noodzakelijk was. Daarmee is zeker dat de bestaande leidingen voldoen aan de PR grenswaarde. Nieuwe leidingen kunnen slechts aangelegd worden indien voldaan wordt aan de PR grenswaarde. De opname van een belemmeringenstrook rond de buitenste (voorziene) buisleidingen in dit bestemmingsplan borgt dat er geen overschrijdingen van de PR grenswaarde mogelijk zijn. Daarmee is er sprake van een acceptabel plaatsgebonden risico voor de gerealiseerde en te realiseren buisleidingen.

1 https:ZZwww.infomil.nlZonderwerpenZveiliaheidZbevi-reviZ@110781Zaroepsrisico/ 2 Handreiking Risicozonerina Windturbines, 2020

4 | 6

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Concept 02

4.2

Groepsrisico

Hieronder wordt het groepsrisico beschouwd en verantwoord van de geprojecteerde uitbreiding van de kabel- en leidingenstrook over Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2. In het bestemmingsplan van Maasvlakte 1 zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd voor de huidige en toekomstige situatie, rekening houdend met uitbreidingen van buisleidingen en toename van populatieaantallen.1 Voor buisleidingen was niet bekend welke leidingen er in de toekomst aangelegd zouden worden. Daarom is uitgegaan vijf maatgevende stoffen: ethyleen, propyleen, ammoniak, chloor en aardgas. Wel was, op basis van de bestemmingsplannen, bekend waar deze aangelegd zouden worden. Hieronder zijn de conclusies gegeven voor drie soorten mogelijke leidingen binnen het plangebied Maasvlakte 1: - de hogedruk aardgasleidingen in het plangebied hebben geen groepsrisico boven de wettelijke oriëntatiewaarde. De extra populatie op de ontwikkel- of veranderlocaties heeft nauwelijks invloed op de hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgasleidingen; - voor het vervoer van brandbare vloeistoffen (K1, K2 en K3) door buisleidingen komt voor enkele leidingen het berekende groepsrisico wel boven de oriëntatiewaarde uit. Hierbij is uitgegaan van de worst-case benadering ten aanzien van de tijd die benodigd is om de leiding bij een incident af te sluiten, de stroomsnelheid door de leidingen en de rekenmethode.

Risicobeperkende maatregelen zijn daarin nog niet meegenomen. Feitelijk liggen de risico's dus lager dan de berekende risico's. Ondanks het feit dat op een enkele plaats sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico acht de gemeente, onder meer vanwege de worst-case benadering en de maatregelen en de grote zelfredzaamheid van de werknemers in het plangebied het risico aanvaardbaar; - voor de 'overige leidingen' worden geen overschrijdingen van de oriëntatiewaarde verwacht Volgens het bestemmingsplan van Maasvlakte 2 is het groepsrisico van huidige buisleidingen onder de oriëntatiewaarde, omdat de populatie nauwelijks verandert door het plan.1 2 De geprojecteerde uitbreiding van de kabel- en leidingenstrook in het nieuwe bestemmingsplan, die voor een klein deel in Maasvlakte 2 komt, leidt ook niet tot toename van de populatie. Op gelijke wijze kan dus verantwoord worden dat het groepsrisico ook niet zal toenemen of boven de oriëntatiewaarde zal komen.

Uit bovenstaande is te concluderen dat het groepsrisico van de geprojecteerde uitbreiding van kabel - en leidingenstrook aanvaardbaar is, omdat de risicoverhoging door additionele leidingen al voorzien was en (zeer) conservatief was ingeschat, de populatie door de nieuwe ontwikkeling onveranderd blijft, de eerder uitgevoerde risicoberekeningen nog geen rekening konden houden met risicobeperkende maatregelen en de grote zelfredzaamheid van werknemers in het gebied.

4.3

Windturbines

In het Handboek Risicozonering Windturbines 2014 zijn generieke ashoogtes, vermogens en turbine gegevens gegeven van windturbines.3 De grootste maximale werpafstand bij nominaal toerental is 245 m (uitgaande van een windturbine van type IEC 2, vermogen van 5000 kW en ashoogte van120 m). De grootste werpafstand op basis van ashoogte en V2 rotordiameter wordt bereikt als gevolg van het gebruik van generieke windturbines met een ashoogte van 120 m en een rotordiameter van 120 m. Dit leidt tot een werpafstand van 180 m. De dichtstbijzijnde windturbines liggen op circa 1.6 km afstand van de kabel - en leidingenstrook, zie afbeelding 4.1. Hieruit volgt dat de windturbines geen risico verhogend effect hebben op de ondergrondse leidingen.

1 Bestemmingsplan Maasvlakte 1, IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1048Maasvlakte1-va04 2 Bestemmingsplan Maasvlakte 2: IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1111Maasvlakte2-va02 3 Handboek Risicozonering Windturbines (3.1, 2014), tabel 2 en tabel 14.

5 | 6

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Concept 02

Afbeelding 4.1 Locaties windturbines Maasvlakte 1 en 2. Rood: windturbines, blauw: kabel- en leidingenstrook

»

«

jįàáŕJíŠ

5

CONCLUSIE

Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de uitbreiding van een bestaande kabel- en leidingstrook door Havenbedrijf Rotterdam N.V. is het thema externe veiligheid in deze notitie beschouwd aan de hand van een bureaustudie. Op basis van deze resultaten vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan. Door realisatie van een belemmeringenstrook conform artikel 11 van het Bevb is sprake van een acceptabel plaatsgebonden risico voor de gerealiseerde en te realiseren buisleidingen. Zowel in de huidige als in de geplande situatie is het groepsrisico voldoende verantwoord. De afstand van de huidige en geplande windturbines en de leidingenstrook is groot genoeg om geen risicoverhogend effect op de buisleidingen te hebben.

6 | 6

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Concept 02

BIJLAGE: BESTEMMINGSPLAN LEIDINGENSTROOK AAN DE ANTARCTICAWEG

Witteveen + Bos | 120872/20-018.993 | Bijlage I | Concept 02

o o P

BESTEMMINGSPLAN LEIDINGENSTROOK AAN DE ANTARCTICAWEG Gemeente Rotterdam

Wĩtteveen

NL.IMRO.xxxx.yyyyyyyyyyyyyyyyyy-zzzz projectnr. OPDR:

120872

status:

concept

wijziging:

! tekenaar

projectnr. VWP:

20WITTB012

concept:

04-11-2020 1 MV

wijziging:

! tekenaar

schaal:

1:2500

voorontwerp:

..-..-.... ! tekenaar

wijziging:

..-..-.... ! tekenaar

formaat:

A0

ontwerp:

..-..-.... ! tekenaar

wijziging:

..-..-.... ! tekenaar

deelplan:

1 van 1

vastgesteld:

..-..-.... ! tekenaar

bestandsnaam:

20WITTB012-002.dwg

Torenallee 45 5617 BA Eindhoven www.viewpoint.nl

info@viewpoint.nl

040 304 10 85

BIJLAGE: QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Bijlage II | Definitief 02

Witteveen

į-įpļiïtvTiff II

,

.

' :-

•^'"^Ä^Sev-

‘.. .-

:. ‘iv

SËSP

---

•■ť - ť' ŵVív’ŵ''

mx? í ÜÜİL

1

b.řŵl 'V ’JLI K. ŴšĄiįyà

:S*fS!

WĶ **í;

šĘfäļ*

fe-,'

'ftiīíŴ

r '. --

^gpTŴšJ ',:Ŵ;

«Ss

řŵätei

plfĄ fewfe

V*:V. 111

:»^.:ŵ'? -

-•' V ofe-

' S\

, t..

-____g

Bestemmingsplan K&L-strook Neste Haven Rotterdam Quickscan natuurwetgeving

Havenbedrijf Rotterdam N.V. 18 mei 2022

•V-í-? .:.

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Bestemmingsplan K&L-strook Neste Haven Rotterdam Havenbedrijf Rotterdam N.V.

Quickscan natuurwetgeving Definitief 02 18 mei 2022 120872/22-007.376

120872 Drs.ing. A. van de Werfhorst Drs. M.J. Schilt

J. Aernouts Ir. W.B. Roosen Drs.ing. A. van de Werfhorst

Paraaf

Adres

Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen + Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen + Bos

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen + Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen + Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Leeswijzer

5

2

PLANGEBIED

6

2.1

Beschrijving

6

2.2

Werkzaamheden

8

3

TOETSINGSKADER

9

3.1

Wet natuurbescherming

9

3.1.1 3.1.2

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

9 9

4

GEBIEDSBESCHERMING

12

4.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

12

4.1.1 4.1.2

12 13

4.2

Gegevens Effecten en conclusie

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

14

4.2.1 4.2.2

14 14

Gegevens Effecten en conclusie

5

SOORTENBESCHERMING

15

5.1

Methode

15

5.2

Beschrijving per soortgroep

15

5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7

15 17 20 20 23 25 25

Flora Zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vis

5.2.8

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

26

6

SAMENVATTING

27

6.1

Gebiedsbescherming

27

6.1.1 6.1.2

27 27

Natura 2000 (Wnb) Natuurnetwerk Nederland (NNN)

6.2

Soortenbescherming

27

7

LITERATUUR

29

Laatste pagina

29

Bijlage(n) I

AERIUS-berekening werkzaamheden

Aantal pagina's

13

1 INLEIDING

1.1

Aanleiding

Havenbedrijf Rotterdam N.V. is voornemens om de bestaande kabels- en leidingenstrook aan de Antarticaweg uit te breiden. Om de uitbreiding van de bestaande kabels- en leidingenstrook planologisch te beschermen, dient een bestemmingsplan te worden opgesteld. De werkzaamheden in de uitbreidingzone van de kabels- en leidingenstrook kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied. In deze quickscan worden de mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.

1.2

Doel

Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden aan de werkzaamheden hebben op: beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). In de gebruiksfase worden op voorhand geen negatieve effecten op beschermde natuurwaarden verwacht. Na de werkzaamheden wordt het plangebied in haar oorspronkelijke staat hersteld. Van een bijkomend negatief effect is daardoor geen sprake. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten uit te sluiten. Om die reden wordt in de onderliggende rapportage niet verder ingegaan op de effecten in de gebruiksfase.

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 5 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde NNN-gebieden. In hoofdstuk 6 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.

5 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

2 PLANGEBIED

2.1

Beschrijving

Het plangebied is gelegen in de gemeente Maasvlakte Rotterdam, een industriegebied gelegen in de Maasmonding nabij Rotterdam. Het plangebied bestaat uit een lange strook die parallel aan de Antarticaweg gelegen is. Het plangebied en haar directe omgeving betreft een open, monotoon braakliggend industrieterrein. Er bevinden zich geen gebouwen of bomen binnen het plangebied. De aanwezige vegetatie bestaat uit typische ruigte- en pioniersvegetatie van opgespoten gronden waarin soorten zoals gewone rolklaver, kleine leeuwentand, middelste teunisbloem, slangenkruid, Jacobskruiskruid en bolletjesraket voorkomen. Parallel aan de Antarticaweg is een afwateringsgreppel aanwezig. Ten tijden van het veldbezoek (15 juli 2020) stond deze droog en was deze begroeid met terrestrische vegetatie. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het Yangtzekanaal, ten zuiden een grootschalig industriegebied.

Afbeelding 2.1 Locatie plangebied

1000 m Plangebied

6 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 2.2 detail westelijk uiteinde plangebied

200 m Plangebied

Afbeelding 2.3 Impressie van het plangebied

üįäjfc. ~ 'ä

'V

-ixv

HO

äÉSSį

2E3G

f "■'V;

.

-

Jhřfč

ř' &S43

7 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

______

:

i

•my&ļ-

mESBäSsmm

-

tí^ţsfes

Wfe-' '

'

r«5ľ

;

«ZP-

' K

'•trv J____

2.2

Werkzaamheden

De exacte werkzaamheden in de uitbreidingszone van de kabels- en leidingenstrook zijn nog niet bekend. In deze quickscan wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij er gegraven wordt met zwaar materieel en aan- en afvoer van materieel plaatsvindt door middel van dumpers of vrachtwagens. Er wordt er van uit gegaan van de werkzaamheden een doorlooptijd van enkele weken hebben en alleen overdag plaatsvinden.

8 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

3 TOETSINGSKADER

3.1

Wet natuurbescherming

3.1.1

Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een 'passende beoordeling' te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q.

de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de 'ADC-criteria' voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.

3.1.2 Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en 'andere soorten' (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten

Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied.

9 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen.

Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten

Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern. Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. 'Andere soorten'

Het beschermingsregime voor de 'andere soorten' heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de

10 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht

In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: 'Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden'. De zorgplicht geldt altijd.

11 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

4 GEBIEDSBESCHERMING

4.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

4.1.1

Gegevens

Op een afstand van meer dan 3 km worden fysieke effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring bij voorbaat uitgesloten omwille van de afstand. Hierdoor worden enkel de Natura 2000-gebieden beschreven die op een afstand van minder dan 3 km van het onderzoeksgebied gelegen zijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van 1,4 km ten noordwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied 'Voordelta' [lit. 10]. Dit gebied werd in 2003 definitief aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied [VR + HR]. De Voordelta omhelst het ondiepe zeegedeelte van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta. Het gebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een gevarieerd en dynamisch milieu van kustwateren (zout), intergetijdengebied en stranden, dat een relatief beschutte overgangszone vormt tussen de (voormalige) estuaria en volle zee. Na de afsluiting van de Deltawerken is dit kustgedeelte sterk aan veranderingen onderhevig geweest, waarbij een uitgebreid stelsel van droogvallende en diepere zandbanken is ontstaan met daartussen diepere geulen. Door erosie- en sedimentatieprocessen treden verschuivingen op in de omvang van de intergetijdengebieden.

Daarbij heeft onder andere de 'zandhonger' van de Oosterschelde, maar ook de uitbreiding van de arealen door aanslibbing in de Kwade Hoek effect op de Voordelta (Westplaat). De waterkwaliteit wordt beïnvloed door met name de uitstroming van Rijn en Maas via de Haringvlietsluizen. Mede door deze aanvoer van voedingsstoffen kent de Voordelta een hoge voedselrijkdom. In de randen van het gebied bij Voorne en Goeree liggen een aantal schorren en meer slikkige platen. Verder horen ook de stranden van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden, waar plaatselijk duinvorming optreedt, tot het gebied. Overige Natura 2000-gebieden zijn gelegen op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied. Gezien de grote afstand worden deze gebieden hier niet verder beschreven.

12 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 4.1 Ligging Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied [lit. 11]

2000 m

I

4.1.2

I Plangebied I Voordelta

Effecten en conclusie

Fysieke effecten

Het onderzoeksgebied ligt op een afstand van 1,4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Voordelta. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ligt een drukke havenweg met veel vrachtverkeer. Gezien de aard van het Natura 2000-gebied (ondiepe zeegedeelte van de Zeeuwse en ZuidHollandse Delta), de aard van de werkzaamheden (graafwerken, enkel overdag) en de huidige verstoring van het reeds aanwezige vrachtverkeer kan worden uitgesloten dat fysieke effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht ('s avonds en 's nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen het betreffende Natura 2000-gebied als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie

De werkzaamheden resulteren in emissies van met name stikstofoxiden (NO2). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van vrachtverkeer en mobiele werktuigen. Deze emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebieden (stikstofdeposities kunnen ver reiken; ^ km en soms zelfs ^0 km). Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (3 km) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Voordelta) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening (bijlage I) toont aan dat het depositieresultaat van de werkzaamheden niet boven de 0,02 mol/ha/jr reikt. Deze toename valt binnen de beleidslijn waarbij projecten, met een tijdelijke stikstofdepositietoename van 0,05 mol N/ha/j gedurende maximaal twee jaar, vergunningsvrij kunnen worden toegestaan. Verdere vervolgstappen in het kader van stikstofdepositie zijn niet nodig. Overige (indirecte) effecten

Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden (geen invloed op het grondwater, geen lozing, etc.).

13 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Conclusie

Het onderzoeksgebied is gelegen op een minimale afstand van 1,4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied. Als gevolg van de aard van het Natura 2000-gebied, de aard van de werkzaamheden en de reeds aanwezige verstoring zijn effecten op de IHD van het beschermde natuurgebied op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

4.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

4.2.1

Gegevens

Het plangebied bevindt zich op een afstand van 1,4 km van het dichtstbijzijnde perceel behorende tot het NNN-netwerk van Zuid-Holland. Dit gebied heeft de naam 'grote wateren en Noordzee' met natuurbeheertype Zee en wad (N01.01) en overlapt grotendeels met Natura 2000-gebied. Er is geen verbindingszone aanwezig in de omgeving van het plangebied.

Afbeelding 4.2 Dichtstbijzijnde NNN-gebieden [lit. 12]

M Plangebied

2000 m I

4.2.2

I NNN-netwerk Zuid-Holland

Effecten en conclusie

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gebieden van het NNN-netwerk waarop het natuurbeheertype Zee en wad (N01.01) aanwezig is. Het plangebied zelf valt echter buiten de contouren van dit NNN- netwerk. In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Doordat de ingreep niet plaatsvindt binnen gebieden die behoren tot het NNN, zijn significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.

14 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

5 SOORTENBESCHERMING

5.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 1]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 15 juli 2020 door een ecoloog van Witteveen + Bos. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.

5.2

Beschrijving per soortgroep

5.2.1

Flora

Bureaustudie Uit de database van de NDFF [lit. 4] blijkt dat de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied de beschermde florasoort glad biggenkruid is waargenomen (zie afbeelding 5.1). De biotoopeisen van deze soorten staan beschreven in het kader hieronder. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 2].

15 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.1

Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van onder de Wnb beschermde flora in de nabijheid van het plangebied [lit. 1]1

2000 m

Plangebied Glad BES biggenkruid

Glad Biggenkruid Glad biggenkruid komt voor op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand). De planten groeien op akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Hoewel deze soort oorspronkelijk inheems was, is hij in Nederland nu zeer zeldzaam. Het voorkomen van de soort kent sinds 1950 een sterk dalende trend. Hij staat dan ook op de rode lijst vermeld als bedreigde soort [lit. 2].

Veldbezoek

Het plangebied biedt geschikt biotoop aan glad biggenkruid. De plangebied bestaat immers uit open, zonnig braakliggend terrein. Het veldbezoek vond plaats in de bloeitijd (juni - september) en het plangebied was niet recent gemaaid. Tijdens het veldbezoek is de soort echter niet waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan andere beschermde flora. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit algemeen voorkomende ruigte- en pioniersvegetatie typisch voor opgespoten gronden (o.a. gewone rolklaver, kleine leeuwentand, middelste teunisbloem, slangenkruid, Jacobskruiskruid en bolletjesraket; afbeelding 5.2).

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

16 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.2 Impressie van de aangetroffen vegetatie

ř" r

JŻÍTİ

1 n

r-

ran ■BB

Effecten en conclusie

Het voorkomen van glad biggenkruid binnen het plangebied is niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Indien uit nader onderzoek volgt dat deze soort aanwezig is in het plangebied moeten deze groeilocaties vermeden worden (niet graven en geen transportroute). Indien dit niet mogelijk is, dienen de aanwezige planten door een erkend ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden verplaatst te worden. Voor deze handeling is een ontheffing van de Wnb nodig. Gezien de afstand van bekende waarnemingen en het ontbreken van geschikt biotoop kan het voorkomen van andere onder de Wnb beschermde florasoorten binnen het plangebied worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soorten niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.2 Zoogdieren Bureaustudie

Op basis van de NDFF-database [lit. 1] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende zoogdiersoorten. Het betreft soorten als egel, haas, konijn, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Voor het verstoren van deze 'Andere soorten' van de Wnb geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling bij ruimtelijk ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de zoogdiersoorten met het beschermingsregime 'Andere soorten' van de Wnb bunzing en wezel (afbeelding 5.3). Tevens zijn de Habitatrichtlijnsoorten bever, bruinvis, bultrug, dwergvinvis, gewone zeehond en grijze zeehond waargenomen.

17 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.3

Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 1]1

A

1000

1500 2000 m

Plangebied » Bever ® Bruinvis » Bultrug * Bunzing « Dwergvinvis e Gewone zeehond * Grijze zeehond Wezel

De biotoopeisen van deze soorten worden in onderstaand kader beschreven. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden) [lit. 3]. Bruinvis Bruinvis leeft voornamelijk in zout water maar kan ook in brak water worden aangetroffen. Dit zijn voornamelijk randzeeën, maar ze leven ook in baaien en riviermondingen en het komt voor dat een bruinvis een rivier opzwemt. Bruinvissen leven het liefst in water tot een diepte van ongeveer 300 m. Het water moet subpolair of gematigd zijn (in elk geval beneden de 17QC ). De temperatuur van het water aan het oppervlak is in onze Noordzee soms boven de 17QC, soms 20oC of meer, maar iets dieper is voldoende koud water te vinden [lit. 3]. Bultrug Het oceanische leefgebied strekt zich uit van de polen tot de evenaar. Bultruggen komen voor in diep water, maar durven ook dichter bij de kust te komen dan andere vinvissen [lit. 4]. Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

18 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten [lit. 3]. Dwergvinvis

Dwergvinvissen komen voor in alle oceanen, maar het meest zijn ze te vinden in koudere wateren. De soort kan ook dicht bij de kust voorkomen [lit. 4]. Gewone zeehond

De gewone zeehond leeft voornamelijk in getijdengebieden waar plekken aanwezig zijn die bij eb droogvallen. Deze plekken zijn vooral te vinden langs zandige kusten en rotskusten, maar ook op met wier bedekte riffen, kiezelsteenstranden, zandplaten en stenen. Ze hebben een sterke voorkeur voor rustige plekken, zonder menselijke aanwezigheid. In Nederland worden ligplaatsen van de gewone zeehond aangetroffen in de Waddenzee en in het Delta gebied. De meeste gewone zeehonden blijven in het gebied waar bekend zijn en er is ook weinig seizoenstrek. Wel treedt uitwisseling op tussen de verschillende gebieden waar de soort voorkomt, met name door jonge dieren [lit. 3]. Grijze zeehond

De grijze zeehond komt voornamelijk in zeewater met rotskusten en bij zee kliffen voor. Ook worden ze waargenomen bij zandbanken, ijsplaten, riviermondingen en zandstranden en kiezelstranden. De grijze zeehond was in een ver verleden waarschijnlijk algemener in de Noordzee dan de gewone zeehond. In de Middeleeuwen werden ze in de Waddenzee door de mens uitgeroeid. Rond 1950 werden de eerste grijze zeehonden in Nederland gezien en sinds 1980 vindt weer voortplanting aan de Nederlandse kustwateren plaats. Tegenwoordig komt de grijze zeehond weer op een aantal plekken in de Waddenzee algemeen voor. Sinds 2006 vindt ook voortplanting in de Voordelta plaats. De grijze zeehond gebruikt het hele jaar plaatsen om te rusten en daarnaast ook voor de voortplanting en de verharingsperiode. Dit zijn bij voorkeur zandbanken die met normaal hoogwater niet onderwaterlopen. Maar ook kliffen, rotsen en ijsplaten worden hiervoor gebruikt. Naast die hoge plekken worden ook regelmatig grijze zeehonden op dezelfde banken als de gewone zeehonden aangetroffen [lit. 3]. Wezel

Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt [lit. 3].

Veldbezoek

Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde zoogdiersoorten. De omgeving van het plangebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende algemeen voorkomende soorten van het beschermingsregime 'Andere soorten' van de Wnb zoals konijn, haas, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan bever, bunzing en wezel. Het plangebied en haar directe omgeving bestaat uit een open, monotoon braakliggend industrieterrein en ontbreekt aan oevers met bomen (bever) en voldoende vegetatie om te schuilen (bunzing, wezel). Het plangebied biedt tevens geen geschikt leefgebied aan bruinvis, bultrug, dwergvinvis, gewone zeehond of grijze zeehond. Het plangebied betreft immers een braakliggend industrieterrein en ontbreekt aan open water of een rustplaats (rotskusten of zandplaten). Het voorkomen van deze watergebonden zoogdiersoorten tot in het plangebied is uitgesloten.

19 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Effecten en conclusie

Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten ('Andere soorten' Wnb) binnen het plangebied, zoals haas, konijn, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan bever, bruinvis, bultrug, dwergvinvis, bunzing, gewone zeehond, grijze zeehond of wezel. Het voorkomen van deze soorten tot in het plangebied is uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet nodig. Wel is steeds de zorgplicht van kracht.

5.2.3 Vleermuizen Bureaustudie

Uit de database van de NDFF [lit. 1] blijkt dat de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied geen vleermuizen zijn waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikte habitat voor de vleermuizen. Dit is geverifieerd tijdens het veldbezoek van 15 juli 2020. Veldbezoek

Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen en deze worden hier ook niet verwacht. Het plangebied ontbreekt aan geschikte gebouwen of bomen als potentiële verblijfplaatsen. Tevens biedt de directe omgeving van het plangebied geen geschikt foerageergebied (geen bomen, struikvegetatie of graslanden) en ontbreekt het aan lijnvormige landschapselementen welke als mogelijke vliegroute dienst kunnen doen. Effecten en conclusie

Van vernietiging van verblijfplaatsen of verstoring van vleermuizen in verblijfplaatsen is geen sprake. De aanwezigheid van foerageergebied of een vliegroute boven en langs de plangebieden kan tevens worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuizen zijn uit te sluiten. Nader onderzoek en een ontheffingsaanvraag zijn daarom niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.

5.2.4 Vogels Bureaustudie

In de afgelopen vijf jaar werden in de wijdere omgeving van de planlocaties verschillende vogelsoorten waargenomen zoals braamsluiper, nachtegaal, tjiftjaf, zanglijster en zwartkop. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft buizerd, ransuil, slechtvalk en torenvalk. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Er zijn aantal waarnemingen bekend die wijzen op de aanwezigheid van een nest, namelijk van buizerd en slechtvalk (afbeelding 5.4).

20 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.4

Nest-indicerende waarnemingen van soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn in de afgelopen 10 jaar in de nabijheid van het plangebied [lit. 1]1

2000 m

I Plangebied ® Buizerd » Slechtvalk

De biotopeneisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 6]. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal [lit. 6].

Veldbezoek Het open landschap (braakliggend industrieterrein) biedt een geschikte nestgelegenheid voor grondbroeders zoals zilvermeeuw, kokmeeuw of visdief en stellopers zoals kleine plevier en scholekster. Het voorkomen van deze algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk (afbeelding 5.5).

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

21 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.5 Aanwezige vogels nabij het plangebied

À y s/

İT»a-~ç.'. ,

i

. -: ’ v'

Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Tevens werden geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. In (de nabijheid van) het plangebied is geen geschikt nestgelegenheid aanwezig voor deze soorten. Het ontbreekt immers aan geschikte nestbomen (buizerd) en geschikte gebouwen of elektriciteitsmasten (slechtvalk). Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid aan buizerd of slechtvalk. Het voorkomen van deze soorten tot in het plangebied is uitgesloten. Er is van (indirecte) aantasting of vernietiging van jaarrond beschermd nesten van buizerd of slechtvalk geen sprake. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk.

De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.

22 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

5.2.5 Amfibieën Bureaustudie In de NDFF-database [lit. 1] zijn waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort rugstreeppad in de wijde omgeving ^3 km) van het plangebied (afbeelding 5.6). Gezien de verspreidingsgegevens (afbeelding 5.7), het aanwezige habitat en het feit dat rugstreeppad een zeer mobiele soort is die grote afstanden kan afleggen is te verwachten dat rugstreeppad tevens zou kunnen voorkomen tot in het plangebied.

Afbeelding 5.6

Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van onder de Wnb beschermde amfibieën in de wijde omgeving van het plangebied [lit. 1]1

500 1000 1500 2000 m

1

H Plangebied « Rugstreeppad

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

23 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

Afbeelding 5.7 Verspreidingsatlas rugstreeppad [lit. 7]

Rugstreeppad

Hit .■i ;s ilKĪ

«■■■a

liïSH

«2000 (797 atlasblokken) 2020 (695 atlasblokken i niet wild i :;z:

mcff

De biotoopeisen van deze soort wordt in onderstaand kader beschreven. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Een voorwaarde is wel dat het water niet zuurder is dan pH 5. Brak water wordt getolereerd [lit. 8].

Veldbezoek Het plangebied is door haar open karakter met vergraafbare bodem geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. De soort is vooral gebonden aan ondiepe waterlopen (sloten) en plasdrassituaties, waar hij vaste verblijfplaatsen zoekt. Ten tijde van het veldbezoek (15 juli 2020) stonden de ondiepe afwateringgreppels in de omgeving van het plangebied droog. Het is echter niet uit de sluiten dat deze zeer mobiele soort die bovendien een uitstekende graver is, ook gebruik maakt van het plangebied en haar directe omgeving. Effecten en conclusie Op basis van de verspreidingsatlas [lit. 7], NDFF-data [lit. 1] en de aanwezigheid van geschikt biotoop, is het voorkomen van rugstreeppad in en nabij het plangebied niet uit te sluiten. De rugstreeppad, die gebonden is aan ondiepe poelen of waterlopen en open gebieden, kan voorkomen in de braakliggende terreinen in de nabije omgeving van het plangebied. Het plangebied zelf ontbreekt in haar huidige staat aan water. Het is echter aannemelijk dat in de uitvoeringsfase van de hier beschouwde werkzaamheden (bijkomend) tijdelijk geschikt leefgebied voor rugstreeppadden wordt gecreëerd. Zo wordt de grond plaatselijk kaal gemaakt (open, vergraafbare bodem), kunnen zich ondiepe regenwaterpoelen in de bandensporen van de werktuigen ontstaan (voortplantingswater) en kan werkmateriaal zoals kabels en platen op het werkterrein opgeslagen

24 | 29

Witteveen + Bos | 120872/22-007.376 | Definitief 02

(schuilplaatsen). De rugstreeppad is een zeer mobiele soort die makkelijk enkele kilometers om het huidige leefgebied kan opduiken op zoek naar dergelijke dynamische milieus. Gezien de nabijheid van geschikt leefgebied en de bekende verspreidingsgegevens van deze soort in de (wijdere) omgeving is niet uit te sluiten dat deze soort in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden ook binnen de grenzen van het plangebied opduikt. Individuele rugstreeppadden die sporadisch in het plangebied aanwezig zijn, kunnen worden verwond of gedood wanneer zij tijdens de werkzaamheden de planlocaties betreden en bijvoorbeeld onder de machines terechtkomen. Het verwonden of doden van individuen van de rugstreeppad is onder de Wnb verboden. Overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is te voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Voorafgaand aan de uitvoeringsfase dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarin maatregelen worden beschreven om verwonding of doden van de rugstreeppad te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c27d7c02-592b-4e4c-ae3b-8ecb21205329